Hoofdstuk 9 · 9 minuten lezen
De laatste sleutel
De achterdeur klemde nog precies zoals altijd. Mila moest haar schouder ertegen zetten terwijl oma de sleutel omdraaide. Binnen rook het naar een huis dat te lang zijn adem had ingehouden.
‘Niet met je schouder,’ zei Eva achter haar. ‘Til de klink een beetje op.’
Dat werkte. Eigenlijk vond Mila dat jammer. Ze had gedacht dat de deur haar nog kende.
In de gang stonden drie verhuisdozen en een bezem. Erboven zag je lichte rechthoeken waar schilderijen hadden gehangen. Oma zette haar boodschappentas naast de trap en keek op haar horloge.
‘De overdracht is om drie uur. Die dozen, de naaidoos en even met de bezem erdoor. Dan zijn we klaar.’
Mila liep alvast naar de keuken. Zonder gordijnen was die veel lichter dan op de doek in het buurthuis. De tafel stond er nog, maar de stoelen waren weg. Tegen de muur tekende zich een vettig streepje af waar oma's kookwekker had gezeten. Mila raakte het aan. Het was gewoon een streepje. Gisteren was ze door een raam van licht naar binnen gestapt; hier moest ze over een drempel die iemand met een stuk karton had afgeplakt.
Ze schoof haar hand onder de tafelrand. Daar zat het. Een opgedroogd druppeltje lijm, hard als een steentje.
‘Van de vuurtoren,’ zei ze.
Oma zette een emmer op het aanrecht. ‘Welke vuurtoren?’
‘Van die keukenrol. Die steeds omviel.’
‘O ja. Met dat zwaailicht dat we niet aan het zwaaien kregen.’
Ze glimlachte even en draaide toen de kraan open. De leidingen bonkten. Mila wachtte tot oma nog iets over de vuurtoren zou zeggen, maar ze spoelde een doekje uit.
‘Deze tafel kan toch mee?’ vroeg Mila.
‘Die hebben we besproken.’
‘Als hij een stukje van de muur staat. In de nieuwe kamer. Dan kan je eromheen.’
Oma kneep het doekje boven de emmer uit. ‘Dan kan mijn kast niet meer open.’
‘Een andere kast?’
‘Mila.’
Eva verscheen met twee lege draagtassen. ‘Wil je die pakken? De losse dingen boven gaan hierin.’
Mila nam de tassen aan zonder naar haar moeder te kijken. Het was veel te gemakkelijk om een kast belangrijker te vinden dan deze tafel. Een kast had geen lijm onder zijn rand van een vuurtoren die ze samen hadden gemaakt.
Op de eerste verdieping lagen twee gordijnhaken op de overloop. Mila stopte ze in haar broekzak. Misschien hoorde er nog een bij. Ze keek achter iedere open deur.
De naaikamer was kleiner dan de lichtkamer die ze zondag had gezien. Natuurlijk was hij even groot. Maar de echte kamer had geen koele glans langs de randen. Er stond alleen een houten naaidoos op de vensterbank. Het deksel ging in twee vleugels omhoog; binnenin zat een vakje vol knopen en een stalen schaar met een zwarte handgreep.
Mila tilde hem op aan het hengsel. Er rammelde iets onderin.
‘Recht houden,’ zei oma vanaf de deur. ‘Dat hengsel is vooral bedoeld voor een lege doos.’
Samen brachten ze hem naar beneden. Mila hield de onderkant vast en oma het andere uiteinde. Halverwege de trap moest oma even blijven staan om haar hand te verzetten. Haar ene voet paste maar half op de trede.
‘Zie je,’ zei ze toen ze beneden waren. ‘Dit ga ik niet missen.’
Mila keek naar de trap. Ze had er vroeger op haar billen vanaf gegleden. Daarvoor had hij eigenlijk precies de goede steilte gehad.
In de keuken wilde ze de naaidoos op tafel zetten, maar oma wees naar een schone handdoek op de vloer. De tafel was al voor de nieuwe bewoners. Mila zette de doos neer en klapte de twee vleugels een stukje open. Het bovenste vakje kantelde naar buiten. Tussen de knopen lag een oude buskaart.
‘Waarom bewaar je dat?’
Oma keek. ‘Geen idee. Misschien zat er een draad omheen.’
‘Mag hij weg?’
‘De kaart wel. Kijk of er nog iets achter zit.’
Er zat niets achter. Mila legde de kaart bij het oud papier. Voor de zekerheid keek ze nog een keer.
Eva pakte de dozen in de gang. Op een ervan had oma KEUKEN geschreven. Mila bukte zich om de onderkant te pakken.
‘Die wordt zwaar,’ zei Eva.
‘Ik kan hem.’
‘Dat denk ik ook. Maar ik moet ook die kant op. Even samen.’
Ze droegen de doos naar de auto. In de kofferbak schoof Mila hem naast de boodschappentas. Het leek nergens op dat een hele keuken in één doos paste. Ze keek door de achterruit naar het huis. Een man aan de overkant zette een fiets op slot, net als op alle andere maandagen.
Toen ze terugkwamen, stond oma met een meetlint bij de tafel.
Mila bleef in de deuropening staan. ‘Ga je het toch proberen?’
‘Ik meet hoe diep de lades zijn. Voor een nieuwe tafel.’
Het gele lint schoot terug met een tik. Oma noteerde een getal op de achterkant van een envelop.
‘Hier kun je met z'n drieën aan werken,’ zei Mila.
‘En hier moet ik om de poot heen met mijn knie. Die klapt niet meer zo gemakkelijk dubbel als jij.’ Oma wees naar het aanrecht. ‘Pak jij de bezem? Er liggen nog schroefjes in die hoek.’
Mila veegde. Onder het aanrecht kwam een dopje vandaan en daarna een stukje groen papier. Een blaadje van een van hun bloemen, misschien. Ze hield het tussen twee vingers omhoog.
‘Dat mag mee,’ zei oma.
‘Het is maar een snippertje.’
‘Jij houdt het vast.’
Mila deed het toch in haar zak, bij de gordijnhaken. Toen veegde ze verder.
Om vijf voor drie ging de bel. Een vrouw met een map kwam binnen en een man met een kleine jongen. Die jongen had een plastic vrachtwagen bij zich. Terwijl de volwassenen door de kamers liepen, reed hij hem tegen de plint van de gang. Rrrr. Bons. Rrrr.
Mila keek naar de schone keuken. Op de tafel zou straks misschien huiswerk liggen dat ze niet kende, of een krant met een koffievlek die niet van oma was. De jongen reed zijn vrachtwagen de drempel over. Niemand hield hem tegen.
Bij de achterdeur keek oma nog één keer naar de klink. ‘Een beetje optillen,’ zei ze tegen de man. Ze deed het voor.
Daarna legde ze de sleutel in zijn hand.
Mila had gedacht dat ze iets zou horen. Een klik, of de klok die opeens harder tikte. Maar de klok was al weg. De sleutel belandde tussen de vingers van de man, die zei dat hij ernaar zou laten kijken.
Ze gingen door de voordeur naar buiten. Eva droeg de naaidoos, oma had de envelop met de maten. Mila liep achter hen met de bezem. Ze was vergeten hem in de gang te laten.
‘Die is van ons,’ zei oma toen ze omkeek. ‘Goed dat je hem hebt.’
In de auto lag de doos met KEUKEN op de zijkant tegen Mila's knie. Ze drukte er met haar hand tegen, zodat hij in de bocht niet verschoof.
‘Kunnen we dinsdag weer naar de keuken?’ vroeg ze.
Eva keek in de binnenspiegel. Ze wist van de kamers, maar had ze nog niet gezien.
‘In het buurthuis bedoel je?’
Mila knikte.
‘Morgenavond proberen we het met de genodigden,’ zei oma. ‘Eerst moet deze doos naar boven. En dan wil ik brood.’
Mila liet het stukje groen papier uit haar zak op haar vlakke hand liggen. Ze wist nog steeds niet of het van hun bloem was. Ze wilde het niet aan oma vragen. Bij de volgende bocht sloot ze haar vingers eromheen.