Hoofdstuk 10 · 9 minuten lezen
De eerste rij
Mila zette drie stoelen voor het raamwerk en ging op de middelste zitten. Van hieruit kon je precies langs de rand van de poppenkast in de oude keuken kijken. Ze schoof de rechterstoel een stukje naar links. Wie daar zat, moest evenveel zien als de anderen.
Aron hield een blik boven haar hoofd en liet er iets in rollen. Het klonk alsof er grind over het plafond schoof.
‘Hoor je het verschil met zondag?’ vroeg hij.
‘Zachter?’
Hij kantelde het nog eens, langzamer. Nu hoorde Mila zachte tikjes. Ze keek vanzelf naar de hoge zaalramen.
Aron grijnsde. ‘Minder rijst. Eerst klonk het alsof iemand zijn tanden in een emmer gooide.’
‘Geen blik boven het hoofd van een gast,’ zei Ilyas, die met een kabelgoot over de vloer liep. ‘En zorgen dat hier niemand over een snoer struikelt.’
Hij legde de goot over het snoer van de gewone werklamp. De kapotte toneellamp stond apart, met een briefje voor de monteur; de afspraak was verzet. Ze hadden de grote doek al buiten geladen en binnen op de gladde rollen gebracht. Terwijl oma de keukenzone recht voor de opening hield, was Mila de stoelen gaan halen. Achter haar lichtte nu de tafel op waaraan ze gisteren nog had gestaan.
Op die tafel lag geen lijmdruppel. De opname was ouder dan haar vuurtoren.
Ze nam een opgevouwen vel uit haar zak. Bovenaan stond het begin dat ze thuis had bedacht. Ze hoefde niet steeds op haar papier te kijken. Dat maakte het zekerder.
De gordijnenvrouw kwam als eerste, met een boodschappentas waar een prei uit stak. Ze deed ook wel eens de limonade bij een voorstelling. Achter haar kwamen de man van het geluid, die onderweg nog een affiche recht hing, en de vrouw met de programma-agenda. Ze waren er maandag alle drie bij geweest. Ilyas wees de stoelen aan en vroeg of ze tien minuten wilden kijken, en daarna zeggen wat wel en niet werkte.
‘We hoeven niets uit ons hoofd te leren?’ vroeg de man.
‘Alleen wanneer je moet klappen,’ zei Aron.
Mila lachte, maar net iets te laat. Ze ging naast de opening staan, precies buiten de rand van het licht.
‘Dit was het huis van mijn oma,’ begon ze.
‘De keuken,’ zei oma.
‘Ja. Dit is de keuken. Je kunt er echt in. Alleen niet zomaar overal aan zitten.’
Oma keek op. Mila merkte het en voegde snel toe: ‘De spullen van licht bedoel ik. Die kunnen niet mee naar buiten.’
Ze stapte door de opening. De keuken kwam om haar heen te staan. Onder haar hand veerde de lichte tafel een beetje mee. Op de oude kruk, die ze nooit in het echte huis had gezien, zat een vaste witte vlek die nergens naar rook.
‘Hier maakte oma altijd van alles,’ zei Mila. ‘En haar moeder ook. Je had deze keuken nooit weg hoeven doen als je hem kon bewaren.’
Er kraakte een stoel in de zaal.
‘Wacht even,’ zei oma.
Mila draaide zich om. Vanuit de kamer zag ze oma aan de andere kant van de opening, haar handen los in haar schoot.
‘Dat was niet waarom ik verhuisde.’
‘Nee, maar nu kun je hier nog steeds—’
‘Ik had hier ook dagen dat ik alleen kwam om aardappels te schillen. Dan was het gewoon een keuken.’
De vrouw met de prei knikte. Mila keek naar de geleende achterdeur. Ze had in haar begin nergens aardappels staan. Oma had heel iets anders moeten zeggen. Misschien dat het fijn was dat de tafel nog bestond.
‘Je kunt het zelf proberen,’ zei ze tegen de gasten.
De geluidsman stak eerst zijn arm naar binnen en toen een voet. Hij keek naar zijn schoen alsof hij verwachtte dat die een andere kleur had gekregen. Daarna kwam hij helemaal door de opening. Met z'n tweeën stonden ze naast de tafel.
‘Mijn boodschappentas mag ook mee?’ vroeg de vrouw.
‘Die is echt,’ zei oma. ‘Die blijft van u.’
De vrouw liep met prei en al naar binnen. Ze bukte zich bij de koude fornuisvorm, raakte die kort aan en trok haar hand terug. ‘Ik weet zeker dat mijn moeder hier haar pannenkoeken zou laten aanbranden.’
De andere vrouw wilde alleen kijken. Dat had Mila niet verwacht. Ze schoof geen centimeter op toen Mila vertelde dat er niets kon gebeuren.
‘Ik zie het hier ook goed,’ zei ze.
Ilyas vroeg de twee bezoekers terug te komen, zodat ze naar de volgende kamer konden schuiven. De vrouw nam haar tas weer mee. Niets bleef hangen. Mila liet als laatste de tafel los en stapte naar buiten.
Aron stond met zijn regenblik klaar.
‘Eerst de naaikamer,’ zei Mila.
‘We zouden de serre doen.’
‘Die komt daarna. Anders klopt het huis niet.’
‘Het is geen huis,’ zei hij zacht. ‘Het zijn drie stukken.’
Oma hield het midden vrij terwijl Ilyas aan de rol draaide. De keuken schoof opzij. Een ogenblik was er alleen een smalle lichte streep, toen stond Lena's naaikamer in de opening. Een kind zou daar tijdens de voorstelling misschien allang weer naar de octopus willen kijken. Mila zag het aan de man die zijn enkels over elkaar sloeg.
Ze begon over de vensterbank en het mooie hout. Aron wachtte met het blik tegen zijn buik. Pas toen ze klaar was, schoof de doek verder naar de serre.
Meteen liet hij het regenen.
De tikjes vielen door de zaal. De vrouw die niet naar binnen had gewild, ging rechter zitten. Aron liet de visser langs de rand van de opening verschijnen. De pop tuurde naar de stilstaande tuin achter het geleende glas.
‘Dat is pech,’ bromde hij. ‘Ik kom voor een droge boterham.’
De vrouw met de prei proestte. Mila wilde zeggen dat je niet werkelijk door het serre-raam kon, maar Aron was al verder. Hij liet de visser voorzichtig zijn hand buiten het denkbeeldige kozijn steken en haalde hem terug alsof hij kletsnat was.
Toen keek hij naar Mila. Ze wist niet wat hij van haar wilde. Pas toen hij opnieuw met zijn blik kantelde, begreep ze dat zij de krant moest laten ritselen. Ze pakte hem te laat. De storm begon toen de visser alweer naar huis liep.
Na afloop zei de geluidsman dat het bijzonder was. Daarna vroeg hij hoe lang ze bij iedere kamer stil wilden staan.
‘Niet heel lang,’ zei Mila.
‘De visser vond ik leuk,’ zei de vrouw met de agenda. ‘Maar ik dacht eerst dat ik naar jullie verhuisfoto's kwam kijken.’
Mila vouwde haar vel in vieren, precies op de bestaande vouwen.
Ilyas vroeg de gasten om nog even naar de geschilderde decorplaten in de zijruimte te kijken. Daarop liepen ze achter hem aan. Oma bleef bij het raamwerk om met Aron de verschoven buitenrol recht te zetten.
‘Ik wist niet dat je dat ging zeggen,’ zei ze tegen Mila.
‘Wat?’
‘Dat ik niet weg had hoeven gaan.’
Mila keek naar het gevouwen papier. In haar zak zou het een harde prop worden als ze het nog kleiner maakte.
‘Ik bedoelde dat het hier leuk was.’
‘Dat heb ik gehoord. En ik weet het ook.’ Oma legde haar hand op de buitenrol. ‘Help even aan deze kant.’
Mila kwam naar haar toe. Aron stond tegenover haar. Zijn regenblik lag op de grond, veilig naast de muur. Ze had nog niets gezegd over zijn nieuwe regen.
‘Mijn stuk hoeft niet tussen twee kamers gepropt,’ zei hij.
‘Het zat ertussen omdat we moesten schuiven.’
‘Dat bedoel ik niet.’
Ze hield de doek glad terwijl oma de rand overnam. Achter Aron stond de serre, stil en licht, zonder regen of visser. Op de drie lege stoelen lagen kleine vlekken maanlicht. Mila had ze zo netjes naast elkaar gezet. Ze wilde ze nu het liefst meteen wegbrengen.