Hoofdstuk 7 · 12 minuten lezen
Terug voor één dag
De parkeerplaats tegenover het pension was vol. Liv reed er eenmaal langs en zette de auto verderop, naast een strook duin die niet hoog genoeg was om de wind tegen te houden. Ze bleef even achter het stuur zitten om haar telefoon in de tas te doen. Toen ze het portier opende, werd het uit haar hand getrokken. Ze hield het net op tijd tegen voordat het de paal naast haar raakte.
Op de achterbank lag alleen haar kleine tas. Geen kleren, geen tandenborstel. Zij had voor haar vertrek de derde proefversie verstuurd. Anouk had laten weten dat zij hem nog moest beluisteren. Als er iets aan moest gebeuren, kon dat vanmiddag thuis. Liv pakte de tas en trok de autodeur dicht.
Het zag er buiten niet anders uit. De ontbijtkaart hing op dezelfde plek. De bel raakte haar mouw niet omdat zij hem nu met haar hand opzij hield. Achter de balie stond een man over een vel papier gebogen. Hij draaide het om, alsof er aan de achterkant meer plaats voor zijn naam was.
‘Els?’ riep hij naar achteren. ‘Wil je ook een postcode?’
‘Alleen als je wilt dat ik weet waar ik je rekening heen kan sturen.’
De man keek op naar Liv. Hij had zijn bril laag op zijn neus en een pen waar een dop met een ketting aan hing. Hij tilde de dop op en bekeek de haak waarmee de ketting aan het houten plankje vastzat.
‘Die neem je niet per ongeluk mee.’
‘Dat wil iedereen toch proberen,’ zei Els, die uit de keuken kwam. ‘Daarom maak ik het een beetje lastig.’
Ze zag Liv en knikte alsof zij vaker op deze manier een ochtend had onderbroken. Dat vond Liv prettiger dan een opvallend opgeluchte begroeting. Ze zette haar tas aan de kant zodat de man bij zijn koffer kon.
‘Daan,’ zei hij, meer naar het papier dan naar haar. Hij schreef nog iets. ‘Eén nacht. Zoals ik je zei.’
‘Drie, beneden. Ontbijt om zeven uur.’
‘Dan heb ik nog tijd zat.’
Hij moest de volgende ochtend naar een school in een naburige plaats, vertelde hij toen hij de pen teruglegde. Een overleg over een onderwijsproject. Het liefst was hij thuis blijven slapen en vroeg gaan rijden, maar hij had geen zin gehad om vlak voor dat gesprek vast te staan.
‘Dan kan ik in de file ook niet meer zeggen dat ik er op tijd aan begonnen ben.’
Els pakte de sleutel van drie. Ze vroeg of hij de auto goed had staan. Daan zei dat hij geen auto bij zich had, zijn vrouw had de hunne nodig. Op zijn telefoon stond de verbinding voor morgen al open. Hij liet Els niet het scherm lezen maar zocht hoe laat hij wilde ontbijten.
‘Zeven is prima. Als ik daarna weg kan.’
‘De voordeur gaat van binnen gewoon open.’
Els liep met hem naar de kamer. Liv bleef bij de balie staan. Op de schaal lagen minder mandarijnen. Er was een nieuwe envelop naast de computer gelegd. Het sleutelplankje voor zeven was leeg; zij had de sleutel dinsdag ingeleverd, maar wist niet meer of Els hem direct had opgehangen.
Ze hoorde Els wijzen waar het licht in drie aanging. Daan zei dat hij alleen iets aan de tafel wilde voorbereiden. Een stoel schoof. Daarna kwamen ze samen terug naar de hal. Els vroeg of hij nog een extra deken nodig had.
‘Ik kijk het even aan,’ zei hij. ‘Ik word waarschijnlijk al warm van mijn eigen overlegstukken.’
Hij ging met zijn koffer terug. Els trok de deur naar de ontbijtruimte open en maakte een gebaar naar Liv.
‘Je bent vroeg.’
‘We hadden elf uur afgesproken.’
‘Ja. Het voelt alsof ik die ochtend al twee keer heb gehad.’
Liv ging zitten. Els had een dienblad klaarstaan met een theepot, twee kopjes en een melkkan. Zij schonk zichzelf thee in en vroeg of Liv ook wilde. Liv zei ja. Ze had thuis al twee koffie gehad.
‘Wat wilde je precies bekijken?’ vroeg ze.
Els draaide de theepot zodat de tuit niet boven de tafelrand uitstak. ‘Ik dacht dat jij dat misschien wist.’
Liv voelde hoe gemakkelijk ze nu een lijst kon beginnen. De tekening, de buis, een geluid in zeven, een andere kamer. Dat zou een middag opleveren waarop ze allebei iets te doen hadden en na afloop nog niets wisten.
‘We kunnen eerst gewoon praten over wat er sinds dinsdag is geweest.’
‘Niet veel.’
‘Je zei dat je slecht sliep.’
‘Dat is niet meteen een nieuw geluid.’
Els legde haar handen om het kopje. Liv had het raam achter haar in beeld. Iemand liep voorbij met een hond die steeds tegen dezelfde tegelrand wilde plassen. De eigenaar trok niet hard maar bleef wachten. Het dier keek de verkeerde kant op.
‘Nee,’ zei Liv. ‘Dat niet.’
Ze vertelde over Mara. Dat zij de woorden hoorde en een kort schrapend geluid erna, maar niet wist waar de opname gemaakt was. Els vroeg of zij het haar allemaal had verteld. Liv zei dat Mara eerst zonder uitleg had geluisterd.
‘En toen?’
‘Toen heb ik het gezegd.’
‘Vond ze het raar?’
‘Ze wist niet wat ze erover moest zeggen.’
Els knikte. Dat was kennelijk een antwoord waar zij iets aan had, ook zonder dat het geruststelde. Ze vroeg wat voor werk Mara deed. Liv vertelde over het controleren van de luisterkopieën en het verkeerde bestand dat zij gisteren had gestuurd. Zij liet het mislukte grapje over Joops stem van Mara komen; Els lachte op het goede moment.
‘Je moet dat niet allemaal tegelijk willen,’ zei ze.
‘Nee.’
Liv dronk van haar thee. Ze had niet willen komen om dat te horen, maar zij had er net zelf aanleiding toe gegeven.
Ze bespraken de lamp die nog op de overloop stond, de hendel die zij hadden teruggeplaatst en het gewone gerammel buiten. Els was niet opnieuw in acht geweest, zei ze. Tenminste niet om te luisteren. Ze had er wel een stoel vandaan willen pakken, maar de stapel was lastig en toen had zij het andere krukje uit de keuken gebruikt.
‘Roos wilde hoger zitten. Niet omdat ze zo groot is. Ze heeft de gewoonte haar koffie vast te houden en met haar ellebogen op tafel te leunen. Bij die lage stoel gaat ze helemaal zo.’
Els deed het voor, met haar schouders opgetrokken. Het was een kleine, onaardige nabootsing waar zij zelf om moest lachen. Liv dacht aan de vrouw die zonder haast soep was komen eten. Ze had haar maandag niet meer gesproken.
Er klonk een deur in de hal. Daan vroeg waar hij een extra handdoek kon vinden. Hij had de kleine al gebruikt en wist niet of er nog ergens een kast was.
‘Ik pak er een voor je,’ zei Els.
‘Geen haast. Ik ben nu toch nog beneden.’
Els stond op en liep achter de balie langs naar een kast. Ze gaf hem twee handdoeken, omdat de eerste die zij eruit haalde niet goed droog leek. Ze hield hem tegen haar wang en legde hem terug op de onderste plank, apart van de andere.
‘Die krijgt nog even.’
Daan bedankte en ging weer naar zijn kamer. Liv zag hoe Els wachtte tot de deur dicht was voordat zij met een zucht het kastje onder de balie opende. Een plastic bakje viel scheef. Er lagen batterijen in en een sleutel waarvan de kop met rood tape was omwikkeld. Els zette het bakje terug en kwam met de sleutel van zeven.
‘Je kunt daar boven je tas wel neerzetten. Dan zitten we niet de hele tijd met dat ding naast de tafel.’
‘Ik hoef niet te werken hier.’
‘Je hoeft ook niet te werken om een tas neer te zetten.’
Liv pakte de sleutel. Ze zou boven even haar spullen wegleggen en meteen terugkomen. Els wilde brood halen. De soep was er nog, zei ze, maar ze kon niet tegen een lunch beginnen met twee korstjes van gisteren.
‘Doe maar rustig. Ik ben zo terug.’
Ze trok haar jas aan. Liv hoorde beneden de bel en de voordeur. Ze liep de trap op. Op de overloop stond de lamp uit. Overdag was er genoeg licht door het smalle raam bovenaan de trap. De deur van acht zat dicht. Aan de dorpel lag een dun streepje afgesleten verf.
Zeven rook niet meer naar haar brood. Het bed was rechtgetrokken, de handdoeken vervangen. Liv zette haar tas op de stoel. Ze hing haar jas over de rugleuning en zag dat ze de kabel van haar telefoon thuis had laten liggen. Er zat nog genoeg stroom in het toestel om niet meteen iets te hoeven regelen.
Ze liep naar het raam om de auto te zoeken. Vanuit deze hoek kon ze de straat een eind volgen, maar niet de plek waar zij geparkeerd had. De vlag aan de overkant hing nu slap langs de stok. De regenpijp gaf geen geluid.
‘Laat maar staan, ik kom zo.’
Liv draaide zich om. De stem had van de kant van acht geklonken, dicht bij de open deur van zeven. Els had kennelijk het brood al. Liv had de voordeur niet gehoord, maar ze was ook bezig geweest met haar tas.
‘Hij staat niet in de weg,’ zei ze.
Het was haar antwoord op een vraag die niet gesteld was. Ze keek naar de stoel. Er was niemand binnengekomen. Ze liep tot de deuropening, keek de overloop over en zag alleen de dichte deur van acht.
Toen ging er buiten een fietsbel. Liv keek terug door het raam. Els kwam aan de overkant de straat in, met een papieren broodzak tegen haar jas. Ze wachtte tot een fietser voorbij was en stak over. Ze keek niet omhoog. Ze had haar mond niet zichtbaar open, maar Liv kon op die afstand niet doen alsof zij precies had gezien wat er net wel of niet was gezegd.
Beneden ging de bel.
Liv bleef in zeven staan tot ze voetstappen op de trap hoorde. Niet omdat zij Els wilde betrappen, maar omdat zij nog niet wist wat ze moest vragen. Els kwam omhoog met het brood onder haar arm. Ze had de sleutel van een andere kamer in haar hand.
‘Die lekkende kraan is ook alweer vergeten,’ zei ze. ‘Ik loop even door.’
‘Zei je net iets tegen me?’
Els bleef staan. ‘Ik ben net binnen.’
‘Of je iets kon laten staan.’
‘Wat dan?’
‘Ik dacht dat je mijn tas bedoelde.’
Els keek van de stoel naar Liv. Ze legde het brood niet neer.
‘Ik zei beneden dat je hem boven mocht zetten.’
‘Nee, net. Laat maar staan, ik kom zo.’
De zin klonk nu anders in Livs eigen stem. Ze had hem willen herhalen zonder te doen alsof dat hetzelfde geluid was. Els draaide haar hoofd naar acht.
‘Daar is niemand.’
‘Dat weet ik niet. Ik stond hier. Ik zag jou buiten.’
Els liep naar de deur van acht en pakte de klink. Liv kwam naast haar staan. De deur schraapte, tilde een beetje op onder Els’ hand en ging open. Binnen stond het raam dicht. De strijkplank leunde waar zij hem hadden gelaten. De donkere stoel onder de lichtere was niet veranderd. Liv kon van hieruit het kastje zien, de messing hendel nog in de stand waarin zij hem hadden gezet.
Els ging niet naar het hout. Zij bleef bij de deur staan en stak haar vrije hand uit naar de lege ruimte.
‘Ik ben alleen brood gaan halen.’
‘Dat zag ik.’
Liv keek naar de scheiding tussen de twee kamers. Geluid kon naar binnen komen vanaf de straat. Een stem kon in een gang dichterbij lijken dan hij was. Zij had niet gezien dat Els op hetzelfde moment elders zweeg; ze had haar pas daarna buiten gezien. Ze zou de tijd tussen die twee niet zeker weten door hem nu klein te maken.
‘Ik weet alleen dat het heel dichtbij klonk,’ zei ze.
Els sloot acht weer. Ze hield de deur bij de klink vast tot hij op de drempel stond. Het brood zat nu gekreukeld tegen haar jas.
‘Wil je naar beneden?’
‘Ja.’
Ze liepen samen. Liv nam haar tas weer mee; daar was zij twee minuten geleden voor naar boven gegaan. Beneden legde Els het brood op een plank en zocht het mes in de verkeerde la. Toen zij het vond, begon ze te snijden zonder de jas uit te doen.
‘Je hebt je jas nog aan,’ zei Liv.
Els keek langs zichzelf omlaag. Ze legde het mes neer, trok de jas uit en hing hem aan een haak. Ze kwam terug, draaide het brood een kwartslag en sneed het op een andere plek aan.
Ze aten in de ontbijtruimte. De tafel van Daan bleef vrij. Liv vertelde niet nog eens hoe het had geklonken. Zij legde haar sleutels naast haar tas. De autosleutel zat erbij; ze kon straks gewoon terug. De vraag of zij iets over een normaal geluid hadden gemaakt, bleef ook aan tafel zitten zonder dat een van hen hem uitsprak.
‘Ik had je liever iets gewoons laten zien,’ zei Els.
‘Dat heb je ook gedaan.’
Els keek naar de gesneden boterhammen en haalde een schouder op. Liv pakte er één. Haar telefoon liet een bericht van Anouk zien: de derde proef was binnen, zij zou morgen luisteren. Het was werk dat in een andere kamer van de wereld doorging. Liv antwoordde dat dat goed was en stopte haar telefoon weg.
Toen zij de borden opruimden, kwam Daan vragen of er een plek was waar hij iets kon uitprinten. Hij had het al gemaild gekregen, zei hij, maar aan een tafel met vijf mensen vond hij een scherm voor zijn neus niet prettig.
Els zei dat zij een printer had die soms deed alsof het papier op was. Ze wees naar de balie. Daan haalde zijn laptop en Liv zette de theekopjes op een dienblad. Els bukte om een lade open te trekken. Liv hielp niet meteen; het was Els’ apparaat, Els wist hoe het moest werken.
Er kwam één vel uit, half bedrukt. Daan keek ernaar.
‘Dat is dan alvast de helft van mijn voorbereiding.’
Els trok de papierlade verder uit. ‘Je krijgt de rest ook. Maar dan moet je het eerst even loslaten.’
Hij liet het vel op de balie liggen en deed een stap achteruit. Liv keek naar de lege trap. Ze ging niet opnieuw naar boven om te horen of iemand nog iets zou zeggen. Ze liep naar de keuken om het dienblad weg te zetten en vroeg waar de doek lag.