Hoofdstuk 18 · 11 minuten lezen
Stoelen op de gang
Roos had de ontbijtzaal anders ingedeeld. Een rij stoelen stond langs de korte muur, met hun leuningen naar de tafels. De tafelbladen waren vrij. Onder de vensterbank lag een opgevouwen deken waar twee lege dozen op stonden.
‘Die komen niet van boven,’ zei ze toen Liv ernaar keek. ‘Die waren hier al.’
Liv zette haar tas op de bank. Ze had in de auto haar jas uitgetrokken; hij lag op de stoel naast haar, met een mouw onder de riem. Toen zij hem er zo-even uit had gehaald, was ze even bang geweest dat er iets scheurde. Het was gewoon de gesp die langs de stof schuurde. Ze hing hem nu netjes op en nam het bakje van Roos mee naar de keuken.
Els zat aan de telefoon. Ze hield met een vinger haar schrift open en wees Liv met haar andere hand naar de koffiepot. Zij hoefde niets aan te nemen of door te geven. Liv schonk in en bleef bij de deur staan tot Els het gesprek had afgerond.
Een kamer voor de volgende week, vertelde ze. Voor iemand die bij familie op bezoek ging en daar niet kon slapen. Twee nachten, misschien drie. Ze had gevraagd of ze later terug mocht bellen. Er was een verschil tussen een kamer beschikbaar hebben en weten of ze die kon klaarmaken.
‘Je hebt er toch nog genoeg?’ zei Liv.
Els keek op uit het schrift.
‘Dat bedoelde ik niet zo.’
‘Hoe dan wel?’
Liv ging zitten. Ze had de acht nummers uit de tekening zo vaak in haar hoofd langs zien komen dat zij bijna niet meer dacht aan een bed dat verschoond moest worden, een badkamer, een ontbijtje dat iemand op tijd wilde.
‘Ik denk alleen aan zeven en acht,’ zei ze.
‘Ja. Die vragen al meer dan genoeg.’
Els sloot het schrift. Ze zei dat ze vandaag naar beneden wilde halen wat zij zonder Bram konden doen. Niet opnieuw dezelfde stoel. Dat ding ging pas weg als het samen met het andere grotere werk kon. Roos hoefde geen trapdrager te zijn.
Roos kwam de keuken in. ‘Dat had ik zelf al besloten.’
Ze nam het bakje aan, keek naar de halve naam op het deksel en vroeg of Liv van plan was geweest haar tot drie letters af te korten.
‘De stift hield op.’
‘Dat overkomt mij bij sommige mensen ook.’
Els glimlachte, maar Roos zei het niet om daarmee alles wat gisteren gebeurd was te laten verdwijnen. Ze zette het bakje in de kast en nam Liv mee naar de plaats die zij beneden had vrijgemaakt. De kerstspullen konden onder de vensterbank, droog en niet in de loop. De strijkplank zou voorlopig achter de deur van Els' eigen zitkamer komen, aan de kant waar hij het opengaan niet hinderde. Ze wees naar de scharnieren en liet zien wat ze bedoelde door de deur één keer open en dicht te bewegen.
‘En als we stoppen, is dit hier ook weer begaanbaar,’ zei ze. ‘Ik wil naar huis kunnen zonder dat jullie nog tussen de spullen staan.’
Het werd geen vergadering. Els liep de trap op om te kijken of de dozen nog goed dichtzaten. Liv volgde haar zonder iets in haar handen. Boven was het warmer dan in de hal. Het raam van zeven ving de laatste lage zon van de straat. Liv zag door de open deur de rand van het bed, met daarachter de muur waar ze het rooster had gevonden. Zij trok de deur niet dicht om de aanblik kwijt te raken. Ze liep naar acht.
Els had de losse stoel iets verder naar het raam geschoven. De plek waar hij gisteren gestaan had was lichter; er zat een rand stof omheen. Liv wilde hem terugzetten, maar Els hield haar tegen.
‘Die blijft nu. Eerst die dozen.’
Zij wees naar de drie. De deksels zaten erop, de kabel die zij gisteren hadden gezien lag weer in dezelfde zak. Els pakte de kleinste doos aan de onderkant. Hij woog weinig. Liv hield de deur volledig open terwijl Els naar buiten kwam.
Beneden vroeg Roos waar zij bleef staan. Els antwoordde toen zij bij de laatste trede was. Liv kon haar de hele weg zien. Zij had de deur nog vast. Ze liet pas los toen Els de doos op de lege tafel had gezet en terugriep dat het kon.
De tweede doos was breder. Liv droeg hem zelf. Ze kon over de rand kijken als zij haar armen iets lager hield. Halverwege de trap stopte ze om beter te pakken. Els stond boven aan de leuning en vroeg of het ging. Ja, zei Liv, en merkte hoe ze haar hoofd omdraaide om het gezicht bij de stem te zien.
Zij moest zich niet belachelijk maken. Zij mocht ook gewoon kijken.
Roos pakte de doos niet halverwege van haar over. Ze wachtte tot Liv met beide voeten op de vloer stond en wees toen de vrije tafel aan. Ze schoof een andere doos opzij zodat er geen rand over de tafel uitstak. Meer was niet nodig. Liv zette hem neer en voelde hoe de druk uit haar vingers trok.
Uit de doos kwam een zacht, droog geritsel. Het waren de slierten papier die om de slinger hadden gezeten. Liv hield haar handen nog op de rand. Roos keek naar haar, niet naar de doos.
‘Wil je even zitten?’
‘Nee.’
Roos knikte. Ze vroeg niet of Liv het had gehoord. De derde doos kwam met Els naar beneden. Alle drie stonden nu in de ontbijtzaal. Els streek over de bovenkanten en keek naar de ruimte die ze innamen.
‘Daar moet ik dus elke dag langs,’ zei ze.
‘Tot het andere klaar is.’
‘Daar staat nergens een datum op.’
Roos wilde antwoorden. Ze deed het niet. Liv dacht aan de afspraak om na haar werk te helpen, aan de uren die zij als een klein blok had ingetekend. Voor Els liep het daarbuiten door, ook als de twee anderen weer in hun eigen huis zaten.
Ze droegen samen de strijkplank naar beneden. Els haalde eerst het rekje los dat bij het scharnier kon blijven haken en hield het tegen de plank. Liv nam de onderkant, bleef staan als de ander moest draaien en liet haar niet aan haar stem raden of zij nog vasthield. Boven was er ruimte om rechtop te beginnen. Bij de bocht namen ze de tijd. De plank tikte eenmaal tegen de muur, zacht genoeg dat er geen beschadiging zichtbaar was.
Beneden vouwde Els hem open. Ze drukte op het slot tot het met een gewone heldere klik vastzat. De plank paste op de nieuwe plek, maar niet als zij er een stoel naast wilde zetten.
‘Dan staat die stoel elders,’ zei Roos.
Els keek de zitkamer in. Op de vensterbank lagen twee kranten die zij nog wilde lezen. Er stond een glas water op tafel met een kring eronder, een vest over de leuning. Zij schoof niets weg om de anderen te bewijzen dat het makkelijk paste.
‘Voorlopig dan,’ zei ze.
Er waren nog twee losse stoelen die veilig naar beneden konden, gewone rechte modellen zonder poten die aan de rest vastzaten. Ze liepen ieder met één stoel. Het gemengde nest bleef langs de rechterwand, buiten de draai van de deur. Els hurkte ernaast zonder eraan te trekken. De donkere armleuning zat door de leuning van een lichtere stoel. Een poot stak schuin tussen twee zittingen.
‘Ik weet niet meer hoe mijn vader ze zo kreeg,’ zei ze.
Liv keek naar de opengebarsten rubberdop. Ze dacht dat je vanaf de bovenkant moest beginnen, misschien eerst het lichte frame kantelen. Ze wilde haar handen al uitsteken en hield ze bij zich.
‘Bram dan,’ zei ze.
‘Bram. Met iemand. Ik hoef niet te ontdekken hoeveel er tegelijk meekomen.’
Els stond op. Aan de andere kant van de kamer was nu vloer zichtbaar. In de hoek lag iets wits. Liv dacht aan een stukje papier, maar het bleek een kleine gebroken wandhaak met nog één schroef erin. Els pakte hem op, draaide hem om en deed hem in de zak met afval. Ze ging niet zoeken naar wat eraan had gehangen.
Roos riep van beneden dat zij door moest. Liv keek op haar telefoon. Nog geen zes uur. Ze waren niet klaar met de kamer, wel met wat ze hadden afgesproken.
Els liep naar het achterraam om de vochtplek te bekijken die nu niet meer door de strijkplank werd afgedekt. Ze trok de gordijnrand opzij. Buiten zag Liv de binnenplaats, de muur met de roestige bevestiging van een oud droogrek en Roos' fiets bij de deur. Als Els hier aan het raam stond, kon iemand beneden haar zien. Verder terug in de kamer zouden de muur en de hoge vensterbank haar verbergen.
Els legde haar vingers op de koude verf. ‘Dit moet ook nog.’
‘Ik zou het op Brams lijst zetten.’
‘Die lijst heeft straks meer kamers dan mijn pension.’
Zij trok het gordijn weer recht. Liv had het kastje in haar ooghoek gehouden zonder ernaartoe te kijken. Nu keek ze wel. De hendel stond naar de route die zij die nacht hadden gekozen. Het hout had een lichtere plek waar stof was weggeveegd. Het was gewoon een kastje waar iemand een hand op kon leggen. Er zat niets aan wat een voorbijganger zou waarschuwen om dat niet te doen.
Els liep langs haar en trok de deur bijna dicht. Hij bleef op de schraapplek hangen. Zij duwde een beetje harder tot de klink terugviel.
‘Ik laat hem zo,’ zei ze.
Liv zei geen goed of beter. Ze volgde Els naar beneden.
Roos stond met haar tas bij de voordeur. Ze vroeg Els wanneer zij bij haar kwam eten. Els had haar schrift weer opgepakt en keek er niet direct van op. Ze moest nog iemand terugbellen, zei ze. Roos wees naar de telefoon en zei dat zij een kwartier had om iets dat gewoon beantwoord kon worden af te handelen.
‘Ik ben je moeder niet,’ voegde ze eraan toe. ‘Maar ik moet wel weten hoeveel aardappelen er in de pan gaan.’
‘Eén.’
Roos keek naar haar.
‘Voor mij. De rest bepaal je zelf.’
Liv lachte. Roos deed alsof zij het getal in haar handpalm schreef en nam afscheid. De deur sloot achter haar. Geen stilte daarna; Els' telefoon ging al over voordat Liv haar jas had gepakt.
Zij nam op en vroeg de beller de namen nog eens te spellen. Liv liep naar de ontbijtzaal om haar tas te halen. De drie kerstdozen stonden onder het raam. Er stonden twee extra stoelen tegen de muur. De ruimte was smaller, maar de achterdeur bleef vrij.
Els kwam binnen met de telefoon tegen haar borst. ‘Die kamer is toch voor twee personen. Ze vroegen eerst één, maar dat is niet wat ze bedoelen.’
‘Voor wanneer?’
Els noemde de volgende week. ‘Ik ga ze morgen terugbellen. Ik wil eerst weten wat hier gaat gebeuren.’
Liv keek naar haar gesloten laptop. ‘Dat lijkt me verstandig.’
‘Ik vraag niet of het verstandig is.’
‘Nee.’
Els bracht de telefoon weer naar haar oor en zei dat zij morgenochtend uitsluitsel gaf. Ze verontschuldigde zich niet met een kapotte leiding of een schilder die elk moment kon komen; ze zei dat zij nog geen kamer kon toezeggen. Dat leek minder werk dan een boeking, maar haar gezicht werd er niet lichter van.
Liv nam haar tas en wachtte bij de deur. Toen Els klaar was, vroeg zij of Liv morgen terugkwam. Voor de spullen hoefde het niet, zei ze. Het grotere nest bleef tot Bram er was.
‘Ik heb die luistermiddag,’ zei Liv. ‘Daar moet ik voor werken.’
‘Dat is waar ook. Je vissers.’
Els vroeg niet of het goed ging. Ze vroeg wat Liv de mensen liet horen. Liv vertelde over Willem en de ene ochtend, over Joop die het over andere boten had. Els knikte alsof ze die mannen persoonlijk gekend kon hebben, maar zei alleen dat er bij de ontbijttafel ook niemand hetzelfde weer had meegemaakt.
Liv zei dat het daar een beetje op leek. Het was niet precies hetzelfde. Ze hoefde de vergelijking niet uit te leggen voordat ze weg mocht.
Buiten deed zij de autodeur open. Els stond bij de achterdeur en zei dat Liv de volgende keer ook gewoon voor koffie kon komen. Niet iedere keer met een tas vol werk. Liv stak haar hand op en ging zitten. Vanuit de stoel kon ze het raam van acht niet zien. Ze boog niet voorover om alsnog te kijken.
Thuis las ze Anouks bevestiging. Halfdrie aanwezig, drie uur beginnen. Er was een korte lijst met mensen die zij konden verwachten. Geen publiek dat voor Liv kwam, mensen met hun eigen vragen en hun eigen herinneringen.
Ze legde de drive klaar. Haar handen roken nog naar het metaal van de strijkplank. Ze waste ze, hing de handdoek uit en ging terug om de gekozen stukken voor morgen in de afgesproken volgorde te zetten.