Hoofdstuk 21 · 13 minuten lezen
Het dichtgemaakte eind
De voorraadkast stond midden in de keuken, een smalle strook oude vloer erachter blootgelegd. Aan de onderkant van de muur zat een kleurverschil dat Liv niet kende van de foto's. Els had de losse planken uit de kast gehaald en op de tafel gelegd. Bram stond op een kleine, stabiele trap en hield het inspectiepaneel schuin voor zich.
‘Deze kan daar even,’ zei hij.
Hij wees een vrije plek aan, niet tussen de planken. Liv nam het paneel van hem over en zette het tegen de muur, met de schroeven in het schaaltje dat er al naast stond. Ze keek niet naar binnen voordat Bram van de trap was gekomen. Het open vak boven de kast was donker en ondiep. Geen ruimte waar iemand doorheen kon, alleen de bereikbare delen van wat achter het plafond doorliep.
De splitsing was er. Het stukje buis waar de lijn naar zeven zich verbond met de route naar acht en de afgedichte keukentak. Geen derde kant die Liv op de tekening nog had gemist. De wandmond achter de kast was nog steeds een massief rond stuk pleister. Bram had er niet in gehakt.
‘Hier hoeft niet opnieuw een gat in,’ zei hij, toen Els naar de plek keek. ‘Dat is dicht. Wat ik los wil nemen zit hoger.’
Els liep om de kast heen. Roos bleef bij de keukendeur, zodat zij niet met vier mensen voor hetzelfde kleine open vlak stonden. Ze had haar werkkleding nog aan onder een vest. Er zat meel op een van de mouwen; ze sloeg het niet af in de keuken.
Bram liet op zijn telefoon de foto van zijn eerdere inspectie zien. Hetzelfde paneel, hetzelfde stuk buis. De foto was duidelijker doordat hij van dichterbij was gemaakt. Hij wees de twee verbindingen aan die hij bereikbaar kon losnemen en vertelde wat er daarna apart afgedopt bleef. Liv knikte voordat zij zich realiseerde dat Els naar hem luisterde, niet naar haar.
‘En die dingen boven?’ vroeg Els.
‘Het rooster en het kastje kunnen eraf. De hendel zit aan dat kastje. Die losse klep zit er nu weer in, zei je.’
‘Die hebben we teruggezet.’
‘Dan haal ik dat geheel eruit. Niet halverwege iets los laten hangen.’
Liv stelde zich de lege plek achter het hoofdeinde voor. Zij had het messing maar een paar dagen gekend en toch dacht zij eerst aan iets dat ze kwijt zou raken. Een gewoon rond gat, de verf eromheen ongelijk. Dat kon daarna dicht.
Els vroeg hoe de kamers eruit zouden zien als hij klaar was. Bram maakte onderscheid tussen wat hij met de verbinding deed en de afwerking die daarna nog moest gebeuren. Een plek dichtmaken betekende niet dat al het behang van dezelfde kleur werd. De deur van acht was een ander onderdeel; hij wilde die goed nalopen nadat de grotere spullen eruit waren. Geen van die stoelen hoorde tegen de deur te staan terwijl hij ermee bezig was.
‘Dat nest rechts is nog voor jou,’ zei Els. ‘We hebben alleen de losse dingen weggehaald.’
‘Goed. Dat doen we samen met hulp. Niet alvast trekken om te zien welke mee wil.’
Hij pakte het paneel weer op. Liv deed een stap opzij zodat hij erbij kon. Hij zette het tijdelijk terug en draaide de schroeven vast. De buis bleef aangesloten. Geen proefje om te horen wat er gebeurde als hij één kant een beetje losliet. Het open vlak verdween onder het gewone plafond en zag er meteen weer uit alsof er niets achter zat.
Bram trok zijn jas van de stoel. ‘Zullen we het aan tafel doen?’
Els liet hem in de ontbijtzaal plaatsnemen. De kerstdozen stonden onder de vensterbank, de twee losse stoelen langs de muur. Zij pakte haar schrift, niet de map met oude tekeningen. Liv ging op de plek zitten waar ze de tafel vanmiddag niet hoefde te delen met haar laptop.
Bram legde een uitgeprint voorstel neer. Het verwijderen van de bereikbare verbinding, het apart afsluiten van de buiseinden, de onderdelen uit zeven en acht halen. Geen complete verbouwing, geen onderzoek naar woorden. Zeshonderdvijfenveertig euro voor dit werk. De verdere afwerking moest apart worden afgesproken op grond van wat er na het verwijderen zichtbaar werd.
Els las de regels langzaam. Ze vroeg of hij donderdagmiddag alvast kon komen om de grotere spullen te helpen verplaatsen en de werkplekken voor vrijdag voor te bereiden. Hij keek in zijn planning. Donderdag was mogelijk, vrijdag overdag het losnemen. Niet laat op de avond en niet tussen twee andere klussen door.
Roos zei wanneer zij donderdag kon. Zij zou beneden blijven voor de gewone taken en de deur, geen stoelen over de trap dragen. Bram vroeg of er dan boven iemand kon helpen met het klaarzetten. Els noemde zichzelf, keek naar Liv en vroeg of die er voor de afgesproken middag kon zijn.
Liv haalde haar agenda tevoorschijn. Donderdagochtend moesten de drie interviews weg. Die afspraak stond er al, niet als iets dat ineens kon opschuiven omdat een buis eruit moest. Het kon allebei als zij de middag niet alsnog met werk zou vullen.
‘Ik ben er,’ zei ze. ‘Voor het klaarzetten. En ik ga daarna weg.’
Els keek naar Roos. Niet om een andere afspraak langs Liv heen te maken, maar om te vragen of zij daarna samen naar huis zouden gaan. Roos zei dat het kon. Bram schoof het papier naar Els.
‘Als je het zo wilt, moet ik het wel vandaag weten. Dan reserveer ik die twee blokken en neem ik de spullen mee.’
‘Het geld moet ook vandaag?’
‘Een aanbetaling. Honderdvijftig. De rest na het werk. Dat staat onderaan.’
Els draaide het blad een beetje zodat er geen schaduw van haar hoofd over de onderste regels viel. Liv had het bedrag al gelezen. Ze keek naar de open plek bij de kassa, waar Els normaal een sleutel kon neerleggen zonder zich af te vragen wie hem daarna pakte.
‘En als het niets helpt?’ vroeg Els.
Bram antwoordde niet meteen. Hij keek naar haar en legde zijn pen neer.
‘Waarvoor?’
Els kneep haar vingers om de rand van het papier. ‘Als we het daarna nog horen.’
‘Ik kan die verbinding weghalen. Ik kan zorgen dat de uiteinden apart afgesloten zijn en dat daar niet gewoon lucht en spraak doorheen blijven gaan. Meer ga ik je niet verkopen.’
‘Dat vraag ik ook niet.’
Hij wachtte. Els keek naar Liv.
Liv had verwacht dat zij hier iets zou moeten zeggen over wat zij kon meten. Wat er van ruis overbleef, wat ze konden uitsluiten, wat een nieuwe opname hun misschien nog vertelde. Het zou Bram gemakkelijk maken als zij het vreemde deel nu in een paar woorden van zijn werk kon scheiden.
‘We hoeven niet nog een nacht te bewaren om het eerst te begrijpen,’ zei ze.
Bram pakte zijn pen weer. Hij maakte geen grap over bewaren. Hij had een gewoon werkvoorstel gedaan en wilde weten of zijn klant het aannam. Els legde haar hand vlak naast de onderste regel.
‘Ja,’ zei ze. ‘Zo wil ik het.’
Er kwam een stem uit de richting van de keuken.
‘Ik blijf nog even.’
Liv keek op. Het was de zachte vanzelfsprekendheid waarmee Els dat zondag tegen Roos had gezegd. Geen vraag, geen dreigement. Iemand die een jas nog niet aantrok omdat er nog een bord moest worden afgedroogd. Het geluid kwam niet met een klap binnen, de woorden stonden opeens naast de andere woorden die zojuist aan tafel waren gezegd.
Bram draaide zijn hoofd naar de deur. Roos schoof haar stoel een stukje achteruit. Het korte schuren van de poten klonk veel harder dan de zin.
Liv wist dat ze nu kon vragen wie dat had gezegd. Dan zou er een stilte komen waarin iedereen zijn eigen mond opnieuw moest plaatsen. Ze zag Els' hand naast het papier liggen. De vingers waren niet meer vlak. Haar duim drukte op de rand tot die kromtrok.
‘Els?’ zei Roos.
Els hield het blad vast. ‘Ik heb ja gezegd.’
Bram keek van de deur terug naar haar. ‘Dan hou ik het op donderdag en vrijdag.’
‘Ja.’
Er kwam niets achteraan. Liv voelde hoe zij daar bijna op ging zitten wachten, met de hele tafel en het werkvoorstel voor zich. Het vertrouwde blijven had niets opgelost. Iemand kon blijven zonder dat zij wist waar, zonder dat er voor iemand ontbijt klaargemaakt werd of een stoel werd neergezet. Ze keek naar Roos, die haar stoel weer wat naderbij trok.
Els trok haar telefoon naar zich toe. De bankapp vroeg opnieuw om in te loggen. Ze vloekte zacht. Liv zou het niet zachter gemaakt hebben als zij aan het geluid had kunnen zitten.
Roos schoof de rekening naar haar toe zodat zij het nummer kon lezen zonder haar telefoon neer te leggen. Bram wachtte. Hij wees één keer naar het betalingskenmerk, niet naar het bedrag. Els voerde de aanbetaling in, controleerde de naam en liet haar duim boven het scherm hangen.
Liv zag haar aarzelen. Ze hoopte bijna dat de stem opnieuw kwam, iets duidelijker, iets waarvoor zij een reden kon hebben om de bankbetaling even te laten wachten. Toen drukte Els op bevestigen.
‘Gedaan,’ zei ze.
Zij legde het toestel neer met het scherm naar boven. Honderdvijftig euro, de naam van Brams bedrijf, de datum van vandaag. Geen betaling die een buis voor haar verklaarde. Het werk stond nu wel vast.
Bram schreef de afgesproken dagen op haar exemplaar. Hij vroeg of de toegang via de achterdeur kon en waar hij zijn spullen tijdelijk neer mocht zetten. Els wees de vrije plaats beneden aan. De dozen onder het raam moesten blijven staan; de doorgang moest vrij. Zij sprak duidelijker toen het over dingen ging die zij kon zien.
Voordat hij vertrok, liep Bram met haar naar de trap. Liv bleef beneden. Ze hoorde hun stemmen op de overloop, de deur van acht die over de drempel schraapte en Bram die zei dat ze daar met een grotere stoel niet langs wilden blijven steken. Els antwoordde dat ze er daarom vanaf wilde. Hij zei dat het eerst leeg moest.
Toen ze weer beneden kwamen, bevestigde hij de afspraak. Donderdag hielp hij met het voorbereiden, vrijdag overdag kon het los. Geen van hen had hem gevraagd ook maar één keer bij het rooster te blijven staan.
Na zijn vertrek zette Els haar schrift open op de tafel. Roos had nog een halfuur. Liv dacht dat ze de laatste spullen uit de kast wilden verplaatsen, maar Els zocht het telefoonnummer van de mensen die voor de volgende week een kamer hadden gevraagd.
‘Ik neem ze niet aan,’ zei ze.
‘Dat had je nog niet toegezegd,’ zei Roos.
‘Nee. Maar ze wachten wel op mij.’
Ze belde. Liv kon de andere kant niet horen, alleen Els die uitlegde dat het pension voorlopig geen overnachtingen aannam terwijl er aan de kamers en de afwerking gewerkt werd. Ze kon niet zeggen op welke dag het allemaal klaar was. De vrouw vroeg blijkbaar naar een andere kamer. Els zei dat zij ook in de andere kamers niemand wilde laten slapen zolang zij zelf ergens anders zat.
Liv keek naar het schrift. Daar stonden niet alleen zeven en acht. Er stonden de gewone nummers, mensen die op een trein moesten zijn, iemand die liever geen trap liep. Geen van hen had het over wat Els zelf 's nachts hoorde.
Els gaf het nummer van een ander adres. Ze had het opgezocht voordat zij belde. Zij zei niet dat het daar zeker goedkoper was, alleen dat zij daar konden vragen of er plaats was. Ze nam afscheid, zette een streep door de voorlopige naam en liet de pen liggen.
‘En nu de rest,’ zei ze.
Er waren een paar al bevestigde verblijven verderop in de maand. Niet twintig gasten die ineens op straat stonden. Genoeg om haar stem bij het tweede gesprek merkbaar korter te maken. Ze vroeg om een mailadres, bood aan het schriftelijk te bevestigen en legde uit hoe de afgesproken bedragen teruggingen waar dat nodig was. Liv bleef niet luisteren om alle namen te onthouden. Zij haalde haar jas uit de keuken en kwam terug toen Els het toestel naast zich neerlegde.
Roos stelde voor om de veranderingen op het boekingsscherm na te lopen. Els zei dat zij dat liever zelf deed. Roos wees niet naar haar toe alsof zij een ingewikkelde handeling niet meer aankon. Ze schoof haar stoel naast die van haar vriendin, ver genoeg om het toetsenbord vrij te houden.
Liv zag hoe Els de overnachtingen blokkeerde tot er weer een datum afgesproken kon worden. Het was niet hetzelfde als de twee kamers even buiten gebruik houden. Er kwam een hele rij lege dagen te staan waar zij normaal iets had ingevuld om de maand te laten kloppen.
‘De telefoon?’ vroeg Roos.
Els trok het toestel naar zich toe. Ze maakte een korte tekst voor de boodschap. Tijdelijk geen verblijf mogelijk wegens werkzaamheden, verzoek om niet zomaar een online verzoek als bevestiging te beschouwen. Daarna las ze de tekst in, hoorde hem terug en trok een gezicht.
‘Zo klink ik dus.’
Liv wilde zeggen dat iedereen dat van zichzelf dacht. Ze liet het aan Els om het nog eens te doen. De tweede poging was iets rustiger, met een minder lange stilte tussen twee zinnen. Els koos die. Zij hoefde niet te klinken alsof zij mensen persoonlijk uit het huis wilde houden.
Roos moest weg. Ze vroeg wat Els nog nodig had om mee te nemen en zei dat ze voor het avondeten kwam halen wat ze hadden afgesproken. De rest kon blijven liggen tot morgen. Els knikte. Haar hand lag op het gesloten schrift.
Liv stond bij de deur en wachtte tot ze uitgepraat waren. Ze wilde niet blijven tot Els haar moest wegsturen. Toch voelde vertrekken nu anders dan de eerste dinsdag, toen zij haar reistas thuis in de gang had gezet. Toen had ze een vreemd bestand meegenomen en was ze uit een vreemd huis weggekomen. Nu liet zij iemand achter die haar eigen huis langzaam moest sluiten.
‘Ik kom donderdag op de afgesproken tijd,’ zei ze.
‘Ja.’
‘Niet om te luisteren.’
Els keek haar aan. ‘Dat hoop ik dan maar.’
Ze klonk niet dankbaar. Dat hoefde ook niet. Liv liep naar buiten, langs het raam van de ontbijtzaal. Zij zag Els nog aan tafel zitten en Roos met een hand op de rugleuning van de lege stoel. De twee vrouwen waren niet kleiner geworden doordat het huis eromheen meer ruimte had gekregen.
In de auto legde Liv haar telefoon in het vak naast de stoel. Ze zocht niet naar de zin die zij op de terugweg wilde kunnen afspelen. Er was geen nieuwe opname van de keuken. Er was een afspraak, met een aanbetaling die zij niet zelf had gedaan en twee dagen waarop Bram zou komen werken. Ze wilde net de deur dichttrekken toen Els haar vanaf de achterdeur riep.
‘Heb jij die grote envelop van de keuken ergens gezien?’
Liv schudde haar hoofd.
‘Ik wil Brams bon bij de oude rekening bewaren. Ik weet niet meer waar ik hem gelaten heb. Wil je even meekijken?’
Liv pakte haar telefoon weer op, liet de tas in de auto, sloot af en liep terug naar binnen. Daarna zou ze naar huis gaan om de drie interviews af te maken.