Hoofdstuk 23 · 11 minuten lezen
Voor het werk begint
Roos kwam met een brood dat aan één kant donkerder was dan aan de andere. Ze legde het in de keuken op de plank, sneed zichzelf een korst af en at die op terwijl ze haar jas nog aan had.
‘Deze is officieel niet te verkopen,’ zei ze. ‘Voordat je me weer vraagt wat je ervoor moet betalen.’
Els maakte ruimte naast de plank.
‘Hij is toch niet gevallen?’
‘Nee. Dan had ik hem niet meegenomen.’
‘Vorige keer zei je pas achteraf dat er een hoek af was.’
‘Aan de korst. Daar was je zelf bij.’
Liv keek van de een naar de ander. Roos had een wit vlekje bij haar oor, vermoedelijk meel, en droeg haar trui binnenstebuiten onder haar open jas. Els wees ernaar.
‘Dat weet ik,’ zei Roos. ‘Hij zit lekker zo.’
Ze hing haar jas over een stoel en zette haar tas eronder. Het broodmes kraakte door de donkere korst. Langs het snijvlak was de binnenkant licht en zacht. Els pakte een bord, Roos pakte er zelf nog twee, en zonder dat iemand had gezegd dat ze gingen eten stonden er drie plaatsen aan de keukentafel.
Het was bijna donker buiten. In het raam zag Liv de lamp boven de tafel en de opening van de deur achter haar. Op de tafel lag het oude opnameapparaat nog, met het snoer eromheen. Els had er een pak servetten naast gezet. Liv keek er niet opnieuw naar nadat Roos was gaan zitten.
‘Bram komt morgen na de middag,’ zei Els. ‘Ik heb hem gesproken.’
Roos kauwde eerst. ‘Ik kan om één uur hier zijn. Maar ik ga geen meubels de trap af sjouwen. Dat heb ik gezegd.’
‘Dat weet ik.’
‘Ik zeg het omdat er altijd nog één klein dingetje is.’
Els schonk thee in. ‘Jij kunt de dingen beneden neerzetten die beneden komen. Of thee zetten. Of gewoon even weggaan als je er genoeg van hebt.’
‘Dat laatste is ook een taak?’
‘Bij jou wel.’
Roos glimlachte. Ze trok haar mouw omhoog voordat die de boter kon raken en boog zich over het bord.
Liv merkte hoeveel ze had gemist aan gewoon naast een gesprek zitten. Ze hoefde hier niets in te knippen, niemand te vragen een naam nog eens te zeggen. De broodkorst plakte aan haar kiezen. Ze smeerde meer boter op een tweede snee en vroeg Roos hoe vroeg ze de volgende ochtend moest beginnen.
‘Vijf uur.’
‘Dan moeten we niet te lang blijven.’
‘Ik eet gewoon thuis. Ook als er andere mensen zijn.’
‘Ik bedoelde niet—’
‘Ik weet het. Iedereen zegt het. Mijn hele leven beginnen mensen al om negen uur te vragen of ik naar bed moet.’
Els draaide haar kopje aan het oor. ‘Zij gaat zelf straks naar huis.’
Roos keek op. ‘Dat was toch de bedoeling?’
‘Ja,’ zei Liv.
Er viel een kleine stilte, net lang genoeg om het broodmes op de plank te horen neerkomen.
‘We hebben gepraat over morgen,’ zei Els.
‘Goed.’ Roos trok het theezakje aan zijn draadje uit haar kop. ‘Dan hoef ik dat niet nog een keer te doen.’
Liv voelde haar schouders zakken. Ze had zich onwillekeurig voorbereid op uitleg aan een derde, op de vraag wie er gelijk had. Roos tikte alleen met haar vingers een druppel van de onderkant van het zakje en liet het op een schoteltje vallen.
‘Ik moet nog iets uit de vriezer halen,’ zei Els. ‘Anders staat dat er maandag nog.’
Ze stond op.
‘Ga je dat nu doen?’ vroeg Roos.
‘Dat was het plan.’
‘Dan kom ik mee. Jij noemt een bak met soep altijd een bakje, maar het is genoeg voor de hele straat.’
Ze verdwenen naar de bijkeuken. Liv bleef aan tafel zitten. In de gang was het stiller geworden nu er twee mensen achter een andere deur stonden. Ze hoorde een deksel, iets hards dat over ijs schuurde, Roos die zei: ‘Deze kan onmogelijk dicht.’ De woorden waren helder, afkomstig uit de bijkeuken. Liv keek niet om. Ze at verder.
Op het donkere scherm van de recorder werd de lamp boven de tafel weerspiegeld. Met de thee erbij zou het een foto van een werktafel kunnen zijn, de middag half af. Liv wist precies hoe weinig er nodig was om er weer in te zitten: een knop indrukken. Ze kon een van Els’ nieuwe opnamen horen, besluiten dat er niets te horen viel, en een tweede proberen omdat het zonde was geweest om alleen de eerste te beoordelen.
Ze stond op om de borden af te ruimen.
In de spoelbak lag een lepel met een opgedroogde rand yoghurt. Ze hield hem onder de kraan. Vanuit de bijkeuken klonk een kort gelach. Els kwam terug met twee bakken en keek verwonderd naar het brood dat nog op de plank lag.
‘We hebben genoeg gegeten,’ zei Roos achter haar.
‘Voor morgenochtend.’
‘Dat zei ik.’
Roos hield een halfopen diepvrieslade vast. Aan de onderkant zat nog een waaier van ijs. Ze zette hem in de spoelbak, boven op de lepel.
‘Deze moet eerst ontdooien.’
Liv deed een stap opzij. Het gewone werk nam de hele keuken in beslag. Els schreef met een dikke stift een datum op de bakken, keek op de kalender en streepte hem weer door. Ze had de verkeerde dag. Roos wees zwijgend naar de goede. Liv droogde de borden af die op tafel hadden gestaan. Toen de lade in de spoelbak begon te druppen, legde ze er een handdoek onder.
‘Je hoeft je kamer niet meer te controleren,’ zei Els tegen haar. ‘We zijn er toch al geweest.’
Liv keek op van het bord.
‘Ik bedoel voor je spullen. Je keek naar de gang.’
‘Mijn jas hangt daar.’
‘O.’
Els draaide de dop weer op de stift. De opmerking had hen allebei betrapt. Liv had naar haar jas gekeken; nu wilde ze opeens wél boven gaan zien of haar statief nog bij de bedpoot stond. Ze had het daar zelf neergezet. Ze zou het morgen ophalen. Dat kon ze zich concreet herinneren, tot aan de riem die ze eromheen had gevouwen.
Ze zette het bord in de kast en pakte het volgende.
Na het eten liep Roos door de benedenkamers om te zien wat de volgende middag daar kon worden neergezet. Els hield de deur van de ontbijtkamer open. Het lange tafelblad was grotendeels vrij. Er stond een plant die ooit was gaan overhellen naar het raam; iemand had hem met touw aan een bamboestok gebonden.
‘Hier geen zware dingen op,’ zei Els.
‘Bram zet zijn spullen wel op de vloer.’
‘De dozen kunnen onder de tafel.’
‘Als er iemand nog bij kan.’
Liv schoof een stoel opzij. Roos ging op haar hurken zitten en keek onder het blad.
‘Hier. Niet naast de deur.’
Els knikte en liep de gang in. Liv hoorde haar de trap op gaan; boven stond nog een linnenkast. Toen Els terugkwam, had ze twee schone lakens om over de vloer en de tafel te leggen. Eén rook naar wasverzachter, het andere had een oude, vlak gestreken vouw. Ze schudden het samen uit. Het bleef achter een hoek van de tafel hangen.
‘Wacht,’ zei Liv. ‘Ik pak deze kant.’
Ze maakte de stof los, trok hem naar zich toe en hield hem op terwijl Roos de stoel uit de weg zette. Daarna lag het laken recht. Els streek met haar hand langs de rand, niet om hem nog rechter te trekken maar om te voelen of de tafel eronder vrij was.
Bij de gangdeur bleef ze staan.
‘Ik weet niet waar ik morgen die spullen allemaal ga laten.’
‘Niet allemaal morgen beslissen,’ zei Roos. ‘Eerst uit de kamers waar gewerkt wordt.’
‘Ik bedoel daarna.’
Roos kwam overeind en veegde een pluis van haar broek. ‘Dat weet ik. Maar ik niet.’
Het antwoord was zo kaal dat Els ernaar keek, en toen knikte ze. Ze ging naar het dressoir en haalde er een sleutel uit. Op het etiket stond met potlood geschreven waar hij bij hoorde; de hoek van het karton was helemaal zacht geworden. Ze deed de onderste deur op slot en trok er even aan.
Liv haalde haar telefoon uit haar zak. Boven het aanrecht was een klok met grote cijfers waarvan de secondewijzer bij iedere stap een stukje terug leek te veren. Ze had er al dagen niet op gelet. Nu maakte hij meer lawaai dan de koelkast. Ze keek naar de tijd op haar telefoon om zichzelf de gang naar buiten te laten maken.
Er stond een bericht van Mara: of ze de drie gecorrigeerde gesprekken morgen zelf zou sturen of dat Mara dat moest doen. Liv antwoordde dat ze ze zelf zou afleveren. Ze typte erachter dat de rest later kwam, verwijderde dat weer. Mara kende de afspraak. Ze voegde alleen toe dat ze vrijdag zou bellen over de resterende negen.
Roos trok haar jas aan.
‘Waar is je tas?’ vroeg ze aan Els.
‘In de zitkamer.’
Liv hoorde een rits toen Els de kamer in ging. Ze trok haar eigen jas van de haak. In de voering zat een verdwaalde handschoen die ze eerder buiten had gezocht. Ze haalde hem eruit en duwde hem bij de andere in de zak.
Els kwam met een donkerblauwe reistas terug. Ze zette hem bij de voordeur. Aan een zijvak bungelde de papieren wikkel van een pak zakdoekjes.
Liv keek de keuken in. De recorder lag niet meer op tafel.
‘Zit hij erin?’ vroeg ze.
Els keek naar haar en toen naar de tas. ‘Ja.’
‘Uit?’
‘Ja, Liv.’
Roos had haar sjaal al om. Ze keek van de tas naar de keuken en zei niets.
Liv pakte de deurklink. Ze wilde Els geloven. Het was ook onbeschoft om hier te gaan staan kijken of iemand haar eigen apparaat wel had ingepakt. De blauwe tas gaf niets prijs behalve een te vol zijvak. Els trok de rits van dat vak een stukje dicht en stopte de wikkel weg.
‘Laten we gaan,’ zei Roos. ‘Anders wordt die soep vloeibaar voor we thuis zijn.’
Buiten stond de wind schuin op de straat. Els deed de buitendeur dicht, draaide de sleutel om en stopte hem in haar jaszak. Ze bleef één tel met haar hand op de klink staan. Liv zag alleen haar wang, de kleine rode plek onder haar oor waar de sjaal tegenaan schuurde.
‘Morgen ben ik er na de lunch,’ zei ze.
‘Ik weet het.’
Roos droeg de twee bakken in een boodschappentas. Toen ze wegliepen, sloeg de bodem tegen haar knie. Els nam de tas van haar over. Ze gingen niet in discussie. Het waren twee vrouwen die de straat kenden, die wisten bij welk huis de tegels ongelijk lagen en waar een losse heg te ver over het trottoir hing.
Liv liep de andere kant op naar haar auto. Bij de eerste hoek keek ze toch om. Els en Roos stonden bij de oversteekplaats. Els zei iets met haar hand half omhoog, Roos boog haar hoofd om het te verstaan. Daarna liepen ze verder.
In de auto moest Liv een kassabon uit de uitsparing bij de versnellingspook halen voordat ze haar telefoon kon neerleggen. Ze koppelde de kabel aan. Het scherm vroeg of ze het laatste gesprek wilde hervatten. Een opname van het havenproject; ze had het onderweg eerder afgespeeld. De naam van de spreker stond bovenaan.
Ze tikte op annuleren.
Op de terugweg zette ze de radio aan. Er werd gepraat over een weg die drie weken dicht zou gaan. De presentator noemde de afslagen twee keer. Liv miste de eerste, luisterde bij de tweede en begreep eindelijk waar de werkzaamheden begonnen. Even later zette iemand een plaat in die ze kende. Ze zong een paar regels mee, verkeerd, en moest hoesten om een kriebel in haar keel.
Thuis brandde de lamp boven de afzuigkap nog. Ze had hem die ochtend aangelaten. De koelkast was bijna leeg. Ze zette de doos met overgebleven pasta op het aanrecht en at koud een vorkje voordat ze haar jas had uitgedaan.
Toen ze later haar laptop opende, stond de map met de pensionopnamen nog onder in de zijbalk. Het was één klik om hem open te maken. In plaats daarvan opende ze de drie gesprekken voor Anouk. Ze controleerde of bij iedere luisterkopie ook de juiste tekst hoorde. Bij het tweede zat een dubbele punt op de verkeerde plaats; ze haalde hem weg, las de zin opnieuw en liet de rest staan.
Ze werkte geen hele avond. Om half tien sloeg ze haar laptop dicht, spoelde het pastabakje om en trok de gordijnen. Vanuit de gang zag ze haar lege reistas op de plank staan. Ze liet hem daar.
In bed hoorde ze de buren praten. De slaapkamer grensde aan hun woonkamer. Ze kon geen woorden verstaan, alleen het ritme van twee stemmen en af en toe een uitbundig gelach. Iemand schoof een stoel. Er ging een deur dicht. Ze draaide zich op haar andere zij en trok het dekbed hoger over haar schouder.
Ze had de drie gesprekken klaar. Voor de overige negen moest ze vrijdag met Mara afspreken wat er nog nodig was. Ze mocht daarbij de tijd noemen die het werkelijk zou kosten, ook als die tegenviel. Ze oefende geen zin voor dat gesprek. Na een poos merkte ze dat de buren stil waren geworden, zonder te weten wanneer precies.