Hoofdstuk 8 · 9 minuten lezen
Wat Dorus maakte
De deur aan de zijkant ging niet open toen Vera de klink probeerde. Ze zag beweging achter het matglas en deed een stap achteruit. Een lage stem zei dat ze nog even moest wachten.
Dorus stond een ogenblik later in de opening met een vel papier in zijn hand. Hij hield het ver van zijn trui, alsof het nog nat was.
‘Je kunt binnenkomen. Ik moet dit eerst neerleggen.’
Vera volgde hem langs een smalle plank vol dozen die niets met Anouk te maken hoefden te hebben. Printerpapier, zo te zien, een paar verpakkingen met lege houders. In de werkruimte stond een grote tafel onder een lamp. Een strook zacht licht viel van het raam op een rij ingelijste foto's tegen de muur.
‘Ik ben Vera. Van het café.’
‘Dat wist ik. We hebben gebeld.’
Hij legde het vel op een vrijgemaakte plek. Het was een kleurenfoto van een rij lage huizen. Bij één raam was de kleur van het gordijn bijna hetzelfde als die van de gevel. Ernaast lag nog een afdruk van hetzelfde beeld, maar daar was het gordijn veel lichter.
Dorus keek van de ene naar de andere. Hij schoof de eerste een stukje uit het licht en weer terug.
‘De fotograaf wil de kleur zoals hij hem op zijn telefoon ziet. Dan moet hij zijn telefoon maar meesturen.’
Hij zei het tegen de afdruk. Vera trok haar jas uit voordat hij iets over een kapstok had gezegd. Ze kon hem aan een lege haak bij de deur kwijt. Dorus wees naar een stoel.
‘Niet die. Daar ligt glas op.’
Ze zag het pas toen hij het zei: een schone glasplaat op de zitting, bijna onzichtbaar tegen de donkere bekleding. Ze nam de andere stoel.
‘Koffie?’
‘Hoeft niet.’
Dorus zette de kleurenafdrukken verder van de tafelrand en ging bij een kast staan. Hij zocht nog niet naar het briefje. Hij keek naar een stapel kleine mappen met een elastiek eromheen, pakte er één en legde hem weer terug.
‘Anouk heeft je gestuurd.’
‘Ik kom voor wat ik zelf aangenomen heb.’
‘Ik heb haar dat uitgelegd.’
‘Ze stuurde mij een afbeelding van een papier met mijn handtekening. Daar wil ik het over hebben.’
Hij trok een la open. In de la stonden mapjes rechtop tussen twee boeken. Hij haalde er een uit en legde het op het vrije stuk van de tafel, niet bij de afdrukken.
‘Ik ruim niet alles na één dag op. Maar ik kan het terugvinden.’
Vera dacht aan haar eigen plank en zei niets. Dorus bladerde door de dunne stapel. Ze zag rekeningen, een lijst met maten, een geprinte e-mail. Hij haalde een vel eruit dat niet tot onder aan de pagina bedrukt was.
Dezelfde afbeelding. Onderaan haar V, daarboven de regels die Anouk haar had doorgestuurd. Bovenaan hield de kopie schuin op. Het vel papier zelf was heel. Er was een deel van het beeld niet meegekomen.
‘Is dit het hele briefje?’ vroeg ze.
‘Dit is wat ik heb.’
‘De bovenkant staat er niet op.’
Hij boog zich eroverheen. ‘Die is er bij het kopiëren afgegaan.’
‘Wat stond daar?’
‘Dat weet ik niet uit mijn hoofd.’
Vera legde haar vingers langs de rand van het vel om het niet te laten verschuiven. Ze wilde het dichter bij zich hebben, niet het papier laten zien wie er gelijk kreeg.
‘Ik heb één platte map aangenomen. Niet vijf dozen.’
Dorus ging op de stoel bij de lamp zitten. ‘Ik heb opgeschreven hoe het teruggegaan is.’
‘Via het café. Die dinsdag. Met Erik.’
‘Ja.’
‘Alle vijf de dozen?’
‘Dat staat er.’
Hij keek haar nu rechtstreeks aan. Het was geen dreigement. Zij merkte alleen hoe vreemd het voelde om iemand een regel te horen bevestigen die niet paste bij wat zij met haar eigen handen had vastgehouden.
‘Dan moet ik Erik spreken,’ zei ze.
‘Dat kun je doen.’
‘Heb je zijn nummer?’
Dorus pakte zijn telefoon. Hij hield hem bij zich terwijl hij zocht en schreef een nummer op de onderkant van het vel. De naam van de onderneming zette hij erbij: Rondrit. De pen schreef eerst niet. Hij trok drie korte strepen tot er inkt kwam.
‘Die bezorgt meer voor mij. Niet alleen foto's.’
Vera las het nummer terug, zodat ze geen cijfer verkeerd meenam. Hij knikte. Daarna legde hij de pen op de map, evenwijdig aan de rand. Ze had het gesprek kunnen beëindigen met het papier in haar tas. Dat zou het makkelijkste zijn geweest. Maar achter Dorus stonden foto's die zij van Anouk dacht te kennen, en hij had naast haar eigen ontvangst iets aangeboden alsof het van hem was.
‘Ik ben bij de stichting geweest,’ zei ze.
‘En?’
‘Er staan twee dozen. Met gemonteerde foto's.’
Dorus knikte alsof dit geen nieuwe informatie was.
‘Anouk zoekt haar materiaal.’
‘Ik heb daar veel aan gedaan.’
‘Dat zegt zij ook.’
Daar keek hij van op. Hij liet zijn handen op de rand van de tafel rusten.
‘Heeft ze dat gezegd?’
‘Dat jij veel van het afdrukwerk deed. En twee foto's hebt gemaakt.’
Hij draaide zich om naar de rij lijsten bij de muur. Hij pakte er geen op, maar wees naar een kleinere map daarachter.
‘Die twee waren van mij. Op dezelfde dag. Anouk moest een eind verderop zijn en ik had de camera mee. Niet dat het daarom beter is. Maar het zijn mijn opnamen.’
Hij nam nu wel een kleine kopie uit de map. Een man stond half op een ladder naast een geopende deur, met een doek over zijn schouder. De houding kwam Vera bekend voor van de serie, niet het specifieke beeld. Dorus legde hem op de tafel en haalde er nog één bij. Dezelfde plek, maar zonder ladder. De deur stond nog open.
‘Dat licht daar,’ zei hij, en wees naar de schaduw onder de dakrand. ‘Als ik alles even licht maak, gaat die deur dicht in de foto. Dan zie je alleen een plat gebouw. Dat is niet wat je zag toen je er stond.’
Vera boog zich dichter naar de kleine kopie. De deur stond open. Op het eerste gezicht had ze hem inderdaad voor een donker vlak gehouden. Nu kwam er ruimte achter.
‘Heb jij die kleine proeven ook gemaakt?’
‘Ja. Dat werk heb ik gedaan.’
‘Daar heeft Anouk voor betaald.’
‘Voor een deel. Bewaren, kopieën. Je kunt niet alles op een factuur zetten. Dat weet jij ook.’
Ze wist het. Ze had mensen een glas water gegeven en een telefoonkabel uitgeleend, soep warm gehouden voor iemand die laat was. Daar had ze geen eigenaar van hun tassen door mogen worden. Ze zei het niet zo. Dorus keek weer naar het beeld, wachtend op een opmerking over wat hij haar daadwerkelijk had laten zien.
‘De deur wordt zo wel duidelijker,’ zei ze.
Hij knikte. Hij stopte de kopieën niet meteen weg. Vera liet hem een stuk vertellen over papier dat niet op voorraad was geweest en een afdruk die ze destijds samen opnieuw hadden moeten maken. Het was niet allemaal nodig voor de dozen. Hij leek het nodig te hebben om haar niet alleen dat ene scheve briefje mee te geven.
Er werd op de buitendeur geklopt. Dorus riep dat het open was, vergat het slot en liep alsnog naar de gang. Een man bracht een ingelijste foto terug met een probleem aan de achterkant. Het ophangoogje zat niet goed. Hij wilde hem dit weekeinde aan de muur hebben.
‘Ik kan er een ander op zetten,’ zei Dorus.
‘Nu?’
Dorus keek naar Vera. ‘Is vijf minuten goed?’
Ze knikte. De man bleef in de deuropening wachten en vertelde dat hij zelf al een schroef had geprobeerd. Dorus draaide de lijst op een zachte ondergrond. De schroef had het gaatje wijder gemaakt. Hij zei niet dat het de schuld van de klant was; hij liet het zien en pakte een ander oogje.
Vera zette haar stoel wat achteruit. Ze zag hem werken met de korte schroevendraaier, zorgvuldig maar zonder vertoon. Het duurde langer dan vijf minuten omdat hij niet op dezelfde plek verder kon. De klant begon naar de kleurenafdrukken te kijken en zei dat de lichtere mooier was.
‘Dat is niet dezelfde vraag,’ zei Dorus.
De man lachte alsof Dorus een grap had gemaakt. Toen de lijst klaar was, vroeg hij wat het kostte. Dorus zei dat dit erbij hoorde. Hij had de foto met die lijst geleverd.
Buiten sloeg de deur dicht. Dorus bleef even met de kapotte bevestiging in zijn hand staan en gooide hem toen in een bakje, niet in de prullenmand.
‘Je kunt een hele ochtend bezig zijn met dingen die niet op de rekening komen,’ zei hij.
Vera keek op haar horloge. Ze zou op tijd terug zijn voor Yasmins pauze als ze nu wegging. Dorus legde het afgiftevel met het telefoonnummer dichter bij haar.
‘Mijn atelierlasten zijn ook niet kleiner geworden omdat iedereen thuis kan afdrukken. Ik heb achterstand moeten wegwerken. En dan komt zo'n kleurendiscussie er nog bij.’
‘Kun je van dit werk leven?’
Ze had de vraag eruit voordat ze bedacht dat het niet over de bon ging. Dorus vond hem blijkbaar minder vervelend dan de andere.
‘Krap. Er komt wel werk binnen. Een paar kleine opdrachten tegelijk. Ik heb nu honderdvijftig over die niet al ergens heen moeten. Als die man zijn rekening betaalt, komt er weer wat bij. Als er iets misgaat met de printer, ben ik het kwijt.’
Hij zei het zonder zijn telefoonbankieren aan haar te tonen. Zij had daar ook niet om gevraagd. Het bedrag bleef hangen omdat het klein klonk in een ruimte waar zoveel werk lag. Niet omdat zij nu wist wat er verder op zijn rekening stond.
‘Ik moet terug,’ zei ze.
Dorus stond niet meteen op. Vera deed haar jas aan. Het papier met de afsnede en Eriks nummer schoof ze in de aparte hoes die zij had meegenomen voor eigen notities. Ze moest niet nog meer vouwen door de V maken.
‘Mag ik dit meenemen?’
‘Daar had ik het voor gepakt.’
‘Dank je.’
Bij de deur keek hij opzij, naar de kleurenafdrukken die nog steeds naast elkaar lagen. Ze kon zelf teruglopen. Hij deed alleen het slot voor haar open.
‘Ik ben geen vreemde voor dat werk,’ zei hij.
‘Dat heb ik gezien.’
Ze wilde niet zeggen dat ze nu begreep hoe het met de dozen zat. Dat deed ze niet. De man die een ophangoogje verving en de man die vijf dozen als teruggestuurd had beschreven, stonden in dezelfde kamer. Eén van die dingen zou niet verdwijnen omdat zij het andere had gezien.
Op de stoep belde ze Anouk niet. Ze stuurde alleen dat ze een kopie en het nummer van de bezorger had. Ze zou later verder vertellen. Er kwam meteen een antwoord: goed, en daarna een vraag of de afsnede nog steeds dezelfde was.
Ja, schreef Vera.
Ze stak de telefoon weg. Aan de overkant reed een jongen achteruit met een bestelbusje terwijl iemand buiten hem met grote armgebaren aanwijzingen gaf. Vera wachtte tot het voertuig stilstond en stak toen de straat over.