Hoofdstuk 9 · 7 minuten lezen
De bon onder de boeken
Farah had alle kaartjes voor de tentoonstelling op de balie uitgespreid. Er lag een foto van een kaartjesknipper tussen en een lijst met namen die Noor niet kende. De ronde leestafel stond nu halfvol. Sami probeerde een stapel oude tijdschriften naar de andere tafel te tillen, maar ze gleden steeds weg.
‘Twee keer lopen mag ook,’ zei Farah.
Hij zette de helft terug. Noor pakte de bovenste drie. Op één omslag stond een molen die veel meer wieken leek te hebben dan de hunne. Ze legde het blad boven op de andere stapel.
Bente zocht bij de kaartjes een plekje voor hun onderschrift. Noor liep naar de balie. Ze zette een doosje paperclips recht. Daarna een stempel. Farah hield op met sorteren.
‘Wat zoek je?’
‘Niets. Ik wil iets zeggen.’
Noor liet de stempel los. Er zat een blauw randje op haar duim.
‘Vanmorgen zei ik dat Bente het touw niet goed had vastgemaakt.’
Bente keek op. Noor keek naar Farah.
‘Maar ik was er niet bij. Ik weet niet wie wat heeft vastgemaakt. Ik had Bente niet de schuld moeten geven.’
Farah legde de kaartjes neer. ‘Dan weet ik dat nu ook.’
‘Wil je het niet zo opschrijven?’
‘Dat was ik niet van plan. Ik wilde alleen vertellen wanneer de boot was losgeraakt.’
Noor knikte. Het liefst was ze achter de tijdschriften gaan zitten. Ze draaide zich om naar Bente.
‘Sorry.’
Bente hield het onderschrift nog vast. Een hoekje van het papier was onder haar duim omgekruld.
‘Ik vertelde het aan jou,’ zei ze.
‘Ik weet het.’
Er reed iemand met een kinderwagen langs het raam. Noor volgde de wielen tot de wagen uit het zicht was. Bente had niet gezegd dat het niet erg was. Noor ging dat ook niet vragen.
‘Wat mag er wel bij de foto?’ vroeg ze. ‘Behalve wie hem gebouwd heeft.’
Bente keek naar de plaat. Ze wees naar het water. ‘Dat we hem daar getest hebben. Bij de bibliotheeksteiger.’
Wim kwam met het bakje lijm naar hen toe. ‘En dat wij het touw niet hebben gecontroleerd.’
‘Ik had het om de paal gedaan,’ zei Bente.
‘Ja. En ik stond erbij. Ik keek naar het lampje en ging toen mijn haak halen.’ Hij zette de lijm neer. ‘We hadden allebei aan de boot kunnen trekken om te zien of het hield.’
Noor schreef de zinnen op een kladblaadje. Bente las mee en zette met haar potlood een streep onder bibliotheeksteiger. Ze wilde geen heel verhaal over het touw.
‘Dan laten we dat weg,’ zei Farah. ‘De foto laat zien wat jullie gemaakt hebben.’
Bente gaf Noor het kladje terug. ‘Alleen dat eerste. En hoe lang hij is.’
Noor maakte een nieuw kaartje. Het werd een korte zin. Op het oude kladje had ze heel veel woorden nodig gehad om uit te leggen wat ze niet wist. Ze legde dat kladje onder haar eigen kaart, uit het zicht van de bezoekers.
Farah vroeg of ze de laatste tijdschriften wilden verplaatsen. Er moest een tafel vrijkomen voor koffie en limonade. Sami pakte een kleinere stapel. Bente maakte plaats op de plank eronder. Noor zette haar tas op een stoel, maar de boeken staken uit en duwden tegen haar kaart.
Ze haalde ze eruit. Het otterboek schoof over het boek over het heelal. Onder het stapeltje lag een gevouwen wit papiertje met een kartelrand.
Haar kassabon.
Noor hield het papier tegen het licht. Er zat een afdruk van de gesp in, maar het gele rondje was nog zichtbaar. De woorden van de winkel op de voorkant hadden niets met boten te maken. Ze vouwde de tekening open.
‘Deze is van gisteren,’ zei ze.
‘Dat weet ik,’ zei Sami. Hij legde de laatste tijdschriften neer.
‘Kijk naar het pijltje.’
Links van het rondje stond een kromme wiek. Noor had hem snel getekend, met een stomp potlood aan de keukentafel. De wiek leek op een halve lepel. Het kleine pijltje wees die kant op.
Ze legde de bon naast de nette kaart. De grote pijl naar de sluis was veel duidelijker. Iedereen kon hem zien, ook zonder dat Noor erbij stond om het uit te leggen. Alleen had ze die pas later bedacht.
‘Hier zag ik het,’ zei ze. ‘Die molen had ik er daarom bij gezet.’
Bente ging naast haar staan. Ze hield haar handen op haar rug, zodat ze geen lijm aan het papier zou krijgen.
‘Waarom ging je dan naar de sluis?’
Noor trok met een vinger langs de dikke pijl. ‘Omdat het water daarheen ging. En omdat die pijl er al stond.’
Sami keek door het raam. Boven de daken kon je de vlag bij de molen zien. Hij hing soms slap en trok dan weer strak naar links.
‘Mijn broodzak ging ook zo,’ zei hij.
‘Wanneer?’ vroeg Bente.
‘Gisteren. Hier buiten. Hij waaide uit mijn fietstas toen ik mijn brood eruit wilde halen. Helemaal tot bij die bank.’
Hij wees naar een bankje aan de molenkant van de bibliotheek. Noor had hem gisteren nog met dat brood zien lopen. Ze had vooral naar het boek over otters gekeken.
‘Zat er brood in?’
‘Ja. Dat heb ik toen snel opgegeten. Er konden geen nieuwe broodjes wegwaaien.’
Wim boog zich naar het raam. De vlag trok weer strak. De smalle kant wees van de brug af, naar het westen.
Noor voelde tocht langs haar wang. De buitendeur stond open omdat Farah een lege doos naar binnen droeg. Buiten ritselden de bladeren op straat. Ze keek terug naar de foto op tafel. Het hoge dak stak wit boven de raampjes uit.
Sami tikte op de afdruk. ‘Zou dit niet net zo werken als die zak?’
Bente hield haar arm boven de foto. ‘Hij is niet van papier.’
‘Nee. Maar het dak steekt wel hoog uit.’
Noor pakte het potlood. Ze stopte voor ze een nieuwe dikke pijl had getekend.
‘Kunnen we dat ergens mee proberen?’
Wim keek naar de twee foto's van de bouw. Daarna naar een stapel plastic bakken naast de balie.
‘Niet met jouw boeken erbij,’ zei hij.
Noor schoof ze meteen naar de droge stoel. De kassabon legde ze bovenop. Deze keer kon hij nergens onder verdwijnen.