Hoofdstuk 3 · 8 minuten lezen
Eén pijl op de kaart
De plattegrond hing hoger dan handig was. Noor kon de brug aanwijzen, maar om haar vinger bij de sluis te krijgen moest ze op haar tenen staan. Sami hield een hand tegen de onderrand. Het papier bolde anders naar voren.
‘We kunnen hem er toch even af halen?’
Farah keek op van de uitleenbalie. ‘Lieverd, hij zit op een plaat. Daarachter zit de muur. Die blijft.’
Ze trok een lade open en haalde een vel papier tevoorschijn. Op de achterkant stond ondersteboven de helft van een aankondiging voor een schrijfcursus.
‘Hier. De voorkant is nog goed.’
Noor pakte haar etui. Ze nam meestal potloden mee naar de bibliotheek. Soms las ze iets waarbij je pas begreep hoe het werkte als je er een tekening van maakte. Ooit had ze geprobeerd een otterhol te tekenen, met een onderwateringang. Daarna had ze de ingang van haar slaapkamer willen verplaatsen. Dat had thuis minder succes gehad.
Ze zette de tafel naast de kaart vrij. Bente schoof de boeksteunen aan de kant en Sami haalde een liniaal uit een bakje. Er zat lijm op het uiteinde. Hij wreef er met zijn duim over tot er een grijs balletje loskwam.
Noor tekende eerst het water. Een brede lijn van links naar rechts, zoals op de kaart aan de wand. De bibliotheek kwam aan hun kant van de brug, aan de zuidoever. Om het gebouw heen zette ze een klein vierkantje.
‘Hij heeft ook een dak,’ zei Bente.
‘Dit is van boven.’
Bente knikte. Ze tekende met haar vinger op tafel waar de voordeur zat. Noor zette er een streepje bij. Dat maakte het gemakkelijker. Nu wist ze op haar eigen papier waar ze gisteren naar buiten was gekomen.
Wim stond bij het raam met Farah te praten. Hij had zijn jas nog niet dicht. Op de stoel naast hem lag de lange bootshaak, met het uiteinde onder de tafel zodat niemand ertegenaan liep.
‘Hoe ver is de sluis?’ vroeg Sami.
‘Een meter of zeshonderdvijftig vanaf de brug,’ zei Wim. ‘Over het pad. Er gaat een hek omheen, maar vanaf hier kun je langs het water lopen.’
Noor trok een lijn naar rechts en tekende aan het eind twee blokjes. Ze schreef sluis erbij. De letters pasten net boven de blokjes. Links kwam de molen, die op de grote kaart een veel kleiner plaatje was dan zij ervan maakte.
‘Dat is west,’ zei Sami. Hij wees naar de molen. ‘Bij ons op school hangt het westen ook links.’
‘Als het noorden boven zit,’ zei Noor.
Ze schreef een N boven aan haar vel. Daaronder tekende ze een puntige pijl. Nu kon niemand de kaart per ongeluk ondersteboven gebruiken.
Wim kwam erbij en zette zijn bril op. Hij volgde het blauwe water met zijn vinger.
‘Meestal gaat de afvoer deze kant uit. Naar de sluis.’
‘Dus de boot ook,’ zei Noor.
‘Dat zou kunnen.’
Noor tekende een dikke pijl in de rivier. De punt wees naar rechts. Ze trok de lijnen nog een keer over zodat hij donkerder werd dan de andere streepjes. Onder de pijl wilde ze boot schrijven.
‘Moet daar niet water bij?’ vroeg Bente.
Noor keek naar het puntje van haar potlood. ‘Ja. Kan ook.’
Ze schreef water. Het woord boot zou ze toevoegen zodra ze hem hadden gevonden. De sluis stond in elk geval al op de goede plek. Wat gisteren links van haar had geleken, kon verderop om een bocht zijn gegaan. Vanaf de brug zag je tenslotte niet alles.
Sami tikte op het vierkantje van de bibliotheek. ‘Zet er ook bij waar we beginnen. Anders komen we straks bij het voetbalveld.’
‘Dat staat er niet eens op.’
‘Precies.’
Hij tekende een klein kruisje bij de brug. Noor liet het staan, al waren de streepjes niet even lang.
Wim vroeg Farah waar ze een lege vuilniszak kon vinden. Als ze langs het water gingen, kon hij het afval meenemen dat gisteren bij het pad had gelegen. Sami liep mee om te helpen zoeken. Bente bleef naast Noor staan.
Ze streek met haar duim over de blauwe veeg op haar mouw. De verf was droog. Er kwam niets meer af.
‘Dat touw,’ zei ze zacht.
Noor keek op.
‘Ik had het om het paaltje gedaan. Ik dacht dat het vastzat.’ Bente keek naar de andere kant van de tafel. ‘Toen zat het ineens los.’
‘De knoop?’
‘Ik weet niet. Ik had het nog niet getest door te trekken. Opa moest de haak halen. En toen was de boot weg.’
Noor schoof haar kaart wat verder van de tafelrand. Het was moeilijk om iets te zeggen dat daarbij hielp. Ze wilde vertellen dat ze hem vast zouden vinden, maar dat wist ze nog niet. Ze wees naar de witte voorkant van het vermistbriefje in het raam.
‘Nu weten er in elk geval veel mensen van.’
‘Ik wil niet dat ze alleen maar zielig tegen me doen.’
‘Wie?’
‘Morgen. Dat ze zeggen hoe jammer het is en dan gaan kijken naar de foto's. Ik wil de boot laten zien. Ik heb de raampjes met een heel klein penseel gedaan.’
Noor knikte. Bente had ook de passagiers gemaakt, die niet eens goed op een vinger konden staan. Daar zouden mensen over moeten praten.
‘Als we hem vinden, kun je dat vertellen.’
‘En als niet?’
Noor drukte haar gum tegen het papier. Er bleef een lichtgrijze vlek achter.
‘Dan kunnen we nog iets bedenken.’
Bente pakte het doosje potloden dat Farah had neergezet. Er zaten twee rode tussen. Ze legde er één naast Noors kaart, zonder uit te leggen waarom. Noor liet het liggen. Misschien om later een route mee te tekenen.
Sami kwam terug met een opgevouwen zak en een appel die hij uit zijn fietstas had gehaald. De zak gaf hij aan Wim. De appel stopte hij bij de boeken.
‘Weet iedereen waar we moeten zijn?’ vroeg Wim.
Noor hield haar vel omhoog. Ze kon de brug aanwijzen zonder eerst om te denken. Het pad liep aan hun kant van het water naar de sluis. Daar zouden ze eerst zoeken. De terugweg ging over hetzelfde pad.
‘En voor de lunch zijn we hier weer,’ zei Wim. Hij keek op de klok. ‘We hebben tijd genoeg om goed te kijken.’
Noor vouwde de kaart dubbel, precies tussen de molen en de brug. De kassabon bleef in haar jaszak. Op de kaart stonden tenminste namen bij de dingen.
Buiten haalde Sami de boekentas onder zijn snelbinders vandaan en sloeg hem op zijn rug. Hij nam hem mee omdat er nergens een kluisje vrij was. Bente droeg het lege krat met de handdoek. Toen Noor aanbood om te ruilen, trok ze het iets naar zich toe.
‘Ik heb hem.’
Wim pakte de bootshaak en wachtte bij het begin van het pad. Noor ging naast Bente staan. Ze had de kaart in haar hand met haar duim op de dikke pijl.