Hoofdstuk 13 · 8 minuten lezen
De witte draad
Wim wachtte tot Noor, Sami en Bente achter de bank stonden. Het krat stond tussen hun voeten. Hij pakte de bootshaak op en draaide hem zo dat hij niets met het lange uiteinde raakte.
‘Ligt er iets onder?’ vroeg de man met de verfspullen vanaf het pad.
‘Onze modelboot,’ zei Wim. ‘Die zou ik er hier vandaan graag onderuit halen.’
De man zette zijn tas neer. Hij keek waar Wim stond en schoof zijn verfblik verder van de toegang. ‘Ik houd het pad wel even vrij.’
Noor kon het dak nu niet meer zien. Ze wilde terug naar de spleet, maar dan zou ze precies staan waar Wim ruimte nodig had. Ze bleef naast Sami. Bente stond aan de andere kant van het krat en keek naar de plek waar de haak onder de rand verdween.
Er kwam een zacht schrapend geluid. Wim hield op met bewegen.
‘Nog even,’ zei hij.
Hij verplaatste zijn handen op de steel. Noor zag zijn mouw langs de leuning schuiven. De haak bleef laag. Het riet naast de steiger bewoog en toen verscheen er een stukje wit bij de rand.
‘Daar!’ zei Sami.
Noor zag het ook. Het dak kwam een paar centimeter verder, helderder nu het niet meer helemaal in de schaduw lag. Bente zette haar hand op de rug van de bank.
De boot bleef steken.
Wim trok niet harder. Hij hield de steel stil en keek naar de achterkant van het model. Een rietstengel lag schuin boven het water. Hij schudde telkens als de boot bewoog.
‘Hij zit ergens aan vast,’ zei Wim.
Bente wees vanaf haar plek. ‘Het touwtje. Daar, bij dat gebroken stukje.’
Noor zocht langs het dak. Eerst zag ze alleen een licht streepje op het water. Toen het strak kwam te staan, zag ze dat het boven het water hing. Een dunne witte draad liep van de boot naar de afgeknakte stengel.
‘Ik zie het,’ zei ze.
De draad was bij de knik om het riet geslagen. Vlak erachter zat een oud bruin blad. Het was genoeg om het kleine model vast te houden. De wind duwde tegen het dak, maar de boot kon niet verder.
Wim keek naar Bente. ‘Daar zit hij inderdaad.’
Hij liet het model een stukje teruggaan. De draad werd slap. Noor verloor hem meteen weer uit het oog. Wim kon hem vanaf zijn plek nog volgen. De punt van de haak bewoog even bij het riet.
Een druppel viel van de balk.
Toen kwam de boot vrij.
Hij draaide langzaam, met de achterkant eerst. Noor hield onwillekeurig haar handen naar voren. Er zat nog een hele bank tussen haar en het water. Ze legde haar handen maar op de kratgrepen.
‘De handdoek,’ zei Bente.
Sami trok de losse hoek uit de weg. Het krat bleef op de planken staan. Ze hoefden het Wim niet boven het water tegemoet te houden.
Wim bracht het model naar de vrije plek naast zich en tilde het binnen de leuning. Water liep langs de zijkant en drupte op de steiger. Voorzichtig liet hij de boot in de handdoek zakken.
Noor bukte. Nu lag hij vlak voor haar, groter dan het lichtje van vrijdag. Op de witte kap zaten bruine spikkels. Een blaadje plakte aan de voorkant. Achter een raam hing een kleine passagier met zijn neus tegen het glas.
Bente knielde bij het krat.
‘Die zat eerst recht,’ zei ze.
‘Ik denk dat hij er zelf ook liever anders bij zit,’ zei Sami.
Bente streek met één vinger over de droge rand van het krat. Ze raakte de passagier nog niet aan. Haar andere hand bleef boven de twee rode laarsjes hangen.
‘Ze liggen er allebei nog.’
De kleinste was naar de dakrand geschoven. Wim hield het model vast terwijl Bente de laarsjes er voorzichtig afnam. Aan de onderkant zat een bleek laagje losgeraakte lijm. Ze legde ze naast elkaar op een droog hoekje van de handdoek.
Twee linkerlaarzen. Van zo dichtbij kon Noor het meteen zien. Ze hield haar hoofd een beetje schuin om de ronde neuzen te bekijken.
‘Die gaan niet meer op het dak,’ zei Bente.
Ze zei het gewoon tegen de laarsjes. Noor zei niet dat ze ze anders misschien nooit hadden gevonden. Bente schoof ze een stukje verder van de natte romp.
Wim zette het lampje uit. Hij bekeek het vakje met de twee batterijen en haalde ze eruit voordat iemand aan het model ging drogen. Het zwakke gele puntje was weg.
‘Eerst droog en nakijken,’ zei hij. ‘Deze blijft nu even uit.’
Bente knikte. Ze pakte het blaadje van de voorkant en legde het naast een paal. Op het dek lag een laagje water. De kurk onder de romp was donkerder dan op haar bouwfoto.
‘Hij is toch blijven drijven,’ zei Sami.
Wim keek naar de onderkant. ‘Ja. Dat deel heeft zijn werk gedaan.’
Hij haalde de witte draad los van het rietrestje dat nog aan de boot zat. Het uiteinde was gekruld en vuil. Bente bekeek het, maar trok er niet aan. Wim legde het apart in een leeg zakje dat hij bij zich had.
‘Gaat dit nog mee?’ vroeg Noor.
Bente keek naar het zakje. ‘Wel naar de bibliotheek. Ik weet nog niet of het bij de tentoonstelling moet.’
Noor schoof het zakje onder de kratgreep, zodat ze het niet zouden verliezen. Ze maakte er geen kaartje voor.
De man in de overall pakte zijn tas weer. ‘Op tijd voor de tentoonstelling?’
‘Om twee uur,’ zei Bente. ‘We moeten hem nog schoonmaken.’
‘Dan zal ik jullie niet ophouden.’
Wim bedankte hem. Noor nam met Sami het krat op. Ze hielden het tussen zich in, zodat het niet tegen hun benen sloeg. Bente stopte de rode laarsjes veilig in een leeg doosje van Wim en legde dat boven op de droge handdoek.
Voor ze van de steiger liepen, keek Noor om naar de plek waar ze had gehurkt. Het tikken was gestopt. De paal en het riet stonden nog precies waar ze hadden gestaan.
Op het pad moesten ze even wachten voor twee wandelaars. Sami zette zijn kant van het krat iets hoger en Noor paste haar hand aan. Het model bleef recht liggen. Bente liep vlak naast hen.
‘Bij de bibliotheek wil ik eerst die man weer recht zetten,’ zei ze. ‘Niet meer met zijn neus tegen het glas.’
Noor keek naar het neusje achter het raam. ‘Ik zoek wel een droge plek voor hem.’
Daarna liepen ze terug naar de bibliotheek.