Hoofdstuk 8 · 12 minuten lezen
De zaterdagafspraak
De offerte lag in een doorzichtig mapje. Ada had de kopie erachter gestoken zodat ze niet per ongeluk haar eigen aantekeningen meegaf. Tweehonderdzestig voor het onderhoud, vijfennegentig voor het hout. Op de achterkant had zij nog geschreven wat er bij het lopen en slaan gecontroleerd moest worden. Dat was geen uitleg die op de voorkant paste.
Voor de zaterdag opende ze om negen uur zoals altijd. Ze had een paar dagen geleden het bordje met de woensdagregel schoongemaakt; de regen liet er zand op achter. De letters van Mara waren niet uitgelopen. Je zag er alleen een dun potloodstreepje onder als je dichtbij stond.
De straat was nog rustig. Bij de bakker werd een luifel uitgezet, halverwege bleef hij hangen. De vrouw die eraan draaide, keek omhoog en ging nog een keer de andere kant op. Ada bleef even op de stoep staan met haar doekje in de hand.
‘Als je hem eerst helemaal terugdoet,’ zei ze.
‘Dat heb ik gedaan.’
Ada stak haar hand op en ging naar binnen. Van de toonbank moest nog een lege doos af. Saskia kwam om half tien; Vermeer om tien. Twee keer een gesprek, in het eerste alleen een offerte. Ze kon erna nog tot één uur open blijven zonder meteen nieuw werk te beginnen.
Zij hing de kleine wandklok voor vrijdag op een andere haak. Die stond sinds de vorige week vrijdag klaar. De eigenaar zou hem gisteren ophalen, had het druk gehad en zou nu na het weekend komen. Ada had de week ervoor moeten uitleggen waarom het langer duurde, en nu mocht het ding nog dagen hier blijven. Ze zette de bon in het kastje voor afhalers. De klok bleef aan de muur, op een plaats waar zij hem kon horen.
Het was negenentwintig over negen toen Saskia binnenkwam. Ze had haar jas niet dichtgedaan en trok hem alsnog op de tocht die de deur meebracht.
‘Ik ben iets vroeg.’
Ada schoof het mapje naar voren. ‘U kunt zitten.’
Saskia keek naar de klantenstoel, haalde haar tas van haar schouder en ging erop zitten. Ze maakte het mapje open met haar bril al in de hand. De pootjes van de bril bleven even aan het plastic hangen.
Ada wachtte tot ze het bedrag zag. Het was niet het gezicht dat mensen trokken als ze niets konden betalen; het was een gezicht waarbij ze probeerden te begrijpen waar hun eigen vraag in het antwoord stond.
‘Dit gaat over de kras?’ vroeg Saskia, met haar vinger op de tweede regel.
‘Dat is het houtwerk. De kleur bijwerken, de buitenkant verzorgen. Die hoek valt dan minder op.’
‘En de klok zelf?’
‘De eerste regel. Onderhoud aan het uurwerk, lopen en het slagwerk goed laten functioneren. Daarna moet ik kijken hoe hij zich houdt.’
Saskia draaide het blad om. Ada zag haar eigen potloodregel door het papier heen. De klant las hem niet, maar legde het vel weer neer met de voorkant boven.
‘Ik wil eigenlijk alleen de eerste.’
Ada knikte. ‘Dat kan.’
‘Mijn vader heeft hem altijd zo gehad. Niet dat hij per se beschadigd moet blijven. Maar ik vind dat niet zo belangrijk.’
Ze zei het zorgvuldig, alsof zij Ada niet wilde beledigen met haar voorkeur voor een kras. Ada legde een vinger op het blanco deel van de bon.
‘Het hoeft niet.’
‘U zei dat het de aandacht trok.’
‘Bij dat licht.’
Saskia keek naar de werklamp. Ada voelde dat zij het moeilijker maakte dan nodig was. Het bedrag voor het hout had ze kunnen weglaten toen ze het opschreef. Dan had de klant er niet over hoeven beslissen.
‘Ik maak een nieuwe voor alleen het uurwerk,’ zei ze.
‘Ik wil wel dat de wijzers het goed doen. En dat hij niet drie keer slaat als het twee uur is.’
‘Dat hoort bij het eerste.’
Ze zette tweehonderdzestig op een schoon vel en schreef erbij wat ze afgesproken hadden. Saskia liet haar bril op haar neus staan. In het glas zag Ada de omgekeerde cijfers van haar eigen handschrift.
De bel klonk. Een vrouw stak haar hoofd om de deur en vroeg of ze ook batterijen hadden. Ada wees naar het bakje, noemde welke maten er waren en vroeg voor welk apparaat. Het bleek een sleutel met een knoopcel waarvan de vrouw het nummer niet wist. Ze zou de sleutel thuis halen. De deur ging weer dicht.
Ada draaide zich terug naar Saskia. Die had het eerste vel nog in haar handen.
‘Als ik deze kras laat zitten, is er dan kans dat het hout verder kapotgaat?’
‘Niet door die kras alleen. Ik heb geen los deel gezien dat daar vanaf komt.’
‘Dan laten we hem.’
Ada schreef geen kastrestauratie onder de rest. Zij had het bijna korter gemaakt tot alleen uurwerk, maar wilde dat ze er later dezelfde betekenis bij zouden hebben. Ze schoof het vel toe.
Saskia las ook de termijn. Ada had voorlopig staan: na onderhoud en controle bericht. Dat was voor de klant geen dag waarop zij een middag kon vrijhouden.
‘Hoe lang ongeveer?’
Ada pakte de agenda. Het liep tegen het eind van september. Op de bladzijden verderop had ze vier dingen met potlood gezet en twee met pen. Hoving had een prijs en een uiterlijke week. De sportvereniging moest begin december een echte aflevering kunnen afspreken. Saskia had gezegd dat ze geen haast had. Dat was nog geen onbeperkte ruimte.
‘Ik wil u in november kunnen bellen om op te halen.’
‘Begin of eind november?’
Ada wees naar een donderdag in de tweede helft van de reeks bladzijden. Halverwege november. In die week stonden nog twee afhaalmomenten, op verschillende dagen.
‘Deze week. Als het eerder klaar is, bel ik eerder.’
Saskia las de datum en keek op haar telefoon. Haar gezicht werd niet vrolijker of ontevredener.
‘Goed. Donderdag kan. Het hoeft niet op de kop af negen uur.’
‘Dat hoeft ook niet.’
Ada schreef de afspraak op beide exemplaren. Toen Saskia ondertekende, keek zij even naar de winkelruit. Aan de overkant kwam een man aan met een klok onder zijn arm. Het witte papiertje om de slinger zag zij nog voor zij hem herkende.
Vermeer kwam om tien uur binnen. De klok aan de muur wees twee minuten later aan, maar Ada had die nog niet bijgesteld. Zij keek op haar eigen telefoon en zag dat hij precies op tijd was.
‘Goedemorgen,’ zei hij.
‘Goedemorgen. Ik ben zo bij u.’
Hij knikte en bleef bij de deur staan omdat de stoel bezet was. De klok hield hij met twee handen vast. Saskia schoof haar tas van de zijkant naar haar schoot. Er was geen tweede stoel voor een wachtende klant; Ada gebruikte haar eigen kruk aan de werkbank.
‘Ik kan die kruk wel even—’ begon ze.
‘Nee, hoor,’ zei Vermeer. ‘Ik wacht wel.’
Ada ging terug naar de offerte. Ze hoefden alleen nog een kopie te maken. De machine deed het meteen. Ze legde de kopie bij de klant en pakte het mapje van Saskia’s klok.
‘Uw telefoonnummer klopt nog?’
‘Hetzelfde.’
‘Dan is dat klaar.’
Saskia stopte haar bril in een etui. Het mapje ging in haar tas. Ze kwam overeind en keek voorbij Ada naar de werkbank.
‘Mag ik hem nog even zien?’
Ada had kunnen zeggen dat ze daar een andere keer een rustig moment voor moesten kiezen. Ze dacht aan de telefoon waarop de klant een foto van het oude onderhoudsbriefje had opgezocht. Het was niet veel gevraagd om haar eigen klok nog even te zien.
‘Daar staat hij.’
Ze liep naar achteren en tilde de kast naar het losse blad aan de zijkant. Niet op de geopende uurwerken, niet tussen twee klokken waarvan de kaartjes loslagen. Saskia bleef staan op de plaats waar klanten nog net genoeg ruimte hadden.
‘Mijn vader heeft nog zo’n ding,’ zei ze. ‘Een grotere. Die staat altijd in het raam en je hoort hem buiten al.’
Ada vroeg of hij nog goed liep. Vermeer zette achter hen zijn klok op de uiterste rand van de toonbank, met één hand eronder. Ada zag het in het glas van de kast maar draaide zich niet om.
Saskia vertelde dat de grote klok bij haar vader wel goed liep en dat hij daar geen ander aan wilde laten komen. Haar eigen klok had ze na een verbouwing gekregen omdat er geen plaats meer voor was. Haar vader bleef nu vragen of ze hem wel had opgewonden. Zij had hem al zo vaak opgewonden dat ze niet meer zeker wist of zij nog iets hoorde wat er niet zat.
‘Als er iets verandert, bel ik u,’ zei Ada.
‘Ook als het duurder wordt?’
‘Dan beslissen we opnieuw voordat ik dat doe.’
Saskia streek met haar hand niet over het hout maar langs haar jas. Ada zag dat zij haar vingers ervan weghield. Ze had de klok hier achtergelaten; toch leek zij zich af te vragen of ze hem mocht aanraken.
‘Wilt u hem zelf even vasthouden?’ vroeg Ada.
Saskia nam hem aan, keek naar de voorkant en draaide hem naar de achterkant. Ada wees op het kleine deukje dat er al zat, zodat dat ook vaststond. Ze hadden het dinsdag genoteerd. De kras op de hoek zat op dezelfde plaats.
Vermeer schraapte zijn keel. Ada keek op. Hij hield de klok weer van de toonbank af.
‘Ik ben om tien uur afgesproken,’ zei hij.
‘Ik weet het. We ronden af.’
Saskia zette haar klok neer en keek op haar telefoon. ‘Ik moet eigenlijk ook.’
Het lukte niet onmiddellijk om haar offerte in het juiste vak van de tas terug te stoppen. De hengsels bleven achter de rits hangen. Ada hielp de tas niet vasthouden. Ze keek naar Vermeers vingers onder het houten kastje, de knokkels met rode plekken waar het gewicht op rustte.
‘U kunt hem daar neerzetten,’ zei ze.
‘Dat deed ik net.’
Hij zei het niet hard. Saskia wenste hen een prettige dag en ging naar buiten. Ada wachtte tot zij het smalle stukje langs de deur vrij had en schoof toen een schoon vel voor Vermeer neer.
Het was bijna kwart over tien.
‘U wilde dat ik even luisterde,’ zei ze.
‘Drie weken geleden ook.’
Ada keek hem aan. Het antwoord over de woensdag had klaar gelegen. Zij had hem toen naar donderdag verwezen en daarna hadden ze deze zaterdag gekozen. Vandaag was hij niet buiten de uren gekomen.
‘U hebt moeten wachten.’
‘Ja.’
Hij zette de klok niet neer. Ada hoorde in het houten kastje een korte tik terwijl de slinger tegen het papiertje kwam. Zij wilde hem vragen of hij tijdens het vervoer de sleutel uit het deurtje had gehaald, maar zag het sleuteltje al in zijn borstzak.
‘Als u hem hier laat, kan ik hem rustig bekijken. Ik wil eerst horen wat u bedoelt met dat extra tikje.’
‘Ik kwam hier om tien uur, zodat u dat kon.’
‘Dat begrijp ik.’
‘Ik wil hem niet achterlaten en dan weer moeten bellen wanneer ik langs mag.’
Er lag geen werkbon voor hem. Ada had zijn naam alleen in de agenda. Zij had nog geen werk aangenomen, geen prijs genoemd. Ze dacht aan de andere klokken die ze eerst langer had moeten bekijken voordat ze iets kon zeggen. Zij kon nu niet doen alsof een afspraak om tien uur haar handen sneller maakte.
‘Dan kan ik alleen aanbieden nu eerst met u te luisteren.’
Vermeer keek naar het vel papier. Hij hield de klok nog steeds vast.
‘Laat maar. Ik weet nog een andere zaak.’
Hij liep naar de deur. Ada deed één stap naar hem toe en bleef staan. Ze kon nog zeggen dat de wachttijd niet aan zijn klok zou worden gerekend. Dat was zo vanzelfsprekend dat het een belediging zou worden.
De bel ging toen hij de deur openduwde. Aan de overkant stond Saskia haar fiets los te maken. Ze keek heel even op, zag Vermeer met zijn klok en boog weer naar het slot.
Ada haalde het schone vel van de toonbank. De afspraak stond er nog. Zij zette er geen kruis door, maar schreef ernaast: vertrokken, niet ingenomen.
Tegen elf kwam de vrouw terug met de autosleutel. Ada had de juiste knoopcel. Ze liet zien welk nummer erop stond en noemde de prijs. De vrouw bleef wachten op iets dat nog moest gebeuren, tot Ada begreep dat zij verwachtte dat de sleutel ook openging. Dat werk deed zij hier niet. Zij legde uit waar de sleutelmaker zat en nam de batterij weer terug toen de vrouw die niet los wilde kopen.
Ada legde de batterij in het bakje. Het voelde toch als een tweede klant die met iets in haar hand naar een andere zaak ging.
Ze zette Saskia’s oude offerte onder de nieuwe, niet andersom. Op de werkbon bleef alleen tweehonderdzestig over. Ze haalde het potloodstreepje bij het hout weg en schreef de afgesproken krasnotitie duidelijker.
Om twaalf uur kon ze een kwartier aan de kleine wandklok werken die de vorige dag niet opgehaald was. Er hoefde niets meer aan te worden veranderd. Ze vergeleek de stand met de genoteerde tijd en luisterde naar het slagwerk toen het hele uur voorbijging. De klant had geen haast gehad met ophalen, maar zou wel verwachten dat het goed was.
Ada stond met haar schouder naar de deur. Ze was zich ervan bewust dat iemand daar nu binnen kon komen. Het kostte moeite niet bij iedere schaduw om te kijken.
Tien voor één begon zij de toonbank leeg te maken. De sporttas voor woensdag lag thuis nog onder de kapstok. Zij had Leonie niet gevraagd of die weer kwam; dat kon ze volgende week gewoon zien. Op de werkbank lagen de onderdelen voor Hovings klok. Het bestelde stuk had gepast. Er was daarna nog te weinig tijd geweest om te zien wat dat veranderde.
Ze legde de kap eroverheen. Het vrijdagbriefje van de kleine wandklok schoof zij naar maandag. De rest liet ze op volgorde liggen.
Voor ze de deur sloot, keek Ada op de vloer naast de klantenstoel. Er lag een dun wit papiertje. Zij bukte om het op te rapen en zag dat het niet uit Vermeers klok kwam maar de afgescheurde rand van een van haar eigen bonnen was. Ze gooide het weg.
Buiten was de luifel van de bakker nu helemaal uit. De vrouw zette een krat lege flessen onder de rand. Ada draaide haar sleutel om, stak hem in haar jaszak en liep naar huis.