Hoofdstuk 20 · 10 minuten lezen
Wat januari kost
De man van de boekhouding hing zijn jas over de rug van de stoel, bedacht zich en trok hem weer aan omdat de deur bleef tochten. Ada schoof het elektrische kacheltje een stukje naar hem toe. Ze liet het uit. Als het tegelijk met de waterkoker aanstond, begon ze zich altijd af te vragen wat er nog meer op die groep zat.
‘Wilt u koffie?’
‘Graag.’
‘Hij is net gezet.’
‘Dat zei u vorige keer ook.’
‘Toen was het ook waar.’
Hij glimlachte en legde de map op zijn schoot. Hij had voor deze maandagmiddag een uur ingepland. Ada had de afschriften klaargelegd, het schrift met de uren en drie bladen met voorgestelde opdrachten voor januari. Geen van die klokken stond al bij haar. De eigenaars hadden ze thuis gehouden tot ze wisten waar ze aan toe waren.
Aan de toonbank stond een man te wachten op een batterij voor zijn horloge. Ada had hem gevraagd een ogenblik te hebben; hij keek intussen naar de wijzers in de vitrine. Haar bezoeker schoof een envelop onder de map en vroeg waar ze wilde beginnen.
‘Bij wat er nog in zit,’ zei Ada.
Hij sloeg zijn map open. Zij liet hem de kolom met het vrije geld zien. Aan het begin had daar tweeënveertighonderd gestaan. September had negentig minder opgeleverd dan de gewone maandposten, oktober honderd minder. Hij volgde de bedragen met zijn vinger. De klant aan de toonbank tikte met zijn ring tegen het glas.
‘Vierduizend en tien,’ zei de boekhouder.
Ada knikte. ‘En deze maand die honderdtachtig.’
‘Het onderzoek.’
‘Ja.’
Zij gaf de rekening van Jeroen. Niet de negentig euro die naar Paul terug was gegaan; dat bedrag stond op het andere blad, bij het klantgeld. De boekhouder keek naar de factuur en legde hem naast het afschrift. Hij vroeg of de gewone inkomsten van november compleet waren. Nog niet, zei Ada. Er kwamen deze week een paar afhalers. Ze wilde de maand pas afsluiten wanneer ook de laatste bedragen erin stonden.
‘Dan laten we het hier voorlopig open.’
Hij maakte een klein teken in de kantlijn. Ada had zelf een bedrag ingevuld en er daarna een vraagteken achter gezet. Ze gumde het niet uit. Het was duidelijk genoeg dat zij het nog niet wist.
De horlogeman kuchte. Zij excuseerde zich, stond op en deed wat er aan de toonbank moest gebeuren. Het horloge had een diepe kras over de achterkant. De man wees er zelf op, voordat zij er iets over kon vragen. Hij wist precies wanneer hij die had gemaakt: tussen de schuurdeur en het stuur van zijn fiets. Ada luisterde, maakte de gewone handeling af en gaf hem zijn bon. Het duurde twaalf minuten.
Toen zij terugkwam, had de boekhouder zijn pen over het schrift gelegd. Hij zat niet voor haar de ontbrekende uren te verzinnen.
‘Die tijd,’ zei Ada. ‘Daar gaat het dus ook om.’
Zij liet hem het blad voor januari zien. Maandag werkplaats, zes uur. Dinsdag, donderdag en vrijdag twee uur voor opening. Woensdag niets. Zij had niets geschreven, zonder bij het woord vrij stil te staan. Voor klanten zouden de drie dagen pas om elf uur beginnen en zaterdag om tien. De zaterdag was daarmee een uur korter dan nu, de andere dagen aan beide kanten ingekort.
‘En tijdens die publieke uren doet u ook reparaties?’ vroeg hij.
‘Als het rustig is.’
‘Kunt u daar afspraken op verkopen?’
Ada keek naar de toonbank. Het horloge was weg. De deur was weer dicht. ‘Niet vooraf.’
Hij knikte en zette een streep langs de twaalf werkplaatsuren. Bij een gemiddelde maand kwam dat op ongeveer tweeënvijftig uit. Ada had er zesendertig als betaalde reparatietijd onder gezet. De rest was voor bekijken, overleggen, bestellen, de bonnen en wat er tussen het ene werk en het volgende lag. Zij had die zestien uur eerst te ruim gevonden. Daarna had zij de vrijdag uit haar schrift teruggezocht waarop ze na de lunch geen enkele klok had kunnen afmaken.
‘Dit zijn geen uren die ik allemaal overhoud,’ zei ze. ‘Dit zijn de uren waar ik niemand op zet.’
‘Ja.’
Hij sloeg de rekenmachine niet open. De optellingen had zij al gemaakt. Hij controleerde waar zij dezelfde kosten twee keer had meegenomen en waar een bedrag alleen ontvangst was. Bij twee verschillende totalen had Ada dezelfde materiaaluitgaven afgetrokken. Hij wees ze aan. Zij haalde de tweede aftrek weg. Ze had het schrift zo gedraaid dat hij kon meelezen. Het papier trok bij de spiraal een beetje omhoog.
‘Met zesendertig uur en dit gemiddelde kom ik hier,’ zei ze.
Tweeduizend driehonderdveertig. Daaronder stond zeshonderdtien voor onderdelen en de kleine toonbankhandelingen. Samen negenentwintighonderdvijftig. Zij had het totaal niet omlijnd. Op het blad ernaast stonden de maandposten: de huur, de andere vaste lasten, materiaal en uitbesteed werk, het geld dat zij apart zette, wat zij voor zichzelf opnam. Bij die laatste post stond nu negenhonderdvijftig.
De boekhouder wees erop. ‘Dat is minder.’
‘Dat weet ik.’
Hij liet zijn pen zakken. Zij was te snel geweest. Ada draaide haar beker met de handgreep naar zich toe.
‘Honderdvijftig minder. Ik heb thuis gekeken. Dat kan ik proberen.’
‘Ook met de lessen?’
‘Die betaal ik privé. Die staan daar niet bij.’
Ze tikte op het zakelijke blad. Daarna haalde ze het kleine losse briefje uit haar tas waarop zij haar eigen terugkerende bedragen had geschreven. Hij keek er niet naar voordat zij het voor hem neerlegde. Het pensioen stond erop, de huur van thuis en de leskosten. Voor de badminton had ze een bedrag apart gezet dat verwaarloosbaar leek naast een grote reparatie, maar groter werd als ze het steeds vergat mee te rekenen. Zij wist nog niet welk racket ze wilde kopen. Dat hoefde vandaag ook niet beslist te worden.
‘Dan is de vraag hoeveel van die zesendertig uur u werkelijk kunt verkopen,’ zei hij.
Ada pakte de drie voorstellen. Het eerste was die ochtend per mail aanvaard. Zeven uur tegen het nieuwe tarief, vijfenvijftig aan onderdelen. Vijfhonderdtien samen. Zij had de afspraak voor januari bevestigd. De klant wilde weten of hij het voor Kerst kon brengen; zij had nee geschreven. Op de afgesproken dag in januari zou hij de klok brengen.
Het tweede voorstel lag omgekeerd. Dat antwoord moest zij nog geven. Vijf uur en onderdelen, vierhonderdvijf. De klant had gevraagd of zij het tarief kon nemen dat zijn buurman twee jaar geleden had betaald. Hij had die buurman zelfs aangeboden de rekening te laten zoeken.
‘Als ik die aanpas,’ zei Ada, ‘kan ik dit hele blad wel wegdoen.’
‘Misschien. Maar u moet hem antwoorden.’
Zij pakte de telefoon. De man nam direct op. Zijn stem klonk buiten, met verkeer erachter. Ada zei haar naam en vroeg of het uitkwam.
‘Zeg het maar.’
Ze noemde de prijs van de werkzaamheden die zij kon aanbieden, met het afgesproken onderzoek en de onderdelen zoals ze het had opgeschreven. De man vroeg of zij een paar dingen kon overslaan.
‘Dat deel dat u bedoelt hoort bij wat ik moet doen om hem goed terug te kunnen geven. Ik kan niet alleen op papier een kleiner werk maken.’
Hij zweeg. In de achtergrond klonk een claxon.
‘Dan wordt het hem niet,’ zei hij. ‘Ik vind het te veel voor die klok.’
Ada keek naar het blad. ‘Dat begrijp ik.’
Ze begreep niet of het voor hem te veel was; zij kende zijn rekening niet. Maar zij kon wel begrijpen dat hij het er niet voor wilde uitgeven. Het was zijn klok. Hij vertelde dat iemand hem een adres in een ander dorp had gegeven. Ada hoopte bijna dat hij vroeg wat zij daarvan vond. Dat deed hij niet.
‘Goed,’ zei hij. ‘Dan weet ik het.’
Na het gesprek streepte zij het bedrag niet door. Ze schreef ernaast: afgewezen. De vijf uur bleven leeg in haar planning.
Het derde antwoord kwam terwijl de boekhouder de eerste facturen alweer in zijn map schoof. Een vrouw had alleen het onderzoek gekozen: één uur voor vijfenzestig euro. Daarna eerst bellen. Zij wilde nog geen toezegging over de hele reparatie. Ada las de mail tweemaal. Er stond nergens dat het daaropvolgende herstel zeker zou doorgaan.
‘Acht uur,’ zei ze.
De boekhouder keek op.
‘Van de zesendertig. Acht echt afgesproken. Vijfhonderdvijfenzeventig aan werk en onderdelen. Als het zo wordt uitgevoerd.’
Zij had een vol blad met cijfers en nog geen derde van de betaalde uren gevuld. Buiten stak een vrouw haar hand op naar iemand aan de overkant. Zij kwam niet de winkel in.
‘Ik kan natuurlijk in december nog meer afspreken,’ zei Ada.
‘Zeker.’
Hij zei het zonder geruststellende toon. De deurbel ging. Een klant vroeg of zij ook bandjes had die niet van leer waren. Ada wees naar de vitrine en vroeg hem even te wachten. Hij knikte, ging op de klantenstoel zitten en begon op zijn telefoon te kijken.
Zij liet de boekhouder het laatste blad zien. Daar stond het bedrag dat nodig was om de genoemde posten te dekken: achtentwintighonderdvijftig. Honderd minder dan haar verwachte ontvangsten. Een kleine strook ruimte tussen twee getallen die ze allebei nog waar moest maken.
‘Ik wil het tot eind maart proberen,’ zei ze. ‘Dan opnieuw kijken. Niet als ik al maanden niks meer heb.’
Ze had zeshonderd als uiterste extra risico genomen. Eigen geld, uit het vrije gedeelte dat nu nog in de zaak zat. De boekhouder vroeg wat ze zou doen als het eerder opraakte. Ada schoof met haar nagel langs de rand van het blad.
‘Dan niet wachten tot maart.’
Dat klonk strenger dan het op papier stond. Zij schreef het erbij. De maandagproef wilde ze eerst één keer doen, de week erna, met de afspraken die daarvoor al verzet konden worden. Ze had al iemand gebeld over een afhaalbezoek op die maandag. De klant kon donderdag. Aan de deur hing nog niets; dat zou zij ruim van tevoren doen.
De boekhouder trok zijn map dicht. Het uur was om, met de onderbrekingen erbij. Zij spraken af wat hij bij de volgende gewone controle nodig had. Ada vroeg of hij de optelling onder aan het blad nog eenmaal wilde bekijken. Daar had zij een vijf geschreven die op een zes leek.
‘Vijf,’ zei hij.
‘Ik weet het. Alleen morgen misschien niet meer.’
Hij schreef een duidelijker vijf naast de hare. Daarna trok hij zijn jas goed en nam zijn map mee. Ada liet hem uit en keerde terug naar de klant met het bandje.
Het eerste kunststof bandje paste niet bij de kast van zijn horloge. Het tweede vond hij te donker. Hij hield het derde naast de wijzerplaat en vroeg of er geen kleur tussenin was. Ada haalde het bakje met de andere maten. Achter hem lag haar nieuwe urenblad op de stoel, met de rekenmachine erop zodat het niet op de grond zou schuiven.
Pas om halfzes had zij tijd om het weer op te bergen. Zij zette de drie antwoorden achter in de map: aangenomen, geweigerd, onderzoek. Op de eerste bon schreef ze de leverafspraak en de woorden meenemen in januari. Op de tweede alleen de datum van het telefoongesprek. De derde kreeg een vakje voor het bellen voordat zij verderging.
Ze schoof de map in de kast, pakte hem nog eenmaal terug en nam het kleine privébriefje eruit. Dat hoorde in haar eigen tas. Het raakte bijna vast tussen de envelop van een onderdelenleverancier en het elastiekje dat zij om de map had willen trekken. Ada streek het glad op haar knie.
Voor zij naar huis ging, haalde ze een vel crème papier uit de lade. Bovenaan schreef ze met potlood de maandag waarop ze de proef zou doen, daaronder werkplaats. Bij het woord gesloten hield ze haar hand even stil. Er moest duidelijk bij dat dit één dag was en wanneer de gewone afspraken weer golden. Ze draaide het vel om en begon opnieuw, nu met de datum in grotere letters.