Hoofdstuk 10 · 11 minuten lezen
Invoegen
Kamal had de verwarming zachter gezet. Ada merkte het pas toen ze haar jas had uitgetrokken en de koude lucht langs haar onderarmen voelde. Haar vest lag thuis over de stoel. Ze had overwogen het nog te halen, maar dan was ze voor de derde keer naar boven gegaan. Eén keer voor haar bril, één keer omdat ze met de winkelsleutel in haar hand naar haar tas was gaan zoeken.
‘Te koud?’ vroeg hij.
‘Zo gaat het.’
Ze trok haar mouwen omlaag. Kamal schreef de tijd op en klapte het mapje dicht. Op zijn knie lag de dop van zijn pen. Hij legde hem in het vakje voor de versnellingspook. Ze kende de volgorde inmiddels. Stoel, spiegel. Niet het mapje helpen dichtdoen. Ze trok de gordel over haar borst.
Bij de eerste kruising stond een bus met zijn achterzijde bijna op het zebrapad. Daarachter kon Ada alleen de bovenkant van een kinderwagen zien. Ze wachtte tot de bus wegreed. Kamal zei niets. Een scooter kwam van rechts tussen twee auto's door en bleef voor hen staan. De jongen legde één voet op de grond. Uit zijn helm stak een blonde haarlok die de verkeerde kant op stond.
Ze keek naar zijn achterwiel. Toen het ging draaien, wilde zij ook.
‘Nog even,’ zei Kamal.
De kinderwagen kwam tevoorschijn, geduwd door een vrouw die niet naar hen keek. Ada zette haar voet vaster op de rem dan nodig was. Ze stonden al stil.
‘Ik zag haar wel,’ zei ze.
‘Goed.’
Er lag iets in dat goed waartegen ze zich wilde verzetten. Alsof hij haar niet geloofde maar geen tijd had voor het verschil. Ze reed de kruising op toen hij aangaf dat het kon. Haar voet zocht het pedaal met een voorzichtige beweging die ze vorige week niet meer had gehad.
Ze gingen vandaag verder dan de brede weg achter de supermarkt. Langs de meubelzaken, richting de rotonde met het ijzeren paard erop. Daar waren twee rijstroken die na de verkeerslichten weer één werden. Ada kende de plek vanaf de fiets. Met de fiets mocht je ernaast, langs een hek waar je soms moest wachten op een vrachtwagen die achteruitreed.
‘We gaan straks rechts voorsorteren,’ zei Kamal. ‘Daarna sluiten we aan op de doorgaande rijbaan.’
Ze herhaalde het in haar hoofd. Rechts, door, aansluiten. Het paard had een staart van losse metalen repen. Ze had nooit gezien dat er een rood plastic lint tussen hing. Nu trok het haar aandacht terwijl ze op het groene licht wachtte.
Een bestelbus stond links. De chauffeur draaide zijn hoofd naar haar toe. Ada keek naar haar eigen spiegel. In het achterraam zag ze een te klein stuk van de weg. Ze wilde het glas verstellen.
‘Laat die nu,’ zei Kamal. ‘Eerst rijden.’
Het licht was groen. De bestelbus trok op, zij ook. Ze wist dat de rechterstrook ophield. Toch bleef het haar verrassen dat de witte streep dichter naar de auto kwam. Naast haar zat een grijze wagen op bijna dezelfde hoogte. Zij liet het gas los.
‘Kijk vooruit naar je ruimte,’ zei Kamal.
Ada keek links. De grijze wagen ging haar voorbij. Daarachter kwam een zwarte, daarachter wist ze het niet. Ze wachtte op een onderbreking die zich als een lege plek moest aandienen. Kamal zei haar naam. Zijn hand raakte even het stuur. Hij begeleidde de auto naar de vrije ruimte achter de grijze wagen en vroeg haar door te rijden. Het ging zo rustig dat de bestuurster achter hen niet eens remde.
Ada voelde de aanraking nog in haar handen toen ze al honderd meter verder waren.
‘Daar wist ik nog geen ruimte,’ zei ze.
‘Daar was wel ruimte. We bekijken het zo.’
‘Als u het stuur overneemt kan ik niet leren wat er gebeurt.’
Kamal liet de zin even liggen. Hij vroeg haar bij de volgende mogelijkheid rechtsaf te gaan, een bedrijventerrein op. Er stond een groen gebouw met vijf gesloten roldeuren. Ze parkeerden op een leeg vak. Ada zette de auto in de stand die hij aanwees. De motor bleef zacht lopen.
‘Je mag vragen wat ik doe,’ zei hij. ‘Ik wil dat je het vraagt. Maar we laten de auto niet tegen het einde van die strook komen om het daarna te bespreken.’
Ze keek naar de gesloten deuren. Voor de tweede lagen twee witte zakken op een pallet. Op een ervan was een bruine voetstap afgedrukt.
‘Ik wachtte op die zwarte auto.’
‘Die kwam achter ons. Heb je de grijze zien weggaan?’
‘Ja.’
‘Dat was de ruimte. Jij ging veel langzamer, dus de zwarte kwam dichterbij. Dan wordt de ruimte kleiner in plaats van groter.’
Hij tekende het met zijn pen op een hoek van zijn notitieblad. Geen mooie auto's, alleen rechthoekjes. Ada herkende de plaats eerst niet. Er stond geen paard. Daarna zag ze haar eigen rechthoek bijna dwars bij de rand staan.
‘Ik dacht dat ik veiliger was als ik minder gas gaf.’
‘Je moet weten waarvoor je minder gas geeft. We doen hem nog een keer. Eerst laat ik je zien waar je ruimte zoekt.’
Ze kwamen via een andere straat bij dezelfde lichten terug. Het rode lint hing nog in de staart. Ada hield haar blik nu op de weg voor zich. Links stond een vrouw die met één hand iets van de achterbank tilde. Het werd groen. De vrouw reed vlot weg. Ada reed mee, keek in haar spiegel en naar de plaats die Kamal benoemde. Ze liet de auto aansluiten. Zijn hand bleef bij zijn eigen knie.
Na afloop kon ze niet aanwijzen welk ogenblik het gelukt was. Er was geen klik geweest. Ze hadden ineens allebei op dezelfde rijbaan gereden.
‘Dat bedoel ik,’ zei hij.
‘Dat deed ik eerst toch bijna.’
‘Bijna, ja.’
Ze moest lachen en wilde het niet. Kamal vroeg haar de volgende afslag te nemen. Ze reden nog een ronde, zonder dat ze er een beter cijfer voor kreeg.
Om kwart over twee hing Ada haar tas in de sportzaal aan de verkeerde haak. De haak was niet van iemand, maar het bankje eronder was al vol. Een man met een rood hoofd schoof op zodat zij haar schoenen kon wisselen. Hij vertelde dat hij eerder was begonnen om warm te worden. Ada keek naar zijn bezwete haar en vroeg zich af hoeveel warmer hij van plan was te worden.
Leonie stond al bij een net. Ze had een ander racket dan de vorige keren, donker met een witte rand.
‘Geleend,’ zei ze toen Ada keek. ‘Mijn snaar is geknapt.’
‘Het mijne is ook geleend.’
‘Ja, dat zag ik.’
Ze bedoelde de sticker van de sporthal op het handvat. Ada draaide het racket in haar hand om de sticker te verbergen. Er zat aan één kant een plakkerige rand die ze steeds met haar duim raakte.
Ze speelden eerst met twee anderen. Bij de eerste opslag ging de shuttle recht tegen het net. De man aan de overkant raapte hem op en gooide hem terug. Ada wilde vertellen dat ze met haar jas had lopen haasten en niet goed warm was. Hij stond al weer klaar. Ze sloeg. Nu ging hij over het net, maar zo hoog dat de vrouw achter hem alle tijd had om naar voren te komen.
‘Jij achter,’ zei Leonie.
Ada stapte achteruit. Een schoenzool piepte. Meteen kwam de shuttle naar rechts, dichter bij Leonie dan bij haar. Ze liep er toch naartoe. Hun rackets raakten elkaar met een droge tik.
‘Van mij,’ zei Leonie.
‘Ik dacht dat je hem niet zag.’
‘Ik stond eronder.’
De volgende bal ging kort. Ada bleef achter zoals afgesproken. Leonie moest er met twee passen bij en kreeg hem nog terug. Daarna kwam hij boven Ada's hoofd. Ze sloeg te laat. De shuttle viel achter haar op de blauwe lijn.
Leonie zette haar handen op haar heupen. ‘Ik ga niet voor twee mensen rennen vandaag.’
‘Dat vraag ik toch niet.’
‘Dan moet je zelf ook een stap zetten.’
Ada keek naar de andere spelers. De vrouw tegenover hen hield haar racket slap voor haar buik. Er zat een schaafplek in de lak. Ada had opeens een grondige hekel aan de manier waarop Leonie haar nakeek, alsof ze hier lesgeld betaalde om beoordeeld te worden. Ze was niet goed, dat wist iedereen toch al.
‘We spelen voor ons plezier,’ zei ze.
‘Ja,’ zei Leonie. ‘Daarom.’
Ze vroeg na dat spel of ze met de vrouw aan de overkant kon wisselen. Ada zei dat ze het prima vond. Het klonk ruimhartiger dan ze zich voelde. De andere vrouw heette Ria. Ze had een zachte stem en sloeg de shuttle zo ver dat Ada tot bij de wand moest lopen om hem te halen. Tussen de rekken met turnmatten lagen drie veren van eerdere shuttles. Ze raapte er één op en gooide hem bij het afval. Toen moest ze weer rennen.
Na afloop zat Leonie op de bank met haar veters in de hand. Ada kon langs haar lopen. Het was ruim genoeg tussen haar knieën en de tas.
‘Bij die bal achter me had ik moeten lopen,’ zei Ada.
Leonie trok één veter strakker. ‘Ik ben ook gewoon moe.’
Ze had de avond ervoor op een verjaardag gestaan, vertelde ze. Drie uur in een keuken, omdat de rookmelder steeds afging bij de oven. Ada vroeg wat erin zat. Een enorme lasagne. Ze bleven even praten over een ovenschaal die nergens in een kast paste. Ada wilde bijna zeggen dat ze daar vroeger thuis een plank voor had gemaakt. Ze had helemaal geen plank gemaakt, bedacht ze. Ze had hem willen maken en de schaal daarna in de oven laten staan.
Op vrijdag zat ze bij de boekhoudhulp aan een tafel die groot genoeg was voor drie ordners en geen enkele klok. Het kantoor lag boven een kapsalon. Om de paar minuten kwam er een geur door de kier van de deur die Ada aan een oude jas deed denken, haarlak met iets vochtigs eronder.
Ze had haar eigen schrift meegebracht. Geen dochter, geen print met gekleurde vakken. De boekhouder legde de afrekening naast het schrift. Hij hield beide bladen vast met een zware glazen presse-papier. Er zat een luchtbel in die groter leek wanneer je erdoorheen keek.
‘U wilt weten wat de woensdag heeft opgebracht,’ zei hij.
‘Ik weet wat er is binnengekomen.’
‘Dat is een goed begin.’
Hij wees op een bedrag van honderdvierenzeventig euro. Ada wist de klok nog, een donker kastje met een scheef stukje fineer dat ze niet had aangeraakt. De klant had op een woensdag betaald. Het werk was op maandag gedaan. Ze had er toen bijna de hele middag voor gezeten, tussen de winkelbel en twee telefoontjes door.
‘Dus die staat hier bij woensdag,’ zei ze.
‘Voor de ontvangst. Niet voor het werk.’
‘Dat dacht ik wel.’
Ze had het niet zo geteld. Ze had die twaalf kolommen gebruikt om haar eigen woensdag dicht te kunnen doen. Acht keer weinig, soms meer, gemiddeld honderdachtenveertig euro. Het gemiddelde leek degelijker dan de losse bedragen. Nu moest ze vertellen dat er geen uren naast stonden.
De boekhouder vroeg niet waarom. Hij pakte een leeg vel en zette er de data van de komende week op.
‘Niet alles achteraf reconstrueren. Vanaf nu opschrijven. Wat u werkelijk aan een opdracht doet. En wat u daarvoor nog moet inkopen of uitbesteden.’
‘Ook als ik vijf keer word gestoord?’
‘Juist dan. Maar geen kwartier administratie maken van twee minuten werk.’
Ada pakte haar pen. Ze schreef bovenaan maandag en daaronder de naam van de klok waaraan ze wilde beginnen. Daarna aarzelde ze. Die klok stond nog niet open. Ze kon opschrijven wanneer ze begon, maar niet wanneer ze klaar zou zijn.
‘Dat mag leeg,’ zei hij.
Ze streepte het vraagteken door dat ze al had gezet. Aan de andere kant van het kantoor ging een telefoon. Hij nam niet op terwijl zij schreef. Dat viel haar pas op toen het overging in een ander geluid.
Ze bespraken september. De huur was nu zevenhonderdnegentig, geen zevenhonderdtweeënveertig meer. Ada legde de bevestiging erbij. Alles op dezelfde grondslag, zei hij; de reservering apart laten staan. De ontvangsten waren negenentwintighonderdtien. Met haar gewone posten kwam ze negentig tekort. Ze had zich rijker gevoeld toen ze afgelopen week contant geld uit de la had gehaald.
‘Dat kan een maand,’ zei ze.
‘Dat beslist u. Het moet alleen wel dezelfde negentig blijven in uw overzicht.’
Ze noteerde het naast de vrije buffer. Niet bij het klantgeld. De negen tientjes van Paul Hoving bleven op de aparte lijst staan. Ze had hem beloofd dat hij niets betaalde als ze zijn klok niet herstelde. Bij het aannemen had ze dat een prettige afspraak gevonden. Nu leek het of de zin ook na het dichtslaan van het schrift bleef doorwerken.
Buiten stopte ze de map zo diep in haar tas dat het hengsel er bol van stond. De kapster beneden stond te roken in de deuropening. Ze zei dat Ada een haarspeld op haar mouw had. Ada keek, trok een zwart klemmetje uit de wol en legde het op de vensterbank naast de asbak. Ze wist niet hoe het daar was gekomen.
In de winkel begon ze niet meteen te werken. Ze schoof het schrift naar de zijkant van de bank en legde er een pen bij die het deed. Op de bon van de mantelklok van Saskia schreef ze de tijd waarop ze begon. Toen draaide ze de lamp naar het uurwerk.
Een klant kwam binnen voordat ze haar loep had opgezet.