Hoofdstuk 30 · 9 minuten lezen
Een gewone vrijdag
De nieuwe bekers stonden onder de bar. Vera had de doos nog niet opengemaakt toen de leverancier zijn apparaat naar haar toe draaide. Zij keek naar de omschrijving en vroeg of hij de verkeerde levering kon hebben meegenomen. Op zijn scherm stond glaswerk.
Hij bukte, draaide de doos een kwartslag en las het etiket. Bekers, zei hij. Dat stond in de andere regel. Zij schreef het erbij op haar exemplaar en tekende voor de ene dichte doos. Daarna hielp ze hem zijn handkar over de drempel trekken. Het wiel liep vast op precies dezelfde plek als altijd.
‘Die strip,’ zei hij.
‘Die weet ik.’
Zij hield de deur open terwijl hij vertrok. Haar bedrijfsmap was dikker dan eerst en paste maar net op de plank. Ze schoof de bestelbon vooraan en ging terug naar de bar.
Het was na drieën. Yasmin had haar jas aan en legde de aantallen voor de volgende dag bij de kassa. Zij vroeg of de bestelling op tijd was verstuurd. Vera liet de bevestiging zien.
‘Mooi. Dan kan ik daar niet meer van wakker liggen.’
‘Doe je dat?’
‘Nee. Maar jij soms wel voor mij.’
Vera glimlachte en bedankte haar. Yasmin trok de deur dicht en kwam na twee tellen terug voor haar fietssleutel. Die lag naast de aantallen. Ze stak hem omhoog en vertrok opnieuw.
Er waren drie tafels bezet. Bij het raam zaten twee mannen die ieder een andere krant lazen. De ene schoof na iedere bladzijde zijn kopje opzij, de andere hield het tussen zijn knieën. Vera had al tweemaal willen waarschuwen dat het om zou vallen. Hij had het nog geen enkele keer laten vallen.
Bij de middelste tafel lag een sjaal over een stoel. De vrouw die daar gezeten had was naar het toilet. Een man bij de deur wees ernaar en vroeg of het ding gevonden was. Hij dacht dat zijn vrouw het vorige week had laten liggen.
‘Die stoel is nog bezet,’ zei Vera.
Hij trok zijn hand terug. ‘O. Lijkt precies.’
Ze vroeg hem welke kleur de sjaal van zijn vrouw had. Hij keek naar de sjaal, zag zijn eigen vergissing en moest lachen. Hij wist het niet zeker. Vera wees naar de bak met gevonden handschoenen en paraplu's. Ze konden samen kijken zodra zij de twee bestellingen had gebracht.
De vrouw kwam terug en sloeg haar sjaal om haar hals terwijl ze afrekende. De man keek mee naar buiten, alsof zijn vrouw nu misschien toch achter haar aan kwam. Hij bestelde koffie en ging bij de deur zitten. Hij hoefde niet op te staan om haar de bak te laten openen.
Onder twee zwarte paraplu's haalde Vera een verdwaalde kinderhandschoen uit de hoek. Er lagen drie sjaals. Geen ervan bleek die van de vrouw van de klant. Hij maakte foto's om haar te laten kiezen. Vera hield de sjaals een voor een op.
Toen hij terug was aan tafel, kwam een ander met een oplaadkabel naar de bar. Die lag bij zijn stoel en was niet van hem. Vera nam hem aan en legde hem bij de gevonden spullen. Zij kon niet aan de stekker zien wie er gisteren had gezeten. De man wist wel dat er even eerder een jongen op een laptop had gewerkt. Hij vertelde hoe die eruitzag. Vera vroeg of hij de kabel soms nog in het stopcontact had zien zitten, maar de man wist het niet.
Zij hing een klein kaartje bij de plek waar hij gevonden was en ging verder met de koffie. De jongen kon terugkomen; de kabel hoefde niet op een foto tussen alle caféberichten. Zij dacht bijna dat zij dat eerder wel zou hebben gedaan. Misschien ook niet. Ze kon niet van haar hele oude werkdag een reeks fouten maken omdat er nu een paar scherp in haar hoofd zaten.
Een trein kwam aan. Aan de andere kant van het glas liepen reizigers de nieuwe route in, weg van haar deur. Een paar liepen terug omdat zij iets wilden eten. Vera zette de pan op laag vuur en sneed brood. Bij één van de twee mannen aan het raam ging de telefoon. Hij probeerde zijn krant met zijn elleboog open te houden en liet hem vallen. Het kopje bleef tussen zijn knieën rechtop.
‘Zie je,’ zei hij toen hij haar blik opving.
Vera knikte. Ze kon het inderdaad zien.
Om vijf uur vroeg een vrouw of de foto's nog te bekijken waren. Ze had het oude bericht bij iemand op een telefoon gezien. Vera legde uit dat er een kleine selectie in De Werf stond en dat de informatie was gecorrigeerd. De vrouw vroeg of het dan geen mooie foto's waren.
‘Dat wel,’ zei Vera. ‘De herkomst was verkeerd beschreven.’
Zij gaf haar het adres van de juiste pagina. De vrouw keek naar de zes beelden op haar scherm, bleef bij de deurfoto hangen en zei dat haar zoon zo'n plek mooi zou vinden. Ze vroeg niet om het hele verhaal dat Vera paraat had. Toen zij weg was, merkte Vera dat ze de doek in haar hand nog niet gebruikt had. Ze nam de tafel af waar het kopje een ring had achtergelaten.
Voor de vroege avond stonden er twee afspraken in de agenda. Eén tafel voor vier en een bezorging die al binnen was. De vier kwamen met vijf. Zij wees de vrije stoel aan en vroeg of ze die er zelf bij wilden zetten. Daarna bracht ze de kaart. Het gesprek ging over de trein die ze wilden halen en over iemand die nog van zijn werk moest komen. Niet alles hoefde nu al in haar agenda te passen.
Tussen de bestellingen door keek ze op haar telefoon. Er stond een bericht van Bas. Ze had hem gisteren bij het afscheid haar nummer gegeven toen hij ernaar vroeg. Zijn naam stond nu tussen de bezorgers en andere contacten.
Hij had het filmpje nog eens bekeken. Bij het radiatorrooster lagen de handschoenen met de vingers omhoog, schreef hij. Zo herinnerde hij het zich. Hij had er een kleine afbeelding uit de film bij gezet waarop het lege rooster te zien was. Vera vergrootte hem. De vage vierkante plek van de oude kalender zat in de hoek, de rest van de muur stond scheef in het beeld. Ria had de telefoon bewogen.
Zij schreef dat ze het voortaan met de vingers omhoog voor zich zou zien. Er kwam later een kort antwoord, met een groet voor het café. Geen vraag om een nieuw stuk opname. Zij stopte haar telefoon weg en haalde de soep van het vuur voordat hij te dik werd.
Toen Milan om zeven uur kwam, had hij een broodje in zijn hand. Hij at het laatste stuk op voordat hij achter de bar ging staan. Vera vertelde welke tafel nog op iemand wachtte, waar de nieuwe bekers stonden en dat de kabel bij de gevonden spullen lag.
‘En morgen?’ vroeg hij.
Ze bekeek het rooster. Zijn zaterdag liep zoals gewoonlijk tot drie. Er stond geen extra middag achter.
‘Gewoon de dag. Ik doe de pauze.’
‘Goed. Ik moet daarna weg.’
Vera wilde vragen waarheen. Ze stelde in plaats daarvan een vraag over de voorraad in de koeling, merkte het en lachte om zichzelf.
‘Waar ga je heen?’ vroeg ze alsnog.
‘Naar mijn klasgenoot. Die denkt dat we de opdracht voor elektrotechniek in twintig minuten snappen.’
‘Dat klinkt als meer dan twintig minuten.’
‘Daarom hebben we twee uur afgesproken.’
Hij pakte de eerste bestelling over en zij ging achter de kleine tafel bij de keuken zitten. Voor haar eigen administratie had ze nog een halfuur nodig. De extra vervangingsuren stonden allemaal op het overzicht. Zes middagen, samen vierentwintig uur. De kosten kwamen op vijfhonderdachtentwintig. Zij zette ze niet bij een schuld van Dorus of een voorschot voor Anouk. Het waren uren die zij zelf had afgesproken en moest betalen.
Van het bedrag dat zij ervoor had vrijgehouden bleef honderdtweeënzeventig over. Daar kon de drempelstrip misschien van worden nagekeken; ze zou eerst vragen wat het kostte. Ze noteerde het onder haar gewone onderhoudspunten. Bentes drie volgende termijnen stonden niet op dit blad. Dat was een ander bedrijf met een eigen afspraak. Zij wist alleen dat ze nog niet betaald waren.
Een klant vroeg Milan of Vera nog even kon komen. Hij keek de keuken in. Ze stak haar hand op en liep naar de bar. Het ging om een tafel voor een groepje in december, iets kleins met warme drank na een wandeling. Vera vroeg hoeveel mensen. De vrouw wist het nog niet.
‘Zet maar iets van twaalf,’ zei ze. ‘Misschien achttien.’
Vera keek naar de ruimte tussen de tafels. Ze wilde graag dat ze kwamen. Sinds de nieuwe tunnel kon zij zo'n groepje goed gebruiken. Ze pakte haar agenda en vertelde welke tafelopstelling met twaalf paste en wat er bij achttien anders moest.
‘Kun je het tot maandag even vrijhouden?’ vroeg de vrouw.
‘Tot maandagmiddag kan ik deze plek voorlopig noteren. Dan wil ik het aantal en de tijd weten.’
De vrouw vroeg of ze niet gewoon een prijs voor achttien kon maken en achteraf kijken. Vera schudde haar hoofd, dacht even na en noemde wat zij nu wel kon aangeven. Een richtbedrag per persoon voor de drank, nog geen hele bestelling. Ze maakten een afspraak om maandag te bellen. Toen de vrouw vertrok, had Vera een naam, een nummer en een duidelijke vraag voor dat gesprek. Zij wist nog niet of de boeking doorging.
Milan vroeg of zij nog ging eten. Vera keek naar de keuken. Er was soep over, brood ook. Ze kon hier blijven en de kom neerzetten op de tafel waar haar papieren nog lagen. Haar tas stond eronder. Ze schoof de administratie erin en trok haar jas aan.
‘Ik ga onderweg iets halen,’ zei ze.
Bij de deur haalde zij haar telefoon uit de tas. De film die zij zondag wilde zien draaide nog, maar de vroege voorstelling was verdwenen. Zij bekeek de andere tijd, dacht aan haar gesloten zondag en kocht één kaartje. De bevestiging kwam binnen terwijl een klant langs haar de deur openduwde. Zij stapte opzij, stopte de telefoon weg en riep Milan gedag.
Buiten was het droog. De lampen bij de oude brug brandden boven de afsluiting. Verderop liep een gezin de tunnel in. Vera ging niet die kant op. Het kleine eethuis aan de overkant had nog een tafel voor één vrij bij het raam. Zij zette haar tas naast de stoel, hing haar jas over de rug en vroeg wat er vandaag was.
Einde

