Hoofdstuk 16 · 10 minuten lezen
Boven de V
Erik had het blad in een doorzichtige hoes gestoken. Hij schoof het over de tafel, wachtte tot Anouk haar jas van de stoel had gehaald en hield toen de onderrand nog even vast.
‘Dit gaat straks weer mee,’ zei hij. ‘U mag de betreffende regel overnemen. Of met mij erbij een foto maken. Ik ga niet mijn hele ritboek doorsturen.’
Ze zaten in een kleine kantine bij Rondrit. Buiten stond zijn bus schuin voor een deur waar hij niet mocht blijven staan; hij had de sleutel aan een collega gegeven. Vera hoorde een ruitje openen, een roep en het geluid van iemand die de verkeerde bus startte. Erik keek niet op. Hij had een uur afgesproken, meer niet.
Anouk legde de afsnede uit Dorus' bericht naast de hoes. Haar print was kleiner. De V onderaan leek daardoor fijner, maar toen Vera vooroverboog, herkende zij de beweging meteen. De neergaande haal, de te korte tweede poot omdat zij de pen al had teruggegeven.
Boven die V liep nu een heel blad door. Naam van de opdrachtgever. Datum. Bestemming: het café, voor Anouk Meijer. Een regel voor de lading. Eén presentatiemap.
Vera zei het niet meteen. Ze had de tekst zo vaak in haar hoofd ingevuld dat ze bang was het woord te lezen dat ze verwachtte. Erik draaide het blad naar haar toe.
‘Daar,’ zei hij.
‘Eén presentatiemap,’ las ze.
Anouk trok haar eigen schrift dichterbij. Ze keek naar de datum en vroeg of dat de datum van het bezoek was of van de rekening. Erik wees het vak aan dat bij de rit hoorde. De datum stond ook in zijn ritboek. Hij legde dat ernaast, met een los papier over de andere klantenregels.
De korte notitie die hij de week ervoor had laten zien, hoorde bij deze verwijzing. Presentatie. Bestemming station. Een paar regels verderop stond de andere stationsstop, in een andere plaats. Niet vijf dozen, niet Anouk, niet hetzelfde adres. In hun vorige gesprek had Vera alleen het woord station gehoord. Nu zag zij pas de andere plaats, de klant en de omschrijving die Erik niet uit zijn geheugen had willen garanderen.
‘Dat was die andere rit waar je aan dacht,’ zei ze.
‘Die stop op dezelfde dag. Niet een tweede keer bij jullie.’
Hij vertelde hoe hij zijn route had gevolgd. Geen minuten die hij nog wist, geen precieze volgorde van een thee en een handtekening. Hij wees op de regels die hij zelf bij het afleveren had afgetekend. Bij de presentatiemap stond een verwijzing naar deze ontvangstbon. De handtekening van Vera hoorde daarbij.
‘Heb je bij ons dozen uitgeladen?’ vroeg Anouk.
‘Die dag voor u? Nee. Deze map.’
Erik haalde zijn hand van de hoes. Hij kon het nu zo zeggen, met zijn eigen papieren voor zich. Vera dacht aan de vragen die zij hem de week ervoor had gesteld, steeds dichter tegen elkaar, alsof zijn aarzeling een deur was die ze harder moest openduwen.
‘Is er nog een bon voor dezelfde zending?’ vroeg ze.
Hij schudde zijn hoofd. ‘Niet in mijn boek. Eén opdracht, één map. Dit is het getekende blad dat gisteren uit de administratie is gekomen.’
Anouk opende het bericht dat Dorus haar had gestuurd. Zij gaf haar telefoon niet af, maar las de zin voor waarin hij de vijf dozen op die dinsdag met deze bezorger via het café had laten teruggaan. De bijgevoegde bon moest die ene zending bewijzen. Ze las de zin nog eens, trager nu, zonder iets te benadrukken.
Erik schoof zijn stoel achteruit. Hij had zich kennelijk op een ruzie over zijn geheugen voorbereid. Nu lag zijn werk midden in een verhaal dat iemand anders ervan gemaakt had.
‘Dat heb ik niet vervoerd,’ zei hij.
‘Nee,’ zei Anouk.
Er schoof iemand langs de deur met een krat lege flessen. Vera trok haar tas tegen haar stoel. Het gewone lawaai van een kantine hielp niet om de stilte aan hun tafel te vullen. Zij wilde iets doen met haar handen, de hoes rechtleggen, de papieren op dezelfde hoogte schuiven. Erik had zijn eigen blad al recht voor zich liggen.
Anouk opende haar gesprek met Vera van die dinsdagavond. Daar stond het bedankje voor het aannemen. Daaronder Vera's antwoord, kort en gewoon. Zij had toen geen reden gehad een inventaris van dozen terug te sturen. Anouk was de map komen halen, had thuis de kleine kopieën bekeken en daarna een bericht gestuurd. Ook aan Dorus had ze de afhaling bevestigd.
‘Mag ik de map even zien?’ vroeg Erik.
Anouk had hem niet meegenomen. Ze liet hem op haar telefoon een eigen foto van de gesloten presentatiemap zien, een gewone opname waarop duidelijk werd wat voor plat ding zij bedoelden. Hij knikte. Hij ging niet op basis daarvan alle precieze afmetingen oplepelen. Het paste bij de omschrijving en bij wat hij zich nu met de bon erbij herinnerde.
Vera legde haar hand plat naast het blad. ‘Dat heb ik aangenomen. En jij hebt het die avond opgehaald.’
Anouk knikte nogmaals. Ze leek niet opgelucht, eerder boos dat dit zo lang een vraag was geweest.
Erik vroeg of ze de foto wilden maken. Hij bedekte de andere regels van het ritboek beter, trok de hoes van de bon zodat de lamp niet op het plastic weerspiegelde en legde alleen de betreffende stukken klaar. Vera maakte de opnamen met zijn toestemming. Ze bekeek ze zelf en draaide haar scherm naar hem. De ladingregel stond erop, de V, de bestemming en de datum. De afgedekte gegevens van de andere klanten waren niet leesbaar.
‘Die andere stationsnaam mag wel,’ zei hij. ‘Als je maar niet de hele klant erbij zet. Anders gaat iemand daar nog vragen waar uw foto's zijn gebleven.’
Vera liet hem zien hoe zij het had vastgelegd. Anouk schreef de uitleg er direct bij, zodat de foto later geen los vel zonder zijn toelichting zou worden. Erik wees nog op één cijfer in de ritverwijzing dat zij verkeerd had overgenomen. Ze verbeterde het.
Hij kreeg een telefoontje en drukte het weg. Daarna keek hij op de klok boven de deur. Ze hadden nog twintig minuten, maar de noodzakelijke vragen waren gesteld. Vera wilde hem toch iets vragen over Dorus. Of hij vaak voor hem reed, of hij die dozen herkende, of hij wist hoe het er thuis uitzag. Ze keek naar zijn gesloten ritboek en hoorde zichzelf opnieuw de eerste vraag van vorige week stellen.
Ze vroeg in plaats daarvan of hij een korte bevestiging bij de foto's wilde mailen: dat deze bon bij één presentatiemap hoorde. Dat wilde hij. Niet dat er nooit ergens anders iets kon zijn afgeleverd; dat wist hij niet. Deze concrete opdracht kon hij beschrijven.
‘Ik wil niet dat er straks staat dat ik onderzoek heb gedaan,’ zei hij.
‘Dat gaat er niet staan,’ zei Anouk. ‘U hebt uw eigen rit uitgelegd.’
Erik pakte zijn blad op en schoof het weer in de hoes. Vera voelde een vreemde tegenzin om het terug te laten verdwijnen. Ze hadden nu goede foto's en zijn toelichting, toch had het echte papier voor haar iets gedaan wat de scan niet deed. Het had ruimte boven de handtekening teruggebracht. Daar stond geen grote onthulling in sierletters, alleen een ingevuld vak.
Bij de deur hield ze hem nog even tegen. Ze bedankte hem voor het ophalen en controleren. Hij zei dat hij die maandag toch naar de administratie ging. ‘Maar ik ben wel blij dat het nu klaar is voor mijn deel.’
Vera zei dat zij dat ook was. Ze meende het, al wist ze niet wat zij zelf nu als klaar kon beschouwen.
Buiten hadden ze wind tegen. Anouk wilde niet meteen fietsen. Ze liepen naar het einde van het hek en bleven daar staan, met de kantine achter zich en de gewone straat voor zich. Vera haalde de foto van de bon naar voren. Het scherm was in het licht minder goed leesbaar; ze hield haar hand erboven.
‘Je hebt ze niet in mijn café teruggekregen,’ zei ze.
‘Dat zei ik al.’
Het antwoord deed pijn, juist omdat Anouk het rustig zei. Vera had wekenlang iets verdedigd waarvan Anouk de uitkomst al kende: zij had haar dozen niet terug. Alleen de weg ernaartoe was onduidelijk geweest.
‘Ik weet het,’ zei Vera. ‘Ik bedoel niet dat jij nu pas gelijk hebt.’
Anouk duwde haar fiets een stukje verder. ‘Ik had alleen die map. Daarna ging ik naar huis. Ik vroeg niet na of er misschien ergens nog vijf dozen voor mij stonden. Omdat er geen vijf dozen voor mij waren gebracht.’
Vera stopte haar telefoon weg. Ze stonden in de uitrit; een auto wachtte tot ze opzij waren. Ze liepen door tot het voetpad breed genoeg werd. Anouk pakte haar handschoen tussen haar tanden en trok hem aan de andere hand. Toen lachte ze kort om zichzelf en liet hem weer los.
‘Ik ben blij dat jouw deel nu op papier staat,’ zei ze. ‘Echt. Maar ik kan nog steeds niet naar mijn eigen negatieven kijken zonder dat iemand eerst een afspraak voor me maakt.’
Vera keek naar het hek. Ze had gehoopt dat het opluchten vanzelf zou gaan, een geluid dat haar lichaam maakte nu zij niet meer aan een denkbeeldige stapel dozen hoefde te denken. In plaats daarvan voelde ze hoe moe ze was. Ze wilde naar het café, naar een bestelling die gewoon af te maken viel.
Ze zei dat hardop, zonder het tweede deel over bestellingen. Anouk antwoordde dat ze zelf ook naar huis wilde. Ze spraken af de foto's ieder in hun eigen map te bewaren en morgen bij Sanne de documenten naast elkaar te leggen. Anouk zou haar melding aanvullen met de complete bon en de bevestigde vondst bij Bente. Zij wilde Dorus niet bellen vanaf het hek van Rondrit. Eerst haar eigen stukken op volgorde, dan het volgende gesprek.
Vera fietste voorop terug tot de afslag. In het café was Milan bezig een krat te tellen die verkeerd was bezorgd. Hij keek op, zag haar gezicht en vroeg of het erg was geworden.
‘Het was één map,’ zei ze.
Hij zette een flesje neer. ‘Ja.’
‘Nu staat het erop.’
Milan knikte. Toen gaf hij haar de pakbon. ‘Dan mag je je handtekening voorlopig hier nog een keer onder zetten. Maar eerst kijken of ik kan tellen.’
Vera trok haar jas uit en las de aantallen. Er ontbraken zes flesjes van de ene soort en er stonden zes van een andere voor in de plaats. Ze belde de leverancier terwijl Milan de koelkast vulde met wat wel klopte. Het was vijf uur geweest; zijn extra blok liep tot zeven en daarna begon zijn gewone dinsdagavond. Zij hoefde hem niet vroeg weg te sturen uit dankbaarheid. Ze hoefde ook niet te blijven doen alsof zij de hele middag niet vrij was geweest.
Om zes uur gingen ze samen even zitten om de overdracht te doen. Milan vroeg wat er met de avond over de foto's gebeurde. Vera keek naar het affiche in haar eigen raam. Ze had de avond aanbevolen alsof zij ook de herkomst had gecontroleerd.
‘Dat moeten we morgen bij de stichting bespreken,’ zei ze.
‘En wat zeg ik tot die tijd?’
Ze pakte een leeg kaartje bij de kassa. Niet wachten, dacht ze. Niet Milan een vage zin laten kiezen die zij later kon verbeteren. Ze schreef dat er vragen over het materiaal waren en dat de aangekondigde presentatie nog niet bevestigd kon worden. Hij las het, trok één wenkbrauw op en vroeg of bevestigd niet betekende dat het eerst ook al onzeker was geweest.
Vera streepte het woord weg. ‘Dat die voorlopig niet doorgaat. Ik bel morgen de mensen die zich al gemeld hebben.’
Hij zette het kaartje naast de kassa. Het affiche hing nog op de ruit. Zij trok het niet in haast naar beneden, tussen zijn telling en een klant die binnenkwam. Ze haalde eerst de namen van de belangstellenden uit de lade en schreef die telefoontjes voor de volgende ochtend op.