Hoofdstuk 3 · 3 minuten lezen
De andere kant
Ze gingen naar kamer acht. Els nam de lamp van de overloop mee, waardoor de gang achter hen donker werd. Liv schoof de dozen opzij en bekeek het houten kastje. De losse klep paste op een asje achter de hendel. Een witte verfplek op het metaal sloot aan op een plek binnen in de kast. Hij had daar eerder gezeten.
‘Kun jij die lamp hoger houden?’ vroeg ze.
Els deed het. Onder de rand stond een ingekrast pijltje. De hendel kon de buis naar de keuken openen of naar kamer acht. Zonder klep stonden beide routes tegelijk open, maar de keukentak eindigde in het pleisterwerk. Liv tekende het op de achterkant van een oude rekening. Dat verklaarde de holle klank. Niet de woorden.
‘Dat zeg ik maar vast,’ zei ze. ‘Dit verklaart die opname niet.’
Els knikte. ‘Ik had ook niet gedacht dat je dat ging zeggen.’
Ze zetten de klep op haar plaats. Liv draaide de hendel naar de stand voor kamer acht. Uit de buis kwam een geritsel, zoals een mouw langs een muur. Toen klonken de drie tikken, nu aan hun kant.
Els ging rechtop staan.
‘Wie is daar?’ vroeg ze.
De stem antwoordde niet. Beneden sloeg een deur dicht, maar er was beneden niemand. Liv dacht aan de wind. Ze dacht zo hard aan de wind dat ze even vergat adem te halen.
Toen vroeg de vrouw uit de buis: ‘Is er iemand?’
Els legde haar hand op het hout. ‘Ja. We zijn hier.’
Een lange stilte volgde. Liv hoorde Els slikken. Er ritselde opnieuw iets in de buis; daarna trok een zucht koude lucht langs haar pols. De lamp knipperde niet. De deur bewoog niet. Niets hielp hen te bepalen wanneer het voorbij was.
Ze wachtten totdat beneden de koelkast aansloeg.
‘Blijf je vannacht?’ vroeg Els.
Liv dacht aan kamer zeven en aan haar tas, die daar open op het bed lag. ‘Hier niet.’
Els maakte de bank in haar woonkamer op. Zelf bleef ze in de stoel zitten. Ze praatten over de verbouwing, over een loodgieter die nooit rekeningen stuurde. Om vijf uur viel Liv in slaap. Toen ze wakker werd, stond er thee naast haar.
Voor haar vertrek nam ze nog een minuut op in kamer zeven. Alleen regen en een kar op de straat. Ze stuurde beide bestanden naar Els en behield de originelen. Aan het vreemde bestand veranderde ze niets. Ze wist hoe makkelijk je in ruis iets hoorde zodra iemand je vertelde waar je moest luisteren.
Thuis zette ze haar tas in de gang. De dakdekkers waren klaar. In haar werkkamer stond de stoel nog precies waar ze hem had achtergelaten.
Ze opende de opname van 00.17. Na haar eigen stem volgden elf seconden stilte. Daarna hoorde ze, heel zacht, de rits van haar reistas.
Liv keek naar de gang. De tas was dicht. Ze trok haar hand terug van de muis en liet het bestand verder spelen.
Einde

