Hoofdstuk 3 · 3 minuten lezen
Aan de verkeerde kant
Het pad liep langs het water, met een strook platgetrapt gras tussen de stenen en de oever. Opa hield de bootshaak op zijn schouder. De kinderen bleven op het pad.
Overdag zag de plek er anders uit. Tussen het riet lagen blaadjes, een bal en een afgeknakte stengel die steeds tegen een paal tikte. Nergens een wit dak.
‘Misschien is hij gezonken,’ zei Bente.
Haar opa schudde zijn hoofd. Onder het model zat een dikke laag kurk. Zelfs met water erin hoorde het te blijven drijven.
Ze liepen door tot het gemaaltje. Daar splitste de watergang zich om een eilandje van riet. Rechts was het breed en open; links liep een smalle geul naar de oude aanlegplaats.
Opa keek naar rechts. ‘Als de sluis open is geweest—’
‘Wacht,’ zei Noor. Ze had de kassabon weer uitgepakt. Het licht was naar links geschoven. Niet richting sluis, maar naar de molen: ze had de wieken er vlak boven gezien.
Sami draaide zich om. De vlag bij de molen wapperde nog steeds strak dezelfde kant op als gisteravond.
‘Die boot heeft een hoog dak,’ zei hij. ‘Dat vangt toch wind? Mijn broodzak waaide gisteren ook die kant uit. Met mijn brood er nog in.’
Ze bekeken de smalle geul. Een dor blad schoof er langzaam naar binnen. Opa knikte. ‘Dat kan. We hoeven in elk geval niet te gokken. Het pad komt bij die steiger uit.’
Bij de steiger keek Bente eerst onder de planken. Daarna ging ze rechtop staan. ‘Stil eens.’
Er klonk een zacht tikje. Nog een. Het kwam niet van de paal die ze eerder hadden gehoord; die stond nu ver achter hen.
Noor knielde op het midden van de brede steiger, achter de leuning. Door een opening tussen twee planken zag ze iets roods tegen een houten balk bewegen.
‘Twee linkerlaarzen,’ fluisterde ze.