Hoofdstuk 2 · 3 minuten lezen
De boot die ontbrak
De volgende ochtend hing in de bibliotheek een briefje: BOOT VERMIST. Daaronder stond een foto van een kleine veerboot met een wit dak. Voorop brandde een geel lampje.
‘Ons ei,’ zei Sami.
Bij de leestafel zat een meisje met een verfveeg op haar mouw. Ze heette Bente. Haar opa pakte lege koffiekopjes in een krat. Op tafel lag een houten plaat met een blauwe rivier erop, maar midden op die rivier was alleen een stoffige rechthoek.
‘Daar hoort hij,’ zei Bente. ‘Voor de tentoonstelling van vanmiddag. Opa voer vroeger op de echte veerpont.’
Het model was zo lang als Noors onderarm. Bente had de ramen geschilderd en piepkleine passagiers gemaakt. Haar opa had een lampje op twee batterijen ingebouwd.
‘We hebben hem gisteren bij de aanlegsteiger getest,’ vertelde ze. ‘Hij dreef prima. Maar het touwtje zat niet goed vast aan de steiger.’
Haar opa had zijn lange bootshaak thuis gehaald. Toen hij terugkwam, was het model al tussen het riet verdwenen. Bente had tot het donker langs het pad gezocht.
‘Ik heb hem gezien!’ Noor legde haar kassabon naast de foto. ‘Bij de brug. En er zat iets roods bovenop.’
Bente ging rechtop zitten. ‘De laarzen. Die had ik op het dak gelijmd, alsof iemand ze daar liet drogen. Alleen heb ik per ongeluk twee linkerlaarzen gemaakt.’
‘Dat bewijst het,’ zei Sami. ‘Een vis draagt hooguit één laars.’
Bente lachte even, maar keek meteen weer naar de lege rivier. ‘Opa denkt dat hij naar de sluis is gedreven.’
Buiten stond haar opa met de bootshaak. Noor liet hem precies zien waar het licht had gezeten. Hij keek van de brug naar de sluis, die de andere kant op lag.
‘Dan zoeken we eerst daar,’ zei hij.
Ze belden Noors vader om te zeggen waar ze heen gingen. Sami bond de boekentas steviger vast. Deze keer vervoerde hij ook een krat met een handdoek. Voor een boot, hoopte Noor.