Hoofdstuk 1 · 2 minuten lezen
Een lichtje zonder huis
‘Nog één boek en je draagt je tas zelf,’ zei Sami.
Noor stopte het boek over otters toch in haar tas. Ze was tien, precies even oud als Sami, maar zij mocht al drie boeken tegelijk op zijn bagagedrager vervoeren. Volgens Sami was dat een uitzonderlijke vergunning.
Bij de brug stapten ze af. Het begon vroeg donker te worden. Achter hen deed de bibliothecaris de buitenlamp aan; aan de overkant lag het riet al in de schaduw.
Daar ging een geel lichtje aan.
‘Visser,’ zei Sami.
Het licht verdween en kwam een eindje verder terug. Noor leunde tegen de brugleuning. Ze zag geen hengel, geen hoofd, geen grote boot. Alleen een klein vlekje dat net boven het water hing.
‘Een vis met een zaklamp,’ verbeterde Sami.
‘Dan houdt hij hem ondersteboven.’ Onder het licht trilde een tweede vlekje, veel langer en smaller.
Noor haalde haar vader, die bij de bibliotheek op hen wachtte. Hij scheen met zijn fietslamp over het water. Het riet was te dicht om er iets achter te zien. Ze bleven op de brug.
‘Morgen bij daglicht nog eens kijken,’ zei hij. ‘Het eten staat al op.’
Net voordat ze vertrokken, schoof het licht naar links, in de richting van de molen. Even verschenen er een wit randje en iets roods boven. Toen verdween alles achter een pluk riet.
Thuis tekende Noor het op een kassabon: geel rondje, wit streepje, rood ding. Haar vader keek over haar schouder. ‘Een ei op een boterham?’
‘Een aanwijzing.’
Ze vouwde de bon op en stopte hem onder haar horloge. Sami moest morgen mee terug. Dat stond vast, ook als zijn vergunning voor boeken inmiddels was verlopen.