Hoofdstuk 1 · 3 minuten lezen
De kast
Het bericht was dinsdagavond gekomen, tussen een betaalverzoek en een aanbieding voor schoenen. Woensdag half elf. Je moet iets ophalen. Kun je met de auto? Haar moeder gebruikte vraagtekens alsof ze die moest inkopen.
Mara had een overleg verzet en de deelauto geboekt. Onderweg bedacht ze wat ze zou zeggen als het weer om de boekhouding ging. Vorige keer had Ada de enveloppen op kleur gesorteerd. De blauwe lagen onder de werkbank, ongeopend, omdat ze daar uit het zicht waren.
Nu stond haar moeder op een keukentrap voor de winkel. Ze was met een schroevendraaier bezig aan het bord met openingstijden. De gevel had ooit kobaltblauw moeten worden. Ada had de verf zelf gemengd; in de zon zat er groen in. Onder het raam was een lichtere rechthoek zichtbaar, waar jaren een sticker van een betaalmaatschappij had gezeten.
‘Niet aan de trap komen,’ zei Ada, zonder om te kijken.
Mara hield haar handen naast haar lichaam. ‘Goedemorgen.’
‘Die linker poot staat scheef. Als je hem vasthoudt, gaat hij juist wiebelen.’
Ze kwam naar beneden met het bord onder haar arm. Binnen rook het naar koffie die te lang op de plaat had gestaan. Onder de amberkleurige lamp op de werkbank lagen een pincet, twee afgebroken veertjes en een boterham op een kassabon. De stoel voor klanten werd bezet door een hoge, smalle klokkenkast.
Mara herkende de beschadiging naast het deurtje. Ze had er bij de verhuizing een deurpost mee geraakt.
‘Die van mij.’
‘Daar belde ik over.’
Ada had niet gebeld, maar dat verbeterde Mara niet. Ze zette haar tas neer. ‘Is hij klaar?’
‘Er zit geen uurwerk in.’
Door het glas zag Mara de gaten waar de wijzerplaat had vastgezeten. Op het hout lag een streep stof. Ze had de klok zes jaar geleden gebracht, kort nadat Daan en zij uit elkaar waren gegaan. Voorlopig even hier. In haar nieuwe woning was geen geschikte muur, had ze gezegd. Later had ze een grotere woning gekregen.
‘Het uurwerk zit in die doos,’ zei Ada. ‘Alles is erbij.’
Mara legde haar autosleutel op de toonbank. ‘Ik dacht dat er iets was.’
‘Er is ook iets. Ik heb die stoel nodig.’
‘Daarvoor had ik geen overleg hoeven verzetten.’
Ada keek naar haar boterham en schoof het pincet ervan weg. ‘Dat vroeg ik ook niet.’
Dat was precies wat het lastig maakte. Haar moeder vroeg nooit iets met zoveel woorden. Ze liet een kraan druppelen tot Mara hem hoorde, of noemde tussen twee zinnen de prijs van nieuwe brillenglazen. Mara had leren luisteren naar wat er om een mededeling heen zat. Soms kon ze de mededeling zelf nauwelijks nog horen.
‘Wil je koffie?’ vroeg Ada.
‘Alleen als je nieuwe zet.’
Haar moeder pakte de kan en leegde hem in het gootsteentje. Dat ging zonder discussie. Mara trok haar jas uit.