Hoofdstuk 3 · 10 minuten lezen
Donderdag komen ze niet allemaal
Om tien voor negen stond er al iemand voor de deur. Ada zag de beige jas door de strook tussen twee klokken. Ze deed eerst het licht boven de werkbank aan, zette haar tas in de la en liep toen naar voren.
‘U bent vroeg.’
‘U was gisteren dicht.’
De vrouw zei het alsof er een verband tussen die twee dingen bestond. Ada draaide de sleutel om en liet haar binnen. In haar hand had ze een klein rood afhaalbriefje dat al zo vaak dubbelgevouwen was dat de inkt op de vouw ontbrak.
‘Ik kwam dinsdagmiddag ook al langs, maar toen stond er iemand met een ladder op de stoep.’
Dat was de glazenwasser geweest. De deur had opengestaan. Ada zei het niet. Ze nam het briefje aan en haalde een wekker uit het kastje achter de toonbank. De vrouw hield hem tegen haar oor.
‘Zo hard deed hij het vroeger niet.’
‘Hij ligt nu vlak bij uw oor.’
De vrouw liet haar arm zakken. Ada legde uit welk werk ze had gedaan, wees het bedrag op de bon aan en wachtte tot haar klant het plastic mapje met de betaalpas uit haar tas had gehaald. De nieuwe kaart schoof steeds terug achter de oude.
Buiten kwam een man aanlopen die Ada van gezicht kende. Hij hield een klok recht tegen zijn borst. Ze maakte een gebaar naar de lege klantenstoel. Die stond voor het eerst sinds jaren weer waar hij hoorde.
De vrouw kreeg de betaling niet meteen voor elkaar. Haar bril besloeg toen ze hem opzette. Ze zei dat ze heus wel wist hoe het moest en legde de pas met de verkeerde kant op het apparaat. Ada schoof niets terug. Ze wees op het plaatje.
Toen de bon uit het toestel kwam, legde Ada hem samen met het briefje in het plastic mapje. De vrouw wikkelde de wekker in een sjaal. Op de toonbank bleef een los pluisje liggen.
‘Gaat u nu iedere woensdag weg?’
‘Ik ben iedere woensdag dicht.’
De vrouw keek naar de man op de stoel, alsof hij misschien een aanvulling had. Hij trok zijn knieën in zodat zij langs kon.
Ada zette de stoel recht. In de zitting zat nog de ronde afdruk van Mara’s kast. Ze had hem gistermiddag, toen ze de winkel na de les nog was ingegaan om haar fietssleutel te halen, even aangeraakt. Ze was niet gaan werken. De kap op de werkbank had dicht gezeten en was dicht gebleven.
De man wachtte tot ze achter de toonbank stond. Hij heette Paul Hoving, dat wist ze nu weer. Hij had jaren geleden een houten keukenklok gebracht die zij niet meer op het aanrecht had teruggezien, omdat een klant haar niet uitnodigde te komen kijken.
Deze keer had hij een messing tafelklok bij zich. Twee kleine zuiltjes naast de wijzerplaat, een donkere plek op de voet waar iemands vingers steeds hetzelfde stukje hadden geraakt. Hij zette hem niet neer voordat Ada een zacht vel op de toonbank had gelegd.
‘Hij houdt ermee op.’
‘Na hoe lang?’
‘Dat wisselt. Soms een uur. Soms is hij stil voor ik mijn koffie op heb.’
Ada vroeg of de klok op dezelfde plaats stond als vroeger en of hij verzet was. Hoving draaide hem om haar de achterkant te laten zien. Achter het deurtje hing de slinger stil. Het sleuteltje zat met een touwtje aan een van de pootjes gebonden.
‘Mijn vrouw dacht dat er misschien iets in de weg zit.’
‘Dat kan ik eerst bekijken.’
Hij liet zijn hand op het messing rusten. Ze zag dat hij zijn nagels heel kort knipte, de huid aan de rand van zijn duim een beetje rafelig. Toen ze naar de zijkant boog, trok hij zijn hand weg.
Ada keek langs de wijzers en naar de ruimte rondom de slinger. Ze luisterde nadat ze de klok voorzichtig op zijn plek had gezet. De klant bleef rechtop voor de toonbank staan. Er was een tik, een antwoord, weer een tik. Geen van de klokken aan de muur hield hetzelfde tempo aan.
‘Je hoort ze hier bijna niet uit elkaar,’ zei Hoving.
‘Deze hoor ik wel.’
Ze wilde eerst zien hoe de klok zich hield. De jas van Hoving schuurde tegen de toonbank toen hij zich op zijn andere been liet zakken.
‘Wanneer heeft hij voor het laatst onderhoud gehad?’
Hij noemde een jaar en kwam er meteen op terug. Het kon ook twee jaar eerder zijn geweest. Op de kassabon van de vorige keer moest het staan, maar die had hij niet.
Ada schreef zijn naam op een werkbon. Haar pen deed het niet op het eerste stukje. Ze trok een lus op de rand van een oude envelop en probeerde opnieuw. Hoving keek naar de kleine vakjes.
‘U kunt hem wel weer maken?’
‘Ik wil het uurwerk eerst rustig bekijken. Zo kan ik u nog niet zeggen wat er precies aan is.’
Hij knikte, maar zette een stap achteruit alsof ze daarmee de inname hadden afgehandeld. Ada vroeg zijn telefoonnummer. Daarna schoven ze de bon nog eens naar elkaar toe omdat één cijfer onduidelijk was.
De winkeltelefoon ging. Ada liet hem een keer overgaan, pakte op en hoorde de man van gisteren die vroeg of ze hem nog kende. Die met de wandklok en het kleine extra tikje.
‘U zei donderdag, maar dan werk ik.’
‘Ik ben er zaterdag tot één uur.’
‘Deze zaterdag gaat niet. De volgende twee ook niet. Ik heb al afspraken bij mijn dochter.’
Hij zei het niet verontschuldigend. Ada pakte haar agenda van onder het schrift. De hoek van een blad bleef aan het elastiek hangen. Ze had zaterdag nog een open plek om tien uur.
‘De vierde zaterdag kan ik,’ zei de man. ‘Drie weken later dan deze week. Om tien, als dat kan.’
Ada bladerde door. Ze legde haar vinger op de juiste zaterdag.
‘Dan zet ik u daar. Uw naam?’
‘Vermeer. V-e-r.’
‘Dat komt goed.’
Ze schreef de hele naam toch op terwijl hij hem afmaakte. Zaterdag, over drie weken, tien uur, wandklok meenemen. Ze las de afspraak terug. Vermeer herhaalde de tijd. Hij had zijn klok nog thuis; dat kon ze zich voorstellen met het gevouwen papiertje langs de slinger.
Toen ze ophing, stond Hoving nog voor haar. De tafelklok liep. Dat was niet hetzelfde als af.
‘Kunt u me bellen voor u er iets duurs aan doet?’
‘Dat doe ik.’
Ze maakte een kopie van de werkbon voor hem en zette de tafelklok op het lage rek achter de bank. De naam ging met een kaartje aan het sleuteltje, los genoeg om niets onder spanning te zetten. Toen ze weer voorin kwam, stond een vrouw met een grote boodschappentas bij de deur.
Ze wilde alleen weten of haar klok al klaar was. Ada had gezegd dat ze donderdagmiddag zou bellen.
‘Ik was toch in de buurt.’
Het uurwerk stond op de andere kant van de werkbank, onder een stolp tegen stof. Ada had het terug in de kast willen zetten en daarna opnieuw willen laten lopen. De wijzerplaat lag er nog los naast. Ze zag de vrouw naar de werkbank kijken en schoof de bon naar zich toe.
‘Vanmiddag bel ik u.’
‘Maar als hij nu toch al—’
‘Hij is nog niet klaar om mee te geven.’
De vrouw liet de tas op de vloer zakken. Ada had geen zin in nog een vraag over precies wanneer, maar stelde hem zelf: waar de klant vandaan kwam en of terugkomen een probleem was. Ze woonde drie straten verder. Ze kon vrijdag wel, alleen niet voor de koffie met haar zus.
Ada zette vrijdag na elf op de bon. Toen de vrouw weg was, stak ze het briefje op een andere plaats. Ze had donderdagmiddag voor het werk willen houden en de klant had dat nu voor haar uitgesteld. Het was een meevaller die zij niet had geregeld.
Om halfelf had ze twee uurwerken aangeraakt zonder aan een ervan door te kunnen werken. Haar koffie was klaar maar zat nog niet in een mok. Zij haalde de glazen kan van de plaat en goot de helft door het gootsteentje. Voor één mok hoefde ze geen volle kan warm te houden.
De telefoon gaf een kort piepje. Er stond een bericht van Mara: Alles afgegeven. Auto ook terug. De foto die eronder zat liet het lege autointerieur zien. Ada zoomde niet in. Ze antwoordde Goed. Dank je en bleef daarna bij het lege berichtvak hangen.
De vraag hoe de les was gegaan, was gisteravond gekomen toen ze net de aardappels afgoot in het vergiet. Ze had met één hand Prima getypt. Er was meer gebeurd dan dat. Kamal had haar laten wachten voor ze het rempedaal losliet en zij had de auto als een langzame kast vooruit voelen komen. In de eerste bocht was ze opnieuw te ver naar de buitenkant gegaan. Niet zo ver als vorige week. Hij had haar terug laten rijden langs een rij lage garagedeuren, dezelfde route nog eens. De derde keer had ze de hoek gemaakt zonder zijn hand richting het stuur te zien gaan.
Ze had het aan niemand hoeven voordoen toen ze thuiskwam.
Ada legde haar telefoon in de la en schoof de mok ver van de open uurwerken. Ze trok de werklamp naar zich toe. Aan het uurwerk dat al op tafel lag, was niets nieuws te zien sinds gisteren. Ze kon de plaats van ieder bakje terugvinden. Toch moest ze een paar minuten kijken voor haar handen weer wisten waar ze verdergingen.
De eerste schroef pakte ze met het pincet. Niet hard knijpen; dat had ze lang geleden leren voelen, niet kunnen uitleggen. Ze liet hem vallen in het bakje dat bij de juiste onderdelen lag. Op het bordje voor haar zaten twee veertjes van een andere klok. Ze legde ze opzij en keek nog eens naar de schone papieren ondergrond.
Bij het tweede onderdeel ging de bel.
Een jongen wilde een nieuw bandje aan zijn horloge. Voor dit horloge had Ada geen passend bandje. Hij vroeg of ze iets had dat tijdelijk kon en legde zijn horloge al neer. Het bandje was gescheurd langs een gaatje waar iemand steeds harder aan had getrokken. Een tijdelijke oplossing had ze ook niet. Zij liet hem zien waar de winkel met bandjes zat, twee straten verder. Hij nam de aanwijzing op zijn telefoon over en bleef bij het weggaan voor de lege klantenstoel stilstaan.
‘Die staat scheef,’ zei hij.
‘Die stoel niet.’
Hij keek alsof hij de opmerking niet begreep. Ada hoorde zelf dat ze aan iets anders had gedacht. Ze wenste hem een goede dag en schoof haar kruk weer aan.
Tegen de middag kwam er niemand meer. Zij at haar boterham niet aan de werkbank maar aan het smalle blad bij het gootsteentje. Het voelde onhandig daar te staan. Het bordje paste net naast het koffieapparaat. Buiten liep de vrouw met de boodschappentas opnieuw langs, aan de overkant. Ze keek niet naar binnen.
Ada haalde de agenda erbij. Vermeer stond op de goede zaterdag, om tien uur. De vrijdagklant had ze een nieuwe tijd gegeven. Bij een andere naam stond donderdag vraagteken. Ze belde. De telefoon werd niet opgenomen. Ze sprak in dat de kleine klok nog een dag langer moest blijven om te kijken of het slagwerk bleef doen wat het moest. Ze had het gisterenochtend al willen controleren. Gisteren was ze dicht geweest.
Daarna zat ze even stil met de pen tegen de rand van haar lip. Het vraagteken zag eruit als een uitnodiging om er niets aan te veranderen. Ze zette er vrijdag naast.
Op de bladzijde van het schrift stonden die dag de afrekening van de wekker en een klein bedrag voor een los sleuteltje dat iemand al vroeg had opgehaald. Bij elkaar had ze nog minder ontvangen dan op de laatste open woensdag. Ze schreef beide bedragen op. Daaronder liet ze een regel vrij.
Om halfvier ging de vrouw met de wekker nog een keer langs het raam. Deze keer stak ze haar hand op. Ada deed hetzelfde zonder van haar kruk te komen. Voor haar stond Hovings messing klok nog op het rek. Hij was na iets meer dan een uur stilgevallen, de wijzers op een tijd die niets zei over de rest van de middag.
Ada pakte de bon en schreef erbij: stopt na ruim een uur. Ze stak het kaartje terug en keek naar het uurwerk waar ze eindelijk aan had kunnen doorwerken. Dat was nog niet terug in de kast. Het bovenste bakje moest nog leeg.
Ze zette de lamp iets lager en draaide de kruk een halve slag naar de tafel.