Hoofdstuk 19 · 11 minuten lezen
De laatste data
De deelauto had geen ijskrabber op de plek waar Mara hem verwachtte. Ze vond hem onder de bestuurdersstoel, tussen een kassabon en een elastiekje. Het voorraam was niet bevroren, alleen zo nat dat zij eerst met haar mouw over de binnenkant moest gaan om iets te kunnen zien. Ze legde de krabber terug in het portier. Daar hoorde hij waarschijnlijk ook niet, maar hij was er in elk geval te vinden.
Ze had de auto van kwart voor acht tot kwart over negen geboekt. Haar moeder had gevraagd of zij zaterdagochtend één grote klok kon helpen terugbrengen, vóór de winkel openging. De eigenaar woonde aan de rand van het stadje en kon de klok niet goed meenemen op de fiets. Ada zou meegaan. Het kwam uit: Mara had die ochtend geen andere afspraak, en de auto stond vlak bij haar huis. Zij had haar moeder de bevestiging gestuurd zonder er drie andere ritten achter te vragen.
Voor de winkel stonden twee fietsen tegen de muur. Ada deed de deur open toen ze de auto zag. Haar schort had ze nog om, eroverheen haar jas, zodat de strik aan de achterkant onder het groen vandaan kwam.
‘Het is niet glad,’ zei Mara.
‘Dat zie ik.’
‘Ik dacht: met die mist.’
‘Ik had mijn schoenen al aangetrokken.’
Ada hield de deur voor haar open. In de winkel rook het naar een geroosterde boterham. Op de klantenstoel lag geen klok. De grote wandklok stond beschermd in een stevige transportdoos naast de toonbank, met een losse beschermplaat voor het glas. Mara kon de bruine onderrand nog zien. Het uurwerk was compleet; de delen die voor het vervoer apart moesten, zaten gemerkt bij de klok. Ada vroeg haar alleen de deur open te houden.
‘Ik kan de andere kant ook pakken.’
‘Als hij over de drempel is. Eerst die deur.’
Mara hield hem vast. Haar moeder schoof de doos over het lage wagentje tot aan de uitgang. Buiten namen ze hem samen over. Het gewicht zat anders dan Mara had gedacht: meer naar de achterkant. Zij veranderde haar greep voordat ze gingen lopen.
In de auto paste de doos vlak achter de voorstoel. Ada controleerde de steun en de afzonderlijke verpakking. De rit was kort genoeg om zonder haast te kunnen rijden. Mara trok haar gordel aan en zag dat haar moeder haar handschoenen nog in één hand had.
‘Moeten we iets ophalen voor we teruggaan?’
Ada keek naar haar.
‘Alleen onszelf.’
Mara stak de autosleutel in het slot. ‘Ook goed.’
Er zat een wit stipje op de ventilatorknop. Ze draaide hem lager toen Ada haar sjaal losmaakte. Het was prettig niet te hoeven raden of het voor haar moeder te koud was.
‘Hoe gaat de les?’ vroeg ze toen ze bij het eerste verkeerslicht stonden.
‘Deze week heel veel fietsers.’
‘Was het lastig?’
‘Vooral dat er steeds weer nieuwe kwamen.’
Mara lachte. Zij moest een fietser laten voorgaan die zonder richting aan te geven naar het midden van de weg stuurde. Ze wachtte met beide handen op het stuur. Naast haar keek Ada naar de zijstraat, niet naar Mara's voeten.
Bij het huis van de klant stond de voordeur open. Een man in een dun vest wachtte in de hal. Hij had een oud tapijt op de vloer gelegd en wees naar een vrije plek op een lage kast.
‘Hier mag hij even.’
Ze droegen de klok samen naar binnen. De man wilde helpen, maar Ada vroeg hem de hoek van het tapijt glad te houden. Binnen was de hal warmer dan de winkel. Mara zette haar kant neer en hield de doos stil terwijl haar moeder de verpakking opende. De eigenaar keek naar de wijzerplaat alsof hij zich iets probeerde te herinneren.
‘Ik dacht dat hij geler was.’
‘Er zit nog dezelfde plaat in,’ zei Ada. ‘Hier valt het licht anders.’
‘Ja. Ik heb die lamp laten vervangen.’
Ze bespraken de plek aan de muur. De eigenaar had de bestaande bevestiging laten nakijken; de klok kwam terug waar hij eerder had gehangen. Ada maakte de apart beschermde delen vrij en zette ze terug waar ze hoorden. Ze vroeg Mara de lege verpakking opzij te houden. Toen alles compleet was, hing ze de klok aan de gecontroleerde bevestiging. Haar handen bleven aan weerskanten tot hij goed hing. De eigenaar deed een stap naar achteren. Ada keek van opzij, liet de klok lopen en nam rustig de tijd om de werking ter plekke te controleren. Daarna bespraken ze wat de klant de komende dagen zou bijhouden. Hij luisterde aandachtig. Halverwege vroeg hij hetzelfde nog eens, nu met zijn bril op. Haar moeder herhaalde het zonder de stem te gebruiken waarmee zij Mara vroeger iets een tweede keer had uitgelegd.
Mara stond bij het tapijt met haar handen in haar jaszakken. Het kon nog tien minuten duren. Zij voelde de verleiding alvast de lege doos op te vouwen. Maar de klant wilde hem bewaren. Dat zei hij voordat zij bukte.
‘Voor als hij nog eens moet reizen.’
Ada schoof de beschermplaat erin. De rekening was afgesproken, het bedrag voldaan; op de bon kwam alleen de afgifte en wat zij ter plekke had gecontroleerd. Ze schreef langzaam omdat haar hand nog koud was. Mara keek naar het sleutelkastje naast de voordeur. Er hingen acht sleutels, allemaal aan verschillende ringen. Aan de laagste hing een miniatuurklomp met een afgebroken neus.
Toen ze buiten stonden, was de mist opgetrokken. Hun eigen auto aan de overkant was helemaal zichtbaar. Mara had gedacht dat haar moeder onmiddellijk zou vragen hoe laat het was. Ada trok haar handschoenen aan.
‘Ik had hem nog wel een week hier kunnen houden,’ zei ze, toen ze zaten.
‘In de winkel?’
‘Ja. Om nog eens te kijken. Maar hij liep goed. Dan kan hij beter daar hangen.’
Mara startte de auto. Het was geen vraag waarvoor zij iets hoefde op te zoeken. Ze reden langs een rij bomen waar bijna alle bladeren af waren. Bij de rotonde miste ze de tweede afslag en nam de derde.
‘Hier kun je ook langs,’ zei Ada.
‘Ik weet het.’
Dat wist ze niet zeker. Aan het eind bleek een straat afgesloten voor werkzaamheden. Er stond een man met een schop die wees dat ze rechts moest. Ze kwamen door een woonwijk met verkeersdrempels terug op dezelfde weg. De klok was al afgeleverd; achter hen kon niets meer tegen de rugleuning tikken.
Bij de winkel hoefde Mara niet te parkeren. Ze liet Ada uitstappen, zette de auto terug in zijn vaste vak en controleerde de tijd. Er waren negenentwintig minuten over. Ze kon de reservering afronden. Toen ze het schermpje sloot, stond er geen nieuwe rit achter.
Terug in de winkel, vijf minuten later, had Ada haar jas uit. Zij legde de zojuist getekende bon op een stapeltje en trok het schrift naar zich toe. Mara pakte haar tas van de klantenstoel. Haar moeder hield een vinger bij een regel.
‘Deze is dan ook weg.’
Op het papier stonden klokken die Mara niet kende. Ze zag vakjes met datums, een rij initialen en een paar woorden die haar moeder had onderstreept. Niets leek op het schema dat zij zelf had willen maken. Het was op sommige plekken dichter beschreven, op andere juist veel ruimer.
‘Moet ik ergens naar kijken?’ vroeg ze.
Ada schoof het schrift niet weg. ‘Nee. Ik zit de laatste afspraken na te lopen.’
Mara ging op de stoel zitten. Nu hij vrij was, stond de achterkant ervan tegen een muur die zij nooit erg had opgemerkt. Boven de plint liep een streep die waarschijnlijk door de klok was gekomen. Ze had die zes jaar lang niet hoeven zien.
‘Vier van die opdrachten waren voor deze weken,’ zei Ada. ‘Drie waren al gegaan. Nu die grote ook. Straks, voor sluiting, komt die mevrouw van de klok waar ik niet aan begin. Die had het ophalen twee keer verzet.’
‘Betaalt ze dan nog iets?’
‘Wat we hebben afgesproken voor het kijken. Geen bewaargeld. Dat had ik niet met haar afgesproken.’
Ada trok een lichte streep onder de afgiftedatum. Mara liet haar tas op haar schoot staan. Zij kon zich voorstellen dat er een regel voor moest bestaan. Een bepaalde termijn, een bedrag voor opslag. Dat hoefde ze niet nu ter plekke te verzinnen, terwijl het ging om een vrouw die later die dag zou komen.
Om negen uur deed Ada de deur voor bezoekers open. Even later ging de bel. Een man kwam binnen met een vierkante klok onder zijn arm, gewikkeld in een fleecevest. Hij had het vest zo gedraaid dat de rits niet tegen het hout lag. Ada keek naar het pakket en vervolgens naar zijn gezicht.
‘Ik zou hem graag hier laten,’ zei hij. ‘Voor als u er weer aan begint.’
‘Ik neem op het ogenblik geen grote reparaties aan.’
‘Nee, dat zag ik. Daarom zei ik ook: voor later.’
Hij zette de klok nog niet neer. Mara zag zijn vingers onder het vest. Hij hield het pakket steviger vast dan nodig leek.
‘Ook voor later kan ik hem nu niet aannemen,’ zei Ada. ‘Anders hangt de winkel weer vol voor ik een datum kan geven.’
‘Ik hoef geen datum. Hij staat bij mij ook maar.’
Ada keek naar haar schrift. Niet om Mara aan te kijken, zoals de eerste klant in september dat had gedaan. Zij sloeg de bladzijde om naar een lege plek en zette haar pen erop.
‘U kunt in januari bellen. Dan bespreken we eerst wat er aan de hand is.’
‘Ik ben hier nu toch.’
Er volgde een stilte. Mara voelde de rand van haar tas tegen haar pols. Ze had een oplossing kunnen noemen: een foto maken, een voorlopige regel opschrijven, de klok in de hoek waar nu plaats was. Iedere oplossing zou een ander soort toezegging worden. Haar moeder legde de pen neer.
‘Dat begrijp ik. Maar ik neem hem vandaag niet over.’
De man keek naar de klantenstoel. Mara zat er nog. Zij wist niet of hij wilde dat ze opstond om hem een rustplaats te geven, of alleen de ruimte bekeek. Er gebeurde niets.
‘Dan bel ik wel,’ zei hij.
Ada wees op het kaartje naast het briefje met de innamepauze. Haar nummer stond erop. Hij pakte er één, stopte het in de borstzak van zijn jas en ging weer naar buiten. De bel klonk twee keer omdat hij de deur even tegenhield met zijn voet.
‘Hij had het hier willen laten,’ zei Mara.
‘Dat hoorde ik.’
‘Het klinkt ook heel redelijk als hij het zegt.’
Ada boog zich weer over het schrift. ‘Voor hem is het dat ook.’
Op het aanrecht stond koffie. Mara vroeg of ze een kop mocht. Haar moeder wees naar het schone rijtje naast het gootsteentje. Ada's eigen beker zat halfvol. Een paar minuten zaten ze zonder gesprek, Mara op de klantenstoel en Ada bij de werkbank. In de etalage begon een zonvlek langzaam omhoog te kruipen.
Mara vroeg hoe het met de twee klokken ging die naar Jeroen zouden. De eigenaars hadden ingestemd, zei Ada. Hij had ze vrijdag opgehaald. Ze had de afspraken op de bonnen gezet. Mara knikte. Zij wilde weten of Jeroen de eigenaars zelf zou bellen, maar haar moeder was al doorgegaan over de ronde klok van de sportvereniging.
‘Die moet nog tot die vrijdag blijven. Daar heb ik de tijd voor vrijgehouden.’
‘Dat is die hele grote?’
‘Hij lijkt groter door de rand. Hij slaat niet eens.’
Mara keek naar de wand. In de houten ring weerkaatste een strook raamlicht. Het uurwerk was zo stil dat zij eerst andere tikken moest uitsluiten om hem te horen.
Ada stond op en pakte het proefbriefje dat zij maandag wilde bespreken met haar boekhoudhulp. Er stonden nog geen tijden op, alleen woorden en een paar doorgehaalde zinnen. Mara kon werkplaats lezen. Haar moeder schoof het papier onder het schrift toen er een klant voor de ruit bleef staan. Ze vroeg niet of Mara het netjes kon maken.
De klant liep door. Ada haalde het blad weer tevoorschijn en schreef één woord bij. Mara dronk haar koffie op. Hij was nog heet, niet zo lang blijven staan als vroeger op de plaat. Ze zette de kop in het gootsteentje en keek naar haar telefoon. De afgesloten deelautorit stond in haar berichten. De rekening kwam later.
‘Stuur die maar door,’ zei Ada. ‘Van de auto.’
‘Als ik hem heb.’
Ze trok haar jas aan. Haar moeder had haar werk weer opgepakt en hield een klein onderdeel in het licht. Mara zou boodschappen doen, dacht ze, maar ze hoefde niet eerst te bedenken of ze voor twee personen moest kopen. Bij de deur stak zij haar hand op. Ada antwoordde met dezelfde hand waarin zij het onderdeel vasthield.
Buiten scheen de zon over de hele stoep. Mara liep naar de bakker. Er was een rij tot aan het broodrek. Normaal zou zij na een blik op de klok iets bij de supermarkt halen. Nu sloot ze achteraan aan. Voor haar stond een jongen met een muntje in een warme, vochtige hand. Hij vroeg de verkoopster drie keer hoeveel een krentenbol kostte, alsof het bedrag bij herhaling misschien kleiner werd.
Mara bestelde er twee. Eén at ze op weg naar huis, zonder hem open te snijden. De andere stopte ze in haar tas. Er zat suiker aan haar duim. Bij het volgende kruispunt wachtte ze tot het verkeerslicht veranderde en keek naar het straatje waar de deelauto al klaarstond voor iemand anders.