Hoofdstuk 1 · 9 minuten lezen
De knoop onder haar oor
De knoop lag precies waar Mila haar hoofd wilde leggen. Ze draaide het kussen om. Nu zat hij aan de andere kant onder haar oor.
Ze ging overeind zitten en trok de sloop scheef. Een klein, wit knoopje stak uit een rijtje dat de opening dichthield. Thuis hadden ze slopen die je onder het kussen kon vouwen. Dit was er een van oma, en oma had net gezegd dat ze alles al voor haar had klaargelegd.
Op de overloop praatte haar moeder over een reservesleutel. Mila hoorde hoe ze hem op een bordje liet vallen.
‘Dan tot maandag. Om twee uur bij het oude huis, hè?’
‘Dat staat op de kalender,’ zei oma.
‘En als er iets is, bel je.’
‘Eva, er is altijd iets. Op het ogenblik kan ik mijn vergiet niet vinden.’
Mila liet haar benen van het bed zakken. De gele vloerbedekking voelde warmer dan de tegels in oma's oude logeerkamer. Hier kon je op de vensterbank zitten zonder dat je voeten bungelden. Haar tas paste precies tussen het bed en een kastje. Ze had de kamer aardig gevonden toen ze binnenkwam. Toch wist ze nog nergens waar ze moest zoeken.
‘Dag, mam!’ riep ze.
Haar moeder kwam nog een keer om de hoek. Ze keek naar het kussen op Mila's schoot.
‘Ga je nu al slapen?’
‘Ik probeer alleen iets.’
‘Laat je oma dan ook iets over om te doen.’ Ze kuste Mila op haar hoofd, naast de plek waar de knoop had gezeten. ‘Veel plezier bij de poppen. Stuur een foto als die bloem nog leeft.’
‘Het is een papieren bloem.’
‘Die kunnen ook dood. In jouw tas bijvoorbeeld.’
Mila schoof met haar voet de tas verder onder het bed. De bloem zat al een week op de laars van de visser. Daar kon niets meer mee gebeuren.
Beneden viel de voordeur dicht. Het geluid kwam door het trappenhuis omhoog, veel harder dan Mila verwachtte. In het oude huis had je de achterdeur. Oma hoorde je dan al over het grind aankomen en riep dat je je fiets niet tegen de kruiden moest zetten. Hier had haar moeder op een bel moeten drukken en had een stemmetje uit de muur gezegd dat de deur open was.
Oma kwam binnen met een lege wasmand.
‘Wat ben je toch aan het plukken?’
Mila wees de knoop aan.
‘O, die. Daar had je moeder vroeger ook ruzie mee.’
‘Waarom heb je ze dan nog?’
‘Omdat de rest van de sloop het prima doet.’ Oma zette de mand neer. ‘Er liggen andere in de linnenkast. Bovenste plank, links. Pak maar.’
Ze liep weer weg. Mila hoorde een la opengaan, daarna nog een. Ze liet de sloop even liggen en liep naar de woonkamer. Op de kleine tafel lagen een schaar, twee elastiekjes en een platte doos met deksels. Geen vergiet.
‘Waar staat je werktafel?’ vroeg ze.
Oma keek uit een keukenkastje omhoog. ‘Die staat nog in het oude huis.’
‘Komt hij hier?’
‘Dat ding is bijna even lang als deze keuken.’
Mila keek naar de ruimte tussen de koelkast en de deur. Misschien als je de kleine tafel weghaalde. De stoelen konden op elkaar. Er was ook nog die lege hoek bij het raam.
‘Je kunt hem schuin zetten.’
‘Dan moet ik schuin koken.’ Oma sloot het kastje. ‘Voorlopig eet ik hier. Een andere werkplek komt nog wel. Ga jij je sloop maar halen, anders zijn we straks te laat.’
Op de gang stond de linnenkast halfopen. Hij rook gelukkig nog hetzelfde: naar zeep en hout, met ergens daarachter het koele luchtje van lakens die lang opgevouwen waren geweest. Mila trok een stapel slopen een stukje naar voren. De bovenste had bloemen. Daaronder lag iets wits met een rand van kant.
Achter de stapel scheen licht.
Ze bleef met de bloemensloop in haar hand staan. Misschien zat er een lampje in de kast. In de nieuwe keuken gingen de lichten ook vanzelf aan als je de klep boven het fornuis optilde.
Mila duwde de slopen opzij. Er lag een pakje met een blauw lint eromheen. Tussen twee vouwen glansde een dunne streep. Ze hield haar oor erbij. Geen gezoem, geen ventilatortje. Het pakje voelde zacht en een beetje koel.
Ze trok voorzichtig aan de strik.
De stof gleed open over haar polsen. Een lap, ongeveer zo groot als een theedoek. Eerst zag hij er grijs uit. Toen Mila hem optilde, kwam er een bleke glans over haar vingers. Elk lijntje in haar hand werd zichtbaar. Zelfs het halve cirkeltje waar ze die middag met een potlood in haar huid had geduwd.
Ze liet de lap zakken. Het licht ging mee.
Aan de zoom hing een kartonnen kaartje. Oma's letters stonden er klein en schuin op.
Geleend maanlicht. Heel laten. Voor de ochtend buiten uitvouwen, met de glanzende kant naar de hemel.
Mila las het nog eens. Daarna draaide ze de lap om. De achterkant was gewoon grijs, als een vaatdoek die nog niet gebruikt was. Ze keek langs de rand of er een draadje naar een stekker liep.
Oma verscheen met één schoen in haar hand.
‘O,’ zei ze. ‘Daar was hij.’
‘Wat is dit?’
‘Dat staat erop.’
‘Ik bedoel echt.’
Oma keek naar het raam van de logeerkamer. ‘Hou hem daar eens bij.’
Mila liep naar binnen. Buiten hing de maan boven de schoorstenen. In het glas zag ze haar eigen gezicht en de glanzende lap onder haar kin. De draden bewogen een heel klein beetje naar het raam toe. Het leek op gras dat even meebuigt wanneer er iemand langs fietst.
Ze hield hem verder van het raam. Het bewegen werd minder.
‘Hoe doe je dat?’
Oma ging op de bedrand zitten en trok haar schoen aan. ‘Ik doe niets. Mijn moeder kon licht weven. Genoeg om een draad door een naald te krijgen als de lamp het niet deed. Deze lap is van haar.’
Mila keek naar de zoom. Daar zaten geen knoppen of knopjes. Alleen het kaartje.
‘Waar zat hij eerst?’
‘Vanavond? Op het balkon. Ik heb hem maanlicht laten lenen. Daarna pakte ik een schone sloop en legde ik hem even in de kast.’
Oma boog zich voorover naar haar andere schoen. Aan de deur hing haar lange jas. In de kamer was het intussen zo donker geworden dat de mouwen op armen leken.
‘Mag ik hem vannacht?’ vroeg Mila.
‘Tot je gaat slapen. Eerst geven we het licht terug. Vóór de zon opkomt moet het allemaal weg zijn. Anders wordt hij nooit meer licht.’
‘Kun je dan een nieuw stukje maken?’
‘Ik niet.’
Mila streek langs de rand. ‘Maar als er een heel klein hoekje af zou kunnen, voor naast mijn bed?’
Oma schudde haar hoofd. ‘Een afgeknipt stukje wordt meteen donker. De weving moet heel blijven.’
Uit de verwarming kwam een harde tik. Mila keek erheen. Nog een tikje, een stuk zachter. De jas bewoog niet.
‘Neem hem maar mee naar de voorstelling,’ zei oma. ‘In je zak. Het kaartje ook, en dat lint. Niet ergens los neerleggen.’
Mila vouwde de stof voorzichtig op. Het pakje paste in de brede zak van haar jas. Ze stopte de bloemensloop voorlopig op het bed en deed haar schoenen aan.
‘Mila?’
Ze bleef in de deuropening staan.
Oma hield iets boven haar hoofd. Het vergiet.
‘Boven op de koelkast,’ zei ze. ‘Daar had ik zelf nooit gezocht.’
Mila voelde door haar jas heen of het licht er nog zat. Daarna trok ze de rits dicht.