Hoofdstuk 2 · 3 minuten lezen
Een toespraak voor de wind
Zaterdag rook het dorpsplein naar wafels en nat touw. Het had kort geregend. Bennie zette Miep in een ruime ren naast de schooltuin, met een waterbak en schaduw van de kastanjeboom. Niemand mocht haar voeren of optillen. Op haar ren hing een verkiezingsposter; de gans hoefde zelf niets te dragen.
‘Een ambtsketen is vooral lastig bij het zwemmen,’ legde Joep uit aan een kleuter.
Vera had drie regels op een blaadje geschreven. De leesbank moest een deksel krijgen waaronder droge kussens konden liggen. Naast de bank kwam een kist voor boeken. En tijdens de pauze mocht iedereen er zitten, ook zonder boek.
‘Dan is het gewoon een bank,’ zei Joep.
‘Dat is het ook.’
Hij had een toespraak van twee kantjes. Vera zag haar naam erin staan, met daarachter: heeft geen verstand van voetbal. Ze wees ernaar.
Joep schrapte de zin. ‘Dat was een grap.’
‘Maak dan een grap over jezelf.’
Hij dacht even na en schreef: ik heb weinig verstand van bankzitten.
Bij de kraam verscheen de echte burgemeester, een kleine vrouw met modderspatten op haar schoenen. Haar fiets stond bij de bakker: een lekke band.
‘Waar is mijn collega?’ vroeg ze.
Miep duwde haar snavel in het water en niesde. De burgemeester knikte. ‘Zo beginnen onze vergaderingen soms ook.’
Toen riep juf Safia de kandidaten naar het lage podium. Joep legde zijn toespraak op de tafel, boven op Vera’s briefje. Naast de tafel stond de nog lege stembus. Een collecteblik hield de papieren op hun plaats.
De bakker wilde net een muntje in het blik doen toen een windvlaag de slinger boven het podium lossloeg. Joep greep de slinger. De bakker tilde het blik op. Alle toespraken stegen tegelijk de lucht in.
Vera ving één vel. Daar stond alleen: Bedankt voor uw aandacht.
De rest zeilde naar de schooltuin. Miep schoot overeind en begon te gakken. Niet zachtjes. Een peuter liet van schrik zijn lege beker vallen. Miep gakte tegen de blaadjes, tegen de beker en voor de zekerheid tegen een langsrijdende fietser.
‘Ze houdt haar toespraak al,’ zei de burgemeester.
Maar Joep lachte niet. Zijn blaadjes lagen achter de ren tussen de jonge sla. In grote letters kon iedereen lezen: IK BELOOF DAT WIJ GAAN WINNEN.
‘Dat is geen plan,’ fluisterde Vera. ‘Dat is hopen.’