← Over dit boek

Het beest dat de lantaarns at

10–12 jaar · zelf lezen en kiezen

De oude markt

1. De laatste lamp

Mirre hield het deurtje van de lantaarn dicht terwijl haar moeder het haakje vastzette. Binnenin trok de vlam een dun geel streepje over het glas.

‘Nu loslaten.’

Mirre liet los. Het deurtje bleef dicht. De laatste lamp was klaar.

Tenminste, dat dacht ze.

Haar moeder bukte en tuurde langs de onderkant. ‘Deze staat scheef.’

‘De lamp of het plein?’

‘De lamp. Geef die twee houten wigjes eens.’

Mirre viste ze uit het bakje bij haar voeten. Over het plein reden de laatste marktkarren weg. Een man duwde een kar vol klaptafels en schoof een uitstekende tafelpoot terug. Verderop schoof iemand een metalen rolluik dicht. Het ratelde tussen de gevels.

Boven die gevels stond de toren. Mirre keek naar de bovenste galerij, waar een man in een lichte jas langs de leuning liep. Je kon zijn hele rondje volgen. Straks liep zij daar. Dan stonden er eindelijk geen huizen voor de sterren.

Ze had de toren al eens beklommen tot aan het kamertje met de oude uurwerken. Daarna had er een touw voor de trap gehangen. Nu mocht ze helemaal naar boven, zodra haar moeder klaar was. De beheerder had de sleutel bij zich en zou op hen wachten. Er kwamen zelfs geen wolken aan.

‘Hoe lang duren die wigjes?’ vroeg ze.

Haar moeder hield haar hand op. Mirre had ze nog steeds vast.

Mirre houdt twee houten wigjes vast bij de lantaarn waaraan haar moeder werkt.

Naast de gereedschapskist zat Sef op zijn hurken. Hij had zijn schrift op zijn knie en tekende een dikke streep door een vakje.

‘Wat is er mislukt?’ vroeg Mirre.

‘Niks.’

‘Je krast nogal.’

Hij draaide het schrift naar haar toe. Boven de vakjes stond NACHTKELK. Ernaast had hij een stengel getekend met een knop die veel groter was dan de pot.

‘Dat is vandaag. Oma zegt dat de punt al loskomt.’

‘Mooi. Dan kunnen we straks kijken.’

‘Eerst kijken.’

Mirre keek op van het schrift.

‘Vóór de toren,’ zei Sef. ‘Ik ga zo naar oma.’

‘Het is nog licht.’

‘Daarom wil ik er zijn. Dan zie ik hem opengaan.’ Hij sloeg het schrift dicht. ‘Anders kom ik binnen en is hij alweer klaar.’

‘Een bloem is toch niet meteen weer dicht?’

‘Ik heb hem zelf gezaaid, Mirre.’

Ze streek met haar schoen over een voeg. Daar zat een platgetrapt kartonnen bakje klem. Ze kon best naar de daktuin. Die lag naast de toren; ze hoefden er nauwelijks voor om. Alleen zag Sef bij zijn plant altijd nog iets wat gisteren anders was. Een nieuw blad. Een oud blad. Een blad dat volgens hem ging komen.

‘Een kwartier?’ vroeg ze.

‘Tot hij open is.’

Haar moeder duwde het tweede wigje onder de voet van de lamp. Ze controleerde of hij stevig stond en kwam overeind.

‘Ik ruim hier nog op. Jullie kunnen samen bij oma wachten. Ik haal jullie daar op voor de toren. Sef, weet je oma dat jullie komen?’

‘Ja. Ze zet de achterdeur open.’

‘Goed. Blijf hier even tot die wagen voorbij is.’

De wagen kwam hobbelend langs. Achterin rammelden lege flessen. Mirre moest een stap opzij doen voor het wiel en kwam met haar hiel op Sefs schoen terecht.

‘Je staat op mijn voet.’

Ze stapte eraf. ‘Ik ga mee.’

‘Weet ik.’

‘Ik bedoel naar je bloem.’

Sef stak zijn schrift in zijn jas. ‘Dan mag jij het blaadje vasthouden.’

‘Welk blaadje?’

‘Het papier waar ik de tijden op schrijf.’

Hij grijnsde pas toen ze hem aankeek.

Mirre wilde vragen of ze ook betaald kreeg, maar achter de wagen bewoog iets.

Bij de muur van het oude waaggebouw stonden lege kratten opgestapeld. Een lange donkere staart gleed over de bovenste krat. Daarna zakte hij erachter weg.

‘Zag je dat?’

Sef volgde haar blik. ‘Wat?’

Er stak een kop langs de kratten. Mirre zag een brede neus, twee kleine oren en haar dat in plukken over een oog hing. Het dier was groot. De rug kwam boven de stapel uit toen het naar voren stapte.

‘Mam?’

Haar moeder zette de gereedschapskist neer.

Het dier hield stil bij de lantaarn naast de waagdeur. De vlam brandde daar al de hele tijd, achter het gesloten glas. Mirre had zelf de lucifer aan haar moeder gegeven.

Langzaam draaide het zijn kop. Het drukte één harige wang tegen de ruit.

De vlam boog opzij.

Mirre kneep haar ogen samen. Er kwam geen wind langs haar gezicht. In de lamp schoot het gele streepje naar het glas, trok zich uit tot een dun draadje en verdween.

Op de wang van het dier lichtte een gele vlek op.

Sefs hand sloot om haar mouw.

‘Die zit nu daar,’ zei hij.

Bij het waaggebouw

2. Een vlek in de vacht

Het dier hief zijn kop. Op de plek waar de wang het glas had geraakt, zat een gele vlek tussen de donkere haren. Mirre kon de afzonderlijke plukjes zien. Er viel een klein rondje licht op de stenen onder zijn bek.

Een gele lichtvlek verschijnt op de wang van het grote donkere dier naast de gedoofde lantaarn.

‘Achter mij blijven,’ zei haar moeder.

Mirre stapte naast Sef. Haar moeder schoof de gereedschapskist met haar voet weg uit het looppad. Aan de andere kant van de markt kwamen een vrouw en twee mannen van een terras. De vrouw had de kop van het dier al gezien en wees.

‘Even omlopen, alstublieft,’ riep Rika. Ze stak haar arm op. ‘Hier loopt een dier los. Geef het ruimte.’

De vrouw trok een van de mannen aan zijn elleboog mee. De derde bleef staan, maar liep achteruit toen het dier zijn kop naar hem draaide. Mirre had dat ook gedaan. Het kwam gemakkelijk tot haar borst en ze kon nergens een halsband ontdekken.

‘Wat is dat?’ vroeg Sef.

‘Dat weet ik niet.’ Rika pakte haar telefoon. ‘En we gaan het niet van dichtbij uitzoeken.’

Mirre keek naar de donkere lantaarn. Het glazen deurtje zat dicht. Boven de zwarte pit hing nog een sliertje rook. Ze had wel eens een kaars uitgeblazen en ze had gezien hoe haar moeder een lamp doofde. Dan verdween de vlam op de plek waar hij zat. Dit was zijwaarts gegaan. Door het glas heen.

‘Mam, die vlam is echt—’

‘Ik heb het gezien.’ Haar moeder keek haar even aan. ‘Jij ook?’

Mirre knikte. Dat was een opluchting waar ze geen rekening mee had gehouden. Ze hoefde de gele draad niet uit te leggen terwijl iedereen naar haar keek.

Rika belde Jurrit. Hij was bij de materiaalwagen aan de overkant van de markt en moest de lage afzethekken meenemen. Daarna zocht ze het nummer van de dierenopvang op. Tijdens het wachten hield ze het dier in het oog.

Het liep drie passen naar links. Zijn staart sleepte over een leeg papieren zakje, dat even aan de haren bleef hangen. Met een snelle beweging van zijn achterpoot schudde het dier het los. Het zakje waaide onder een bank.

‘Paardachtig groot,’ zei Rika door de telefoon. ‘Maar ik kan u niet zeggen wat het is. Lange staart. Donkere vacht. We houden mensen op afstand.’

Ze luisterde. Mirre hoorde een vrouwenstem, zonder de woorden te verstaan.

‘Ja, bij de waag. Mijn collega komt erbij.’

Het dier zakte door zijn voorpoten en stak zijn neus onder het bankje. Het paste er nauwelijks onder. Mirre zag de rug omhoogkomen en dacht even dat het bekneld zat. Toen trok het zijn kop terug met een nies die het zakje tegen de muur blies.

Sef maakte een kort geluid achter zijn hand. Het dier keek meteen op. Hij hield zijn mond dicht.

‘Salma van de opvang komt,’ zei Rika toen ze had opgehangen. ‘Tot die tijd houden we deze hoek vrij.’

‘Kan het ontsnapt zijn?’ vroeg Mirre.

‘Dat gaat zij uitzoeken.’

Het dier stapte naar de volgende lamp, aan de rand van de arcade. Mirre hield haar adem in toen het zijn kop draaide. Even later was ook die lamp donker. Deze keer zag ze vooral wat erna gebeurde: boven de voorpoot kwam een tweede gele plek tevoorschijn, klein en onregelmatig. Het licht bleef zitten toen het dier bewoog.

‘Twee,’ zei Sef.

‘Misschien zitten er meer aan de andere kant.’ Mirre probeerde langs haar moeder te kijken, maar Rika legde een hand achter haar schouder. Ze bleven waar ze stonden.

Boven de bank brandde de gewone straatlamp. De witte kap zoemde zacht. Het dier liep eronderdoor zonder zijn kop op te tillen. Ook de verlichte letters van de bakker bleven aan. De rest van de markt zag er nog precies zo uit als daarvoor; alleen die twee donkere plekken vielen Mirre nu telkens op.

Er klonk een krassend geluid. Jurrit kwam met twee opgevouwen hekken onder zijn armen. Hij zette ze neer zonder ze te laten vallen. Zijn mouwen waren opgestroopt; op een onderarm zat een brede vlek blauwe verf.

‘Die kant?’ vroeg hij zacht.

Rika knikte. Samen trokken ze de hekken uit elkaar, op ruime afstand van het dier. Een man met een fietstas wilde ertussen door. Jurrit wees hem naar de andere kant van de fontein en liep een paar passen mee tot de man afboog.

Mirre liet Sefs mouw los. Ze had niet gemerkt dat ze die nu zelf vasthield.

Achter de hekken draaide het dier een rondje. Het bleef met zijn neus naar de toren staan, de oren naar voren. Er kwam een laag geluid uit zijn keel. Mirre voelde het in haar borst, veel dieper dan het gerammel van de marktwagens.

‘Oma woont daar,’ zei Sef.

Hij wees naar de doorgang naast het waaggebouw. Het hek van Jurrit stond er recht voor.

Aan de rand van de markt

3. Twee wegen naar oma

Rika volgde Sefs vinger. ‘Ja. Daar kunnen jullie nu niet langs.’

Sef haalde zijn schrift weer uit zijn jas. Hij vouwde het niet open, maar hield het met twee handen vast. Mirre zag zijn duimen over de kartonnen hoeken schuiven. Nog even en hij zou vragen hoe lang dit ging duren. Ze wilde dezelfde vraag stellen.

Jurrit keek langs de arcade. ‘Via de terrassen kan het. Of achter de marktkramen om, aan de straatkant. Ik loop wel mee.’

‘Laat die lege plekken bij de lantaarns vrij,’ zei Rika. ‘Het komt er telkens terug.’

Ze liep een eindje naar de fontein om een echtpaar met een kinderwagen tegen te houden. Jurrit wachtte tot ze weer terug was. Het dier bewoog langs de muur van de waag; van hieruit zag Mirre alleen zijn rug en de punt van zijn staart.

‘We kunnen ook hier blijven,’ zei ze.

‘Ik niet,’ zei Sef.

Hij zei het zo snel dat ze hem aankeek.

‘Ik ben hier al de hele middag. Die pot staat boven. Oma kan hem niet even naar beneden dragen omdat er een beest op de markt loopt.’

‘Dat bedoel ik toch niet.’

‘Dan gaan we.’ Hij stopte het schrift terug. Het paste dwars in zijn zak; één hoek bleef uitsteken.

Mirre keek naar haar moeder. Tot daarnet was klaar met werk een heel duidelijk moment geweest. Een deurtje dicht, de kist dicht, de sleutel van de toren. Nu stond die kist open op de grond en moest er iemand van de opvang komen. Ze wist niet of de man in de lichte jas boven nog op hen wachtte.

‘Gaan we straks nog wel omhoog?’ vroeg ze.

‘Ik wil nog steeds met je naar boven,’ zei Rika. ‘Maar eerst moet dit hier veilig zijn. Kees weet dat we beneden bezig zijn.’

‘Heeft hij gebeld?’

‘Hij kwam even naar het raam. Ik heb hem verteld wat er aan de hand is.’ Ze streek een losse haarpluk uit haar gezicht. ‘Als jullie boven bij Wies zijn, ben ik vlakbij. Jurrit brengt jullie tot bij de binnenplaats. Vandaar kennen jullie de trap.’

Jurrit knikte. Hij had zijn sleutelbos al in zijn hand, maar borg hem weer op toen hij zag dat Mirre nog naar de toren keek.

‘We hoeven niet te rennen,’ zei hij.

Dat hielp een beetje. Mirre had er een hekel aan wanneer iemand al wegliep en zij haar besluit rennend moest nemen. Ze keek naar de twee kanten van het plein.

Links begon de brede trap naar de terrassen. Overdag zaten daar mensen met koffie bij de leuningen. De terrassen liepen achter de winkels langs en bogen dan om de waag heen. Aan het eind kon je naar de binnenplaats afdalen, onder oma's tuin. Mirre was er met Sef vaak genoeg geweest. Je kon er overal naast elkaar lopen.

Boven zag ze de ramen onder oma's tuin al. Als ze die kant namen, bleven ze in de richting van de toren lopen. Ze kon misschien zien of Kees zijn jas nog aanhad. Bovendien hoefden ze langs geen enkele marktwagen.

Rechts lag de overdekte arcade. Er stonden nog drie karren onder de bogen. Achter de laatste boog begon een smal straatje dat ook bij de binnenplaats uitkwam. Het was de gewone weg als Sef van school naar zijn oma ging. Hij wees ernaar.

‘Daar is het korter.’

‘Als die karren weg zijn,’ zei Mirre.

‘We kunnen er toch langs?’

Jurrit keek zelf. ‘Aan deze kant wel. We blijven buiten de afzetting. Als het daar vastloopt, wachten we.’ Hij gebaarde naar de brede trap. ‘Boven is ook goed. Jullie hoeven niet langs die losse lampen.’

Achter het hek schuurde iets over de stenen. Mirre zag de lange staart verdwijnen in de donkere doorgang naast de waag. Het dier bleef laag bij de muur. De punt van een oor schoot nog even boven een krat uit; toen was het weg uit haar zicht.

Ze dacht aan de wang met het gele licht. Had iemand ooit eerder zoiets gezien? Ze wilde terug naar de lamp om te kijken of de ruit echt heel was. Haar moeder stond er vlakbij, dus die zou dat wel zien. Maar dan moest ze het straks nog aan Mirre vertellen.

‘Je kunt het haar boven vragen,’ zei Sef.

‘Wat?’

‘Je staat steeds naar die lamp te kijken.’

Mirre trok haar vest recht. ‘Ik kan ook zelf kijken.’

‘Nu niet. En mijn bloem kan straks open zijn.’

Rika tilde de gereedschapskist op. ‘Jullie kunnen kiezen. Jurrit loopt in beide gevallen mee. Ik zie jullie bij oma.’

Mirre keek nog één keer van de trap naar de arcade. Sef wachtte naast haar, met zijn hand over de uitstekende hoek van zijn schrift.

De openbare terrassen achter de winkels

4. Licht achter de deur

Op de brede trap schoof Sef een tree voor Mirre uit. Jurrit liep aan de buitenkant. Boven de eerste winkels werd het stiller. De kar met de flessen was weg en tussen de leuningen door zag Mirre hoe haar moeder een tweede afzethek verschoof. Het gele licht van de overgebleven lantaarns maakte lange strepen op de markt.

‘Daar liep het net,’ zei ze.

Jurrit keek over de leuning. ‘Ik zie het nu niet.’

‘Het kan onder ons zitten.’

Sef trok een gezicht. Mirre stapte weg van de rand. Er zat gewoon een stenen terras onder haar schoenen. Ze wist zelf ook wel dat het dier daar niet doorheen kon. Toch had ze liever gehad dat ze zijn staart ergens zag.

Ze kwamen langs een tafel met twee lege bekers. Een stoel stak dwars over het looppad; Jurrit schoof hem onder de tafel. Verderop hing een handdoek over de leuning. Mirre streek met haar vinger langs een nat hoekje, trok haar hand terug en droogde hem aan haar broek.

‘Maret zit buiten,’ zei Sef.

Aan het eind van het terras stond een vrouw bij een rij kruidenbakken. Ze had een opgerolde krant in haar hand en keek naar de lage binnenplaats achter haar huis. Van het terras liep een gewone stenen trap naar haar achterdeur. Mirre kende die trap: beneden had Maret ooit water over haar sandalen gegoten omdat ze er een pot verf op had laten vallen.

‘Er loopt iets bij u,’ zei Jurrit.

‘Ik zie het.’ Maret hield haar krant stil. ‘Wat is dat voor een hond?’

Het dier stond beneden bij de glazen deur. Van boven leek het nog breder dan op het plein. Zijn rug paste net tussen de onderste vensterbank en een lege regenton. Het liep een keer langs het glas, draaide om en stak zijn neus in een hoek.

‘Van de opvang komt iemand,’ zei Jurrit. ‘U kunt beter hier blijven.’

‘Mijn deur zit dicht.’ Maret keek langs de leuning omlaag. ‘Nou ja. Dan kan het niets.’

Mirre zag de gele wang. Het dier drukte zijn kop tegen de glazen deur en schoof hem een klein stukje opzij. Het was dezelfde beweging als bij de lantaarn, alleen bleef de wang nu langer liggen. Een brede pluk haar vouwde plat tegen het glas.

‘Hij gaat wat eten,’ fluisterde Mirre.

‘Daar is geen lamp,’ zei Sef.

Op de deur verscheen licht. Eerst een wazig geel randje langs de haren, daarna een vlek zo groot als Mirres hand. Het dier hief zijn kop en de vlek bleef achter op de ruit. Door het glas heen werd de rand van Marets keukentafel zichtbaar.

Maret liet haar krant vallen.

Op Marets glazen keukendeur blijft licht achter terwijl de kinderen vanaf het terras toekijken.

‘Daar brandt iets.’

‘Wacht even,’ zei Jurrit.

Maar ze was al bij de deur naar haar bovenkamer. ‘Er hangt een handdoek over die stoel. Als die tegen het fornuis—’

‘Ik ga met u mee. Blijf achter mij.’ Jurrit keek naar de kinderen. ‘Hier blijven. Allebei.’

Hij liep met Maret naar binnen. Mirre bleef bij de leuning staan. Door het open bovenraam hoorde ze haastige voetstappen op een houten trap. Sef bukte naar de opgerolde krant en pakte hem op.

‘Waarom zou zijn wang het fornuis aanzetten?’ vroeg hij.

‘Dat weet Maret toch niet?’

‘Nee, maar jij zei dat hij ging eten.’

Mirre keek omlaag. Het dier stond nog steeds bij de deur. De gele vlek op zijn wang was veel kleiner geworden. Ze boog een beetje opzij om beter langs een kruidenbak te kijken.

‘Die plek wordt donkerder,’ zei Sef.

‘Ik zie het.’

Het dier draaide zijn kop naar de toren. Die stond van hieruit boven het dak van Marets keuken. Er klonk iets uit de lage keel, waarna het met zijn voorpoten over de stenen schraapte. Een van zijn nagels maakte een wit streepje.

Beneden klonk een sleutel in het slot. Het dier trok zijn oren plat en deed een stap achteruit. Jurrit hield de deur gesloten; Mirre zag zijn hand door het glas heen. De gloeiende vlek bleef tussen hem en het dier op de ruit zitten.

‘Er brandt niets,’ riep hij naar boven. ‘De keuken is in orde.’

Maret verscheen achter hem met een emmer. Ze zette hem neer. Zelfs van boven kon Mirre zien dat er nog geen water in zat.

Het dier liep bij de deur vandaan. Met zijn lange staart streek het langs de regenton. Het deksel trilde, maar viel er niet af. Het hield even stil op de brede helling naar de binnenplaats, keek naar de toren en verdween onder de doorgang.

Sef hield de krant omhoog toen Maret door de ruit naar hen keek. Ze knikte, zonder te glimlachen.

‘Het heeft hem daar gelaten,’ zei Mirre. Ze wees naar het glas. ‘Het licht.’

Naast haar trok Sef de krant weer naar zich toe. De gloed van beneden gaf het papier en zijn vingers een gele tint.

Marets achterdeur en het terras

5. De luiken van Maret

Jurrit kwam weer boven. Hij liet de deur naar Marets bovenkamer openstaan. ‘Kom maar even mee. Het dier is op de binnenplaats. We blijven aan deze kant van haar huis.’

Sef gaf de krant aan Maret, die achter Jurrit de trap op kwam. Ze pakte hem aan en stak hem gedachteloos onder haar arm.

‘Mijn hele keuken is geel,’ zei ze.

‘Is het warm?’ vroeg Mirre.

‘Gewoon glas,’ zei Jurrit. ‘Ik heb het van binnen gevoeld. Het fornuis stond uit. Er ligt nergens iets te smeulen.’

Mirre wilde zelf naar de ruit. Ze liep als laatste de trap af, langs een rij ingelijste tekeningen. Onderaan stond een schoen midden op de onderste trede. Maret bukte, pakte hem op en zette hem naast de andere onder de kapstok. Haar andere hand hield ze tegen de muur.

De keuken was klein. Op de tafel lagen een broodmes en een opengeslagen puzzelboek. De stoel met de handdoek stond ruim van het fornuis af. In de glazen deur gloeide de vlek. Van dichtbij kon Mirre er dwars doorheen kijken, naar de donkere regenton buiten. De vlek had een rafelige rand, op de plek waar de haren hadden gezeten.

‘Mag ik?’ vroeg ze.

Jurrit knikte. Mirre zette één vingertop tegen het glas, aan de binnenkant. Het voelde koel. Ze legde haar hele hand erop. Tussen haar vingers scheen geel licht, dat op de rug van haar hand viel. Ze draaide haar pols. Er bleef niets aan haar vel zitten.

‘Nu die kant,’ zei Sef.

Hij wees niet naar buiten, maar naar een stukje ruit boven de vlek. Ze voelde. Het was even koel.

Maret bekeek het ook. ‘Dit gaat niet vanzelf uit, zeker?’

Dat wist niemand. Mirre liet haar hand zakken. Ze had verwacht dat ze iets zou voelen aan zo'n vreemde plek. Een trilling misschien, of warmte van de vlam. Haar vinger had alleen een vage afdruk op de ruit achtergelaten.

‘Mijn slaapkamer zit aan het trapgat,’ zei Maret. ‘Met de deur open zie ik dit de hele nacht.’

Jurrit keek naar de binnenluiken die naast de glazen deur tegen de muur waren geklapt. ‘Kunnen die allebei dicht?’

‘Eentje wel. Bij die andere zit de plantenbak ervoor.’ Maret duwde een hand tegen haar onderrug. ‘Die moet ik al weken verzetten.’

Onder het ene luik stond een brede stenen plantenbak op de keukenvloer. De bladeren staken voor het handvat. Mirre schoof de stoel met de handdoek weg, zodat Jurrit erbij kon.

‘Er zit aarde in die bak,’ waarschuwde Maret.

‘Dan schuif ik hem wel,’ zei Jurrit. Hij zette zijn handen om de stenen rand.

Maret wees een plek naast de tafel aan. Jurrit schoof de bak ernaartoe. De dikke pot ernaast kon Sef zelf optillen. Hij zette hem naast de bak en hield zijn handen met de vingers uit elkaar. Onder een nagel zat zwarte aarde.

Mirre pakte het eerste luik bij het handvat. Het schuurde onderaan over de steen. Ze duwde harder, tot Jurrit zijn hand erboven legde en het een beetje optilde. Toen draaide het soepel voor de helft van de deur. Sef trok het andere luik dicht. Mirre mocht het haakje door het oog halen.

De keuken werd donkerder. Door de spleet tussen de luiken kwam nog een gele streep op de vloer. Maret keek naar het plafond.

‘Zo kan het,’ zei ze. Ze pakte haar emmer en hing hem terug aan een haak in de bijkeuken.

Jurrit belde Rika. Hij vertelde kort over de deur, de koele ruit en het dier dat terug naar de toren was gelopen. Maret wees op haar luiken toen hij klaar was.

‘Dat moet ik haar morgen nog laten zien.’

‘Ze weet ervan,’ zei hij. ‘Doe voorlopig de deur niet open als het dier terugkomt.’

Ze namen afscheid en liepen via de binnentrap terug naar het terras. Maret liep even mee naar boven en sloot de deur van haar bovenkamer achter hen. Mirre hoorde het slot klikken.

Vanaf de leuning zag ze de brede binnenplaats achter de waag. Haar moeder stond bij de doorgang naar de markt. Aan de overkant zat het dier, met zijn kop schuin omhoog naar de toren. Het deed zijn bek open. Het lage geluid dat eruit kwam, droeg tot boven.

Sef zette zijn handen op de leuning. Het dier draaide een rondje en ging precies op dezelfde plek weer zitten.

‘Het kan daar weg,’ zei Mirre. Links van het dier liep de helling naar een zijstraat. Er stond geen hek voor. ‘Waarom gaat het dan niet?’

‘Misschien wil het hier zijn.’ Sef keek naar de trap die naar de binnenplaats leidde. ‘Kunnen wij nu wel verder?’

Jurrit liep al naar die trap. Mirre volgde hem, met het koude glas nog in haar vingertoppen.

Onder de marktarcade

4. Pol trekt achteruit

Onder de eerste boog lag een losse ui. Mirre stapte eroverheen en moest meteen opzij voor een kar die naar buiten kwam. De verkoper keek over zijn schouder naar de afzetting. Daardoor stuurde hij zijn voorwiel recht op de muur af.

‘Links,’ zei Jurrit.

De man stuurde naar rechts.

‘De andere links.’

Nu draaide de kar wel. Het wiel schraapte langs de boog en de verkoper reed de markt op. Jurrit wachtte tot hij helemaal voorbij was. Mirre en Sef konden achter hem aan onder de volgende boog door.

Hier was de arcade verdeeld door een laag ijzeren hek. Aan de straatkant kon je lopen; aan de kant van de kramen stonden de meeste karren. De bogen gaven Mirres stappen een hol geluid. Ze probeerde even met één voet harder neer te komen. Sef keek haar aan.

‘Wat?’ vroeg ze.

‘Je stampt.’

Bij de laatste kraam klonk het slaan van een wiel tegen een steen. Een kleine man met een breed schort trok aan de dissel van zijn wagen. Boven op de wagen lag een opgevouwen marktdoek. Een punt hing naar beneden, langs een rechthoekige glazen uitstalbak met een houten bodem.

Het wiel kwam los en de man trok weer. De kar maakte een halve draai, daarna stond hij muurvast.

‘Pol?’ zei Jurrit.

De man keek op. ‘Ik moet hier weg.’

Achter de kar bewoog een donkerbruine rug. Mirre bleef staan. Het dier was via de afgeschermde kant van de arcade gekomen. Het stond een flink eind verderop, maar het keek recht naar de opening naast Pols wagen. Zijn oren gingen heen en weer.

Jurrit stak zijn hand naar achteren, voor de kinderen. ‘Blijf aan deze kant van het hek. Pol, zet die kar eerst stil.’

Pol trok nog één keer. De kar schoof schuin, precies voor de doorgang naar de binnenplaats. Het dier zette een voorpoot naar voren. Een nagel tikte tegen de stenen. Pol liet de dissel los.

‘Hij wil hierlangs,’ zei Mirre.

‘Ik wil ook hierlangs,’ zei Pol.

Jurrit keek over de kar. ‘Ik help je draaien. Maar niet zo achteruit. Dan gaat die opening helemaal dicht.’

Mirre zag het doek bewegen. Het zat aan de achterkant hoog op de wagen en liep dan strak naar beneden. De punt was om een knop van het ijzeren hek geslagen. Bij elke ruk aan de dissel trok Pol de stof harder om die knop.

‘Hij zit vast,’ zei ze.

‘Dat merk ik.’ Pol had zijn handen alweer aan het hout.

‘Het doek,’ zei Sef. Hij wees. ‘Daar.’

Pol bukte, keek onder zijn wagen en kwam weer overeind. ‘Dat is mijn nieuwe doek.’

Jurrit zette zijn voet tegen het wiel en hield de kar stevig. Mirre bleef aan de straatkant van het hek. Ze kon de uitstekende hoek van het doek bereiken zonder haar arm door de spijlen te steken. Ze trok hem omhoog. De stof klemde zo strak om de knop dat hij geen centimeter meegaf.

‘Niet verder trekken,’ zei Sef.

‘Ik probeer het los te maken.’

‘Dan moet er hier eerst een beetje overheen.’ Hij pakte de slappe vouw naast haar hand en schoof die naar de knop toe. De stof werd dikker in Mirres vingers. Nu kon ze het puntje optillen.

Ze legden samen de hoek boven op het hek. Pol trok de rest naar zich toe en stopte het onder de opgevouwen banen. Er zat een licht streepje op de plek waar de stof langs het ijzer was gegaan. Hij wreef erover met zijn duim.

Het dier maakte een laag keelgeluid. Mirre legde haar hand op de spijl naast haar en voelde hoe stevig het hek vastzat. Jurrit keek langs de kar. Hij had zijn voet nog steeds tegen het wiel.

‘Allebei een stukje terug,’ zei hij. ‘Nu gaan wij draaien.’

Mirre en Sef liepen tot bij de vorige boog. Vandaar zag ze hoe Jurrit de voorkant van de wagen optilde en Pol de dissel naar zich toe trok. Deze keer draaide de kar in een wijde boog naar de straatkant. Het houten wiel kwam door de opening in het hek. Jurrit liet de voorkant zakken en Pol trok de wagen verder, tot hij langs de muur stond.

Jurrit en Pol draaien de vastgelopen marktkar terwijl Mirre en Sef bij de boog wachten.

Het dier bleef nog staan. Zijn neus ging op en neer. In het haar boven zijn voorpoot lag een smalle lichtvlek, die met elke ademhaling verschoof.

‘Nu kan hij,’ zei Sef.

Maar het dier keek naar Pols wagen. Pol stond erachter, met één hand op de glazen bak. Hij reikte langzaam naar een papieren broodzak die naast de dissel hing.

‘Pol,’ zei Jurrit. ‘Laat hem eerst maar gewoon langs.’

Het einde van de arcade

5. De lege uitstalbak

Pol hield zijn hand stil boven de broodzak. ‘Misschien heeft hij honger.’

‘Dat weet je niet,’ zei Jurrit. ‘En je weet ook niet wat hij eet.’

De zak knisperde toen Pol hem losliet. Het dier draaide één oor naar het geluid, maar zijn neus bleef op de glazen bak gericht. Jurrit wenkte Pol naar de straatkant. Hij bleef tussen de man en de doorgang staan, op genoeg afstand om het dier te laten passeren.

Mirre ging naast Sef bij de boog staan. Ze keken langs de wagen. Onder de glazen bak zaten twee houten schotten waar Pol zijn prijskaartjes in kon schuiven. In één schot was een hoek uitgesleten. De bak zelf was leeg. Mirre had hem die middag nog vol ronde broodjes zien liggen.

‘Misschien ruikt hij het brood,’ fluisterde ze.

Sef keek naar de zak die een heel eind verderop aan de dissel hing. ‘Dat zit daar.’

Het dier stapte door de opening in het hek. Hij hield zijn staart laag. Eerst leek hij door te willen lopen, maar ter hoogte van de uitstalbak draaide hij terug. Hij duwde zijn neus langs de houten rand en legde zijn wang tegen een glazen zijwand.

‘Gaat hij daarin bijten?’ vroeg Pol.

Jurrit stak zijn hand op. Pol zweeg.

Mirre klemde haar vingers om de rand van haar vest toen de wang over het glas gleed. Het deksel lag helemaal achterover op het hout. Met één duw zou het dier de hele bak van de kar kunnen schuiven.

Er verscheen een gele plek op de zijwand. Mirre keek er dwars doorheen en zag de lege bodem oplichten. Het was hetzelfde geel als op het dier. Terwijl de plek breder werd, verbleekte de vlek op zijn wang.

‘Hij laat het achter,’ zei ze.

Sef boog zich iets naar voren. ‘Die wang is bijna weer donker.’

Het dier trok zijn kop terug. Het licht bleef aan het glas zitten. Op de houten bodem lag een zachtgeel vierkant met een rafelige rand. Pol trok zijn wenkbrauwen op en keek naar Jurrit, die even niets zei.

Mirre wachtte of er rook zou komen. De prijskaartjes bleven bleek in hun houders zitten. Het dier schudde zijn kop, krabde met een achterpoot onder zijn oor en liep verder.

Bij de doorgang naar de binnenplaats bleef het staan. Het richtte zijn neus naar de toren. Eén voorpoot tilde het op zonder hem meteen weer neer te zetten. Daarna draaide het om en liep een paar passen terug.

Pol pakte toch de broodzak. Hij scheurde een stukje van een broodje en hield het op zijn open hand, ver van zijn lichaam. Het dier keek zijn kant op. Mirre dacht dat het nu zou komen. Pol stond daar al helemaal klaar voor, met zijn arm gestrekt.

Maar het dier draaide zich opnieuw naar de toren. Het lage geluid uit zijn keel rolde onder de bogen door. Pol liet zijn arm zakken en stopte het stukje brood terug in de zak.

‘Nou,’ zei hij. ‘Dan eet ik het zelf wel.’

Jurrit wachtte tot de lange staart door de doorgang was verdwenen. Toen liep hij naar de kar. Hij bekeek de glazen wand zonder de bak op te tillen en legde zijn vingers tegen het gele vlak.

‘Voel je wat?’ vroeg Mirre.

‘Het is koel.’ Hij hield zijn hand even aan de andere kant van het glas. ‘Hier ook.’

Pol raakte de rand aan. Daarna deed hij het deksel voorzichtig dicht. De vlek bleef onder het gesloten deksel doorschijnen. Hij keek naar het schot met de prijskaartjes.

‘Dat zien de mensen morgen van de overkant.’

‘Laat hem vannacht eerst maar dicht in de berging staan,’ zei Jurrit. ‘Rika moet hier nog naar kijken.’

Pol trok de kar naar de brede zijdeur van de bakkerij, waar hij hem elke marktdag neerzette. Nu rolde het wiel zonder haperen over de drempel. Jurrit hielp de achterkant even op. Achter de deur bleef een streep geel op de vloer liggen, tot Pol de deur dichttrok.

‘Dank jullie,’ zei hij tegen Mirre en Sef. Hij streek met een hand over zijn schort. ‘Dat doek had ik helemaal niet gezien.’

‘Dat zat ook achter u,’ zei Sef.

Pol keek hem aan en begon te lachen. Mirre lachte mee. Nu het dier weg was, klonk Pols lach hard onder de boog.

Jurrit belde Rika en vertelde wat er met de bak was gebeurd. Hij luisterde een ogenblik en keek toen omhoog, naar de achtergevels boven de arcade.

‘Wij komen eraan,’ zei hij.

Ze gingen verder langs de rustige straatkant. Voorbij de laatste boog zag Mirre het dier weer, midden op de binnenplaats. Het keek naar boven, waar een rij ramen onder de lagere torengalerij zat. Een weg naar de zijstraat lag vlak achter hem open.

‘Waarom blijft hij daar?’ vroeg ze.

Sef keek langs haar heen. Aan de overkant stond haar moeder. Achter haar liep de trap omhoog naar oma's tuin.

‘Dat kunnen we boven bekijken,’ zei hij.

De afgeschermde binnenplaats

6. Terug bij de toren

Rika stond met één voet tegen het uiteinde van een hek. Ze trok het een stukje naar zich toe, zodat Jurrit met de kinderen achter de afzetting kon komen. Daarna schoof ze het terug tegen de muur. Het dier bleef aan de overkant van de binnenplaats. Het had zijn kop tussen twee lage stenen palen gestoken en keek omhoog.

Mirre keek meteen naar de trap voor oma's tuin. De deur boven was open. Een blauwe lap bewoog aan de leuning; oma had een theedoek buiten gehangen. Ze waren bijna bij haar.

‘Ik heb Pol en Maret allebei gesproken,’ zei Rika. ‘Het laat licht achter op glas.’

‘En dan wordt zijn wang donker,’ zei Sef.

Mirre knikte. ‘Het gaat er echt uit.’

Rika luisterde naar hun verhaal zonder hen te onderbreken. Jurrit zei dat het glas koel was gebleven. Mirre wreef over haar vingertoppen terwijl hij het zei. De gele plekken waren van hieruit niet te zien. Het dier had zijn andere kant naar hen toe gedraaid.

‘Pol heeft nu een lichtvlek in zijn uitstalbak,’ zei Rika. ‘Hij wilde het dier brood geven, maar het liep terug naar de toren. Maret heeft licht op haar keukendeur. Ze dacht dat er brand was. Dat is gecontroleerd: er brandt niets.’

‘Hoe lang blijft het zitten?’ vroeg Mirre.

Rika haalde haar schouders op. ‘We zullen het moeten zien.’

Sef keek naar de open trap. ‘Kunnen we daar nu langs?’

‘Over een ogenblik. Kees komt naar beneden om de deur aan deze kant te openen. Dan hoeven jullie niet vlak langs het dier.’ Rika wees naar de gewone binnentrap van de toren, achter een houten deur. ‘Boven kom je naast de tuin uit.’

Mirre zag hoe Sefs schouders zakten. Ze had zelf niet geweten dat er achter die deur ook een trap zat. Ze kende vooral de buitentrap, waar oma haar soms stond op te wachten met een afwasborstel in haar hand. De toren en de tuin leken nu allebei afgesloten door één groot dier dat niet eens naar hen keek.

Er klonk een tik boven hun hoofd. Kees stak zijn hoofd uit het raam naast de deur. Het was de man met de lichte jas. Van dichtbij had hij een ronde bril en een litteken dwars door de punt van zijn wenkbrauw.

‘Ik kom eraan,’ zei hij. ‘Mijn sleutel ligt nog op de werkbank.’

Hij verdween uit het raam. Het dier hief zijn kop hoger en maakte opnieuw dat diepe keelgeluid. Kees' hoofd verscheen even terug. Hij keek recht omlaag.

‘Die staat hier nog steeds?’

‘Hij gaat telkens terug,’ zei Rika.

Het dier liep van de ene stenen paal naar de andere. Het stak zijn neus tegen de torenmuur en trok hem weer weg. Op de muur bleef niets achter. Mirre zag zijn wang langs een ruwe steen schuren. Ook daar verscheen geen licht.

‘Hij kan het alleen op glas,’ zei ze.

‘Dat lijkt zo,’ zei Rika.

Mirre vond dat te voorzichtig. Het was bij de lampen gebeurd en bij ander glas. Nu gebeurde er niets op de muur. Maar ze had nog niet eens gezien of het dier natte neusvlekken op de stenen achterliet. Ze kon de muur niet overal bekijken vanaf haar plek bij het hek.

Jurrit zette een omgevallen bezem recht tegen de muur, buiten het bereik van de staart. Toen liep hij naar de doorgang om te controleren of niemand van de markt naar binnen kwam. Hij bleef daar staan. Rika zakte op haar hurken bij een donkere lantaarn die naast de muur was gezet.

‘Is deze leeg?’ vroeg Mirre.

‘Nee. Kijk maar.’ Haar moeder tilde het metalen kapje op. Het reservoir onder de pit zat nog ruim halfvol. Ze hield er een lange aansteker bij. Even later brandde er weer een rustige gele vlam.

Mirre voelde haar mond opengaan. ‘Je kunt hem gewoon weer aansteken?’

‘De pit is heel. Het glas ook.’ Rika sloot het kapje. Ze tilde de lamp aan de beugel op en zette hem achter zich, waar het dier er niet bij kon. ‘Dit gaat straks mee terug naar de markt.’

Sef keek de lantaarn na. ‘Dan komt hij misschien ook terug.’

‘Daarom zet ik hem hier.’

De houten torendeur kraakte. Kees kwam naar buiten, met zijn sleutelbos nog in het slot. Hij hield de deur open, keek naar het dier en stapte aan Rika's kant van het hek.

Van achter de waag klonk het rollen van een koffer. Een vrouw in een donkergroene jas kwam de binnenplaats op. Ze remde haar koffer af met haar knie en keek over de afzetting.

‘Ik ben Salma,’ zei ze. ‘Wie heeft er gebeld?’

Rika stak haar hand op. Mirre dacht dat het dier naar de nieuwe stem zou kijken. Het hield zijn neus omhoog, gericht op het lage raam in de toren.

De binnenplaats en de torendeur

7. Een pot zonder pit

Salma zette haar koffer plat op de grond en luisterde. Ze keek telkens van Rika naar het dier. Toen Rika over de vlammen vertelde, bleef haar hand op de sluiting van de koffer liggen.

‘Dat heb ik zelf nog nooit gezien,’ zei ze.

‘Wij ook niet,’ zei Mirre.

Salma glimlachte even. Daarna vroeg ze waar het dier vandaan was gekomen en of iemand het had aangeraakt. Rika vertelde over de kratten, de markt en de glazen ruiten. Jurrit kwam terug van de doorgang om het laatste stuk aan te vullen. Hij hield zijn stem laag.

Het dier ging door zijn voorpoten. Het legde zijn kin op de stenen en keek naar de torendeur. De lange staart sloeg een keer over de grond. Salma liep een stukje langs het hek, tot ze zijn kop van opzij kon bekijken. Ze bleef ruim buiten zijn bereik.

‘Het steunt goed op alle vier de poten,’ zei ze. ‘Ik zie zo geen bloed. Maar ik ga het nu niet vastpakken om beter te kijken.’

‘We hebben achter de toren een afgesloten tuin,’ zei Kees. ‘Die is stil. De fietsenstalling kan ook op slot, maar daar staan nog fietsen.’

Salma keek langs de muur naar de doorgang die hij aanwees. ‘Ik wil die tuin straks zien. Als het dier daar zelf naartoe wil, kan het er voorlopig rustig zitten. Hoe lang zijn jullie hier nog?’

Kees tikte tegen zijn sleutelbos. ‘Zolang als nodig is.’

Mirre keek omhoog, naar het uitstekende dak van de uitkijkgalerij. De hemel was bleekblauw geworden. Er stond één helder puntje boven de dakrand. Misschien een ster. Ze bewoog haar hoofd om te zien of het puntje meebewoog. Het bleef waar het zat.

Naast haar schoof Sef zijn schrift uit zijn zak. Op de binnenkant van de kaft had hij een klein horloge getekend. Hij keek op het echte horloge om zijn pols, schreef iets naast de tekening en klapte het schrift weer dicht.

‘We kunnen zo naar boven,’ fluisterde Mirre.

‘Je zegt steeds zo.’

Voordat ze kon antwoorden, vroeg Salma om een stevige lege glazen pot. ‘Iets wat niet meteen omvalt als het dier er met zijn kop tegenaan duwt.’

Rika haalde uit haar materiaalbak een brede voorraadpot. Er zaten kleine lampklemmen in. Ze kiepte die in een metalen bakje en veegde met haar mouw de bodem schoon. Het deksel legde ze bij de klemmen.

‘Die kan op dat kistje,’ zei Salma.

Ze zette de lege pot op een lage, stevige kist langs de muur, aan de open kant van de binnenplaats. Daarna liep ze terug. Niemand riep het dier. Mirre zag hem zijn ogen half dichtdoen en dacht dat hij in slaap ging vallen.

Toen tikte zijn staart tegen de stenen. Hij kwam overeind, snuffelde langs de muur en liep naar het kistje. De brede neus schoof om de pot heen. Zijn wang gleed tegen het glas. Er kwam een zacht geluid bij, kort en droog, van haar dat over de ruit streek.

Een deel van de vlek boven zijn voorpoot werd fletser. Langs de zijkant van de pot verscheen geel licht. Mirre kneep haar handen samen om te voorkomen dat ze naar voren wees. Het dier bleef nog een ogenblik staan en liep toen terug naar de torenmuur.

De pot bleef gloeien. Er zat niets in. Geen pit, geen olie, geen klein lampje op de bodem. Salma wachtte tot het dier bij de stenen palen was. Daarna pakte ze de pot op.

‘Koel,’ zei ze. Ze liet de pot kantelen. Het licht bleef op dezelfde plek in het glas. Op de muur achter haar schoof een gele vlek heen en weer.

‘Mag ik hem vasthouden?’ vroeg Mirre.

Salma gaf hem aan haar, aan de veilige kant van het hek. Mirre sloot beide handen eromheen. Van dichtbij zag ze kleine krasjes in de bodem en een verdikte rand bij de opening. Het licht maakte haar vingers goudgeel.

Mirre houdt de lege glazen pot vast die zacht licht geeft; Salma staat naast haar.

Sef hield zijn hand boven de opening. ‘Er komt niks uit.’

‘Alleen licht,’ zei Mirre.

Ze wilde de pot nog even omdraaien, maar Salma stak haar hand al uit. Mirre gaf hem terug.

Kees duwde de torendeur verder open. ‘Via deze trap kunnen jullie naar Wies. Ik loop mee tot de deur naar haar tuin.’

Rika pakte een kleine inspectiezaklamp uit haar kist en gaf hem aan Mirre. ‘Voor de treden. Houd hem omlaag, dan schijn je niemand in de ogen. Ik loop achter jullie.’

Mirre deed hem aan. Het witte licht viel hard op de onderste trede. Ze richtte hem meteen lager. Rika tilde haar materiaalbak op. Salma bleef beneden bij het grote dier; Jurrit liep terug naar de afzetting.

Sef ging als eerste naar binnen. Mirre volgde, met de gewone zaklamp stevig in haar hand.

De lagere torengalerij

8. Achter het hoekschot

De trap maakte twee bochten. Mirre hield de lichtbundel laag en telde tot acht, raakte daarna de tel kwijt en begon niet opnieuw. De lucht in de toren voelde koeler dan buiten. Op een bordje bij de tweede bocht stond dat de bovenste galerij nog veel hoger was.

Boven deed Kees de deur open. Ze kwamen op een brede stenen galerij, met de toren aan hun rechterhand en een stevige muur aan de buitenkant. Een paar meter verderop zat de deur naar oma's tuin. Daarachter stonden de stokken van Sefs bonen en de hoge rug van oma's tuinstoel.

‘Wies!’ riep Kees. ‘Ik heb bezoek voor je.’

Er klonk iets anders tussen zijn woorden door. Een korte, hoge piep.

Sef bleef staan. ‘Was dat beneden?’

Mirre keek over de muur. Het grote dier stond nog op de binnenplaats. Salma had haar koffer verplaatst en zat er een eind vandaan op een stenen bankje. Ze keek omhoog toen het dier zijn kop hief.

Weer die hoge piep. Dit keer hoorde Mirre hem vlak naast zich.

Aan het eind van de galerij liep een lage leuning dwars over het brede pad. Er zat een gesloten hekje in. Daarachter ging de stenen vloer langs de hoek van de toren verder, naar een groot rooster in de buitenmuur. Dat was het werkgedeelte, vertelde Kees. Bezoekers bleven voor het hekje.

Mirre zette haar zaklamp uit. Door het rooster viel nog licht van de avondhemel. Er schoof iets over de vloer binnen. Ze zag een dunne donkere staart, daarna een pootje. Haar eigen hand sloot om de uitgeschakelde lamp.

‘Daar zit er nog een.’

Kees kwam naast haar staan. Hij kneep zijn ogen samen en duwde zijn bril hoger. ‘Waar?’

‘Naast dat hout. Onder die balk.’ Mirre wees.

Het kleine dier bewoog. Een kop kwam langs de rand van een houten schot en verdween meteen weer. Mirre had twee kleine oren gezien, ver uit elkaar, en haar dat over de neus hing. Precies als beneden. Alleen paste dit dier in de ruimte onder een tuinstoel.

‘Een kleintje,’ zei Sef.

Kees ademde hoorbaar uit. ‘Dat luik heb ik vanmiddag open gehad.’ Hij wees naar het grote rooster. ‘Voor mijn werk hierbinnen. Ik heb het weer gesloten toen ik klaar was. Hij moet achter het hoekschot gezeten hebben.’

Achter het rooster ontdekken Mirre, Sef en Kees het kleine dier naast een houten hoekschot.

‘Kan het er niet uit?’ vroeg Mirre.

‘Nu niet. Ik maak de toegang open.’ Kees draaide zich naar Rika. ‘Wil jij Salma halen? Ik zet eerst het klokkenwerk stil.’

Rika boog over de muur en riep naar beneden. Salma stond meteen op. Het grote dier kwam ook in beweging. Het liep langs de torenmuur en zette zijn voorpoten tegen een lage richel. Die was veel te smal om op te staan. Het liet zich weer zakken.

‘Daarom kijkt het de hele tijd omhoog,’ zei Mirre.

Kees liep naar de houten onderhoudsdeur, vlak voor het hekje. De deur ging met een droge klik open. Rika bleef met de kinderen bij het rooster staan.

Vanuit oma's tuin kwam haar stem. ‘Wat is er aan de hand?’

Oma Wies stond tussen haar potten met een gieter in haar hand. Ze zette hem meteen neer en kwam naar de tuindeur. Sef wees naar het rooster. Mirre zag hem beginnen te vertellen en draaide zich weer naar het kleine dier.

Het zat achter het hoekschot, waar het licht van buiten niet bij kon. Af en toe schoof een poot langs de rand. Meer zag ze niet. De ouder beneden had zijn kop precies naar die plek gericht, maar tussen hen in zat een dikke torenmuur. Vanaf de binnenplaats kon het kleintje de lichtvlekken in de vacht onmogelijk zien.

Salma kwam de trap op met de gloeiende pot in haar handen. Ze luisterde naar Kees, die vanuit de werkdeur uitlegde waar hij het rooster had dichtgedaan. Ze knikte en zette de pot op een stenen vensterbank buiten de werkdeur, aan haar eigen kant.

‘Kan de grote hier ook komen?’ vroeg ze.

Kees wees om de hoek. ‘Via de brede helling aan de achterkant. Die komt op de andere kant van het werkterras uit. De deur binnen is te smal, zeker bij de bocht.’

Rika pakte haar telefoon om Jurrit te bellen. Mirre keek naar de gloeiende pot, naar de open werkdeur en naar de streep vloer onder het rooster. Er was al een weg naar buiten. Als het kleintje nu gewoon onder dat hout vandaan kwam, konden ze naar de tuin. Dan zou er misschien nog tijd genoeg zijn voor alles.

Bij de klokkenruimte

9. Even beter kijken

Kees was verdwenen achter de bocht van de onderhoudsdeur. Er klonk metaal tegen metaal, gevolgd door het wegsterven van een tik. Mirre had die tik eerder nauwelijks gehoord. Nu hij ophield, merkte ze hoe geregeld hij was geweest.

‘Het werk staat vast,’ riep Kees. ‘Ik kom weer naar buiten.’

Salma bleef bij de deur staan tot hij verscheen. Hij liet haar zien welke delen waren vastgezet en wees naar de vrije vloer langs de wand. Daarna gingen ze samen naar binnen. Mirre zag hun benen door het rooster, tot het hoekschot ze uit haar zicht nam.

‘Jullie blijven hier,’ zei Rika. Ze tikte op de lage leuning voor het werkterras. ‘Het is binnen geen bezoekersruimte.’

Dat vond Mirre best. Ze wilde alleen zien waar het kleine dier zat. De dichte rand van het schot zat in de weg; zodra het een stukje opschoof, kon Salma het vinden. Mirre zette haar hand op de muur en rekte zich iets uit. Van die hoogte zag ze een puntje oor.

‘Daar,’ zei ze.

Salma kwam terug in de zichtbare strook vloer. Ze bukte en keek onder de rand van een brede balk. Haar hoofd bleef een eind van het dier vandaan. ‘Ik zie hem. Blijf maar rustig staan.’

Het kleine oor bewoog. Mirre wachtte op een tweede pootje, een neus, iets wat naar Salma toe kwam. Er gebeurde niets. Aan de andere kant van de galerij hoorde ze oma aan Sef vragen of hij water wilde. Hij zei dat hij zo kwam.

‘Er staat nog een scherm,’ zei Kees. ‘Dat kan weg. Dan wordt de bocht ruimer.’

Hij wees naar een losstaand houten hekwerk binnen. Het had poten op de vloer en stond naast de vaste balk. Kees en Salma bekeken eerst of het te verplaatsen was. Mirre zag hun handen aan de rand en hoorde een poot over de vloer schuiven. Het kleintje trok zijn oor terug.

Het duurde allemaal zo lang. De hemel boven de tuin werd donkerder. Mirre had haar vest nog open, maar de lucht voelde koel in haar nek. Ze dacht aan het mannetje op de bovenste galerij dat een heel rondje had gelopen terwijl zij beneden wigjes vasthield.

Ze draaide de zaklamp in haar hand.

Als ze onder het schot scheen, hoefde Salma niet te zoeken. Ze hoefde alleen een streepje licht op de vrije vloer te maken. Dan zag het kleintje zelf waar het heen kon. Mirre zette haar duim op het knopje en deed een stap opzij, zodat de spijlen van het rooster niet voor de bundel zaten.

Het witte licht sprong aan.

Ze had lager willen mikken. Maar op het moment dat het licht door het rooster viel, kwam de kleine kop net tevoorschijn. De bundel raakte de neus en één oog. Het dier gooide zijn kop achteruit. Zijn nagels ratelden over de vloer.

Mirres witte zaklamp raakt het kleine dier, dat achter de balk terugdeinst.

‘Uit,’ zei Salma.

Mirre drukte het knopje in. Het was weer donker achter het schot. Er klonk een hoge piep, veel harder dan de eerste. Een staart schoot langs de balk en verdween verder de klokkenruimte in.

Beneden antwoordde het grote dier. Mirre voelde het geluid tegen de muur onder haar hand. Ze liet de muur los.

Salma kwam naar het rooster en keek erdoor naar Mirre. ‘Laat hem nu even. Hij is achter de volgende balk gaan zitten.’

‘Ik wilde de vloer—’ begon Mirre.

‘Ik weet het. Maar hij keek net op. Dit licht kwam heel hard aan.’

Mirre borg de lamp in de zak van haar vest. Er bleef een bobbel tegen haar buik zitten. Ze duwde de lamp dieper, maar de zak was te klein. De kop stak er nog uit.

Rika kwam naast haar staan. Ze keek eerst naar de lamp en toen naar het rooster. ‘Laat die maar uit tot Salma erom vraagt.’

‘Ja.’ Mirre wilde niet dat ze meer zei. Haar moeder leunde met beide handen op de muur en bleef stil.

Kees kwam uit de werkdeur en legde het gereedschap op een hoge plank. ‘We hebben de tijd,’ zei hij tegen Salma.

Mirre keek op. De tijd voor het dier, bedoelde hij. Die hadden ze nu allemaal. De tijd boven op de toren werd intussen korter, ook als niemand er iets over zei.

Sef stond weer naast haar. Hij tuurde door het rooster, vanaf de plek waar hij het kleine oor had gezien. Nu zag je er alleen de lege vloer.

‘Hij zat daar net nog,’ zei hij.

Mirre trok aan de rand van haar vest. Ze voelde de harde lamp onder de stof. ‘Ik zag hem ook.’

Achter het hoekschot klonk één zacht schrapend geluid. Salma liep naar de werkdeur, pakte de lichtpot van de vensterbank en kwam ermee terug. Ze hield hem laag. Het kleine dier liet zich niet meer zien.

De galerij naast oma's tuin

10. Tot de bloem open is

Sef keek op zijn horloge. Mirre zag de beweging voordat hij iets zei. Hij draaide zijn pols naar het laatste beetje hemellicht en trok zijn schrift uit zijn jas.

‘Ik ga nu.’

‘Wacht even. Misschien komt hij zo weer.’ Mirre wees naar de vloer achter het rooster. ‘Daar kun jij beter langs kijken dan ik.’

Sef stopte het schrift niet terug. ‘Dat deed ik net ook al.’

‘Ja. Maar misschien zie jij waar hij nu zit.’

Hij keek naar haar zak. De kop van de lamp stak er nog steeds uit. Mirre duwde hem met haar pols omlaag.

‘Ik ga hem niet nog een keer aanzetten,’ zei ze.

‘Dat zeg ik toch niet?’

‘Je kijkt zo.’

Sef ademde uit door zijn neus. Hij keek naar de tuindeur, naar het rooster en weer naar de tuindeur. Mirre kende dat kijken van hem. Hij had zijn besluit al genomen. Ze wilde dat hij tenminste nog even bleef praten, tot Salma misschien iets kon doen.

‘Ze hebben ons nodig,’ zei ze.

‘Wie?’

Mirre keek naar de werkdeur. Salma stond met Kees binnen te overleggen. Haar stem was zo zacht dat Mirre er geen woorden van kon maken. Rika ging een paar stappen verderop door haar materiaalbak en zocht iets uit.

‘Als dat kleintje beweegt.’

‘Dan kun jij kijken. Ik heb je net gezegd dat ik naar mijn bloem wil.’

‘Daar kun je morgen ook nog naar kijken.’

Sef drukte het schrift tegen zijn borst. ‘Dan is hij al open.’

Mirre zuchtte. Ze hoorde zichzelf en kon de zucht niet meer terughalen.

‘Het is maar een bloem,’ zei ze.

Sef werd stil. Hij stak het schrift onder zijn arm, voorzichtig, zodat de kaft niet dubbelvouwde. ‘Ja,’ zei hij. ‘Mijn bloem.’

Hij liep naar oma's tuin. Hij sloeg de deur niet dicht. Hij draaide hem met het handvat terug in het slot, zoals oma dat altijd vroeg, en verdween tussen de hoge potten.

Mirre bleef naar het handvat kijken. Ze had kunnen zeggen dat ze het anders bedoelde. Maar ze had het precies zo bedoeld op het moment dat ze het zei. Nu klonk het nog steeds in haar hoofd, met die zucht ervoor.

Rika kwam naast haar staan met een opgerolde verlengkabel. Ze legde hem buiten de looproute op een bankje. ‘Sef naar Wies?’

Mirre knikte.

‘Jij kunt ook naar haar toe. Ik zou jullie daar ophalen, weet je nog?’

‘Ik wil hier blijven.’

Rika keek naar haar gezicht, maar vroeg niet waarom. ‘Goed. Dan blijf je hier bij mij.’ Ze wees naar de brandende werklamp bij de binnendeur. ‘Die schijnt nu recht door de opening. Ik zet hem aan de andere kant.’

Mirre hielp de lege doos wegschuiven die naast het bankje stond. Haar moeder tilde de werklamp op en zette hem op een lage plank, met de kap naar de muur. Op de treden bleef genoeg licht vallen, maar de witte streep achter het rooster verdween.

De lamp zoemde nauwelijks. Het dier kon deze niet leegmaken. Mirre vroeg zich af of het grote dier dat wist of gewoon nooit een wang tegen zo'n kap had gelegd. Ze wilde het aan Salma vragen, maar die had al genoeg dingen waar ze geen antwoord op wist.

Kees kwam naar buiten en nam een slok uit zijn eigen waterfles. Hij keek naar de lege plek waar de werklamp had gestaan. ‘Beter zo,’ zei hij. ‘Binnen hebben we het zachte licht.’

Hij keek naar de tuin. ‘Daar is je vriend.’

Mirre draaide zich om. Tussen twee hoge plantenpotten zat Sef op een lage kruk. Oma had haar stoel ernaast gezet. De nachtkelk stond ertussen, in een lemen pot met een stuk afgebroken rand. Van hieruit kon Mirre de bloemknop net zien: bleek en dik, schuin boven de bladeren.

Sef legde zijn schrift op zijn knie. Oma zei iets. Hij schudde zijn hoofd en wees naar de knop. Daarna zaten ze allebei stil.

Mirre dacht aan de toren. Als zij boven wilde zijn voordat de eerste sterren verschenen, had Sef gezegd dat ze ook later konden gaan. Dat had hij een keer gezegd. Misschien twee. Ze wist niet meer of hij erbij had gezucht.

Achter het rooster klonk een zacht tikje. Mirre draaide zich meteen terug. Salma hield de pot stil bij haar knie, maar het jong bleef achter de verder gelegen balk. Op de zichtbare vloer lag alleen de gele gloed van het glas.

Rika ging naast de werkdeur zitten. Ze trok met twee vingers de achterkant van haar schoen van haar hiel en bewoog haar voet. Mirre leunde met haar rug tegen de muur naast haar. De lamp in haar zak drukte hard tegen haar heup.

‘Mam?’

‘Ja?’

Mirre haalde de zaklamp uit haar zak en legde hem naast haar moeder op het bankje. ‘Wil jij die even hebben?’

Rika schoof hem naar de muurkant, waar hij niet kon vallen. ‘Ja hoor.’

Aan de andere kant van de galerij schoof oma haar stoel dichter bij Sef. Mirre bleef naast haar moeder staan.

De galerij met zicht op oma's daktuin

11. Vanaf de tuin

Oma stond op. Het was zo'n gewone beweging dat Mirre eerst weer naar het rooster keek. Pas toen Sef zijn kruk een stukje naar achteren schoof en met zijn kin bijna op de rand van de pot ging hangen, draaide ze zich helemaal naar de tuin.

De knop was veranderd. Bovenaan zat een dunne donkere streep die er daarnet nog niet was. Sef tilde één hand op, met zijn vingers een eind uit elkaar. Oma pakte zijn schrift van zijn knie en legde het open op de tafel naast de plant.

‘Gaat hij?’ vroeg Mirre zacht.

Rika keek met haar mee. ‘Dat zou kunnen.’

Mirre wachtte. Ze zag de punt van de bloem opzij zakken. Een bleke rand kwam vrij. Het ging langzaam genoeg om aan iets anders te denken en snel genoeg om daarna toch een verschil te zien. Sef wees met twee vingers naar oma, die vooroverboog om beter te kijken.

Mirre kon naar hem toe. Het was nog geen acht meter, over de galerij en door de tuindeur. Ze deed een stap, bleef staan en keek terug naar de werkdeur. Salma zat binnen op haar hurken, met de pot op de vloer naast zich. Er kwam nog geen jong onder het hout vandaan.

Toen Mirre zich weer omdraaide, had de bloem drie losse, gebogen delen. Sef zat op zijn knieën naast de pot. Hij bewoog zijn hoofd met de opengaande rand mee. Oma stak een hand onder de kruk en trok hem dichterbij. Sef ging er niet op zitten.

Mirre wilde zijn naam roepen. Dan kon hij even opkijken en kon zij vragen of ze het goed zag. Maar hij keek naar zijn bloem. Ze hield haar mond. Ze had al genoeg dingen van hem gevraagd vanavond.

Even later zat hij weer op de kruk. Hij schreef iets in het schrift en hield de punt van zijn potlood in de lucht terwijl hij naar de bloem keek. Daarna begon hij te tekenen. Zijn hand ging zo klein heen en weer dat Mirre alleen aan zijn elleboog zag dat hij bezig was.

Sef tekent de pas geopende nachtkelk bij oma; Mirre kijkt vanaf de galerij.

Van beneden klonk het lage roepen. Rika keek over de muur. ‘Jurrit heeft de toegang naar de helling geopend. Hij loopt al naar boven.’ Vanuit de klokkenruimte piepte het jong. Mirre hoorde de zware stappen langs de achterkant van de toren dichterbij komen. Salma stond op en ging naar de buitentoegang.

Aan de achterzijde van de galerij kwam een donkere rug tevoorschijn. Het dier liep langs de muur, met Jurrit ver erachter. Bij de volgende piep draaide het zijn kop naar het rooster. Het bleef ervoor staan en stak zijn neus tussen twee spijlen.

Sef keek op van zijn tekening. Hij draaide zijn kruk een stukje. Eerst zag Mirre alleen zijn rug, daarna hoe hij plotseling rechtop ging zitten. Hij wees naar de toren en zei iets tegen oma. Ze kwam naast hem staan en keek dezelfde kant op.

‘Wat ziet hij?’ vroeg Mirre.

Rika schudde haar hoofd. Ze kon het van hieruit ook niet horen.

Sef schreef nog één regel in zijn schrift. Hij legde het open naast de pot, met zijn potlood dwars over de vouw. Toen kwam hij naar de tuindeur. Hij trok hem zorgvuldig dicht en liep naar Mirre.

‘Hij is open,’ zei hij.

Mirre knikte. ‘Ik zag het.’

‘De binnenkant is bijna wit. Je ziet dat pas als je ernaast zit. Er zitten van die dunne strepen in, helemaal naar beneden.’ Hij hield zijn handen voor zich, met de vingers naar elkaar gekromd. ‘Eerst bleef er één kant vast. Toen liet die ook los.’

‘Heb je hem getekend?’

‘Een begin. Oma houdt het schrift bij de plant.’ Hij draaide zich naar het rooster. ‘Maar vanaf haar stoel kun je iets zien.’

Hij wachtte tot Salma aan de buitenkant van het rooster stond. Kees kwam ook luisteren. Sef wees naar de plek achter het hoekschot.

‘Er zit een smalle strook tussen het hout en die balk. Vanaf de tuin zie je daar doorheen. De kleine zit erachter. Hij keek net op toen de grote kwam.’

‘Ik zag zijn kop niet,’ zei Mirre.

‘Van hieruit niet. Van oma's kant wel.’ Sef verplaatste zijn voeten een klein stukje om de hoek aan te geven. ‘De grote staat er nu recht voor. Zijn wang zit achter de rand van het schot. Als hij daar opzij gaat, kunnen ze elkaar zien.’

Salma keek van Sef naar de tuin en liep naar oma's hek. Ze boog zich op de plek die Sef aanwees. Toen ze terugkwam, knikte ze naar Kees.

Mirre keek naar de ouder bij het rooster. Ze zag dezelfde brede rug als beneden, maar wist nu dat er aan de andere kant iets kon meekijken. Ze pakte de zaklamp van het bankje om hem aan Rika te geven toen haar moeder haar hand uitstak. Rika stopte hem in haar eigen jaszak.

Sef bleef naast Mirre staan. ‘Ik had bijna geen papier genoeg voor de steel,’ zei hij.

‘Dan had je hem korter moeten zaaien.’

Hij snoof en keek opzij. Mirre keek terug. Ze hoefde hem deze keer niet te vragen om te blijven.

Wil je even terugkijken?

Wat zag Mirre van de bloem, en wat kon alleen Sef van dichtbij zien? Je mag deze vraag overslaan.

Tussen de tuin en de klokkenruimte

12. Aan welke kant?

Kees liep om naar de brede buitentoegang. Hij bleef naast het rooster staan, zodat het dier zich niet tussen hem en de deur bevond. De ouder draaide zijn neus naar zijn hand. Kees hield zijn vingers bij het slot en wachtte tot de neus weer tussen de spijlen stak.

‘Hij kan aan deze kant naar buiten,’ zei hij. ‘Alleen moet die grote eerst ruimte geven voor de deur.’

Salma kwam naast hem staan. Ze keek door het rooster, daarna langs de buitenmuur naar de plek naast de opening. De gloeiende pot stond nog binnen, op de vloer bij de bocht. Zijn licht was van buiten nauwelijks zichtbaar achter de houten rand.

Mirre ging een stap achteruit. Vanaf die plek zag ze de hele buitenkant van de klokkenruimte: het lage dak, het brede rooster, de gewone onderhoudsdeur om de hoek. De toren liep daarboven nog een heel eind door. In het uurwerkkamertje waar ze eerder was geweest, brandde nu geen licht meer.

Kees kwam terug naar de publieke galerij. Hij duwde het kleine werkhekje dicht zonder het op slot te draaien. ‘De vloer binnen is vrij tot aan de deur. Het losse scherm kan tegen de zijwand. Dan is er langs de balken een pad voor de kleine.’

‘Met die pot?’ vroeg Mirre.

Salma knikte. ‘Hij keek er net naar, voordat hij weer achter het hout kroop. Ik kan hem binnen langzaam meenemen. Alleen als de weg echt vrij is.’

Mirre keek naar de zak van haar moeders jas, waar de gewone lamp zat. ‘En dan schijn je niet ineens in zijn ogen.’

‘Nee. Dit is veel zachter.’ Salma hield haar handen op de hoogte waarop ze de pot had gedragen. ‘Ik blijf laag. En ik houd afstand.’

Sef keek langs het rooster naar het tuinstoeltje. ‘Maar bij die bocht verdwijnt het glas voor hem.’

‘Daarom moet iemand vanaf jouw plek meekijken,’ zei Salma. ‘Jij ziet daar wat ik zelf niet kan zien als ik achter het hout zit.’

Sef ging alvast een klein stukje opzij. Hij boog door zijn knieën en keek langs de balk. Toen kwam hij weer overeind. ‘Daar kan het.’

Binnen schraapte iets. De ouder duwde zijn neus dieper tussen de spijlen en gaf een kort, laag geluid. Mirre zag de haren bij zijn nek omhooggaan. Hij trok zijn kop terug, zette twee passen en stond alweer voor de opening.

‘Als hij straks aan de andere kant van die smalle deur staat,’ vroeg ze, ‘past de grote daar dan bij?’

Kees wees naar het stenen pad buiten de kamer. ‘Wij lopen om. Daar is geen trap voor nodig. De grote blijft buiten en kan langs het werkterras naar de binnendeur komen. Hij hoeft die onderhoudsbocht niet door.’

Mirre volgde zijn vinger. Het brede aansluitstuk liep gewoon om de hoek. Er stond alleen het hekje tussen de werkstrook en de plek waar zij nu stonden. Rika kon hen achter de leuning bij de tuin houden, terwijl de dieren aan de andere kant samenkwamen.

‘Of we laten hem meteen hier naar buiten komen,’ zei Sef.

Hij wees naar het grote rooster. De ouder had zijn wang tegen één van de metalen randen gelegd. Er kwam geen licht op. Het dier schoof zijn kop opzij en probeerde opnieuw door de opening te kijken.

‘Dan moeten we daar ruimte krijgen,’ zei Salma. ‘Het rooster kan helemaal open, tot tegen de muur. Daarachter is de stenen aansluiting breed genoeg. De kleine kan er gewoon overheen lopen.’

‘Maar de grote staat ervoor,’ zei Mirre.

Salma knikte. ‘Dat is dan het eerste wat moet veranderen. Ik ga hem niet wegduwen. We weten hoe hij op leeg glas reageert. Naast de opening is plek om dat neer te zetten, ver genoeg van de deur.’

Mirre keek naar Sef. Bij de binnenroute kon hij vanaf de tuinhoek kijken of het jong de pot nog zag. Bij de buitenroute konden ze vanaf dezelfde kant zien hoeveel plaats de ouder vrijliet. Ze wist niet welke weg het jong zou durven nemen. Salma deed ook niet alsof ze dat al wist.

‘Wat als hij blijft zitten?’ vroeg Mirre.

‘Dan blijven wij ook even zitten,’ zei Salma. ‘Ik heb liever dat hij zelf een stap zet dan dat we hem naar buiten jagen.’

Achter de balk bewoog de kleine staart. Mirre zag het puntje heel even over de vloer schuiven. De ouder hoorde de beweging kennelijk ook, want hij hield zijn kop ineens stil.

Kees keek van de werkdeur naar het rooster. Eén weg liep door de stille klokkenruimte; de andere kwam direct uit bij de ouder. Mirre draaide zich naar Sef.

De binnendeur en het brede buitenrooster liggen om de hoek van dezelfde klokkenruimte.

Buiten de binnentoegang van de klokkenruimte

13. Het licht staat te laag

‘Laten we het binnen proberen,’ zei Mirre. ‘Dan kun jij vanaf die hoek kijken.’ Sef liep met haar naar de tuinzijde.

Kees deed de houten binnendeur helemaal open. Hij zette hem vast aan de haak in de muur en vroeg Rika de bezoekershoek vrij te houden. Mirre en Sef gingen achter de leuning bij de tuin staan. Vandaar kon Sef schuin door het rooster kijken. Mirre zag de strook vloer die bij de binnendeur uitkwam.

Aan de buitenkant van de kamer stond de ouder nog bij het gesloten rooster. Salma keek naar hem voordat ze naar binnen ging. Bij de bocht pakte ze de gloeiende pot op, met beide handen onder de brede bodem.

Mirre keek door de binnendeur. Achter de eerste bocht lag een stuk vloer met daarachter stilstaande houten en metalen delen. Het was vreemd om het werk zo onbeweeglijk te zien. Eerder had ze in het uurwerkkamertje een stang heen en weer zien gaan. Nu hoorde ze alleen Salma's schoenen op de vloer.

Het losse scherm stond nog schuin in de weg. Salma zette de pot op de vloer, ruim van het jong vandaan. Samen met Kees tilde ze het houten scherm op. Ze droegen het zonder schrapen naar de zijwand en zetten het met de voeten plat neer.

Even zag Mirre de kleine kop. Het jong zat hoger dan ze had gedacht, op een dikke lage balk die dwars langs het hoekschot lag. Zijn voorpoten waren onder zijn borst gevouwen. Hij keek naar de plek waar het scherm had gestaan en trok zijn neus weer terug.

‘Daar zit hij,’ fluisterde ze.

Salma knikte zonder haar hoofd naar de kinderen te draaien. Kees kwam naar buiten en bleef bij de binnendeur staan. Salma zakte op haar hurken. De pot stond naast haar schoen. Het gele licht viel op de vloer, tot onder de rand van de balk.

Er gebeurde niets. Mirre keek naar de schaduw van de pot. Hij was maar heel vaag, omdat het licht uit het glas zelf kwam. Toch bleef de bovenkant van de balk donker. Het jong hoefde alleen zijn kop te laten zakken om te kijken. Maar die kop kwam steeds aan de andere kant van het hout tevoorschijn.

Sef boog door zijn knieën. Hij keek vanuit de tuinhoek en ging toen weer staan. ‘Hij ziet hem niet.’

Salma hield haar hand stil bij de pot. ‘Wat zie jij?’

‘Zijn neus zit boven die rand. Het glas staat eronder.’ Sef wees met twee vingers naar de hoogte van de balk. ‘Als ik zo laag zit, zie ik de pot ook niet meer.’

Mirre bukte ook. Op die hoogte verdween de pot achter de balk. Toen ze overeind kwam, zag ze het jong over de rand kijken.

‘Hoger,’ zei ze. ‘Hij kijkt eroverheen.’

Salma schoof haar handen om de pot. Ze tilde hem een stukje op, tot de onderrand van het licht tegen de balk viel. Het jong stak zijn neus uit. Een klein oor kwam mee, daarna een tweede. De neus ging van links naar rechts.

Salma tilt de gloeiende pot tot boven de balkrand, zodat het jong hem kan zien.

‘Hij kijkt,’ zei Sef.

Het jong strekte één voorpoot. De nagels bleven op de balk rusten. De kop zakte een stukje, tot de neus bijna boven het glas hing, al zat er nog flink wat ruimte tussen. Salma bleef zitten. De pot trilde nauwelijks in haar handen.

Buiten riep de ouder. Het jong keek op en bleef op de balk zitten. Mirre perste haar lippen op elkaar. Het zat net goed; nu moest het toch niet weer wegkruipen.

Salma steunde met één knie op de vloer en hield de pot op dezelfde hoogte. Even later zakte de kleine kop weer naar het glas. Het jong zette zijn voorpoten naast elkaar op de rand.

Mirre hield haar handen om de leuning. Ze zag één dun pootje naar beneden tasten, precies naar de plek waar het licht op de vloer viel.

De veilige kijkhoek bij de tuin

14. Een poot op de vloer

Het pootje vond de vloer. Het jong boog verder voorover, terwijl zijn achterlijf nog op de balk bleef zitten. Mirre merkte dat haar eigen tenen zich in haar schoenen kromden.

Salma verschoof de pot langzaam langs de balkrand. Het jong draaide zijn kop mee. Sef deed een stapje opzij.

‘Van hieruit ziet hij de hele zijkant,’ zei hij.

‘Goed,’ zei Salma.

Ze strekte haar armen minder ver uit en hield de pot schuin voor haar knie, op de hoogte van de balkrand. De zachte gloed raakte de haren rond de kleine neus. Het jong schoof met zijn buik naar voren.

De tweede voorpoot kwam naast de eerste op de vloer. Mirre keek naar Salma's handen. Haar vingers lagen stevig onder het glas, haar onderarmen rustten op haar knie.

Het jong zette zich af. Zijn achterpoten kwamen bijna tegelijk op de vloer neer. Er klonk een klein dof tikje. De staart sloeg opzij om zijn evenwicht te houden. Mirre voelde een glimlach in haar wangen en beet op haar onderlip om geen geluid te maken.

Sef keek even naar haar. Hij had dezelfde smalle glimlach. Daarna wees hij met zijn kin naar het glas.

Salma schoof achteruit over de vrije vloer. Het jong zette een paar kleine stappen. Zijn staart lag recht achter zijn rug en zijn kop bleef schuin. Het keek telkens van het glas naar Salma's schoenen.

‘Hij volgt de rand,’ zei Sef.

Mirre zag vooral een donkere rug onder het hout. Ze zou met de gewone lamp heel gemakkelijk kunnen controleren waar de achterpoten stonden. Haar moeder had hem nog in haar zak. Mirre keek er even naar, maar vroeg er niet om. Ze kon de kleine neus zien. Dat was nu genoeg.

Rika raakte Mirres elleboog aan. Ze wees naar de doorgang achter hen. Jurrit was terug van de helling en wilde weten hoe het ging. Mirre draaide zich een stukje, zonder haar plek te verlaten.

‘Hij is van de balk af,’ fluisterde ze.

Jurrit knikte en liep terug naar het buitenste hekje. Mirre keek hem na. Toen hij opzij stapte, had ze de hele strook vloer weer voor zich.

Salma bereikte de eerste bocht. Ze hield de pot op kniehoogte stil en verplaatste eerst haar voeten. Het jong stopte. Het stond nu waar het losse scherm eerder had gestaan. Zijn neus kwam uit de schaduw en was voor het eerst helemaal zichtbaar.

Er zat een dun grijs streepje langs één wang. Mirre kon niet zien of het lichter haar was of stof van de balk.

Salma draaide haar lichaam om de bocht. De pot bleef even zichtbaar tussen haar handen. Toen schoof een rand van het hoekschot ervoor.

Het jong trok zijn kop terug.

Sef legde zijn hand plat op de leuning. ‘Wacht,’ zei hij. ‘Daar raakt hij hem kwijt.’

Mirre keek van Salma naar het kleine dier. Aan haar kant was het glas nog te zien. Vanaf de plek van het jong zat er nu een dikke houten rand tussen.

Bij de bocht naar de binnendeur

15. De rand van het hout

Salma stopte meteen. De pot bleef op dezelfde hoogte in haar handen. Het jong zette één stap terug en duwde zijn schouder tegen de balk waar het net langs was gekomen.

Mirre zag het glas aan haar kant van de bocht. Het was al dichtbij de binnendeur. Nog een paar stappen en het jong kon buiten zijn.

‘Hij ziet alleen het hout,’ zei Sef. ‘Het gele stukje zit er nu achter.’

Salma draaide haar hoofd een beetje. Ze kon niet tegelijk om het hoekschot heen kijken en haar handen stilhouden. ‘Dan ga ik een stukje terug.’

Ze schoof terug over de vrije vloer, tot de pot weer naast de rand van het schot kwam. Het jong bleef tegen de balk staan.

‘Nog een klein stukje,’ zei Sef.

Er kwam een smalle strook geel naast de houten rand tevoorschijn. Het jong hief zijn neus. Salma hield stil.

Kees stond bij de deur, met één hand op de vastgezette deurhaak. Hij wees naar de vloer voor de bocht. ‘Als hij tot daar is, kan hij de deur zien. Voorbij die plek staat niets.’

Salma knikte. Ze schoof de pot niet meteen naar de deur. Eerst draaide ze haar eigen voeten, terwijl het glas zichtbaar bij de rand van het schot bleef. De beweging zag er onhandig uit. Mirre kende het van een volle beker dragen door een nauwe keuken: je handen moesten soms wachten tot de rest van je lichaam goed stond.

Het jong kwam van de balk los. Het zette twee stappen, stopte en snuffelde aan de vloer. Er lag een rafeltje hout. Het duwde er met zijn neus tegenaan. Het rafeltje schoof een klein stukje weg. Het jong keek het na.

Mirre wilde naar het licht wijzen. Ze hield haar handen op de leuning. Het dier had geen idee dat het volgens haar naar de deur moest kijken. Het vond nu een stukje hout.

Toen klonk van buiten een zachte tik tegen het rooster. De ouder had er met zijn neus tegen geduwd. De kleine kop ging omhoog. Het jong keek eerst naar het geluid, daarna weer naar de gele rand naast het schot.

Salma liet de pot iets zakken. Nu het jong op de vloer stond, kon het hele glasvlak naast de lage rand zichtbaar blijven. Ze bewoog het een handbreedte, stopte en wachtte.

De kleine voorpoten kwamen verder. Mirre kon de donkere nagels nu zelf onderscheiden. Ze hoefde niet op Sefs ogen te wachten om te zien dat het jong de bocht naderde. Het stak zijn neus voorbij de hoek en keek naar Salma's schoenen.

‘Nu zie ik hem ook,’ zei Mirre.

Salma keek niet achterom. ‘Zie je of de deur nog vrij is?’

Mirre keek. Er lag niets op de drempel en de deur zat aan de haak. Kees had zijn voeten naar de muurkant geschoven.

‘Helemaal vrij,’ zei ze.

Salma schoof verder naar de deur. Ze hield de pot zo dat hij voor het jong naast het hoekschot bleef. Het dier kwam tot aan de bocht en stak zijn kop naar buiten. Daarna zijn schouders. De lange staart bleef nog even om de houten rand liggen en gleed toen mee.

Mirre zag het jong nu helemaal. Zijn rug was smal, de poten waren voor zijn lijf nogal groot. Het liep voorzichtig over een naad in de vloer en bleef voor de binnendeur staan. Buiten klonk de ouder opnieuw.

Het kleine dier liet de pot met rust. Het draaide zijn oren naar het geluid en stak zijn neus in de koelere lucht van de opening.

Salma zette het glas naast zichzelf, aan de binnenkant van de muur. De uitgang bleef leeg. Ze schoof zelf ook opzij en legde haar handen op haar knieën.

Op een teken van Kees opende Jurrit het hekje naar de brede werkstrook en stapte opzij. De ouder hief zijn neus en liep naar de opening. Mirre hoorde hem langs de buitenmuur dichterbij komen.

Mirre deed een stap terug tot ze Rika's hand tegen haar rug voelde. Sef stond al naast haar. Tussen hen en de binnendeur lag een brede lege strook stenen.

Op de drempel zette het jong één poot in de buitenlucht. Het bleef daar staan, met zijn neus omhoog. Om de hoek klonken de zwaardere stappen van de ouder.

De galerij en de afgescheiden nachttuin

16. Over de drempel

De ouder kwam om de hoek met zijn kop laag. Het jong zette zijn tweede voorpoot over de drempel en maakte een piepend geluid dat Mirre tot in haar kiezen voelde.

De grote neus bewoog. Eerst naar het jong, toen naar Salma in de deuropening. Salma bleef opzij zitten. Er zat genoeg ruimte tussen haar en de kleine staart voor het jong om helemaal naar buiten te komen.

Mirre had gedacht dat het kleintje zou rennen. Het deed het niet. Het zette voorzichtig zijn achterpoten op de stenen, draaide zijn kop naar links en bleef daar een ogenblik staan. Pas toen de ouder zijn neus vlak boven de grond hield, schoot het naar voren.

Het dook onder de brede kop. Eén donkere poot kwam tegen de borst van de ouder terecht. De grote kop zakte verder en de neus drukte tegen de nek van het kleintje. Daarna liep die neus helemaal over de smalle rug, tot aan de staart. Het jong bleef geen tel stil; het draaide en wrong zich weer naar de kop toe.

Sef liet een kort lachje horen. Rika keek zijn kant op en glimlachte, met haar vinger voor haar mond. Hij drukte zijn lippen op elkaar. Zijn ogen bleven boven die rechte mond heel anders staan.

De ouder snoof een keer hard door de haren van het jong. Het kleine dier ging op zijn achterpoten zitten en sloeg een voorpoot tegen de brede neus. Daarna duwde het zijn kop onder de wang, precies in de lichtvlek die daar nog zat. De kleine oren werden van buiten geel belicht.

Het jong staat buiten de binnendeur tegen de kop van zijn ouder aan.

Mirre voelde haar schouders zakken. Ze had niet gemerkt dat ze ze zo hoog hield. Ze wreef met haar hand over haar nek en keek naar de lege binnendeur.

Salma kwam langzaam overeind. Ze bleef aan de muurkant. Kees haalde de deur van de haak en sloot hem pas toen ze helemaal buiten stond. De gloeiende pot had Salma weer in haar hand. Het licht bleef rustig over de stenen vallen.

Jurrit was al naar het einde van het brede pad gelopen. Daar opende hij de doorgang naar de helling. Hij bleef ernaast staan. De ouder keek naar de opening en draaide zijn lijf. Het jong liep tegen een achterpoot op, herstelde zich en schoot eromheen.

‘Ze blijven bij elkaar,’ zei Salma. ‘Geef ze maar de hele strook.’

Rika schoof met de kinderen naar de tuinzijde. De ouder liep door de open doorgang. Het jong volgde vlak langs zijn zijkant, af en toe opkijkend naar de grote kop.

Salma liep op afstand mee. Het dier kende de helling al. Beneden was de markt nog afgezet en stond de poort naar de ruime nachttuin open.

Mirre mocht met haar moeder en Sef via de gewone binnentrap naar beneden. Tijdens het afdalen hoorde ze boven een deur dichtgaan. Daarna klonk ver in de toren weer een regelmatige tik. Kees had het klokkenwerk vrijgegeven.

Ze kwamen bij de zijpoort van de nachttuin. Jurrit stond op het pad ernaast, met een hand aan de poort. Achter hem lag een brede strook gras met een oude bank en een afdak tegen de muur. De ouder stond onder een struik. Het jong snuffelde in een hoop gevallen bladeren.

Salma zette een lage bak onder de buitenkraan. Ze liet er water in lopen en droeg hem naar het afdak. Daarnaast legde ze een grote schone deken uit haar koffer, die Jurrit bij de tuinpoort had gezet. De deken kwam half op de droge stenen te liggen, half op het gras.

Het jong was het eerst bij het water. Het stak zijn neus erin, trok hem druipend terug en probeerde opnieuw. De ouder kwam ernaast staan. Even later lagen ze samen onder het afdak, het kleintje tegen de voorpoten. De lange staart van de ouder lag als een donkere bocht langs de deken.

Salma zette de pot hoog op de plank naast de kraan en ging op de oude bank zitten. ‘Ik blijf vannacht hier. Mijn collega lost me later af. Die twee blijven samen.’ Ze haalde haar telefoon tevoorschijn. ‘Morgen kijken we rustig waar ze het beste heen kunnen.’

Mirre keek nog even door de poort. Het jong had zijn neus tussen zijn poten gestoken. Bij de ouder bewoog alleen een oor. Toen Jurrit de zijpoort sloot, deed geen van beide zijn kop omhoog.

Rika legde haar hand op Mirres schouder. Van de markt kwam het lichte rinkelen van een lampbeugel. Er stond nog werk te wachten.

Het brede stenen werkterras

13. Een rug voor de opening

‘Daar staat de grote al,’ zei Sef. ‘Als die deur open kan, ziet de kleine hem.’ Mirre knikte. ‘Laten we die kant proberen.’

Kees liep naar het rooster. Rika bleef met Mirre en Sef achter de bezoekersleuning. Salma kwam uit de binnendeur met de gloeiende pot en zette hem op de vensterbank aan de binnenkant van de werkstrook. Ze hield haar ogen op de ouder gericht.

Het dier stond met zijn voorpoten vlak voor de buitenopening. Zijn brede neus bewoog langs de spijlen. Toen Kees de sluiting aanraakte, draaide het één oor naar hem toe. Kees bleef naast het slot staan en trok niet aan de deur.

‘Even wachten,’ zei hij.

Salma knikte. Ze liep aan de andere kant langs de muur, een flink eind van het dier vandaan. Mirre zag hoe de ouder haar volgde met zijn kop, maar zijn poten bleven staan. Toen Salma stilhield, keek het dier weer door het rooster.

‘Het is een deur,’ zei Sef zacht. ‘Hij staat voor de deur.’

Mirre keek naar de dikke scharnieren. Het rooster moest naar buiten draaien, over de stenen waar de ouder nu stond. De ruimte was er wel, alleen stond er een heel dier in. Als Kees de deur verder trok, zou de rand zijn schouder raken.

De kleine staart bewoog achter het hoekschot. Mirre zag hem door de spijlen heen, langs een lichtere strook vloer. Sef bukte aan de tuinzijde en keek dezelfde kant op.

‘Hij kijkt,’ zei hij. ‘Maar niet helemaal om het hout.’

Kees schoof de grendel los. Het geluid liet de ouder een halve stap opzij doen. Kees opende de roosterdeur een klein stukje en stopte meteen. Meer ruimte was er nog niet; de brede flank stond achter de openslaande rand.

Het dier stak zijn neus door de kier. Aan de andere kant klonk een korte piep. De ouder duwde zijn kop verder, tot er een pluk haar tegen de rand klemde. Het jong kwam niet tevoorschijn.

De ouder staat in de weg van de gedeeltelijk geopende roosterdeur.

‘Zo ziet die kleine alleen zijn neus,’ zei Sef.

Mirre ging iets verder langs de bezoekersleuning staan, tot ze vanuit bijna dezelfde hoek kon kijken. Ze zag een donkere massa voor de opening. De lichtvlek boven de voorpoot zat aan de buitenkant van het lichaam. Achter de kop viel de hele vloer in de schaduw.

Salma liet Kees de deur vasthouden. Ze ging zelf op een lage trede naast de muur zitten, buiten het pad. ‘Als we nu proberen hem weg te krijgen, drukt hij misschien nog harder naar voren,’ zei ze.

Mirre keek naar de pot op de vensterbank. ‘Die staat daar. Kan hij daarheen?’

‘Dat glas geeft al licht,’ zei Rika.

Mirre herinnerde zich hoe het dier zijn wang in het lege glas had gelegd. Bij de pot op de binnenplaats was een vachtvlek kleiner geworden. Bij de stenen en het metaal had het niets achtergelaten. Ze keek naar de wand naast het rooster. Daar stak een brede, lage stenen vensterbank uit, bij een dicht raam. Er stond niets op.

‘Daar zou leeg glas kunnen staan,’ zei ze.

Salma keek ernaar en knikte. ‘Dat is uit de slag van de deur. Als hij daar zelf naartoe loopt, kan Kees hem helemaal openen.’

Oma Wies stond bij haar tuindeur. Ze had een vest over haar armen gelegd. ‘Wat voor glas zoeken jullie?’

Rika draaide zich naar haar toe. ‘Een stevige lege pot. Geen dun drinkglas.’

‘Die heb ik wel.’ Oma verdween tussen de planten. Sef keek haar na en schoof zijn handen over de leuning. Mirre zag hoe hij een potloodvlek op zijn duim probeerde weg te wrijven. Er kwam niets af.

De ouder haalde zijn neus uit de kier. Hij draaide zijn kop naar de plek waar het jong zat en gaf een kort keelgeluid. De roosterdeur trilde in Kees' hand. Kees hield hem op dezelfde stand, zonder het dier aan te raken.

‘Dat duurt toch niet tot morgen?’ vroeg Mirre aan Salma.

Salma keek even op. ‘Ik hoop het niet. Maar ik ga niet aan die kop trekken.’

Mirre knikte. Ze had ook geen touw of een duw bedoeld. Ze wist alleen niet wat ze wél had bedoeld. Het dier stond zo stevig op zijn poten dat een kind er met allebei de armen omheen nog niets aan had kunnen veranderen.

Oma kwam terug met een grote weckpot. Ze had het deksel eraf gehaald. Op de zijkant zat nog een bleek etiket met een jaartal. Ze gaf de pot aan Rika, die hem op de bezoekerskant van de muur zette.

Het glas was donker. Mirre keek naar de brede zijkant waar het dier zijn wang tegenaan kon leggen.

De tuinzijde van de lagere galerij

14. Naast het rooster

Salma nam oma's lege pot van Rika aan. Ze hield hem een ogenblik schuin, zodat het laatste licht van de hemel door de bodem viel. Daarna liep ze langs de muur naar de lage vensterbank naast het rooster. De ouder draaide zijn kop naar het zachte tikje toen ze het glas neerzette.

Salma stapte meteen terug. De pot stond op de brede stenen rand, buiten het stuk waar de roosterdeur langs moest draaien. Er zat meer dan een armlengte ruimte tussen het glas en de schouder van het dier.

‘Zo kan hij er zelf bij,’ zei ze.

Mirre keek naar de pot, maar de ouder keek weer door de kier. Zijn neus zat dicht tegen het donkere hout. Af en toe schraapte hij met een voorpoot over de stenen. Er kwamen lichte krasjes bij, vlak voor de drempel.

Sef verplaatste zich naar de tuinhoek. Mirre ging naast hem staan en volgde zijn blik langs het hoekschot.

Daar zat een stukje kop. Ze zag één oor van het jong, dat eerst naar de ouder gericht stond en toen wegdraaide. De brede ouderkop nam bijna alles weg wat je door de kier kon zien.

‘Hier stond ik net ook,’ zei Sef. ‘Toen ik bij oma keek. Als die schouder daar weg is, loopt de lijn gewoon door.’ Hij bewoog zijn hand tussen de leuning en het rooster, om de richting te laten zien.

Mirre knikte. Ze zag nu zelf hoe de brede schouder het kleine oor uit haar zicht duwde wanneer het dier bewoog.

Salma vroeg of zij de kleine kop konden zien. Sef antwoordde dat het jong nog bij de balk zat. Mirre zei dat de ouder de opening bijna helemaal dichtmaakte.

De grote kop draaide opzij. Het dier keek naar oma's pot en strekte zijn neus. Hij kon er nog niet bij. Hij verplaatste zijn gewicht naar één achterpoot en keek weer naar de kier in het rooster.

Kees hield de halfgeopende deur vast. Mirre zag zijn onderarm aanspannen. Salma vroeg zacht of het ging. Hij knikte.

Uit oma's tuin klonk een korte piep. Mirre schrok en keek om. Oma had haar stoel over de stenen getrokken. Ze bleef daarna staan met de stoel in haar handen, alsof ze zelf ook geschrokken was van het geluid.

‘Dat ding doet dat altijd,’ fluisterde Sef.

Mirre blies zacht lucht door haar neus. Het hielp om even naar een gewone stoel te kijken. Oma zette hem neer zonder verder te schuiven en ging zitten.

De ouder hief zijn kop. Hij snoof langs de muur. Zijn wang had nog een smalle lichtvlek, lager dan bij de eerste lamp. Mirre zag de randen van de haren oplichten toen hij zijn kop verder naar de pot draaide.

Eerst bewoog alleen zijn nek. Daarna zette hij een voorpoot opzij. Zijn schouder kwam los van de deur. Kees trok niet meteen verder. Hij wachtte tot ook de tweede poot verplaatst was.

Het dier zette nog een stap naar de vensterbank. Zijn neus gleed langs het glas. De wang volgde, breed en zwaar tegen de pot. De pot schoof een vingerbreedte over de steen en bleef tegen de achterrand staan.

Mirre zag het geel in de wang kleiner worden. Op de pot verscheen een vlek, onder het bleke etiket. Ze had de beweging nu van verschillende kanten gezien, maar ze kon nog steeds niet precies aanwijzen waar het licht het glas inging. Er was geen kiertje tussen de wang en de pot.

‘Nu,’ zei Salma tegen Kees.

Kees draaide de roosterdeur verder open. De rand ging langzaam voorbij de plek waar de schouder net had gestaan. Het dier bleef bij de pot, met zijn kop schuin. Salma hield de deur aan de andere kant mee vast.

De deur kwam helemaal tegen de muur. Kees haalde de vaste haak erdoor en controleerde of hij bleef zitten. Voor de buitenopening lag nu een breed vlak stenen. Het hoekschot was nog steeds binnen, maar de smalle kijklijn aan de zijkant werd nergens meer door een deur afgesneden.

Het dier tilde zijn kop van de pot. De gele vlek bleef op het glas. Hij draaide zich terug naar de open ruimte.

‘De hele deur is open,’ zei Sef.

De ouder keek naar binnen. Zijn neus bewoog naar voren, maar de brede opening bleef aan één kant vrij.

Voor de open buitentoegang

15. De vrije kant

De ouder ging weer naar voren. Mirre zag zijn schouder naar het rooster draaien en zette vanzelf een stap in dezelfde richting. Rika legde haar hand tegen haar arm. Mirre bleef bij de leuning.

‘Hij gaat er weer voor staan,’ zei ze.

Salma keek naar de brede opening. De grote kop stak al naar binnen, maar aan de tuinzijde bleef een strook vloer open. De roosterdeur zat tegen de muur vast. Er was niets meer dat nog over de stenen moest draaien.

‘Er is aan deze kant nog ruimte,’ zei Salma. ‘Zie jij daar iets?’

Mirre keek langs het dier. Eerst alleen de donkere torenvloer, daarna de rand van het hoekschot. Er hing een dunne staart over de lage balk. Het jong verplaatste zich. Een oor kwam in de open strook tevoorschijn, verdween en kwam terug.

‘Hij zit aan de zijkant,’ zei Mirre. ‘Bij ons.’

Sef boog iets door zijn knieën. ‘Hij kijkt langs zijn schouder.’

De ouder snoof. Zijn brede neus bleef bij de linkerkant van de opening. Hij strekte zijn nek, maar zijn poten stonden op het buitenste stenen vlak. Het jong kon nu langs hem heen kijken, naar de zachte lichtvlek op de pot naast de deur en de overgebleven gloed in zijn vacht.

Mirre zag Salma's hand bewegen. Ze dacht even dat Salma de pot dichterbij wilde zetten. Het zou heel eenvoudig zijn: optillen en vlak voor het jong houden. Mirre voelde haar eigen vingers meebuigen.

Salma trok alleen haar mouw recht. De pot bleef staan.

‘Laat hem daar,’ zei Mirre. ‘Dan blijft die kant leeg.’ Salma knikte en stapte van de vensterbank vandaan.

Het jong schoof zijn kop verder langs het hout. Voor het eerst zag Mirre van hieruit de hele neus en de grote voeten eronder. Het was kleiner dan de brede ouderkop, maar had precies dezelfde zware pluk haar boven zijn ogen. Het knipperde en hief zijn neus.

De ouder gaf een kort geluid. Het jong antwoordde meteen, zo hoog dat Mirre haar kiezen even op elkaar zette. De grote kop zakte lager. De neus kwam vlak bij de vloer binnen, aan de linkerkant van de doorgang.

Het jong bleef rechts. Het zette zijn voorpoten op de vrije vloer tussen het hoekschot en de drempel. De staart maakte achter hem een kleine bocht, toen kwam ook zijn achterlijf van de balk.

Mirre had haar handen ineens heel koud. Ze schoof ze onder haar oksels. Onder het rooster kwam de kleine kop steeds verder tevoorschijn, tot de neus boven de metalen drempel hing.

Het jong rook aan de rand. Het tikte er met een nagel tegenaan en keek naar de vlakke stenen aan de andere kant. De ouder stond ernaast, met zijn kop laag.

Een kleine voorpoot kwam op de drempel. De nagels klemden even om de metalen rand. De ouder tilde zijn kop, zodat er nog meer lucht tussen de twee dieren kwam. Het jong keek recht naar hem op.

Kees stond naast de open roosterdeur, met zijn handen los langs zijn lichaam. Salma bleef op haar plek.

Het jong zette zijn tweede poot naast de eerste. Zijn neus stak nu buiten de torenmuur. De haren bewogen een beetje in de avondlucht.

Het werkterras en de nachttuin

16. Op de stenen buiten

Het jong liet één voorpoot over de rand zakken. De poot kwam op de stenen neer. Het dier boog verder naar voren en zette de andere ernaast. Nog een korte beweging, en zijn achterpoten stonden ook buiten.

De ouder stak zijn neus tegen de kleine borst. Het jong wankelde, ving zichzelf op met zijn brede voeten en dook onder de kop. Zijn staart schoof over de drempel. Nu was de hele opening leeg.

Mirre liet haar handen onder haar oksels vandaan komen. Ze waren warm geworden. Het jong drukte zijn hele lijf tegen één grote voorpoot en liet zijn kop daar ondersteboven langs glijden.

De ouder draaide mee. Zijn neus ging langs de kleine rug, van de nek naar het begin van de staart. Het jong probeerde intussen weer naar de wang te komen. Daardoor liepen ze bijna een rondje om elkaar heen. Sef begon heel zacht te lachen.

Buiten het volledig open rooster snuffelt de ouder langs de rug van het jong.

‘Hij kan geen seconde stil,’ fluisterde hij.

Mirre glimlachte. Haar wangen voelden ineens moe. Ze keek naar de open deur en de brede stenen waar het jong nu overheen liep. Een paar passen, meer was het uiteindelijk niet geweest. Toch had ze het hele stuk in losse poten zien gebeuren.

Salma wachtte tot de dieren een eindje van de drempel waren. Toen liep ze naar de muur en pakte oma's pot van de vensterbank. De vlek zat onder het oude etiket. Ze gaf hem over de leuning aan Rika, die hem aan Wies doorgaf.

‘Die kan terug in de keuken,’ zei Rika. ‘Voorlopig blijft hij licht geven.’

Oma keek door het glas naar haar eigen vingers. ‘Dan zet ik hem maar niet in de slaapkamer.’ Ze nam hem mee naar de tuintafel. Sefs schrift lag daar nog open bij de bloem.

Kees haalde de roosterdeur van de haak en deed hem dicht. Eerst keek hij de hele drempel na. Pas toen schoof hij de grendel op zijn plaats. Het kleine dier keek op van het geluid, maar bleef naast de ouder staan.

‘Alles uit die ruimte?’ vroeg hij aan Salma.

Ze haalde de eerste, gloeiende pot van de andere vensterbank en knikte. Kees ging door de binnendeur naar binnen. Even later kwam hij terug. Toen de deur gesloten was, klonk in de toren weer het regelmatige tikken van het klokkenwerk.

Jurrit opende de doorgang naar de brede helling. De ouder hief zijn kop. Hij keek naar het vrije pad, schudde zijn staart los van de muur en liep ernaartoe. Het jong schoot om zijn voorpoten heen en bleef vervolgens vlak naast hem.

Salma liep een eind achter hen, met de pot laag bij haar been. De hele weg naar de rustige tuin lag open. Aan de marktkant bleef de afzetting dicht.

Rika nam Mirre en Sef mee naar de binnentrap. Onderweg voelde Mirre hoe zwaar haar benen waren geworden. Ze was niet eens boven op de toren geweest. Bij de laatste treden hield ze haar hand langs de muur om niet te struikelen over haar eigen schoenen.

Beneden stond de zijpoort van de nachttuin open. Jurrit wachtte erbij. Achter de poort zag Mirre een ruim stuk gras, een paar struiken en een afdak tegen de muur. De ouder snuffelde onder een lage tak. Het jong probeerde vlak naast hem door dezelfde bladeren te komen en moest er met zijn achterpoten een keer voor achteruit.

Salma vulde een lage bak bij de buitenkraan. Ze zette hem onder het afdak. Daarna haalde ze een grote schone deken uit haar koffer, die Jurrit bij de tuinpoort had gezet, en legde hem op de droge plek naast het water.

De ouder kwam drinken. Het jong keek eerst naar de bewegende waterspiegel en stak toen zijn neus erin. Het trok hem snel terug, met druppels aan de haren. De tweede keer hield het zijn kop langer laag.

Mirre bleef bij de poort staan tot beide dieren onder het afdak lagen. Het kleintje lag tegen de borst van de ouder, met één poot over de grote voorpoot heen. De ouder legde zijn kin op de deken. Alleen een oor bewoog nog.

Salma zette de pot op de hoge plank naast de kraan. Ze ging op de bank zitten en maakte de bovenste knoop van haar jas los. ‘Ik blijf vannacht bij ze. Mijn collega komt me later aflossen. Ze blijven samen; morgen zoeken we een passende plek en kijken we ze rustig na.’

Ze pakte haar telefoon om haar collega te bellen. Jurrit sloot de zijpoort. De ouder keek even op, maar legde zijn kin weer neer. Rika stond naast Mirre en keek naar het plein, waar een donkere lantaarn naast een lege lampvoet stond.

De markt en oma's daktuin

17. Weer aan

Rika bleef een ogenblik naast de gesloten tuinpoort staan. Ze rolde haar schouders naar achteren en keek naar de toren. Toen haalde ze de sleutel van haar materiaalbak uit haar zak.

‘Die lampen nog,’ zei ze tegen Jurrit.

Hij knikte. ‘Ik begin onder de arcade.’

Rika haalde de brandende lantaarn bij de binnenplaats op. Mirre en Sef liepen met haar naar de markt. Het plein was bijna leeg. De stoelen stonden op de terrastafels en rond de fontein lagen natte vegen van de schoonmaakkar. Eén hele vis lag midden in zo'n veeg. Van karton, zag Mirre toen ze dichterbij kwam: een prijskaartje van de viskraam.

Ze raapte het op en gooide het in een afvalbak. In het andere vak zat een prop marktdoek, die ze eerst voor een dier hield. Ze keek nog eens. Het bleef een prop.

Rika zette de verplaatste lantaarn terug op zijn voet. Het glas was heel, de vlam brandde nog. Bij de volgende moest ze het kapje optillen en de pit opnieuw aansteken. Mirre zag het vuur klein beginnen en uitgroeien tot de bekende gele vorm.

‘Deze staat recht,’ zei ze.

Haar moeder keek onder de voet. ‘Ja. Gelukkig maar.’

Mirre bukte naar het bakje met de overgebleven wigjes. Ze legde ze naast elkaar, met de smalle uiteinden dezelfde kant op. Er lag een afgebroken lucifer tussen. Die gooide ze weg. De klemmen uit de voorraadpot zaten in het metalen bakje; ze duwde het deksel erop en zette het in de materiaalbak die haar moeder mee naar beneden had genomen.

Sef ging op de rand van de fontein zitten. Hij keek naar zijn lege handen en schoof ze onder zijn benen. Mirre wist waar zijn schrift lag. Ze kon de open bladzijden bijna voor zich zien, met de potloodstreep die nog geen hele steel had gehad.

‘Ga je nog naar boven?’ vroeg ze.

Sef keek naar de top van de toren. Boven de galerij was het nu echt donker. Hij trok zijn mond scheef. ‘Ik denk dat ik naar oma ga.’

‘Om je schrift te halen?’

‘Ook.’ Hij schoof van de fonteinrand af. ‘Ze vroeg of ik met haar naar binnen kwam. Ze heeft nog brood over.’

Mirre wilde zeggen dat ze boven ook snel klaar konden zijn. Het kon nog steeds met z'n drieën. Ze had hem de hele avond op de bovenste trap voorgesteld, net achter haar, omdat hij bij de eerste treden altijd langzamer deed.

Sef keek haar aan. Hij wachtte kennelijk op de vraag.

‘Ik zei iets stoms over je bloem,’ zei ze.

‘Ja.’

Ze trapte met haar schoen tegen de onderste rand van de fontein. Het deed pijn aan haar teen. Ze bleef er met haar voet vanaf.

‘Ik wilde dat je bleef.’

‘Dat weet ik.’ Sef stak zijn duimen in zijn broekzakken. ‘Maar hij ging open.’

Mirre knikte. Ze keek naar zijn gezicht en toen naar de trap. ‘Mag ik morgen de tekening zien?’

‘Als ik hem af heb.’

‘Ook als hij niet af is.’

Hij haalde één schouder op. ‘Dan zit er onderaan misschien nog geen pot.’

‘Dan valt hij van je papier.’

Sef glimlachte. Hij ging naast haar staan terwijl Rika de laatste lantaarn aan deze kant controleerde. Onder de arcade vlamde nog een lamp op. Jurrit zwaaide en begon het eerste hek in elkaar te schuiven.

Rika nam de materiaalbak mee naar de afgesloten berging. Toen ze terugkwam, had ze alleen haar jas en de kleine zaklamp nog. Ze keek naar de toren en wreef met haar hand langs de achterkant van haar schoen.

‘Ik breng jullie even tot bij Wies,’ zei ze. ‘Daar komt Kees ons ophalen.’

Ze namen de gewone trap naar de daktuin. Het tuinpoortje stond op een kier. Oma zat op haar stoel, met het schrift op schoot. Toen ze hen zag, hield ze het omhoog voor Sef.

De nachtkelk stond helemaal open. Mirre kon hem nu van dichtbij bekijken: een bleke kelk, met lange smalle delen die naar buiten bogen. In het midden liepen fijne strepen omlaag. Hij was groter dan ze vanaf de galerij had gedacht.

Sef ging naast de pot staan. Hij wees naar de rand. ‘Die zat het langst vast.’

Mirre bukte en keek. Ze raakte de bloem niet aan. Sef pakte zijn schrift van oma aan, controleerde of het potlood er nog in lag en klapte het dicht. Daarna trok hij oma's tuindeur verder open.

‘Ik kom morgen wel,’ zei hij tegen Mirre.

‘Goed.’

Oma nam hem mee naar de trap van haar huis. Ze liep langzaam en Sef paste zijn stappen aan zonder er iets over te zeggen. Mirre bleef bij de tuin staan tot ze beneden allebei om de hoek verdwenen waren.

Kees kwam uit de torendeur. Hij had zijn lichte jas over zijn arm. ‘Nog een klein rondje boven?’ vroeg hij.

Rika keek naar Mirre. Ze knikte, moe maar duidelijk. Mirre trok de rits van haar vest dicht en liep met hen naar de trap.

De bovenste torengalerij en thuis

18. Boven de huizen

Bij het kamertje met de oude uurwerken bleef Mirre even staan. Hier had vorige keer het touw gehangen. Ze keek naar de haakjes in de muur; ze waren leeg. Kees liep voor hen uit de volgende trap op. Zijn sleutelbos tikte bij iedere stap tegen de leuning.

Rika volgde langzamer. Mirre wilde alvast doorlopen, maar bleef op het kleine bordes staan. Ze hoorde haar moeder steeds even stoppen voordat ze de volgende trede nam.

‘Gaat het?’ vroeg ze.

Rika keek op. ‘Ik heb een blaar. Die is al de hele tijd bezig om belangrijk te worden.’

Mirre schoof opzij. Haar moeder kwam naast haar staan en trok haar hiel even los uit haar schoen. Daarna stapte ze verder. Mirre liep achter haar aan tot ze allebei bij de bovenste deur waren.

Kees deed hem open. De lucht van buiten kwam meteen langs Mirres gezicht. Het gerammel en het schuiven van beneden waren ver weg. Een vlaggenlijn tikte zacht tegen een paal aan de buitenkant van de toren.

Ze stapte de galerij op.

Er stonden geen huizen voor haar. De daken lagen onder de leuning, donker en ongelijk, met een enkele schoorsteen die naar boven stak. Aan de rand van de stad brandden witte en rode puntjes. Daarboven was de hemel open.

Mirre liep naar de leuning en legde haar handen erop. Het ijzer voelde koel. Ze moest haar hoofd maar een klein stukje achterover doen om veel meer sterren te zien dan vanuit haar slaapkamer. Kleine, zwakke stipjes werden zichtbaar naast de heldere. Als ze naar één ervan keek, verloor ze een andere even uit het oog.

Rika kwam naast haar staan. Ze leunde met haar onderarmen op het ijzer en blies langzaam uit. Kees bleef in de deuropening staan, met zijn jas over zijn arm.

‘Die daar,’ zei Mirre.

Haar moeder keek in de richting van haar vinger. ‘Welke?’

‘Naast die drie. Die kleine eronder.’

Rika kneep haar ogen samen. ‘Ik zie er een heleboel naast drie.’

Mirre wijst haar moeder een kleine ster boven de donkere stadsdaken aan.

Mirre lachte en liet haar arm zakken. Ze hadden thuis een hemelkaart. Ze had hem mee willen nemen en de namen willen opzoeken, maar hij lag op haar bureau onder haar etui. Ze volgde met haar vinger een rij sterren tot ze geen volgende meer vond.

Ze wilde nog om de hele toren heen. Aan de andere kant lag het donkere park, dat ze alleen kende vanaf de paden. Ze had willen zien hoe de vijver er van boven uitzag en of je de brug over de rivier kon vinden. Ze keek naar de deur aan het einde van de galerij.

Rika verplaatste haar voet en maakte een klein, scherp geluid.

‘We kunnen niet lang meer blijven,’ zei ze. ‘Mijn voeten zijn op.’

Mirre kneep haar handen om de leuning. Ze had deze avond steeds voor zich gezien als een lange tijd boven de huizen, met Sef die ook iets aanwees en haar moeder die nergens meer een lamp hoefde te maken. Nu was Sef beneden met oma en Rika stond op één been.

‘Nog even hier,’ zei Mirre.

Rika knikte. Ze zetten hun armen naast elkaar op het ijzer. Mirre keek naar hetzelfde stukje hemel, tot ze de kleine ster onder de drie weer vond. Ze hield hem in het oog en verplaatste toen haar blik naar de donkere rand van de stad.

Beneden zag ze een rij gele lampen op de markt. Bij de waag was een klein donker stuk waar het dak van de arcade in de weg zat. Achter de toren lag de nachttuin. Vanuit deze hoek kon ze het afdak niet zien, maar ze wist waar de waterbak stond en dat Salma erbij zat.

Ze draaide zich naar haar moeder. ‘Ik ben klaar.’

Kees liet hen naar binnen en sloot de bovenste deur. De trap af ging sneller, al hield Rika de leuning vast bij iedere bocht. Beneden bedankte Mirre hem. Hij knikte, met de jas inmiddels aan, en liep terug naar de tuinpoort om Salma nog even te spreken.

Rika en Mirre gingen over de markt naar huis. De lantaarn met de twee wigjes stond nog steeds recht. Het deurtje zat dicht; binnen brandde de vlam boven de pit. Mirre bleef er een halve stap achter toen haar moeder doorliep en haalde haar daarna weer in.

Thuis schopte Rika haar schoenen uit in de gang. Mirre zette de hare ernaast. Ze dronk een glas water aan het aanrecht, poetste haar tanden en trok haar vest uit. In de zak zat alleen een pluisje.

Toen haar moeder nog even haar kamer in kwam, lag Mirre al onder het laken. ‘Welterusten,’ zei Rika. Ze liet de deur op een kier.

Door de gordijnspleet zag Mirre een smal stuk hemel boven het huis aan de overkant. Ze schoof haar hoofd op het kussen tot er één ster in paste. Daarna liet ze het zo.

Welk klein moment van deze avond zou jij later aan iemand vertellen?

Je mag ook gewoon het boek dichtdoen.

Het verhaal is afgelopen.

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.