De vos tussen de boeken
Een papieren vos, een verdwenen verhalenmap en een leesfeest dat dichterbij komt. Jij kiest hun route. Je kunt altijd een scène terug.
Volledig boek · 8 leesroutes · 2 eindes
Hier lees je een gewone route door het boek. Als de interactieve versie beschikbaar is, verschijnen de keuzeknoppen.
Een onverwachte bladwijzer
Er viel een vos uit het boek. Een kleine, oranje vos van gevouwen papier, met één oor dat een beetje scheef stond.
Noor ving hem tegen haar trui. Het boek gleed van haar knieën op de grond. Aan de andere kant van de leestafel hief Mo zijn voeten op, precies op tijd om de dikke rug niet op zijn tenen te krijgen.
‘Je laat iets vallen,’ zei hij.
‘Ik had het gemerkt.’
Ze zette de vos op tafel en bukte naar het boek. Het was een groot boek over dieren die 's nachts wakker waren. Ze had alleen willen weten hoe een uil geluidloos kon vliegen. Nu lag er een ander dier voor haar, dat dat in ieder geval niet kon.
Mo schoof zijn stripboek een stukje opzij. Naast zijn elleboog lag een tekening van een fiets met drie sturen. De voorste bestuurder kon rechtdoor, de tweede naar links en de derde naar de bakker. Dat laatste stond er in kleine letters bij. Hij had de fiets maandag al getekend voor het gezamenlijke verhalenboek, maar op dit kladblaadje paste hij nog steeds dingen aan.
‘Mag ik?’ vroeg hij.
Noor hield de vos al tussen twee vingers. ‘Even kijken waar hij vandaan komt.’
Ze bladerde door het dierenboek. Er zaten geen andere vossen tussen. Wel een oude uitleenbon waarop de inkt bijna weg was. Die liet ze zitten. Ze keek onder haar stoel en over de rand van de tafel, alsof degene die de vos had achtergelaten ergens vlakbij moest staan.
Bij de prentenboeken zat een vader op de drakenbank. Zijn dochtertje hield het boek ondersteboven en bladerde vastberaden naar het eind. Verderop schoof een vrouw een stapel tijdschriften recht. Niemand keek naar de vos.
‘Misschien was het een bladwijzer,’ zei Mo.
‘Dan is het wel een dikke.’
Noor zette hem weer neer. Hij bleef staan, een beetje naar één kant. Op de onderkant van een voorpootje zat een ronde blauwe stip. Ze tilde het dier op om beter te kijken. Er stonden letters tussen de vouwen.
‘Een boodschap.’
Mo legde zijn potlood neer. Deze keer schoof hij zijn hele strip opzij. Noor draaide de vos langzaam rond. Aan de onderkant kon ze NU STA IK lezen. De volgende woorden verdwenen onder een stukje dat als buik was ingevouwen.
Bij de balie hing Ada kaartjes aan een prikbord. Iedere woensdagmiddag bedacht ze iets voor de kinderen die na school bleven. De week ervoor hadden ze een stad van dozen gemaakt. Die stond nu op een hoge plank, zodat niemand meer over het stadhuis struikelde. Mo had een rotonde gemaakt waar geen straat op uitkwam. Volgens hem reed daar dus ook nooit iemand verkeerd.
Noor keek naar het prikbord. Op een van Ada's kaartjes stond dezelfde blauwe stip. Daarnaast lag een stapel opgerolde papieren onder een mok zonder oor.
‘Dat is vast van haar,’ zei Mo.
‘Dat kan.’
Noor zei het alsof er nog tien andere mogelijkheden waren. Eigenlijk wilde ze de boodschap eerst zelf kunnen lezen. Ze vond het vervelend om iets aan Ada te vragen en daarna te ontdekken dat het antwoord de hele tijd onder haar duim had gezeten.
Ze schoof haar nagel een klein stukje onder een pootje, niet ver genoeg om de vouw open te trekken. Het papier gaf mee. Nu kwamen er nog twee woorden tevoorschijn: DE BOEKEN.
‘Nu sta ik tussen de boeken,’ las Mo over haar arm heen. ‘Dat klopt in ieder geval.’
‘Niet bewegen.’
‘Ik beweeg niet. Jij draait hem.’
Ze hielden hem even samen vast. Op de achterkant liep een getekend pijltje langs een raam. Onder de staart stond VRAAG ADA OM DE KAART. De rest kregen ze te pakken door het dier schuin tegen het licht te houden. STRAKS ZIT IK IN DE ZON.
Noor legde de vos op zijn zij om de losse puntjes niet om te buigen. Aan de rand van de buik stonden veel kleinere letters. Niet de dikke hoofdletters van de boodschap. Deze leken onder de tekening door te lopen.
In onze gang stonden zeven fietsen, en geen ervan was van ons.
Noor bleef naar het papier kijken. Ze had de zin niet helemaal kunnen lezen; een paar woorden waren onder het pootje verdwenen. Toch wist ze precies hoe hij verderging. Ze had hem maandag zelf geschreven.
‘Wat?’ vroeg Mo.
‘Dit is van mij.’
Hij keek naar de vos. ‘Je had hem toch net gevonden?’
‘De zin. Van mijn verhaal.’
Ze draaide het dier naar hem toe en wees de kleine letters aan. Mo boog zo ver voorover dat zijn haar bijna tegen de puntige staart kwam.
‘Van die fietsen in de gang?’
Noor knikte. Haar verhaal ging over een meisje dat thuiskwam en de voordeur niet open kreeg door alle onbekende fietsen. Niet omdat iemand een feestje gaf. De fietsen waren er vanzelf komen te staan. Ze had nog niet aan veel mensen verteld hoe het afliep. Ada had haar twee bladen dinsdag in de bruine verhalenmap gestopt, bij de andere bijdragen voor het leesfeest van zaterdag.
‘Misschien is het alvast reclame,’ zei Mo.
Noor keek naar de rand van het papier. Er zat geen naam bij. Er zat ook geen hoek meer aan die ze als de bovenkant van haar eigen blad herkende. Ze had op lichtoranje papier geschreven, met haar zwarte pen. De vos was ook oranje.
‘Dan had ze het kunnen vragen.’
‘Dat weet je nog niet.’
Mo zei het rustig. Noor had liever gehad dat hij iets grappigs zei, zodat zij er niet op hoefde te antwoorden. Ze trok het dierenboek naar zich toe en klapte het dicht. Op de voorkant stond een uil met zulke grote ogen dat hij alles leek te zien wat zij over het hoofd had gezien.
Bij de balie liet Ada een rol papier vallen. Ze ving hem met haar voet voor hij onder de kar kon rollen. Daarna zag ze Noor kijken en stak haar hand op.
Noor hield de vos een stukje omhoog. Ada glimlachte en wees naar het kaartje met de stip.
‘Zie je wel,’ zei Mo. Hij pakte zijn tekening op en legde die in zijn mapje. Het fietsvoorwiel was nog niet helemaal rond. Hij trok er met zijn gum overheen, maar stopte toen Noor opstond.
‘Kom je?’ vroeg ze.
‘Ja. Maar ik leg mijn strip even opzij. Ik wil straks nog weten waarom die kapitein in een ton zit.’
Hij stak er een gewoon strookje papier tussen. Noor zag het en keek weer naar de vos in haar hand. Ze gebruikte een bladwijzer om te onthouden waar ze gebleven was. Deze had haar juist uit haar boek gehaald.
Op weg naar de balie bleef ze bij de hoek van de knutseltafel even staan. Daar lagen oranje snippers, een liniaal en een paar half afgemaakte dieren. Eén leek meer op een gekreukte boterham dan op een vos. De hoofdletters van de boodschap waren met een dikke blauwe stift geschreven, dezelfde die naast de snippers lag.
Mo keek mee. ‘We zijn niet de enige die er een hebben.’
‘Nee.’
Dat stelde haar een beetje gerust. Tot ze de kleine letters op de buik opnieuw zag. Ada kon zoveel vossen hebben gemaakt als ze wilde. Noor wilde nog steeds weten waarom haar eigen woorden tussen de vouwen zaten.
Ze nam het dier mee naar de balie, met haar hand open eronder. Zo hoefde ze hem niet aan zijn scheve oor vast te houden.
De kaart van Ada
‘Jullie hebben de eerste,’ zei Ada.
Noor zette de vos op de balie, naast een stapel formulieren die door een elastiekje bij elkaar werd gehouden. ‘Wat staat er op de andere?’
‘Dezelfde boodschap. Anders zouden we straks vijf verschillende speurtochten hebben en maar één kistje.’
Ada maakte een rol papier open en legde er een liniaal op tegen het terugkrullen. Het was een plattegrond van de bibliotheek. Niet zo'n kaart waarop alle straten van de buurt stonden, maar één waarop Noor hun eigen leestafel kon aanwijzen. Zelfs de drakenbank was getekend, met een staart die eigenlijk te lang was voor de kinderhoek.
Mo draaide de kaart een halve slag. ‘Nu klopt hij.’
‘Voor jou,’ zei Noor. Ze stond aan de andere kant van de balie.
Ada lachte en schoof de kaart tussen hen in. ‘Jullie mogen hem meenemen. In de leeszaal en de binnentuin mag je kijken. Niet in het kantoor en niet door een deur waar een briefje met privé op hangt. Als je iets niet kunt bereiken, kom je mij halen.’
Noor wees naar de vos. ‘Heb jij hem gevouwen?’
‘Gisteren. En vanmorgen nog een paar. Die boven op de plank is niet helemaal gelukt. Als iemand vraagt wat het is, zeg ik dat het een egel is.’
Mo keek naar de hoge plank. Hij glimlachte, maar Noor draaide de vos naar de andere kant.
‘Hier staat mijn zin.’
Ada boog zich eroverheen. Ze schoof haar bril wat hoger op haar neus en draaide het dier zonder het open te trekken. ‘Die van de fietsen. Dat zie ik.’
‘Is dat ook een aanwijzing?’
‘Nee. Daar had ik niet op gelet. Ik heb de vellen uit de bak met knutselpapier gepakt. Dat zou proefpapier moeten zijn.’
Noor wachtte. Ze had verwacht dat Ada meteen zou zeggen welk blad het was en waarom het in die bak had gelegen. Ada keek nog eens naar de kleine letters, maar maakte niet alsof ze meer kon zien dan zij.
‘We kijken straks in de verhalenmap,’ zei ze. ‘Daar horen de originele bladen in te zitten. Dan kunnen we ze naast elkaar leggen. Voor nu is alleen de boodschap in blauw onderdeel van mijn speurtocht.’
Ze wees de hoofdletters aan. Noor las ze nog een keer, terwijl Mo de kaart met de goede kant naar de tuin hield. Aan de rand stond een regel: ZOEK DE PLEK WAAR JE KUNT ZITTEN ZONDER EEN STOEL TE PAKKEN.
‘De vloer,’ zei Mo.
‘Dan heb je behoorlijk veel te zoeken,’ zei Ada.
Noor keek naar de plattegrond. Naast de glazen tuindeur stonden drie blauwe stippen. In de zaal zag ze er maar één: de stip op Ada's prikbord. Die stond ook op de kaart, maar er liep geen lijn naartoe. De stippellijn ging verder, langs het getekende raam.
‘De bank buiten,’ zei ze.
‘Daar kun je inderdaad zitten,’ zei Ada.
‘Dat is geen antwoord.’
‘Nee. Het is ook nog een speurtocht.’
Noor nam de kaart en de vos mee. Mo liep naast haar, met zijn strip onder zijn arm. Bij de knutseltafel bleven ze even aan de zijkant staan om een meisje met een pot water door te laten. Het water was donkergroen. Er dreven zoveel verfvlokken in dat Noor niet zag waar de kwast gebleven was.
Door de glazen deur kwam licht op het tuinpad. Het had die ochtend geregend, maar de plassen waren klein geworden. Noor wilde meteen naar de bank aan de overkant lopen. Mo hield de kaart omhoog.
‘Er zijn er twee.’
Dat was waar. Tegen de zijmuur stond een stenen zitbank zonder rugleuning. De houten bank stond bij een boom in een grote pot. Noor keek van de kaart naar de banken. Op papier zat de laagste blauwe stip links. Op de rugleuning van de houten bank zaten drie verfvlekken: twee hoog en één lager, bij het uiteinde.
Ze liep ernaartoe. Onder de zitting stond een houten kistje met een vos op het deksel. Geen slot. Het zat alleen een beetje klem tussen een steun en een bloempot.
Mo zette zijn strip op de bank en hielp de pot een klein stukje opschuiven. Noor haalde het kistje eronderuit. Ze zette het op het droge deel van de bank en maakte de sluiting los.
Er lagen kleine boekjes in. De omslagen hadden allemaal een andere kleur. Boven op de stapel lag een briefje: KIES EEN BEGIN EN MAAK HET VERHAAL VAN JOU.
Noor pakte het bovenste boekje. Op de eerste bladzijde stond: Bij de bushalte stond mijn opa met een astronautenhelm. De volgende pagina was leeg. En die daarna ook.
‘Ik dacht even dat we de rest moesten zoeken,’ zei ze.
Mo nam een blauw boekje. ‘Dan zijn die andere vossen nog wel even bezig.’
Ze gingen op de bank zitten. Noor hield de vos naast zich, aan de kant waar de wind niet onder zijn oren kwam. Mo bladerde door zijn boekje tot de achterkant. Daar stond alleen een stempel van de bibliotheek en een klein vakje voor je naam.
‘Je mag er dus echt in schrijven,’ zei hij.
Noor keek naar de blaadjes. Nieuwe boekjes vond ze fijn, tot ze er iets in moest zetten. Daarna kon je het niet meer opnieuw nieuw maken. Op haar twee verhaalbladen had ze drie keer een zin veranderd voordat ze ze aan Ada gaf. Op het laatste blad stond onderaan nog een woord dat niet helemaal op de regel paste.
Mo pakte zijn potlood. ‘Mag ik hier iets bij tekenen?’ Noor schoof haar boekje naar hem toe. Op de lege tweede bladzijde tekende hij een bushalte, een opa en een helm waar een neus tegen het glas zat. Noor moest lachen. Hij gaf haar het boekje terug.
‘Die helm moet op voordat je naar de ruimte gaat,’ zei hij. ‘Anders kom je er niet in.’
Ada verscheen in de tuindeur met een doos potloden. Ze kwam naast de bank staan en keek naar de tekening.
‘Dat is snel.’
‘Het verhaal is nog niet af,’ zei Mo.
‘Dat hoeft ook niet in de eerste vijf minuten. Er komen zaterdag meer van die boekjes op de leestafel. Dan kan iedereen die wil iets maken. Jullie mogen er nu al één houden.’
Noor sloeg haar boekje dicht. Ze wilde het meenemen, maar nog niet beginnen. Niet zolang ze aan haar eigen woorden op de buik van de vos bleef denken.
‘Kunnen we nu naar de map kijken?’ vroeg ze.
Ada knikte. Ze hielp de overige boekjes terugleggen. Mo duwde het kistje onder de bank, op dezelfde plek, en zette de pot terug zonder hem over de jonge blaadjes van de plant te schuiven. Toen de bank weer vrij was, stak hij zijn strip onder zijn arm en gaf Noor de kaart.
‘Die bewaren. Anders moeten we straks weer op de vloer gaan zoeken.’
Noor vouwde de kaart één keer dubbel en stopte hem in het voorvak van haar rugzak. Het kleine boekje kwam ernaast. De vos hield ze in haar hand.
Ada wachtte bij de deur tot ze allebei binnen waren. Ze trok de deur dicht tegen de kou en liep voor hen uit naar de knutseltafel.
De speurtocht was afgelopen. Ze hadden een kist gevonden en mochten iets meenemen. Maar Noor voelde nog niet dat het klaar was. Ze wilde haar eigen twee bladen zien, met de hoekjes die zij kende en de zwarte letters die zij zelf had geschreven.
De lege plek op tafel
Op de knutseltafel lag geen bruine map. Er stonden twee potten met potloden, een bak oranje snippers en een fles lijm met een klodder op de dop. Ada schoof de papierbak een stukje opzij en keek erachter.
‘Ik heb hem hier dinsdag neergelegd.’
Ze klonk nog niet bezorgd. Noor dacht ook nog niet dat er iets mis was. Op een knutseltafel verdween altijd wel iets onder een groter vel. Ze tilde de stapel tekenkarton op. Daaronder lagen een uitgeknipte ster en een liniaal, maar geen map.
Ada keek in het kastje achter haar. Ze nam een platte doos van de bovenste plank, zag wat erin zat en zette hem terug.
‘Niet daar.’
Mo liep om de tafel heen. Hij bukte en keek onder de onderste rand. Noor bleef bij de papierbak staan, met de vos op haar hand. Ze wist hoe de map eruitzag. Hij was bruin, met een brede rug van stevig linnen en een label waarop Ada VOOR ZATERDAG had geschreven. Het was geen dun schriftje dat tussen twee vellen kon glijden.
Ada opende de la met reservepotloden. Daarna de la eronder, waar niemand ooit reservepotloden in legde omdat er de oplaadsnoeren van de tablets lagen. Noor zag aan de korte blik die ze op de klok wierp dat het nu niet meer alleen om even de map pakken ging.
‘Is hij al naar de drukker?’ vroeg Noor.
‘Nee. Eerst lezen we zaterdag uit de originele bijdragen. Daarna maken we een versie die hier mag blijven liggen. Er zit ook nog werk in dat de kinderen terug willen hebben.’
Ada legde een vel op tafel. Daarop stonden twaalf namen met een nummer ervoor. Noor vond haar eigen naam bij vier. Twee bladen. Bij vijf stond Mo, met tekening erachter. De rest van zijn verhaal had hij in dat ene grote vel gestopt, zei hij steeds. Je moest alleen goed kijken.
‘Dus de map kan niet gewoon ergens uitgeleend zijn?’ vroeg hij.
‘Het is geen uitleenboek. Hij heeft geen streepjescode. Ik heb hem ook niet aan iemand meegegeven.’
Noor legde de vos naast de namenlijst. Daar stond haar naam, hier stonden haar woorden. Ze keek naar Mo. Hij had zijn strip onder zijn arm en draaide met zijn vrije hand een gum tussen zijn vingers.
‘Heb jij hem?’ vroeg ze.
‘Die map? Nee.’
‘Je zei maandag nog dat je zaterdag iets ging doen wat niemand verwachtte.’
‘Met mijn tekening. Dat voorwiel kan draaien. Ik heb een splitpen meegenomen.’
Noor keek naar zijn rugzak. ‘Maar als dit de grap is, vind ik hem niet leuk.’
Mo stopte met zijn gum draaien. ‘Ik heb hem niet.’
‘Je zou het ook niet meteen zeggen als je hem wel had.’
Hij duwde zijn strip zo stevig tegen zijn zij dat de kaft krom trok. ‘Dan heeft het geen zin dat je het vraagt.’
Ada keek van de een naar de ander. Ze zei niet dat Mo zoiets nooit zou doen. Ze wees naar de maplijst.
‘Noor, ik wil weten waar hij ligt. Als we iets hebben gezien, zeggen we dat. Als we het alleen denken, moeten we dat er niet stiekem bij leggen alsof we het gezien hebben.’
Noor voelde hoe warm haar wangen werden. Ze had niets in Mo's tas gezien. Ze had hem niet eens bij de bruine map zien staan. Ze had alleen gedacht dat een zoekgeraakt boek precies iets was waar hij om kon lachen.
‘Ik heb hem dus niet gezien,’ zei ze.
Mo knikte niet. Hij legde zijn strip op de tafel, boven op zijn eigen tas, en liep naar de boekenkar bij het raam. Daar stonden teruggebrachte boeken tussen twee houten steunen. Het bovenste rekje hing een beetje scheef.
‘Hier?’ vroeg hij aan Ada.
‘Daar kunnen we straks kijken. Ik haal eerst de spullen van deze tafel af.’
Ze pakten ieder een deel. Noor zette de potloden in het kastje. Mo bracht de losse kartonnen vellen naar de droge tafel aan de andere kant van de ruimte. Ada haalde de vuilnisbak tevoorschijn en keek erin zonder de snippers op de grond uit te schudden.
Noor werkte door tot het hele tafelblad zichtbaar was. Er zat een bruine vlek op de plek waar de lijmpot gewoonlijk stond. Bij de rand was het hout lichter, alsof er lang iets overheen had gelegen. Ze legde haar hand op die lege plek. De map moest ongeveer tot aan haar vingers komen als hij daar lag.
‘Wie heeft gisteren geholpen?’ vroeg ze.
Ada bleef even met de vuilnisbak in haar handen staan. ‘Lio. En Ben heeft aan het eind de kar en het rekje teruggezet. Er zijn natuurlijk meer mensen langsgekomen. Dat weet ik niet meer van iedereen.’
Lio hoorde ook bij het leesfeest. Hij was twaalf en zat niet meer op hun school. Noor kende hem van de bibliotheek, waar hij vaak achter in de zaal zat met zijn oren bijna op een blad papier. Als hij tekende, kon je hem iets vragen zonder antwoord te krijgen. Als hij klaar was, liet hij soms dingen zien waar Noor zelf niet eens aan had gedacht.
‘Kunnen we hem vragen?’ zei Mo.
‘Dat ga ik doen,’ zei Ada. ‘En Ben ook. Eerst wil ik zeker weten dat hij niet met het gewone opruimen op een verkeerde plank is gezet. Dan kan ik meteen zeggen wat we al hebben nagekeken.’
Noor pakte de vos weer op. Ze had hem niet op de lijst willen laten liggen; een pootje zat precies boven haar naam. Aan de knutselbak hing een oranje strook waar ze eerder niet op had gelet. Daarop stond hetzelfde kleine soort letters als op zijn buik.
Aan de andere kant stond Mo nog bij de kar. Hij trok niet zomaar een boek uit de onderste plank. Hij hield het rekje met één hand vast en keek hoe het scheefzat.
Ada zette de vuilnisbak terug. ‘Er zijn twee plekken waar jullie me kunnen helpen. We kunnen het gebruikte papier vergelijken. Of kijken onder de kar en het rekje waar die dinsdag gestaan hebben. Dan ruimen we eerst op wat kan vallen. Niet met je hand ergens tussen gaan terwijl de boeken nog schuin staan.’
Noor keek naar Mo. ‘Wat wil jij doen?’
‘Iets waarbij je gelooft dat ik aan het zoeken ben.’
Ze beet op de binnenkant van haar wang. Het was makkelijker geweest om iets terug te zeggen dan om daar even niets op te weten. Mo pakte zijn tas op en hing hem over de stoel. Hij ging nog niet naar huis. Noor wist alleen niet of dat betekende dat hij niet meer kwaad op haar was.
Op de klok was het bijna vier uur. Buiten zag ze een paar kinderen naar de fietsenrekken lopen. Haar moeder verwachtte haar om halfvijf thuis. Een map zoeken paste daar niet vanzelf tussen; ze zou de tijd in de gaten moeten houden.
Ada schoof de papierbak binnen bereik en maakte naast de kar ruimte voor de boeken die er tijdelijk uit moesten. De twee plekken lagen maar een paar stappen uit elkaar. Toch zouden ze niet hetzelfde vinden door alleen van hier te blijven kijken.
Noor legde de vos voorzichtig op de lege hoek van de tafel. De oren bleven omhoogstaan. Ze keek van de papierbak naar het scheve rekje.
Een vouw die al bestond
Noor schoof de papierbak naar zich toe. De snippers waren niet allemaal oranje. Er lagen ook een roze driehoek, twee dunne blauwe stroken en een stuk papier met zoveel lijm erop dat er een kwast aan bleef hangen.
Mo tilde de kwast voorzichtig op. ‘Die is klaar met schilderen.’
Hij legde hem in het lege potje. Ada gaf hun een schoon vel om de bruikbare stukken op te leggen. Noor haalde alleen de restjes met letters uit de bak. Ze wilde niet alles door elkaar gooien en daarna Ada laten raden waar het vandaan kwam.
Op een van de oranje stroken stonden drie halve woorden. Ze legde hem naast de vos. De letters waren even groot, maar de zin was een andere. Op de volgende snipper stond een donkere streep, vlak langs de rand.
‘Die staat hier ook,’ zei Mo.
Noor draaide het dier om. Onder aan de buik liep een smal zwart lijntje. Het was niet de blauwe pijl van de speurtocht. Ze had gedacht dat het de rand van een letter was.
‘Zullen we hem openmaken?’ vroeg ze.
Ada ging naast haar staan. ‘Dat mag, als je dat wilt. Maar het papier onthoudt wel waar het gevouwen is. Het wordt geen nieuw vel meer.’
Noor zette haar vingers bij de achterpootjes. Mo pakte de kop niet vast, maar hield de andere kant tegen zodat ze niet aan het hele dier trok. Eerst kwam de staart los. Daarna kon ze de buik uitvouwen. De kop bleef nog even als een driehoek omhoogstaan.
Nu zag ze de letters over de hele breedte. De ene zin stond ondersteboven ten opzichte van de boodschap in blauw. Daaronder begon een tweede regel die halverwege was afgesneden.
‘Het zijn twee kanten tegelijk,’ zei Mo.
‘Twee teksten,’ zei Noor. ‘Op dezelfde kant.’
Ze streek het papier met haar hand vlak. Er liep een vouw door een van haar woorden. De kleine afdrukstreep zat net naast de afgesneden regel. Dat was meer dan ze onder het pootje had kunnen zien, maar ze wist nog niet wat het bewees.
Ada haalde een potlood uit het potje en wees op de vouw in het papier. ‘Als je hem weer wilt laten staan, moet deze hoek terug naar binnen. Vouw hem langs de oude lijn terug, niet langs dat schuine vouwtje.’
Noor probeerde het. De buik kwam terug op zijn plaats, de staart wilde nog niet. Toen ze de kop optilde, bleef het scheve oor met zijn puntje aan haar nagel hangen. Er kwam een klein scheurtje in.
Ze hield meteen op.
‘O,’ zei ze.
Mo liet het andere eind los. Ada haalde een klein strookje doorzichtig plakband uit de houder en knipte het nog smaller. Noor maakte de rafelige randjes zo goed mogelijk vlak en plakte het strookje aan de binnenkant.
Het oor stond daarna niet rechter. Het stond alleen weer vast. De vos leunde nog steeds een beetje opzij, met meer zichtbare vouwen in zijn buik dan daarvoor.
‘Nu herken je hem zeker,’ zei Mo.
Noor tikte met haar vinger tegen het geplakte oor. Het gaf een klein beetje mee en veerde terug. Ze kon nog zien waar ze te hard had getrokken. Dat vond ze niet mooi, maar ze kon nu tenminste begrijpen hoe de tekst over de buik liep.
Ze legde de snipper met de afdrukstreep apart. Ada schoof die in een leeg plastic hoesje en schreef er proefpapier uit de bak bij. Niet van Noor en ook niet van de map. Dat wisten ze nog niet.
Mo ruimde de roze driehoek en de blauwe stroken terug. Noor zette de vos op haar open hand. Ze hadden zijn vorm veranderd om beter te kunnen kijken. De bruine map was er niet mee terug, maar het zwarte lijntje was nu een stukje dat ze echt konden vergelijken.
Samen liepen ze terug naar de balie. Ada nam het hoesje mee.
Alleen wat we weten
Ada maakte een plek vrij op de balie. Ze schoof de uitleenbonnen onder het elastiekje en legde er een los oranje vel naast.
‘Dit heb ik nog in mijn la,’ zei ze. ‘Een proefkopie van je eerste blad. Die had ik gebruikt om te kijken hoe groot de letters moesten zijn als we er later een boekje van maken.’
Noor herkende haar eigen handschrift. Op papier zag het er minder netjes uit dan ze zich had herinnerd. De tweede regel liep een beetje omhoog. Bij fietsen stond een klein vlekje omdat ze haar pen daar te lang had laten staan.
‘Is dat mijn echte?’ vroeg ze.
‘Nee. Dit is door het kopieerapparaat gegaan. Je echte bladen horen in bijdrage vier. Allebei.’
Mo trok zijn eigen kladtekening uit zijn mapje en legde hem ernaast. De fiets met drie sturen had hier nog een ovaal achterwiel. ‘Deze dus ook niet verwisselen met mijn mooie.’
‘Nee,’ zei Ada. ‘Die grote tekening hoort in omslag vijf. In de bruine map zitten twaalf bijdragen, maar niet allemaal evenveel bladen. Daarom heb ik die namenlijst.’
Noor hield de vos boven de proefkopie. De zin op het losse vel liep gewoon door. Op het dier verdween hij in de vouwen. Ze hoefde daar niet meteen een bewijs van vernieling van te maken, dacht ze. Toch wilde ze de originele twee bladen nog steeds zien.
Ada schoof de proefkopie in een doorzichtig mapje. ‘Die bewaren we apart. De kopie is een kopie, de vos moet ik nog precies vergelijken. En de originele map is niet op de plekken waar ik hem dacht te vinden. Dat zijn drie verschillende dingen.’
Op een kladblaadje schreef ze knutseltafel, dinsdag en de namen Lio en Ben. Ze had haar telefoon al in haar andere hand.
‘Gaan we Lio bellen?’ vroeg Noor.
‘Ja. Ik vraag eerst zijn moeder of hij thuis is. Jullie mogen erbij blijven als zij en Lio dat ook goedvinden.’
Mo ging niet dichter bij het toestel staan. Hij stopte zijn tekening terug en ging naast Noor tegen de balie leunen. Ada zocht een naam op en belde. Noor hoorde het zachte geluid van overgaan, toen een stem die ze niet kon verstaan.
‘Dag Nina, met Ada van de bibliotheek. Is Lio thuis? Ik zoek de originele verhalenmap voor zaterdag. Noor en Mo staan hier ook. Vinden jullie het goed als ik de luidspreker aanzet, zodat we niet alles drie keer hoeven te vertellen?’
Ada wachtte. Toen tikte ze op het scherm. De stem van Nina kwam nu uit de telefoon.
‘Dat is goed. Lio, Ada zoekt die map. Kom je even?’
Er klonk iets tegen een tafel. Even later zei Lio hallo.
‘Dag Lio,’ zei Ada. ‘Mag Noor met Mo meeluisteren? Zij zijn mee aan het zoeken.’
‘Ja.’
Noor had gedacht dat hij zou vragen welke map ze bedoelden. Ada liet daar geen ruimte voor.
‘Het gaat om de bruine map met de brede linnen rug. Op de voorkant staat voor zaterdag. Daarin zitten de originele verhalen en tekeningen. Heb jij die dinsdag na het opruimen mee naar huis genomen?’
Het bleef even stil. Noor keek naar de telefoon, hoewel ze daar geen gezicht op kon zien.
‘Nee,’ zei Lio. ‘Ik heb alleen proefpapier mee. Die kopieën die ik mocht gebruiken.’
‘Dus niet de map zelf?’
‘Nee. Alleen losse vellen.’
Nina zei iets op de achtergrond. Noor hoorde een stoel schuiven en toen: ‘De oranje stapel ligt hier inderdaad. Maar ik zal bij zijn bureau en in de gang kijken. Misschien ligt er iets tussen de andere spullen. Bruin met een brede rug, zei je?’
Ada beschreef de map nog een keer. Nina vroeg Lio de stapel van de stoel bij zijn bureau te halen, zodat ze eronder kon kijken. Ze klonk niet boos. Ze klonk zoals Noors moeder wanneer de sleutel van de achterdeur alweer niet op zijn haak hing.
‘Ik zoek meteen verder,’ zei Nina. ‘Ik bel je zo terug. Ik weet niet of die originele map hier geweest is.’
‘Dank je,’ zei Ada. ‘En Lio: als je je nog herinnert waar je hem in de bibliotheek hebt gezien, laat je het weten. Ook als het een andere plek was dan de tafel.’
‘Goed.’
Ada hing op. Noor keek naar Mo. Hij keek nog naar het toestel.
‘Hij heeft dus papier,’ zei ze.
‘Dat zegt hij,’ antwoordde Mo. ‘En hij mocht dat papier hebben.’
Noor haalde het mapje met de proefkopie dichterbij. Ze had net bij Mo een antwoord niet willen geloven. Nu kon ze niet op grond van een stapel papier een ander antwoord gaan veranderen in iets wat zij liever wilde horen.
Ada belde Ben. Hij was nog in de bibliotheek, hoorde Noor, aan de andere kant van het gebouw. Ze vroeg hem bij zijn opruimronde ook de lege doos naast het kantoor na te kijken. Niet alleen voor een bruine map, maar voor losse omslagen met nummers. Als er iets uit de map was geraakt, moesten ze daar ook naar kijken.
Mo trok de rits van zijn tas dicht. Een hoekje van zijn gum was tussen de tandjes gekomen. Hij maakte de rits weer open om het vrij te halen. Noor pakte het losse uiteinde van de rits vast zodat hij de gum eronderuit kon trekken. Hij liet haar helpen.
‘Hoe laat moet jij thuis zijn?’ vroeg ze.
‘Halfvijf. Jij ook toch?’
Ze keken tegelijk naar de klok. Het was later dan Noor had gedacht. Niet te laat, maar wel te laat om nog een hele kast te bekijken en daarna rustig naar huis te lopen.
‘Morgen zijn jullie er weer?’ vroeg Ada.
Noor knikte. ‘Na school.’
‘Neem dan je eigen kladwerk mee als je dat nog hebt. We gaan geen origineel nadoen en doen alsof dat hetzelfde is. Maar je kunt wel helpen vergelijken wat je geschreven hebt en wat er op de kopie staat. Mo, jij mag je schetsen meenemen. Dan weten we ook welk vel jouw echte bijdrage was.’
‘Eén groot vel,’ zei Mo. ‘Niet deze kleine fiets.’
‘Precies. En ik vraag verder na wie er dinsdag en woensdag met spullen bezig is geweest. Ik laat jullie weten als hij weer terecht is.’
De telefoon trilde terwijl Noor haar jas aantrok. Ada keek naar de naam en nam op. Het was Nina weer. Ze vroeg eerst of de luidspreker nog goed was. Noor bleef met één arm in haar mouw staan toen Nina zei dat ze in de gang bij de boekendozen had gezocht.
‘Er zijn vanmorgen dozen opgehaald,’ zei Nina. ‘Oude boeken voor de buurtboekenmarkt. Rik heeft ze meegenomen. Ik weet niet of dat er iets mee te maken heeft, maar ik dacht: dat moet je wel weten. Hier zie ik de map niet.’
‘Ik bel Rik,’ zei Ada meteen. ‘Niet omdat ik nu weet dat hij daar lag, maar om te vragen wat er precies is weggegaan. Blijf jij thuis nog even naar die map kijken?’
‘Dat doe ik. Lio kijkt mee.’
Ada bedankte haar en hing op. Ze draaide zich naar Noor en Mo. ‘Jullie gaan naar huis. Ik vraag dit nu verder na. Morgen kunnen we zien wat er echt bijgekomen is.’
Noor wilde nog vragen of ze op Rik mochten wachten. Ze keek naar de klok en stopte de vos in het kleine vak van haar tas, naast het lege verhaalboekje. De kopie bleef bij Ada. Mo hield de deur voor haar open.
Achter hen hoorde ze Ada een nieuwe naam zeggen aan de telefoon. ‘Dag Rik, met Ada. Ik heb een vraag over de boekendozen van vanmorgen.’
Buiten was de zon weg. Op het plein trok een jongen een jas over zijn fietszadel. Noor bleef even bij de stoep staan tot Mo zijn stuur had vastgepakt.
‘Ik dacht gewoon dat jij—’ begon ze.
‘Ja. Dat merkte ik.’
Hij duwde zijn fiets naast haar in plaats van meteen weg te rijden. Noor pakte de andere kant van haar rugzakriem vast. Ze kon morgen haar kladschrift meenemen. Ze kon kijken wat er werkelijk op het papier stond. Dat zou beter zijn dan nog eens uitleggen wat ze allemaal gedacht had.
Ze liepen samen tot aan de hoek, waar Mo linksaf moest. Pas daar stapte hij op. Noor ging de andere kant op, naar huis.
Een verhaal dat je herkent
In Noors laatje lagen twee kladschriften. In het bovenste stond rekenen. In het onderste stonden ook sommen, maar achterin begon een verhaal. Ze had er de avond ervoor lang naar gezocht voordat ze bedacht dat ze het schrift op school had gelaten.
Ze trok het onder de liniaal vandaan en bladerde naar de laatste beschreven pagina's. Daar stond haar eerste zin, in potlood, met drie probeersels erboven. Eerst waren het vijf fietsen geweest. Toen acht. Acht had ze doorgestreept omdat dat getal zo netjes twee rijtjes van vier kon worden. Ze wilde dat er eentje in de weg bleef staan.
In onze gang stonden zeven fietsen, en geen ervan was van ons.
Op haar originele blad voor zaterdag had ze niet die doorgestreepte aantallen gezet. Alleen zeven. Ada had gezegd dat ze haar kladwerk niet hoefde weg te gooien omdat er een nette versie was. Nu was Noor daar blij om.
Mo kwam naast haar tafel staan met zijn tas nog over één schouder. Hij keek naar het open schrift.
‘Gevonden?’
Ze knikte. ‘Het lag hier.’
‘Mijn schetsen zitten erin.’ Hij tikte op zijn tas. ‘En mijn strip nog, want die heb ik niet uitgelezen.’
Noor wilde vragen of hij gisteren Ada nog had gesproken. Ze bedacht op tijd dat hij bij de hoek een andere kant op was gefietst. Dat had ze zelf gezien. Ze wist niet waarom ze toch telkens hoopte dat iemand inmiddels met het hele antwoord binnenkwam.
De juf riep dat de tassen van tafel moesten. Mo ging naar zijn eigen plaats. Noor legde het kladschrift open onder haar rekenboek, zodat ze het niet opnieuw onder in het laatje zou vergeten.
Bij de eerste som gebruikte ze de zeven fietsen om een verdeling uit te rekenen. Bij de tweede ging het over liters en had ze er niets meer aan. Ze moest opnieuw beginnen omdat ze op de verkeerde regel was gaan schrijven. De juf wees het aan zonder te vragen waar ze met haar hoofd zat. Noor was blij dat ze het niet hardop hoefde uit te leggen.
In de pauze zag Evi het schrift uit haar tas steken. Evi had ook iets voor het leesfeest gemaakt: een verhaal over een lift die steeds op dezelfde verdieping openging, hoe lang je er ook in bleef staan. Ze had er de grote blauwe knoppen uit het ziekenhuis in getekend. Die vond ze veel mooier dan gewone liftknoppen.
‘Zijn jullie zaterdag vroeg in de bibliotheek?’ vroeg ze.
‘Dat weet ik nog niet,’ zei Noor.
‘Ik wil mijn verhaal voor het lezen nog even zien. Ik weet niet meer of ik een komma op de goede plek heb gezet.’
Noor keek naar Mo. Hij zat op de rand van de zandbak zijn veters opnieuw te strikken. Ze had Evi kunnen vertellen dat de map weg was. Dan zou Evi het aan twee anderen vertellen en stond het na de pauze op meer plekken vast dan ze eigenlijk wisten.
‘Ada zoekt de map nog,’ zei ze. ‘We hebben hem gisteren niet op de goede plek gevonden. Ze is mensen aan het bellen.’
Evi bleef met haar boterham in haar hand staan. ‘Maar mijn tekening zit daar ook in.’
‘Ja.’
‘Heb jij thuis een foto van jouw verhaal?’
‘Nee. Wel mijn klad.’
Evi keek over Noors schouder, alsof de bibliotheek van daaruit te zien was. ‘Ik heb die lift in mijn schrift getekend. Maar niet die grote versie.’
‘Bewaar dat schrift,’ zei Mo. Hij was klaar met zijn veter. ‘Dan kun je in ieder geval laten zien wat erop stond.’
Evi knikte. Ze vroeg wanneer Noor weer naar Ada ging. Toen ze hoorde dat dat na school was, zei ze dat ze later haar moeder zou vragen of ze mee naar de bibliotheek kon. Niet vandaag; ze moest eerst haar kleine broer ophalen met haar vader.
Noor stopte het schrift dieper in haar tas. Tot nu toe had ze steeds haar eigen zin op de buik van de vos gezien. Evi zag een tekening van liftknoppen die misschien niet meer op de juiste plek lag. Mo had een heel vel gemaakt, veel groter dan zijn kleine kladschets op tafel. Het was niet één verhaal dat zoek was geraakt.
Aan het eind van de pauze liep ze naast Mo naar binnen. Hij had zijn strip even uit zijn tas gehaald om de hoek van de kaft glad te strijken.
‘Je hoeft niet mee te zoeken omdat ik dat wil,’ zei Noor.
Hij keek op. ‘Ik wil mijn tekening ook terug.’
‘Dat snap ik.’
‘En ik wil weten waarom die map niet in die kast ligt. Maar ik ga niet steeds raden wat je wilt dat ik zeg.’
De rij bij de deur schoof op. Noor wist niet meteen wat ze terug moest zeggen zonder weer een uitleg van gisteren te beginnen. Ze wees naar de strip.
‘Hoe lang zit die man al in de ton?’
Mo keek naar de kaft en zuchtte. ‘Sinds bladzijde twaalf. Iedere keer denk ik: nu kan ik verder.’
Noor moest lachen. Hij glimlachte ook en stopte het boek terug voordat de rij weer bewoog. Het was nog niet zoals op een gewone donderdag. Maar ze stonden tenminste weer over iets anders te praten dan over wat zij van hem had gedacht.
Tijdens het laatste uur moesten ze samen een plattegrond van het schoolplein tekenen. Noor tekende meteen het fietsenrek langs de muur. Mo keek naar haar blad en draaide zijn eigen papier een kwartslag.
‘Vanaf de deur gezien staat het aan die kant,’ zei hij.
Noor wilde zeggen dat zij het wist. Ze keek toch eerst naar de ramen en naar de dubbele deur. Vanaf haar stoel was het fietsenrek rechts. Als ze het papier draaide zodat de deur onderaan stond, zat het inderdaad links.
‘Zet jij de deur maar,’ zei ze.
Hij tekende hem, niet heel groot en met de twee handvatten er gewoon bij. Daarna tekende Noor de route naar het rek. Er stond geen speurtochtboodschap op hun kaart. Je kon er alleen aan zien waar je heen moest. Ze vond het prettig dat dat even genoeg was.
Toen de bel ging, deed ze haar schrift als eerste in haar tas. Thuis pakte ze fruit en vroeg haar moeder of ze meteen naar de bibliotheek mocht. Ze vertelde dat de verhalenmap nog zoek was en dat Ada belde en keek, niet dat ze zelf al een verdachte had gevonden.
‘Weet Ada dat je komt?’ vroeg haar moeder.
Noor knikte. Ze spraken af dat ze vóór het eten thuis was en het liet weten als het later werd. Noor kreeg haar appel mee in plaats van hem staand bij het aanrecht op te eten.
Mo wachtte buiten met zijn fiets. Hij had zijn jas half open en de rits van zijn tas juist zo ver dichtgetrokken dat er geen tekening uit kon steken. Noor liep naast hem. Op de hoek stopte hij om een papiertje uit zijn jaszak te halen.
‘De splitpen,’ zei hij. ‘Die zit er nog steeds in. Voor dat voorwiel.’
Hij legde hem in het kleine vakje van zijn tas. Noor keek naar de ronde kop, het dingetje waarvoor zij gisteren meteen een heel ander plan had bedacht. Ze pakte de appel uit haar jaszak en brak het steeltje eraf.
‘Ik wil straks eerst kijken of dat papier hetzelfde is,’ zei ze. ‘Niet eerst weer zeggen wie ik denk dat het heeft gedaan.’
Mo knikte. ‘Dan kijken we.’
Bij de bibliotheek stond de deur open voor een kar met boeken. Ze wachtten tot de vrouw met de kar naar binnen was en liepen achter haar aan. Ada zag hen bij de balie aankomen en hield een doorzichtig mapje omhoog.
Noor zette haar tas op de grond en haalde haar kladschrift tevoorschijn. Ze wist nu nog hoe haar eigen zin was ontstaan. Dat was iets anders dan weten waar iemand anders haar blad naartoe had gebracht.
Niet het echte blad
Ada had twee oranje vellen, een schoon wit vel en een potlood op de balie gelegd. Het mapje met de proefkopie lag ernaast. Noor legde haar kladschrift erbij, met haar hand op de beschreven bladzijde zodat die niet weer dichtsloeg.
Mo haalde zijn schetsen uit zijn tas. Hij legde de fiets bovenop. De splitpen bleef in het kleine vakje; die hadden ze nu niet nodig.
‘Is er al iets gevonden?’ vroeg Noor.
‘Niet de originele map,’ zei Ada. ‘Nina heeft gisteren de kamer, de gang en de spullen bij de achterdeur nagekeken. Ze heeft Lio's proefkopieën gevonden, maar geen bruine map. Ze helpt nog mee zoeken. En ik heb Rik gesproken, zoals ik zei dat ik zou doen.’
‘Wat zei hij?’
‘Dat hij woensdag verschillende ladingen heeft meegenomen. Niet alleen de dozen bij Nina. Ik heb hem gevraagd precies na te kijken wat waarheen is gegaan. Daar hebben we straks meer over. Eerst wilde ik dit met jullie vergelijken, want dat kunnen we hier zelf controleren.’
Noor pakte de vos uit haar tas en zette hem naast het mapje. Ada haalde de oranje proefkopie eruit. De kleine zwarte letters stonden dichter bij elkaar dan in Noors kladschrift.
‘Ik schreef de nette versie met mijn zwarte pen,’ zei Noor. ‘Niet met dit potlood.’
Ze wees in haar schrift naar de doorgestreepte acht. Mo keek en telde de kleine fietsjes die ze naast de kantlijn had getekend.
‘Dus daarom zeven.’
Noor knikte. ‘Er moest eentje in de weg blijven staan.’
Ze zei het voor het eerst zonder meteen uit te leggen dat het eigenlijk heel slim was. Mo boog zich over het schrift en wees naar het zinnetje onderaan dat ze voor de nette versie had overgeslagen. Hij vroeg of ze dat erbij wilde houden. Noor wist het nog niet. Het was fijn dat dat een vraag over haar verhaal was en niet over het verdwijnen ervan.
Ada schoof het witte vel dichterbij. Ze schreef met het potlood een paar woorden op en trok eronder een korte streep. Daarna hield ze het schuin onder de lamp. Het grafiet glansde een beetje.
‘Dit is het blad waarop ik schrijf. Als ik het kopieer, krijg je dezelfde vorm van de letters. Maar mijn potlood is niet ineens naar het andere papier verhuisd.’
Mo keek naar Noor. ‘Anders moest je het na iedere kopie weer terughalen.’
Ada nam het vel mee naar het apparaat. Noor en Mo liepen mee, maar bleven naast haar staan terwijl zij het op de glasplaat legde. Ada koos oranje papier uit de lade en maakte een afdruk. Het apparaat bromde, hield even op en schoof toen een vel naar buiten.
Noor pakte het pas toen Ada zei dat het kon. Het was warm. De woorden en de streep stonden erop, maar er liep ook een dun zwart lijntje langs één kant.
‘Die hoort er niet op,’ zei ze.
‘Nee. Er zit iets op de glasplaat. Ik moet hem weer schoonmaken.’ Ada haalde het oorspronkelijke witte vel uit het apparaat. Daar stond geen lange streep langs de rand. Alleen de korte die ze zelf had getekend.
Noor hield de twee naast elkaar. Ze leek iets te herkennen zonder al te weten waar ze het gezien had. Toen pakte Mo de vos van de balie en zette hem op de lege tafel naast het apparaat.
‘Mag ik hem omdraaien?’
‘Ja,’ zei Noor.
Hij legde het dier voorzichtig op zijn kant. Noor boog zich naar de buitenste vouw van zijn buik. Daar zat hetzelfde dunne afdruklijntje. Het liep langs een rij kleine letters en verdween onder een pootje. Ze hoefden de vos er niet helemaal voor uit elkaar te halen.
Ada legde de bewaarde proefkopie ernaast. De rand daarvan was recht afgesneden. Vlak langs die rand stond het lijntje ook. Aan het onderste uiteinde maakte het een klein haakje.
Noor volgde het met haar vinger zonder het papier aan te raken. Op de vos zat dat haakje bij het achterpootje. Ernaast stond de onderste helft van precies dezelfde letter. De rest was met de rand van het proefvel afgesneden.
‘Dit stuk komt hiervan,’ zei ze.
‘Van zo'n afdruk,’ zei Ada. ‘Ik had er meer dan één. De proefvellen heb ik kleiner gesneden om het formaat voor het boekje te bekijken. Het ging om de plek van de tekst en de tekeningen. Ze waren niet bedoeld als vervanging voor jullie echte werk.’
Ze haalde een ongevouwen reststuk uit de papierbak. De hoek paste langs het lijntje op het bewaarde vel. Noor draaide de vos een beetje verder en kon zien hoe de kleinere letters over de vouw liepen. Ze hadden er gisteren een vos in gezien. Nu zag ze ook het vel waaruit hij was gemaakt.
‘Dus mijn originele blad is niet hiervoor verknipt,’ zei ze.
Ada schudde haar hoofd. ‘Deze vos komt uit het proefpapier. Het handschrift is van jou, omdat het van jouw tekst is gekopieerd. Dat is iets anders dan dat dit jouw originele blad is.’
Noor keek naar het kleine dier. De staart, de pootjes en het scheve oor waren er nog. Maar de gedachte aan iemand die haar eigen blad met een schaar in stukken had geknipt, paste er niet meer bij.
Ze zette de vos rechtop. ‘Dan hoeft niemand de vos terug te veranderen in mijn verhaal.’
‘Dat zou ook een vervelend leesfeest worden,’ zei Mo. ‘Iedereen met zijn hoofd onder een poot.’
Noor lachte. Ze legde de proefkopie terug op tafel en hield hem ditmaal niet vast alsof het het enige blad was dat nog van haar over was.
Ada liet hun de rest van de stapel zien. Sommige vellen hadden tekst, andere alleen een stuk tekening. Op één stond een half wiel dat bij de rand ophield. Mo trok het naar zich toe, keek naar zijn kladschets en schoof het weer terug.
‘Niet mijn grote vel,’ zei hij. ‘Dat heeft een kantlijn. En deze fietser mist zijn benen.’
‘Dit was ook alleen een proef van de maat,’ zei Ada. ‘Je echte bijdrage moet gewoon heel zijn. Net als die van de anderen.’
Noor legde haar schrift dicht. De oorspronkelijke map was niet gevonden. Dat had ze al geweten toen ze binnenkwam. Toch was er iets veranderd: ze zochten geen stukken van een verknipt verhaal meer. Ze zochten waar de map naartoe was gebracht.
Ze keek naar Mo's mapje, waarin hij de schets van de fiets teruglegde. ‘Wil jij straks meekijken naar wat Ada nog vindt? Misschien zie jij iets anders dan ik.’
‘Ja,’ zei hij. ‘Maar ik weet ook nog niet waar de map is.’
‘Ik ook niet.’
Hij schoof het mapje in zijn tas. Noor wachtte tot hij klaar was, in plaats van alvast te zeggen wat ze nu moesten doen.
Ada maakte de glasplaat schoon voordat ze de klep sloot. Ze legde het oorspronkelijke witte voorbeeld en de nieuwe oranje kopie op elkaar. Noor zag hoe makkelijk je twee bladen op één stapel legde en ze daarna allemaal hetzelfde noemde.
‘Mag ik die twee dingen opschrijven?’ vroeg ze.
‘Natuurlijk,’ zei Ada. Ze schoof de proefkopie terug in het doorzichtige mapje. ‘Dit vel blijft hier. Dan hoeven we het niet steeds mee de straat op te nemen.’
Noor sloeg haar kladschrift weer open. Aan de binnenkant van de kaft was nog een leeg hoekje. Ze schreef: vos is kopie. Daaronder zette ze: originele map nog zoek.
Mo las mee. ‘Dat zijn de twee dingen.’
Ze liet ruimte onder de regels. Er zouden nog dingen bij kunnen komen. Niet omdat alles wat ze vonden vanzelf een aanwijzing werd, maar omdat ze nu wel wilde onthouden welke vraag ze werkelijk hadden beantwoord.
Ada pakte haar telefoon van de balie. ‘Dan kijken we nu wat er woensdag met de dozen is gebeurd.’
De dozen van woensdag
Op de balie lag een rijtje papier: de proefkopie, een leeg vel en een blocnote waarop Ada WOENSDAG had geschreven. Noor zette de papieren vos ernaast. Zijn oor wees naar het plafond. Ze liet hem staan terwijl Ada de restjes terug in een bak schoof.
‘Dus niet kapot,’ zei Noor.
‘Dat weten we alleen van jouw blad,’ zei Mo. ‘Van de map weten we nog steeds niks.’
Noor streek haar mouw over de tafel. Het was waar, maar het klonk vervelend zo vlak na iets wat eindelijk meeviel. Aan de overkant van de leeszaal probeerde een jongetje zijn jas zelf dicht te doen. Iedere keer dat de rits niet pakte, ging hij harder trekken. Zijn vader hurkte naast hem. Noor keek terug naar Ada's blocnote.
Ada had haar telefoon schuin tegen een pennenbak gezet. ‘Nina belt zo terug. Ze zou nog achter de kast kijken waar de dozen hebben gestaan. Daar kan een map achter schuiven.’
‘Heeft ze ook de tassen nagekeken?’ vroeg Mo.
‘Dat moet ze me zo vertellen. Ik weet niet hoe het daar stond.’ Ada trok een streep onder het woord op het papier. ‘Ondertussen kijken we hier naar wat er is teruggekomen. Jullie mogen bij de lage kast helpen. De bovenste planken doen jullie niet. Daar haal ik zelf de spullen af.’
Er stond een slappe boodschappentas bij de kast. Noor herkende het gebloemde hengsel: Ada had er dinsdag scharen en potloden in gestopt. Mo knielde ernaast en tilde eerst een grote kartonnen plaat op. Aan één hoek kleefde een opgedroogd stukje plakgom. Hij legde de plaat plat op tafel, zodat er niets af kon rollen.
In de tas zaten een doos stompe potloden, twee scharen met blauwe handvatten en een stapeltje papier tussen de bladzijden van een tijdschrift. Noor trok het tijdschrift niet meteen weg. Ze hield de stapel aan beide kanten vast en legde hem naast de plaat. De map was dikker geweest. Zelfs opgevouwen zou hij niet ongemerkt in deze tas passen.
‘Dit heeft Lio gemaakt,’ zei Mo.
Op het bovenste blaadje stond een hoge toren met twee ramen. Uit het ene hing een vlag, uit het andere een sok. Noor herkende de toren van het werken aan het verhalenboek. Lio had het dak steeds groter gemaakt, tot het bijna op een paraplu leek.
Noor bekeek de onderrand. Langs het afgesneden randje stond een smal zwart streepje.
‘Ook een kopie,’ zei ze.
Ada kwam kijken. ‘Ja. Dat is uit de stapel waarmee jullie mochten oefenen.’ Ze hield de onderrand bij de andere proefkopie. Bij allebei zat het zwarte afdrukstreepje vlak langs de snijrand. ‘Leg hem maar bij die kopieën. Niet tussen het schone papier, anders zitten we volgende week weer met tekeningen op de achterkant.’
Noor had willen vragen of het iets betekende dat Lio's toren in de tas zat. Maar iedereen had proefpapier mogen pakken. Zijzelf had een half vel gebruikt om uit te rekenen hoeveel stroken ze uit haar gekleurde papier kon halen. Ze zocht verder. Onder in de tas vond ze een borstel, een losse dop en een appel die van stof bleek te zijn. Mo drukte erop. De appel piepte zo hard dat het jongetje met de jas opkeek.
‘Voor de peuterochtend,’ zei Ada. Ze nam hem aan. ‘Dank je. Die zochten we ook nog.’
Het mobieltje begon te trillen tegen de pennenbak. Ada keek op het scherm en nam op. Noor schoof de scharen bij elkaar; er paste precies één hand tussen de stapel en de telefoon.
‘Dag Nina. Noor en Mo zijn hier. Vind je het goed als ik de luidspreker aanzet? We kijken samen welke spullen terug zijn.’
Ada wachtte op antwoord en tikte pas toen op het scherm.
‘Ik heb de kast zelfs een stukje van de muur gehaald,’ zei Nina. ‘Alleen een sok en een heleboel stof. De map ligt hier niet los. Lio heeft ook in zijn tas gekeken.’
Noor hoorde ergens achter Nina iets tegen een harde vloer tikken. Daarna haar stem weer, dichterbij.
‘Kun je me vertellen welke dozen Rik woensdag heeft opgehaald?’ vroeg Ada. ‘Niet wat erin hoorde, maar welke je echt aan hem hebt meegegeven.’
‘De dozen in de gang. Twee met boeken voor de markt, en een krat voor de bibliobus. Daar zaten die teruggevonden leenboeken in. Ik had ze op dinsdag al klaargezet.’
‘Heb je de inhoud nog gecontroleerd?’
‘De leenboeken wel. Die herkende ik aan de bibliotheekstickers. De marktboeken niet stuk voor stuk. Bovenop lagen boeken uit mijn werkkamer. Daar zat een heel groot plantenboek tussen; dat paste nergens rechtop.’
Mo legde de dop neer. ‘Waren de marktboeken ook in plastic kratten?’
Ada herhaalde de vraag, want Nina had hem niet goed verstaan.
‘Nee, in kartonnen dozen. Die van mij hoeven niet terug. De grijze kratten zijn van de bus.’
Noor keek naar het woord WOENSDAG. Tot nu toe had ze één stapel voor zich gezien: alle opgehaalde boeken bij elkaar, ergens achter een deur. Maar er waren dus verschillende stapels en verschillende deuren.
Ada schreef onder elkaar: BIBLIOBUS — GRIJS. MARKT — KARTON. ‘Heb je Rik zelf de dozen zien meenemen?’
‘Ja. Ik stond erbij. Hij heeft nog een foto gemaakt om door te sturen, met de dozen vooraan op de stoep. Vraag hem die maar. Misschien helpt het.’
‘Dat doe ik meteen. En wil je voorlopig niets weggooien van het papier dat je bij het zoeken bent tegengekomen?’
‘Het ligt allemaal op de keukentafel. Lio zal blij zijn als hij daar weer kan eten.’
Na het gesprek belde Ada Rik opnieuw. Deze keer liep ze een paar passen naar het raam; in de leeszaal werd er voorgelezen. Noor kon de antwoorden niet verstaan. Ze wachtte tot Ada terugkwam, in plaats van te proberen haar mond te lezen.
‘Rik is vanmiddag bij het plein,’ zei Ada. ‘De bibliobus ook. Hij brengt lege kratten terug. De foto zoekt hij op zijn telefoon. Hij weet niet uit zijn hoofd welke bruine doos waar stond.’
Mo trok zijn schrift uit zijn rugzak. Op het omslag zat een afgebladderde raket. ‘Dan tekenen we het toch? Als hij het aanwijst, hoef je niet alles te onthouden.’
‘Goed,’ zei Ada. ‘Maar we zoeken niet naar een doos die we al kennen. We weten nog niet of onze map daarin zat.’
Noor pakte de vos op. Onder zijn buik lag een stofje uit de boodschappentas. Ze blies het weg en zette het dier in het zijvak van haar tas, waar het niet onder de boeken zou komen. Toen schoof ze Lio's toren bij de andere kopieën. Het zwarte streepje langs de rand bleef zichtbaar. Meer dan dat hadden ze op dit moment niet aan dat vel.
Twee plekken om te vragen
Mo schoof de pennenbak opzij om zijn schrift op de balie te leggen. Noor tilde Ada's blocnote even op. Met een lang potlood tekende hij een vierkant voor de bibliotheek, daarnaast een rechthoek voor de bus. Voor het plein was geen ruimte meer over. Hij sloeg een bladzijde om en begon opnieuw, nu kleiner.
Ada keek naar de klok boven de deur. Bijna vier uur. ‘De bus blijft tot half vijf. Rik is er om vier uur. Als jullie meehelpen met een navraag, zijn jullie om kwart over vier terug.’
‘Kun jij niet even mee?’ vroeg Noor.
‘Ik ben tot kwart over vier alleen bij de balie. Daarna neemt mijn collega het over.’
Aan de andere kant van de balie legde een vrouw drie boeken neer. Ada scande ze en zocht iets op het scherm. Noor deed een stap opzij. De vrouw vroeg waar de reisgidsen stonden. Ze boog zich over hetzelfde stukje balie waar net de proefkopie had gelegen; Ada wees haar de kast.
Mo was bij het raam gaan staan. ‘Daar is de bus al.’
Door de bomen zag Noor een witte zijkant met groenblauwe letters. Een vrouw zette het trapje bij de deur uit. Naast het plein stond een bank waar meestal een hond aan werd vastgebonden terwijl zijn baas een krant haalde. Er zat nu niemand. Rik zou bij die bank op hen wachten.
‘Ik wil zien hoe die boeken de bus ingaan,’ zei Mo. ‘Volgens mij staat daar niet gewoon een berg dozen.’
Noor wilde juist de foto zien. Een foto veranderde tenminste niet van verhaal als je een vraag anders stelde. Ze keek naar de twee vakken in zijn schrift. ‘Misschien kan Rik aanwijzen wat hij heeft meegenomen.’
Ada kwam bij het raam. ‘Jullie kiezen één van die twee plekken. De andere vraag doe ik telefonisch. De medewerker van de bus weet dat jullie misschien komen. Rik ook. Het is vlakbij.’
Vanaf de balie waren het busportier en de bank allebei te zien. Aan de rand van het plein fietste een bezorger tussen twee paaltjes door. Het was hooguit een minuut lopen.
Noor belde haar moeder om te zeggen dat ze nog even op het plein gingen kijken en daarna naar huis kwamen. Mo sprak op Ada's telefoon met zijn vader. Hij moest nog brood meenemen. Hij schreef BROOD op zijn hand, naast een blauwe veeg die er al zat.
Ada pakte een klein kladvel. Op de ene helft schreef ze: WELKE LADING? Op de andere: FOTO VAN HET LADEN. Noor stopte het vel bij Mo's schrift.
‘We zoeken een bruine verhalenmap,’ zei ze zachtjes, om het even te proberen. ‘Ada vraagt wat er woensdag met de dozen is gebeurd.’ Dat klonk beter dan haar eerste zin, over iemand die hun map had meegenomen.
Mo had aan de onderkant van de bladzijde twee lege vakken getekend. Erboven schreef hij GEZIEN en GEZEGD.
‘Voor de foto,’ zei hij. ‘Anders teken ik straks wat Rik vertelt erbij en weet ik niet meer wat er echt op stond.’
Ze knikte. Het vak GEZIEN was nog helemaal wit.
Bij de deur hield ze haar tas iets van haar lichaam af, zodat het zijvak niet tegen de deurpost sloeg. Uit de bus kwam een man met een stapel boeken tot zijn kin. De medewerker pakte de bovenste twee van hem aan. Even verderop tilde een man in een donkerblauwe jas een opgevouwen steekkar uit een bestelauto. Hij keek naar de bank en stak een hand op naar Ada achter het raam.
Noor en Mo bleven onder de luifel staan. Als ze naar de bus gingen, konden ze zelf zien hoe de kratten eruitzagen. Bij Rik zouden ze de laadfoto kunnen bekijken en hem meteen vragen wat erop stond. Ada zou zorgen dat de andere informatie ook op tafel kwam. Mo hield zijn schrift klaar; zijn duim lag precies tussen de twee lege vakken.
Een kijkje in de bibliobus
Het trapje van de bibliobus veerde een beetje onder Noors voeten. Bovenaan deed ze een stap opzij, zodat Mo ook naar binnen kon. De ruimte rook naar natte jassen en de warme lucht die uit een rooster onder het raam kwam. Langs beide wanden stonden boeken, met lage randjes voor de planken. Achterin hing een riem voor een rij grijze kratten.
De medewerker legde een stapel dunne boeken op haar balie. ‘Jullie zijn van Ada?’
Noor vertelde over de map. Ze liet met haar handen zien hoe groot hij was. De medewerker luisterde zonder intussen boeken te scannen.
‘Dan zoeken we een losse map, geen boek van ons,’ zei ze. ‘Rik heeft gisteren een krat bij het depot afgeleverd. Die stond vanmorgen hier in de bus. Ik heb hem zelf uitgepakt.’
‘En de dozen?’ vroeg Noor.
‘Welke dozen?’
‘Bruine. Met marktboeken.’
De vrouw schudde haar hoofd. ‘Die komen niet in de bus. We hebben weinig plaats. Alleen de leenboeken gaan in onze kratten. Kijk, anders gaan ze in een bocht schuiven.’
Ze duwde tegen een krat op de vloer. Hij paste precies in een lage houder. Noor keek naar het smalle gangpad. Ze had gedacht dat de dozen gewoon achterin op elkaar stonden, net als de boodschappen thuis in de gang. Met drie ervan zou je hier nergens meer langs kunnen.
Mo wees naar de riem. ‘Dus die moet ook dicht als er niks bovenop ligt?’
‘Ja, anders schuiven ze. Willen jullie met de lege kaarthoesjes helpen? Groen bij groen en wit bij wit. Dan haal ik de lijst van gisteren erbij.’
Op de balie lag een stapel plastic hoesjes met gekleurde stroken. Een paar waren aan elkaar blijven plakken. Noor trok er twee voorzichtig uiteen; er kwam een statisch geknetter vanaf. Mo maakte met een boek een schotje tussen hun stapels, zodat de groene stroken niet weer bij de witte schoven.
De medewerker haalde een vel uit een map aan de muur. Ze wees alleen het onderste vak aan; de rest dekte ze met een ander blad af. In dat vak stond een afgevinkt aantal boeken, met de datum van woensdag ernaast.
‘Dit is de krat van Nina. Geen grote map erbij. Ik zou hem apart hebben gelegd, want zoiets is niet van onze collectie.’
‘Zat er een plantenboek in?’ vroeg Noor.
‘Dat weet ik niet meer. Wacht, dat kan ik zien.’ Ze keek op haar scherm. ‘Nee. Maar daaruit kun je niet afleiden dat het plantenboek weg is. Tweedehandsboeken voor de markt staan niet in dit systeem.’
Noor legde een groen hoesje op de witte stapel en haalde het meteen weer weg. Ze had Nina's plantenboek willen gebruiken om de hele doos terug te vinden. Hier werd het alleen maar een titel die de bus niet kende.
De vrouw trok een lege grijze krat een stukje naar voren. Onder een doorzichtig venstertje zat een kartonnen kaart. Ze schoof die eruit en gaf hem aan Mo. Er stond BIBLIOBUS — RETOUR op. Aan de zijkant zat een gat waar een lus door kon.
‘Deze gaat nu weer mee met de lege kratten. De tekst is steeds hetzelfde. Aan zo'n kaart kun je onze lading herkennen. Marktboeken hebben hem niet.’
Mo hield het kaartje boven zijn schrift en tekende de houder erbij. ‘Mag ik dat opschrijven?’
‘Graag. Maar dit exemplaar heb ik nodig.’
Hij gaf het terug en tekende in het vak GEZIEN een grijze krat met een kaarthouder. Noor maakte de laatste hoesjes los. De medewerker bond de stapel met een elastiekje vast en zette hem rechtop bij de deur.
Er klonk een tik op het raam. Een meisje stond buiten met een boek in haar opgestoken hand. De medewerker wees naar de open deur.
Noor stapte achteruit om haar door te laten. ‘Wilt u dit ook aan Ada vertellen? Van de map en de kratten?’
‘Ik bel haar meteen. Ze heeft me daarnet nog een bericht gestuurd.’
Buiten sloeg Noor haar jas dicht. Het was nog geen kwart over vier. Bij de bank stond Rik met zijn telefoon in zijn hand. Ze liep niet naar hem toe; Ada deed die navraag. Ze keek even terug naar het busportier. Van een afstand had de bus groot genoeg geleken om ieder boek ter wereld kwijt te kunnen. Nu zag ze de smalle ruimte tussen de wanden voor zich, en het lege vak dat precies bij de grijze krat paste.
‘Ik had die dozen daar al helemaal zien staan,’ zei ze.
Mo klapte zijn schrift dicht. ‘Ik ook. Boven op elkaar.’
Ze liepen terug naar de bibliotheek. Noor hield de deur voor Mo open. Hij trok zijn schouder opzij, zodat zijn rugzak niet tegen Noors tas stootte.
De foto op tafel
Ada had de grote tafel bij het raam vrijgemaakt. Op Ada's tablet, in een standaard naast de balie, stond een foto met een zwart vlak aan weerskanten. Mo schoof een stoel naar achteren. Noor legde haar tas op een andere stoel, zo dat het zijvak met de vos nergens tegenaan kwam.
‘Dit heeft Rik me gestuurd,’ zei Ada. ‘Ik zet het ook op papier. Dan kunnen jullie ernaast tekenen.’
Ze hield haar hand nog even op de stoelrug. ‘Eerst alles bij elkaar, want ik heb nu allebei de navragen gedaan. De medewerker van de bibliobus heeft de lading van gisteren gecontroleerd. Eén grijze retourkrat met leenboeken van Nina. De busmedewerker heeft hem uitgepakt en de titels nagekeken. Daar zat onze map niet bij. De kartonnen dozen zijn niet naar de bus gegaan.’
Noor keek naar het scherm. De grijze krat stond half achter een bruine doos. Je kon maar één van de handgrepen zien.
‘Die twee bruine dozen zijn marktboeken,’ ging Ada verder. ‘Rik bracht eerst de grijze krat naar het busdepot. Daarna reed hij met de bruine dozen naar de marktvoorraad. Hij zegt dat hij onderweg niets heeft overgepakt. De foto nam hij bij Nina voor de deur, vóór hij ging laden.’
‘Ze staan nog bij elkaar,’ zei Noor.
‘Op dat moment wel. De foto vertelt niet vanzelf wat er daarna is gebeurd. Daarom heb ik dat aan Rik gevraagd.’
De printer bromde. Er kwam langzaam een blad uit, met de foto iets groter dan op het scherm. Een van de donkere vlakken vulde bijna de hele onderste hoek. Ada pakte het bij de rand; er zat nog een tweede vel onder met alleen een stukje zwart erop.
‘Dat is het einde van de afdruk,’ zei ze. Ze legde het weg. ‘Hier staat alles op.’
Mo draaide zijn schrift naar een lege bladzijde en tekende de drie vormen na. Deze keer maakte hij er geen nette blokjes van. De open kleppen van de voorste doos staken uit; de grijze krat raakte hij bijna kwijt achter de andere randen. Hij tekende de handgreep groter dan op de foto.
Noor wees op een lichte rechthoek. ‘Is dat de voorkant?’
Mo hield zijn potlood stil. ‘Weet ik nog niet. Wacht even.’ Hij tekende ook de donkere strook naast de rechthoek. Daarna schoof hij zijn schrift naar het raam, waar het licht beter viel. Noor liet hem zijn lijnen afmaken.
In de leeszaal werd een stoel verzet. Ada's collega kwam binnen met een groene boodschappentas over haar schouder. Ze zei dag tegen hen en ging achter de balie zitten. Ada haalde haar eigen tas op, maar hing hem aan de stoel: ze ging nog niet weg.
‘Waar is die voorraad?’ vroeg Noor.
‘In het buurthuis. Niet hier op het plein. Daar is zaterdag de boekenmarkt. Ze hebben een aparte ruimte voor de boeken die nog uitgepakt moeten worden.’
‘Kun je nu al vragen of ze kijken?’
‘Ik heb de beheerder een bericht gestuurd. Nog voordat de foto kwam. Een bruine map zonder titel is alleen niet zo'n handige beschrijving tussen al die boeken.’ Ada legde haar telefoon op tafel. ‘Als hij er is, kijkt hij wat er los bovenop ligt. Ik wil vooral weten of Nina's dozen nog bij elkaar staan.’
Noor bekeek de foto weer. Het was raar dat een ding tegelijk verdwenen en ergens op een gewone vloer kon liggen. Ze had bij zoeken steeds aan verborgen plekken gedacht: onder een kast, achter een plint, in een tas met een dubbele bodem. Nu keek ze naar karton met omgekrulde randen. Als de map ertussen zat, was niemand langs een geheime deur gekomen.
‘Wat is dat lichte ding?’ vroeg ze.
Ada boog over het scherm. ‘Een boek, denk ik.’ Ze vergrootte de foto met twee vingers. De blokjes werden groter. Er verschenen geen nieuwe letters.
‘Nog groter helpt niet,’ zei Mo. ‘Dan zie je straks alleen vierkantjes.’
Ada maakte de foto weer kleiner. Op de afdruk leek de lichte rand net een boek dat op zijn kant stond. Daarachter zat een breder bruin vlak. Noor wreef met haar vingertop over het papier, hoewel ze wist dat er geen diepte in zat. Ze probeerde haar hand voor te stellen die tussen de boeken naar beneden ging.
‘Was er geen foto toen het in de auto lag?’
‘Rik heeft er eentje met zijn duim voor de lens. Daar kunnen we niets mee. Hij maakte geen reportage, hij wilde alleen laten zien hoeveel er kwam.’
Mo pakte de tissuebox van de vensterbank. Hij haalde eerst de laatste losse tissue eruit en gaf die aan Ada. Toen schoof hij de lege doos midden op tafel.
‘Mag ik deze?’
‘Ja, die mag straks bij het karton.’
Hij peuterde de gelijmde bovenkant open en trok de kartonnen flapjes uit elkaar. Van een paar oude folders op de vensterbank maakte hij een stapeltje en legde het erin. Noor hield de foto naast zijn doosje. Het paste nog niet: de korte zijkant zat aan de verkeerde kant, en de folders waren te smal.
‘Als het dit is,’ zei Mo, en hij tikte op een schuine rand in de foto, ‘moet die klep daar ergens zitten.’
Hij draaide het doosje en keek van bovenaf. Noor ging naast hem staan. Ze had een blik op de zijkant verwacht, maar ze zag nu de bodem naast de folders. Aan één rand bleef een brede strook vrij.
Ada schoof de foto wat dichterbij. Buiten liep iemand met een stapel boeken naar de bibliobus. De grijze krat op de afdruk bleef achter op tafel, samen met de twee bruine dozen. Mo trok een van zijn potloodlijnen door tot de rand van het papier. Noor volgde hem met haar ogen. Hij kwam niet uit waar zij had gedacht.
Een scheve strook plakband
Mo schoof het doosje een halve slag rond. De folders gleden tegen de korte kant aan. Hij duwde ze terug en vouwde een brede folder dubbel voor de bovenste laag. Langs één kant bleef de bodem zichtbaar.
‘Zo groot is het plantenboek ongeveer,’ zei hij. ‘Niet echt natuurlijk. Maar als dat erbovenop ligt, kun je hier nog iets zien.’
Hij wees naar de strook bodem langs de lange kant. Noor ging door haar knieën, zodat haar ogen op dezelfde hoogte kwamen als de rand. Van daaruit verdween de strook bijna helemaal. Toen ze weer opstond, kwam hij terug.
Mo draaide de afdruk op tafel. De grijze krat kwam links te staan, de open doos rechts. De vage rechthoek die Noor voor de voorkant had gehouden, werd een stuk van de bovenkant. Op de foto lagen de boeken plat. Ze stonden niet rechtop tegen de hoge rand.
‘Dat ding staat dus ook niet,’ zei Noor.
‘Nee. Het ligt onder die stapel. Kijk maar waar de klep zit.’
Nu zag ze de vouw: een lijn die ze eerst bij de tegels had gerekend. Daarachter zat de brede bruine rand. De buitenkant was niet glad zoals de kaft van het plantenboek. Langs het uiteinde liep een bleker streepje, een beetje als het versleten linnen op Ada's map. Op de korte zijkant van de doos glom een strook die schuin omhoogliep. Noor wist niet waar die voor diende.
Noor zette haar vinger ernaast, niet erop. ‘Kan dat de rug zijn?’
Ada boog voorover. Ze keek eerst naar de foto en toen naar Mo's doosje. ‘Het zou kunnen. Je ziet niet of er ook papier in zit. En er zijn meer bruine mappen. Maar we moeten dit aan Lio laten zien.’
‘Nu?’ vroeg Noor.
Ada had haar telefoon al gepakt. ‘Ja. Hij vertelde dat hij proefpapier meegenomen had. Ik wil weten of dit hem ergens aan doet denken.’
Terwijl het toestel overging, hield Mo de tissuebox met twee handen vast. Met zijn elleboog stootte hij tegen zijn schrift aan de tafelrand. Noor ving het op en legde het naast de foto. Er zat een kleine deuk in de onderhoek van het omslag.
Ada kreeg eerst Nina aan de telefoon. Ze vertelde van de foto en vroeg of Lio thuis was. Daarna draaide ze zich een beetje van de tafel af. Noor hoorde haar vragen of hij het goed vond dat zij en Mo meeluisterden. Ada wachtte, knikte en legde de telefoon neer met de luidspreker aan.
‘We horen je nu,’ zei ze. ‘Noor en Mo zijn er ook. Ik stuur de foto. In de open doos is een platte bruine rug te zien. Zou dat onze originele map kunnen zijn?’
Er kwam een kort tikje uit de telefoon, daarna geschuif. ‘Waar?’ vroeg Lio.
Ada omschreef de plek. Noor legde haar vinger weer naast de bruine rand. Dat moest de plek zijn die Ada bedoelde.
‘Ik heb hem wel meegenomen,’ zei Lio.
Mo keek op van het doosje. Ada bewoog niet.
‘De originele map?’ vroeg ze.
‘Ja.’
Noor trok de afdruk naar zich toe. Het dunne papier schoof met een schurend geluid over tafel. Ze had iets willen zeggen, maar nu ze haar mond opendeed, wist ze niet wat. Daar lag misschien haar verhaal onder een plantenboek, terwijl Lio de hele tijd had geweten dat hij de map mee naar huis had genomen.
‘Waar heb je hem gelaten?’ vroeg Ada.
‘In een doos in de gang. Om terug te brengen. Ik heb hem onderin gelegd, plat, want die map paste niet in mijn rugzak. Ik zou hem woensdag meenemen. Maar toen was de doos weg.’
‘Heb je dat aan Nina verteld?’
‘Niet van de map.’ Zijn stem werd zachter. ‘Ik vroeg waar de doos was. Ze zei dat Rik de boeken had opgehaald.’
Noor keek naar de twee bruine dozen. Als Lio zich niet vergiste, lagen er twaalf bijdragen in een van die twee dozen. Haar eigen twee bladen telden niet zwaarder dan de andere. Toch zag ze steeds de eerste regel voor zich.
‘Gisteren vroeg ik je ook naar de originele map,’ zei Ada. ‘Je zei dat je alleen proefpapier had.’
Het bleef even stil. In de telefoon kraakte iets. ‘Dat was niet waar,’ zei Lio. ‘Ik dacht dat hij misschien al bij jullie was teruggebracht. Toen jij zei dat hij er niet was... Ik durfde niet te zeggen dat ik hem had gehad.’
‘Maar je wist het dus wel,’ zei Noor.
‘Van meenemen wel. Van waar hij nu is niet.’
Ada legde haar hand vlak op tafel. ‘Dank je dat je het nu vertelt. Ik wil wel precies blijven: je hebt hem meegenomen zonder het te vragen, en gisteren heb je erover gelogen. We gaan zorgen dat hij terugkomt. Jij helpt daarbij.’
‘Ja.’
‘Waarom had je hem nodig?’ vroeg Mo.
‘Mijn blad. Dat was kapot. Ik wilde een nieuwe tekening ertussen doen. Niet de hele map houden.’
Noor liet haar blik over Mo's schrift gaan, naar de gedeukte hoek. Ze duwde met haar duim het papier vlak. Het veerde weer een stukje omhoog.
‘Is er iets weggegooid?’ vroeg ze.
‘Volgens mij niet. Mijn oude blad zit er ook nog in. Ik had de nieuwe erop gelegd.’
‘Dat moeten we controleren als de map terug is,’ zei Ada. ‘Niet alleen jouw bijdrage. Alles. Kunnen jij en Nina morgen na school hier komen? Met het papier dat je nog hebt, zodat je kunt laten zien wat je hebt gedaan?’
Nina kwam dichter bij de telefoon. Noor hoorde haar zeggen dat ze er zouden zijn. ‘En ik kijk nu nog een keer naar de foto. Ik had niet door dat er een map onderin lag. Ik zag die doos bij de andere boeken staan en heb er die grote boeken bij gezet.’
Ada vroeg haar de doos nog niet aan te wijzen op grond van alleen de kleur. Er waren er twee. Nina wist niet meer zeker in welke ze het plantenboek had gelegd; ze wilde het op het grotere scherm bekijken. Ze beloofde de proefbladen van de keukentafel mee te nemen. Lio zei nog een keer ja op de afspraak. Daarna klikte de verbinding weg.
Noor zat inmiddels op de rand van de stoel. Mo zette de tissuebox bij het oud papier. Hij had er niets meer aan toe te voegen.
Ada belde de marktbeheerder. Ze kreeg hem deze keer wel te pakken. Noor hoorde haar zeggen dat de twee woensdag gebrachte dozen van Nina waarschijnlijk een verhalenmap bevatten die niet voor verkoop bestemd was. Of de beheerder die lading apart wilde houden en voorlopig niet uitpakken. Ada luisterde, schreef iets op en vroeg wanneer ze er verder over konden spreken.
‘De voorraad blijft staan,’ zei ze toen ze had opgehangen. ‘Er is nu niemand in die ruimte om hem tussen de andere dozen uit te zoeken. De beheerder gaat het ook aan de vrijwilligers doorgeven. Morgen spreken we af hoe we erbij kunnen.’
Noor ademde uit. Pas toen merkte ze dat ze haar vingers tegen haar knieën had geklemd. Er stond een rood streepje op één knokkel.
‘Ze verkopen hem dus niet zomaar,’ zei ze.
‘Niet uit die voorraad,’ zei Ada. ‘Dat hebben we geregeld. Nu moeten we de juiste doos vinden, en dan elk omslagvel nakijken.’
Mo schoof de foto in zijn schrift. ‘Deze wil ik meenemen. Mag dat?’
Ada knikte. Zij hield de foto op haar telefoon. Noor pakte haar tas van de stoel. Het scheve oor van de vos kwam boven de rand uit. Ze zette het dier een stukje lager, zonder hem uit het vak te halen.
Bij de deur wachtte ze op Mo. ‘Die doos van jou,’ zei ze. ‘Ik zag pas wat je bedoelde toen je hem draaide.’
‘Ik eerst ook niet.’ Hij trok zijn mouw terug om op zijn hand te kijken. BROOD was uitgeveegd tot een vlek. ‘O ja. Ik moet nog langs de winkel.’
Ze liepen samen tot de hoek. Noor dacht aan Lio's ja uit de telefoon. Het paste niet bij de Lio die bij het tekenen altijd de potloodslijpsels van de tafel veegde, ook als niemand hem had gevraagd. Morgen zou hij aan hun tafel zitten. Ze wist nog niet wat ze dan tegen hem wilde zeggen. Wel wist ze dat ze hem de foto zou laten zien, met de doos de goede kant op.
Lio komt helpen
Vrijdag stond er al een bruine doos op tafel toen Noor de bibliotheek binnenkwam. Hij was leeg. Eén klep wees omhoog als een opgestoken hand. Ada had er twee stroken schoon papier onder gelegd om de tafel tegen het karton te beschermen.
Mo zat op zijn knieën op een stoel en haalde de foto uit zijn schrift. Lio stond aan de andere kant van de tafel. Hij hield een doorzichtige map met een drukknoop tegen zijn borst. Toen hij Noor zag, liet hij hem zakken.
‘Hoi,’ zei hij.
‘Hoi.’ Noor zette haar tas neer. Ze had onderweg zinnen bedacht die nu allemaal te luid leken voor de leeszaal.
Lio schoof zijn doorzichtige map over tafel. Er lagen twee kopieën in. Op de bovenste stond de toren met het grote dak. Noor zag de vlag en de sok, maar nu liep er een grijze baan dwars door het dak. Bij de vlag zat een wit hapje. Het leek op een klein wolkje dat tegen de toren was gebotst.
‘Dat is die oude,’ zei Lio. ‘Een kopie ervan. De echte zit nog in de verhalenmap. Hoop ik.’
‘Je zei gisteren dat hij er nog in zat,’ zei Noor.
‘Ik heb hem er niet uitgehaald toen ik de nieuwe erbij deed. Ik heb niet gezien wat er later in de doos is gebeurd.’
Noor trok de kopie iets naar zich toe. Dat verschil had ze wel gehoord, maar ze had het na het telefoongesprek in haar hoofd dichtgemaakt. Twee tekeningen zaten in de map toen Lio hem neerlegde. Of ze daar nu nog zaten, moesten ze zelf controleren.
Ada kwam erbij met een stapel tijdschriften. ‘Die mogen straks in de doos. Dan kunnen we kijken hoe de map heeft gelegen. Eerst laat Lio zijn papier zien.’
Lio wees niet op de hele tekening, maar op het dak. ‘Die vouw is geen daklijn. Een hoek lag dubbel toen ik de map dichtsloeg. Precies door het dak heen.’ Hij zette zijn nagel naast het witte hapje. ‘En hier ging het mis toen ik hem los wilde maken. Ik trok te hard.’
Mo keek van dichtbij. ‘Kun je op een kopie niet een stukje lijn erbij tekenen?’
‘Dan blijft dat grijze stuk midden door mijn dak lopen.’ Lio pakte de tweede kopie. Daar was de toren iets smaller en de dakrand korter. ‘Deze had ik thuis gemaakt. Het raam is ook groter, anders paste die sok niet.’
Noor legde de bladen naast elkaar. De oude sok hing scheef aan een punt; op de nieuwe tekening paste hij er helemaal doorheen. Op beide tekeningen stond een klein mannetje beneden dat omhoogkeek.
‘Die ziet de sok nog niet,’ zei Mo. ‘Volgens mij denkt hij dat het gaat regenen.’
Lio keek naar de punt van het dak. Voor het eerst sinds Noor binnen was, trok zijn mond een beetje omhoog. ‘Hij heeft zijn paraplu voor niks meegenomen.’
Nina kwam van de balie met een tas en twee losse boeken. Ze zette de tas op de vloer. Noor schoof haar stoel opzij zodat er een bij kon. Nina ging zitten, maar haalde eerst een dik schetsblok uit de tas.
‘Niet de map,’ zei ze toen Noor naar de bruine achterkant keek. ‘Deze gebruiken we om na te doen wat er in de doos zat. Hij is ongeveer even breed.’
Ada sloeg de lege doos open. ‘Vertel vanaf het moment dat je de map pakte, Lio. Je hoeft niet opnieuw het hele telefoongesprek te doen. Ik wil kunnen zien waar je hem neerlegde.’
Lio duwde zijn proefkopieën opzij en nam het schetsblok. Hij legde het eerst rechtop naast de doos, toen plat erin. Het ene uiteinde wilde niet langs de klep. Hij boog het blok, bedacht zich en draaide het een kwartslag. Nu paste het zonder buigen.
‘Zo. Met de rug aan deze kant. Ik had de doos uit de kast gehaald. Dinsdagavond, nadat ik de nieuwe tekening klaar had.’
‘En de map?’ vroeg Ada.
‘Die had ik na het werken van de knutseltafel gepakt. Je had gezegd dat ik proefvellen mocht meenemen. Ik had deze al gekopieerd.’ Hij tikte op de tekening met de grijze vouw. ‘De originelen lagen ernaast. Ik wilde thuis de nieuwe tekening op precies dezelfde maat maken.’
Noor keek naar Ada. Die knikte niet ter goedkeuring; ze wachtte tot hij was uitgepraat.
‘Alles zat bij elkaar. Ik heb gewoon de hele map gepakt. Dat had ik moeten vragen.’ Lio trok aan de drukknoop van zijn eigen mapje. Hij maakte hem open, drukte hem dicht, deed hem weer open. ‘Ik dacht dat ik hem terug kon leggen voordat iemand hem nodig had.’
‘Ik had hem zelf nodig,’ zei Noor. ‘We zaten woensdag allemaal te zoeken.’
‘Ja,’ zei Lio. ‘Ik wist toen al dat hij niet in de bibliotheek kon liggen als hij nog bij ons thuis was. Ik had het moeten zeggen. Ook toen ik nog niet wist waar de doos was.’
Noor schoof een van de tijdschriften naar zich toe. Ze wreef over een dikke niet in de rug. Ze had er geen zin in om te zeggen dat het niet gaf. Maar Lio stond aan tafel en had zijn eigen kopieën meegebracht. Ze duwde het tijdschrift naar hem toe, zodat hij verder kon.
‘Wat lag er toen bovenop?’ vroeg ze.
‘Niks. Ik had de kleppen naar binnen gedaan. Niet vastgeplakt. 's Ochtends wilde ik de doos meenemen.’
Nina keek in de lege doos. ‘En ik zag die kleppen en dacht dat de boeken klaarstonden om opgehaald te worden. Er stonden nog twee stapels naast. De leenboeken heb ik in de grijze krat gedaan. De andere heb ik over de bruine dozen verdeeld.’
‘Ik had er geen briefje op gedaan,’ zei Lio.
‘Nee. En ik heb niet gevraagd van wie die doos was,’ zei Nina. Ze pakte een van de boeken uit haar tas en legde het op het schetsblok. ‘Dit is van onszelf. Het is alleen om te proberen. Het grote plantenboek dat ik meegaf was breder.’
Noor nam de overige tijdschriften en reikte ze aan. Lio legde ze boven op het boek. Toen de doos halfvol was, was het bruine vlak van het schetsblok nog maar aan één kant zichtbaar. Het zat precies waar Mo gisteren de bodem had vrijgelaten.
‘Niet verder,’ zei Mo. Hij had de foto opgetild. ‘Nu staat het bijna hetzelfde.’
Noor liep om de tafel heen. Vanaf haar eerste plek had de doos niets met de foto te maken gehad. Naast Mo zag ze de hoge klep, de platte stapel en de smalle bruine rand. Ze hoefde de map niet door de boeken heen te zien. Er was echt een strook vrij.
Lio boog over de afdruk. Zijn vinger bleef boven de korte zijkant hangen.
‘Dit,’ zei hij. ‘Dat is volgens mij de doos.’
‘Waardoor?’ vroeg Ada.
Hij pakte de oefendoos bij dezelfde kant en draaide hem naar hen toe. Het karton was glad en heel. ‘Niet door de map. Hier hoort een scheur te zitten. Bij die van ons. Daar had mama plakband over gedaan.’
Nina trok de foto naar het raam. Noor ging naast haar staan. Ze keken nu naar het karton, niet naar de boeken erboven.
Wat er in de doos lag
Nina hield de afdruk vlak onder het raam, zonder hem tegen het glas te drukken. Op de korte kant van de voorste doos lag een glimmende strook. Een deel verdween in de schaduw van de klep.
‘Dat is geen sluiting,’ zei ze. ‘Dat heb ik erop geplakt omdat de zijkant was ingescheurd. Van schuin onder naar boven. Anders trok het gewicht de scheur verder open.’
Mo kwam met zijn schrift naast haar staan. Op de foto liep de strook schuin over de zijkant. Hij draaide het papier een stukje terug. ‘Zo bedoel je?’
Nina knikte. ‘Ja. En dat witte vlak ernaast...’
Noor ging op haar tenen staan om boven Mo's schouder uit te kijken. Bij de plakstrook zat een wit rechthoekje met een ongelijke rand. Ze had het voor een kaartje in de doos gehouden, maar het zat aan de buitenkant.
‘Daar zat een oud etiket,’ zei Nina. ‘Ik kreeg het er niet helemaal af. De bovenhoek liet wel los, de rest niet. Ik dacht: laat maar zitten, het is toch een boekendoos.’
‘Het was die uit de gangkast,’ zei Lio. ‘Daar zit altijd dat witte ding op.’
Ada trok de stoel dichterbij. ‘We hebben dus de scheur met het schuine plakband, en de etiketplek. Niet alleen een bruine doos. Kun je dat ook op de tweede doos zien?’
Mo keek naar de achterste. De korte kant zat voor een deel achter de grijze krat. De rand was daar recht. Er liep plakband over een andere naad, maar niet schuin over de zijkant. Het witte vlak ontbrak.
‘Die is het niet,’ zei Lio. ‘Daar had ik de map niet in gedaan.’
Noor pakte de foto weer op en hield hem voor de oefendoos op tafel. Zonder de scheur bleef dat hun oefendoos. Je kon hem vullen tot precies dezelfde hoogte en toch was hij nog niet de doos van Nina. Ze legde het papier neer en schoof het schetsblok terug onder het bovenste boek; het was bij het kijken een paar centimeter opgeschoven.
‘Waar lag de map precies toen jullie hem meenamen?’ vroeg ze aan Nina.
‘Ik heb de map niet zien liggen,’ zei Nina. ‘Ik heb de kleppen opengevouwen en er boeken in gezet. Dit boek zat erbij.’ Ze wees op het grote vlak op de foto. ‘Dat plantenboek. Maar ik ga het niet zekerder maken dan ik het weet.’
Lio haalde de proefkopieën naar zich toe. ‘Ik weet wel hoe ik de map neerlegde. Met de rug aan die lange kant. Anders past hij niet. Ik had de oude tekening en de nieuwe in mijn omslagvel gedaan en toen de hele map dichtgeslagen.’
‘Omslag acht,’ zei Ada. Ze maakte een aantekening bij zijn naam. ‘Dat houden we apart bij het nakijken. Twee versies van jouw tekening is niet hetzelfde als twee bijdragen.’
Noor dacht aan haar eigen twee bladen in omslag vier. Op het eerste stond het begin van de gang met zeven fietsen. Op het tweede ging het verder. Wie zomaar bladen ging tellen, kon het nog steeds fout doen.
Mo had een kleine schets van de zijkant gemaakt. Hij tekende de schuine strook dubbel, zodat die dikker werd, en een rechthoek met een ontbrekende hoek. Noor hield de afdruk voor hem stil terwijl hij de plek controleerde.
‘Niet daar,’ zei Nina, en ze tikte op zijn schets. ‘Volgens mij is het deze hoek van het etiket.’
Mo zette een kruisje bij de oude hoek en tekende de juiste. Hij gumde niet de hele doos uit. Noor schoof de gum die ze al had gepakt terug in het bakje.
Ada belde Rik. Ze vertelde wie er bij de tafel zaten en zette het geluid hard genoeg dat iedereen hem kon horen. Noor bleef naast Mo staan; op de lege stoel had Lio inmiddels zijn tas gelegd.
‘We denken nu de concrete doos te herkennen,’ zei Ada. ‘De voorste, met de schuine reparatiestrook over de korte kant en een half verwijderd wit etiket. Kun je bevestigen waar jij die hebt neergezet?’
Er klonk verkeer achter Riks stem. ‘Ik blijf even staan,’ zei hij. Daarna werd het rustiger. ‘Ja, die doos weet ik. Die heb ik van de stoep rechtstreeks in de auto gezet. Beide bruine dozen. De grijze krat is eerst bij het busdepot eruit gegaan. De doos die je beschrijft is naar het buurthuis gegaan.’
‘Naar de marktvoorraad?’
‘Ja. In de voorraadruimte, niet bij de uitleenboeken en ook niet hier in de bibliotheek. Ik heb ze met de andere marktboeken tegen de muur gezet. Maar vraag me niet welke doos nu bovenop staat. Er zijn na mij meer mensen gekomen.’
‘Heb je de doos onderweg geopend?’ vroeg Lio.
‘Nee. Alleen de kleppen naar binnen gevouwen toen ik hem droeg. Wat bovenop lag weet ik ongeveer; wat onderin zat niet.’
Lio keek naar het schetsblok onder in hun oefendoos. Hij had één hand op de rand gelegd. Noor zag dat zijn vingertoppen zo hard op het karton drukten dat er lichte vlekjes in zijn huid kwamen.
Ada herhaalde de kenmerken en de bestemming. Ze vroeg Rik of hij de foto met die beschrijving ook aan de beheerder wilde doorgeven. Hij zei dat hij dat meteen zou doen. Daarna nam Lio de telefoon een stukje dichterbij.
‘Er zit een map van de bibliotheek in,’ zei hij. ‘Die heb ik daar thuis in gedaan. Hij was niet voor de markt.’
‘Dan moeten we zorgen dat jullie hem terugkrijgen,’ zei Rik.
Ada nam de telefoon weer terug. Ze bedankte hem en legde het toestel naast haar lijst. Ze had de voorraad donderdag laten bewaren; nu kon ze de beheerder eindelijk vertellen welke doos eruit moest. Ze pakte een pen en schreef de twee kenmerken onder elkaar. Noor keek mee tot Ada het papier omdraaide om het telefoonnummer te zoeken.
Mo trok de afdruk een laatste keer recht. Het papier krulde aan de hoek waar hij het steeds vast had gehouden. Ada haalde een doorzichtig hoesje uit een lade en hij schoof de foto erin. Zijn zijkantschets stopte hij terug in zijn schrift. Hij duwde het schrift in zijn tas, naast zijn etui. Door het plastic leek het plakband op de foto nog iets glanzender.
Lio begon de oefendoos leeg te halen. Hij gaf de twee boeken terug aan Nina. Noor pakte de tijdschriften aan en legde ze weer op Ada's stapel. Het schetsblok kwam als laatste tevoorschijn. Er zat geen verhaal van iemand in, alleen een paar krassen van oud tekenwerk. Noor sloeg het niet open.
‘Die doos is stevig,’ zei Lio. Hij duwde voorzichtig tegen de korte zijkant. ‘Kunnen we die voor de map bewaren als hij terugkomt? Dan hoeft hij niet tussen de boeken.’
‘Dat kan,’ zei Ada.
Hij nam een leeg vel en schreef er in grote letters VOOR DE BIBLIOTHEEK op. Daaronder, iets kleiner: NIET VERKOPEN. Hij legde het nog niet op de map, die er niet was, maar schoof het met twee paperclips aan de binnenkant van de lege klep.
Noor hield de doos vast zodat hij bij de tweede clip kon. Voor hun neus lag nu geen raadselachtige stapel meer, maar een lege doos die ergens voor klaarstond. De echte doos was nog in het buurthuis. Onder de boeken daarin moest het bruine linnen tevoorschijn komen, en daarna alle twaalf omslagvellen. Ada schoof de foto naar de rand van de balie en zocht de marktbeheerder in haar telefoon op.
De markt is nog dicht
Ada trok haar agenda onder een stapel boeken vandaan. Er viel een leesbril uit. Ze ving hem met haar elleboog tegen de balie en zette hem op.
‘Nu wil ik weten hoe laat we naar binnen kunnen.’
Noor keek naar de telefoon. Het toestel lag naast Ada's fotohoesje. Op dat kleine plaatje paste de hele rij dozen naast Nina's voordeur. In het echt hadden ze voor één doos al drie mensen moeten bellen.
Lio stond met zijn handen onder de rand van zijn trui. Hij had een lange draad losgetrokken en draaide die om zijn vinger. Nina schoof een stoel naar hem toe. Hij ging niet zitten.
Ada kreeg de marktbeheerder aan de lijn. Ze vertelde welke doos het moest zijn: bruin, een schuine strook doorzichtig plakband over een scheur aan de korte kant en een oude witte etiketplek met een hapje uit de hoek.
Mo sloeg zijn schrift open bij de schets van de doos. Hij hield het zo dat Ada ernaar kon kijken terwijl ze luisterde. Noor wilde de foto erboven leggen, maar Mo hield zijn schrift op zijn plek. Hij had de scheur duidelijker getekend dan je hem op de foto kon zien.
Ada wees op de tekening en knikte naar hem.
‘Ja, die voorraad. U had al gezegd dat die apart zou blijven.’ Ze luisterde. ‘Dus niemand heeft er boeken uit verkocht?’
Noor kwam iets dichterbij. Aan de andere kant van de balie schoof een vrouw haar boeken voorzichtig langs hen heen. Noor ging opzij om de vrouw ruimte te geven.
‘Goed,’ zei Ada. ‘En kunnen we vandaag nog zoeken?’
Ze hoorde het antwoord aan zonder meteen iets terug te zeggen. Toen schreef ze een tijd in haar agenda.
‘Dan morgenochtend als eerste. Halfnegen. Ik kom mee. Zet u die rij tot die tijd niet op de markt? Er ligt kinderwerk onder de boeken. Geen boek met een prijsje.’
Mo liet zijn schrift zakken. Noor probeerde aan Ada's gezicht te zien of het goed nieuws was. Ada zag eruit als iemand die een afspraak opschreef. Meer niet.
Ze legde de telefoon neer.
‘Halfnegen bij de zijdeur van het buurthuis. De dozen staan nog in de afgesloten voorraadruimte. Ze worden morgen naar de tafels gebracht. Onze rij blijft dicht tot wij gekeken hebben.’
‘Waarom niet nu?’ vroeg Noor.
‘Vandaag hebben ze de ruimte achter de zaal gesloten. Morgenochtend gaat de beheerder er met de vrijwilligers weer aan het werk. Hij heeft bevestigd dat niemand onze dozen daarvoor uitpakt.’
‘Maar als hij de verkeerde rij bedoelt?’
Ada draaide de agenda naar haar toe. Naast de tijd stonden Riks naam, de twee kenmerken van de doos en het nummer van de voorraadrij. Ze wees ze alle drie aan.
‘Dit heb ik hem laten herhalen. De beheerder heeft nagevraagd waar de woensdaglading is neergezet. We gaan daar niet zomaar op de hele markt zoeken.’
Noor keek naar de foto. De doos stond er nog net zo op als een minuut geleden. Ze kon hem niet met haar ogen uit het plaatje trekken.
‘De markt begint om tien uur,’ zei Ada. ‘Het leesfeest hier om één uur. Als de map in die doos zit, hebben we tijd om hem te halen en na te kijken.’
‘Als,’ zei Lio.
Het woord kwam zo zacht dat Noor even dacht dat Mo het had gezegd. Lio had de draad inmiddels van zijn vinger gehaald. Er bleef een rode kring achter.
‘Ja,’ zei Ada. ‘Als. Daarom tellen we straks niet alleen een bruine kaft. We kijken naar het werk erin.’
‘Je had een lijst,’ zei Noor. ‘Van de bijdragen. Kunnen we die meenemen? Dan weten we ook of er een omslag ontbreekt.’
Ada trok een vel uit haar agenda. Er stonden twaalf nummers met namen op. Noor wees naar de lege kantlijn. ‘Hier kunnen de vinkjes.’
‘Goed idee. Deze gaat mee.’ Ada legde de lijst bij de foto.
Nina zette haar tas op de grond. ‘Ik kom ook. Dan help ik met de dozen. Je hoeft niet op de eerste beste tafel iets open te trekken.’
Ze zei het tegen Lio. Hij knikte naar zijn schoenen.
Noor dacht aan haar twee bladen. Ze wist precies waar op de eerste regel het woord fietsen stond. Daarna werd het minder precies. Ze had een zin doorgestreept en er iets boven geschreven. Als dat blad weg was, kon ze hem misschien nog opnieuw maken. Maar alle andere verhalen? Ze kende van sommige alleen de titel.
Mo tikte op de tekening in zijn schrift.
‘Deze neem ik morgen weer mee. Dan kan ik het zelf laten zien.’
‘Graag,’ zei Ada. ‘Dat is handig.’
Hij sloeg het schrift dicht en stopte het in zijn tas. Noor keek naar de foto in Ada's hoesje.
‘We nemen die ook mee, toch?’
Ada schoof de lijst achter de foto in het doorzichtige hoesje. ‘Deze blijft bij mij. Dan hebben we niet alles in één tas.’
De vrouw bij de inleverboeken kuchte. Ada had haar nog steeds niet geholpen. Ze stak één vinger op naar de kinderen en liep naar de scanner. Het piepje klonk zo gewoon dat Noor er bijna boos van werd. Ze waren misschien vlak bij het terugvinden van de map, en de bibliotheek ging door met boeken innemen.
Mo was op de onderste plank gaan zitten. Hij trok zijn veters uit elkaar en knoopte ze opnieuw vast. Noor bleef staan.
‘Ga je nu de hele nacht daar naar kijken?’ vroeg hij.
‘Nee.’
‘Je hebt de foto niet meer.’
‘Ik weet wel hoe hij eruitziet.’
Mo trok één lus langer dan de andere en begon opnieuw. Noor ging naast hem zitten. Haar knie stootte tegen de zijne. Ze schoof een stukje op, maar niet helemaal naar het andere eind.
Aan de balie vertelde Ada de vrouw waar de nieuwe kookboeken stonden. Lio hielp intussen Nina de lege stoelen terugzetten. Bij de tweede stoel trok hij te vroeg. Er schuurde een poot over de vloer. Hij hield stil en tilde hem daarna met twee handen op.
Toen Ada terugkwam, legde ze drie briefjes op de plank. Op ieder stonden de tijd en de zijdeur van het buurthuis.
‘Voor thuis,’ zei ze. ‘Laat even weten of jullie mogen komen. We spreken buiten af en gaan samen naar binnen. Niet alvast langs de kramen verdwijnen.’
Mo nam zijn briefje. Noor streek het hare plat op haar knie.
‘Moeten we iets meenemen?’ vroeg ze.
‘Je ogen. Je tekening. En iets waarin we de map droog terug kunnen dragen.’
Lio keek op. ‘We hebben die doos net klaargemaakt.’
Het werd even stil.
Hij wees naar het etiket. ‘Voor de bibliotheek. Niet verkopen. Dat staat er nu op.’
‘Die doos kan hier klaar blijven staan. Ik neem een tas met een vlakke bodem mee,’ zei Nina. Ze legde haar hand heel even op zijn schouder. Hij bleef ditmaal staan.
Noor stopte het briefje in het ritsvak van haar rugzak. De papieren vos zat verder naar binnen, tussen haar spullen. Ze raakte hem niet aan. Hij had hen niet naar de markt gestuurd en kon haar ook niet vertellen wat ze er morgen vonden.
‘We kunnen nu de tafel voor morgen klaarmaken,’ zei Mo. ‘Anders staan we om één uur met een map in onze handen en nergens om hem neer te leggen.’
Ada keek naar de grote tafel achter de kinderhoek. Daar lagen nog scharen, stukken papier en twee boeken die iemand had laten liggen.
‘Die moet inderdaad leeg.’
Mo stond op. Noor volgde hem. Ze konden de voorraaddeur vandaag niet sneller open laten gaan. Een boek van een tafel halen lukte wel.
Geen nieuw einde verzinnen
Onder het eerste boek op de tafel lag een dichtgeklapte schaar. Onder de schaar lag een strookje rood papier. Toen Noor dat optilde, zat er een schijfje opgedroogde lijm aan vast. Ze schoof alles naar het midden.
Mo bracht de boeken naar de inleverkar. Noor zette de schaar terug in het potje bij de andere scharen.
Mo pakte het afvalbakje. Noor liet het papier erin vallen. Een witte strook bleef aan haar vinger hangen. Ze trok hem los en merkte dat Mo wachtte tot ze haar hand uit het bakje had. Hij gooide niet zomaar de rest erbovenop.
Lio kwam met een doekje. Hij veegde het lege stuk tafel af. Bij een oude verfvlek wreef hij harder, tot Ada zei dat die er al sinds de vorige zomer zat. Lio ging verder bij een plek die nog wel weg kon.
Op de muur naast de tafel hing de poster voor het leesfeest. Daar stond het nog: VERHALEN VAN ONS ALLEMAAL. De letters waren elk in een andere kleur getekend. Noor herkende de paarse A. Ze had haar kleurpotlood tijdens het inkleuren drie keer moeten slijpen.
‘Als hij er niet in zit,’ zei ze tegen Mo, ‘heb jij je fiets nog?’
Mo tikte op zijn schrift. ‘Een andere. Die grote ligt in de map.’
‘Maar je kunt hem opnieuw tekenen.’
‘Ja.’ Hij sloeg zijn schrift open. ‘Dan wordt hij anders.’
Op een blad achter de dozen stonden kleine fietsen. Een had een veel te hoog zadel. Bij een andere zaten twee sturen bijna tegen elkaar. De fiets die Noor kende had drie sturen, boven elkaar en naast elkaar, alsof iedereen tegelijk wilde bepalen waar ze naartoe gingen. In dit schrift had Mo het voorwiel groter gemaakt.
‘Die is mooier,’ zei Noor.
‘Die gaat niet door de gangdeur.’
Hij zette zijn wijsvinger op de buitenste rand van het wiel. Noor had die deur nog niet getekend gezien. Nu zag ze dat de fiets er inderdaad niet doorheen kon. In haar verhaal kwamen de fietsen één voor één naar binnen, door een deur die steeds gewoon open kon.
‘Dan houden we die van de map,’ zei ze.
‘Als hij terug is.’
Noor ging zitten. Ze trok een leeg blad uit het bakje. In onze gang stonden zeven fietsen, schreef ze. Ze bleef met haar pen boven het papier hangen.
‘En geen ervan was van ons,’ zei Mo.
‘Dat weet ik.’ Ze schreef het op. ‘Ik weet alleen niet of ik daarna eerst die bel had. Of dat mijn vader eerst de deur opendeed.’
‘Ik weet het ook niet meer.’
‘Jij hebt het gelezen.’
‘Eén keer. Ik weet nog dat iemand door de brievenbus riep dat hij zijn stuur terug wilde.’
Noor schreef brievenbus in de kantlijn. Ze kon er een nieuwe zin van maken. Misschien was die zelfs beter. Maar dan kwam ze bij het eind en wist ze niet meer hoe ze daar de eerste keer was gekomen. Op haar echte bladen stonden alle kleine veranderingen nog. Ook de zin die ze op het laatste moment tóch had laten staan.
Ze legde haar pen neer. ‘Zo krijgen we niet dat boek terug.’
Mo draaide zijn schrift dicht. ‘Er zitten nog tien andere bijdragen in.’
Aan het uiteinde van de tafel knipte Lio een lang stuk karton door.
‘Ja,’ zei Noor. Ze keek niet naar hem. Ze keek naar haar eigen eerste regel. ‘Dan mogen we niet doen alsof onze twee genoeg zijn.’
Lio legde het karton naast de schaar. Ada had hem gevraagd standaards te maken, zodat er zaterdag iets rechtop kon staan. Hij vouwde een strook tot een driehoek en probeerde er een leeg vel op te laten rusten. Het gleed meteen voorover.
‘Er moet een randje aan,’ zei Mo.
Lio vouwde een smal flapje omhoog. Ditmaal bleef het vel staan. Hij duwde nog even tegen de achterkant om te zien of het niet omviel.
Noor schoof haar nieuwe blad onder het bakje, zodat het niet tussen het afval zou belanden. Ze keek naar Mo. Hij had zijn schrift alweer open bij de dozen.
‘Dat van woensdag,’ zei ze.
Mo keek niet op. ‘Wat?’
‘Dat ik dacht dat jij de map had verstopt.’
Zijn potlood bleef stil op het papier. Noor draaide de dop op haar pen, haalde hem er weer af en legde pen en dop los neer.
‘Ik had het gewoon aan je moeten vragen. Ik deed alsof je het al gedaan had.’
‘Je vroeg het ook,’ zei Mo. ‘Maar toen ik nee zei, dacht je het nog steeds.’
Dat was erger om te horen dan wanneer hij boos had gekeken. Noor knikte.
‘Sorry.’
Hij trok met zijn potlood een streep langs de rand van zijn doos. ‘Morgen leg ik de foto zelf uit. Ook als jij sneller kunt praten.’
‘Goed.’
‘En niet alvast mijn blad pakken.’
‘Goed,’ zei Noor nog een keer.
Mo zette zijn potlood opzij. ‘Jij kunt wel onthouden wat Ada allemaal vraagt. Ik vergeet steeds of ze het over een doos of een rij heeft.’
Noor trok Ada's briefje uit haar tas. Ze wees naar het ritsvak en stopte het daar weer in. ‘Dit raak ik niet kwijt.’
‘Dat zei je van je zwemdiploma ook.’
‘Dat zat achter de bank.’
‘Dus wel kwijt.’
Noor gaf hem het lege karton dat voor haar lag. Hij hield het voor zijn gezicht toen ze haar wenkbrauwen optrok.
Ada kwam kijken naar de eerste standaard. ‘Handig. Als we de map terughebben, kunnen we kopieën maken voor een kleine tentoonstelling. Dan hoeft niet iedereen tegelijk met zijn vingers aan de originelen.’
‘Of iets voordoen,’ zei Mo. ‘Van die fietsen.’
Hij zette drie kartonnen stroken naast elkaar op de tafel. Zijn handen werden sturen. Noor zag meteen iemand daarachter staan die nergens heen kon omdat de drie bestuurders elk een andere kant op trokken.
‘Niet met echte fietsen,’ zei Ada, nog voordat Noor iets kon zeggen.
‘Nee,’ zei Mo. ‘Dan zijn we tot volgende week bezig met banden plakken.’
Ada gaf hun een doos met papierklemmen en een stapel ongebruikt karton. ‘Bewaar jullie spullen bij elkaar. Morgenochtend halen we eerst de map. Daarna kiezen we wat er nog kan.’
Lio zette zijn standaard bij de doos. Hij duwde het flapje nog één keer plat met zijn duim. Nina stond bij de deur met haar jas over haar arm. Nu moest hij echt mee.
Noor legde het blad met haar opnieuw geschreven begin boven op het karton. Er zou morgen óf een origineel naast liggen, óf ze zouden verder moeten zoeken. Ze stopte de pen in haar eigen tas. Morgen zou ze dat blad hopelijk niet meer nodig hebben.
Voor de deuren opengaan
Thuis legde Noor het briefje van Ada midden op de keukentafel. Haar moeder zette er bijna een pan op.
‘Die moet je lezen.’ Noor trok het papier onder de handgreep vandaan.
Haar moeder nam de pan weer mee naar het aanrecht. Ze las het briefje terwijl ze met één hand in een la naar een onderzetter zocht.
‘Halfnegen. Is het dan al markt?’
‘Nee. Daarom mogen we dan juist. Ada gaat mee. En Nina.’
Haar moeder legde het briefje terug. ‘Goed. Dan moet je vanavond wel je wekker zetten. Hoe ga je erheen?’
‘Lopen. Mo komt hierlangs.’ Noor stopte het briefje in het ritsvak van haar rugzak.
Ze moesten hun brood nog smeren, hun tanden nog poetsen, naar bed en weer opstaan. Noor vond het vreemd dat daar een hele nacht tussen moest passen. De voorraadruimte stond intussen gewoon dicht. Als ze haar ogen sloot, zag ze geen bruine map maar een rij kartonnen dozen waarvan ze de onderkant niet kon zien.
Na het eten stuurde haar moeder een bericht aan Ada dat Noor mee mocht. Noor stond ernaast tot er een antwoord kwam. Toen het scherm weer donker werd, ging Noor naar boven.
Daar maakte ze haar rugzak leeg. Onderin vond ze de appel die ze donderdag niet had opgegeten. Er zat een zachte plek in. Ze bracht hem naar de keuken voordat ze verderging.
Het papieren vosje zat in het voorvak van haar tas. Het ene oor stond scheef. Bij de blauwe stip liep een dun vouwlijntje. Noor hield het dier boven haar hand. Het was veel kleiner dan alle dozen die ze morgen moesten bekijken.
Ze vond een klein, leeg doosje op haar bureau. De vos paste erin zonder dat zijn oren tegen de bovenkant kwamen. Ze sloot het deksel en zette het doosje in haar rugzak, boven op haar andere spullen.
Daarna pakte ze een potlood. Toen nog een. Een gum. Een rol plakband. Ze legde alles naast haar tas en keek ernaar. Waarvoor zou ze morgen een hele rol plakband nodig hebben? Om de map vast te plakken aan de bibliotheektafel?
Het plakband bleef op haar bureau. Eén potlood ging mee. Het briefje zat nog in het ritsvak. Ze controleerde dat en maakte de rits dicht.
Beneden ging de telefoon van haar moeder. Het was een bericht van Mo's vader: Mo mocht ook, hij zou om tien over acht bij Noor zijn. Hij nam zijn schrift mee. Noor liet terugsturen dat Ada de foto had en Nina een tas voor de map. Ze hoefden dus niet allemaal hetzelfde mee te slepen.
Daarna schreef ze op een stukje papier: WEKKER 7.30. Ze legde het naast haar wekker en vond zichzelf meteen nogal dom. Ze stelde de wekker in en gooide het stukje papier weg.
In bed keek ze naar de rand van het gordijn. Op straat reed een fiets voorbij met een bel die bleef rinkelen. Ze probeerde zich haar verhaal weer te herinneren. Zeven fietsen in de gang. Geen ervan van ons. Ze zag de oude versie van de gang in haar hoofd en daarna een heel andere, met Mo's enorme voorwiel dat klemzat in de deur.
Ze hoefde niet opnieuw te beginnen. Nog niet. Morgen gingen ze het echte papier halen.
De wekker ratelde op haar nachtkastje. Noor moest overeind om hem uit te zetten en bleef zitten met haar voeten op de vloer. De gordijnen waren bleek van het ochtendlicht.
Beneden stond haar moeder al met een mok aan het aanrecht. Noor at een boterham terwijl ze naar de klok keek. Ze kreeg een tweede mee voor later. Het trommeltje ging onder in de tas en het doosje met de vos erbovenop.
Om acht over acht ging de bel. Noor had haar schoenen nog niet gestrikt. Ze duwde de ene veter onder de andere en trok de knoop scheef. Toen maakte ze hem opnieuw. Van één minuut zenuwachtig doen werd de weg niet korter.
Mo droeg zijn schrift met de raketomslag onder zijn jas. Er stak een hoek uit.
‘Je bent te vroeg,’ zei Noor.
‘Er waren geen fietsen in onze gang.’ Hij trok zijn jas een stukje open. ‘Dan schiet het op.’
Ze liepen naast elkaar. De straat was anders dan na school. Voor de bakker stond al iemand te wachten, maar bij de bushalte zat niemand. Een man met een hond trok een tak uit de bek van het dier. De hond pakte de andere kant vast.
Mo bleef even kijken. Noor liep drie stappen door voor ze merkte dat hij niet naast haar was. Ze wachtte bij de stoeprand. Ze hadden nog ruim de tijd voor halfnegen.
‘Mijn vader wilde weten of ik op het feest iets ga voorlezen,’ zei Mo toen hij weer naast haar liep.
‘Wil je dat?’
‘Misschien. Niet alleen iets ophouden terwijl jij voorleest.’
‘Dan doen we dat niet.’
Hij knikte en trok zijn schrift verder onder zijn jas. Noor stopte haar handen in haar zakken. Ze had nog niet bedacht wat zij zelf wilde doen als iedereen keek. Eerst moesten er twaalf bijdragen op een tafel liggen.
Bij het buurthuis stonden de klaptafels al onder het afdak. Twee mensen droegen samen een stapel stoelen door de grote deur. Noor liep naar de kleinere deur aan de zijkant. Ada stond er met haar doorzichtige hoesje. De lijst met twaalf bijdragen zat achter de foto. Nina had een brede tas bij zich waar een stuk stevig karton op de bodem lag. Lio hield de andere hengsels vast.
‘Jullie zijn er,’ zei Ada. ‘Mooi op tijd.’
De marktbeheerder kwam naar buiten met een sleutelbos. Hij droeg een stofjas over zijn trui. Aan een van zijn mouwen zat een stukje schilderstape.
Mo pakte zijn schrift. Noor wachtte tot hij de juiste bladzijde had gevonden. Daarna schoof ze een stapje opzij, zodat de beheerder het blad goed kon zien.
‘Dit is de korte kant van de doos,’ zei Mo. ‘Hier zit de scheur. Die strook loopt er zo overheen.’
Hij trok de schuine lijn na met zijn vinger. De beheerder boog voorover om te kijken. Noor wachtte bij Mo tot hij klaar was. Daarna draaide de beheerder zich om en stak een sleutel in het slot.
Onder de stapel
De beheerder duwde de deur met zijn schouder verder open. In de voorraadruimte rook het naar karton en een beetje naar de vloer van de gymzaal op school. Langs de muur stonden dozen. Daartussen stond een opgeklapte tafeltennistafel.
‘Die rij daar,’ zei hij. ‘Vanaf de kast tot de gele streep.’
Noor keek naar de vloer. Er stond echt een gele streep op, half onder een stapel dozen. Ze was blij dat Ada een rij had laten bewaren. De hele kamer doorzoeken zou niet voor tienen lukken.
Ada hield de foto naast Mo's tekening. De beheerder wees naar de bovenste dozen. ‘Die moeten we eerst op de kar zetten. Aan deze kant niets afladen tot jullie klaar zijn, heb ik tegen de anderen gezegd.’
Hij trok een lage kar uit de gang. Nina zette de brede tas erop. Daarna hielp ze hem een zware doos naar beneden tillen. Er stond een oude naam op, in rode letters. De doos eronder had helemaal geen opschrift.
Noor telde de zichtbare korte kanten. Drie hadden een witte etiketplek. Twee waren met doorzichtig plakband gerepareerd. Op Mo's tekening leek het kenmerk heel duidelijk; hier was elke doos ooit van iemand geweest.
‘Deze?’ Lio wees naar een scheve plakstrook boven op een deksel.
‘Niet die kant,’ zei Mo. Hij draaide zijn schrift. ‘De scheur zit op de korte zijkant. Daar lopen ook die ribbeltjes dwars doorheen.’
Nina zette de volgende doos op de kar. Achter haar kwam een vrijwilliger met een stapel lege prijskaartjes voorbij. Hij vroeg waar de kinderboeken heen moesten. De beheerder wees naar de zaal en herhaalde dat deze rij nog bleef staan.
Noor zag iets wits onder een kartonnen flap, bijna op vloerhoogte. Ze hurkte. Het was een rechthoekige plek, met een stuk van de rechterbovenhoek eraf. Ze boog opzij om de rest te zien. De tafeltennistafel zat in de weg.
‘Hier zit er één met dat etiket,’ zei ze. ‘Maar ik kan het plakband niet zien.’
Ada kwam naast haar staan. Noor hoefde de doos niet meteen vast te pakken om te laten zien wat ze bedoelde. Ze wees langs het metaal van de tafel.
De beheerder keek ook. ‘Die andere doos rust er nog op. Die moet er eerst af.’
Hij haalde de rem van het wiel van de tafeltennistafel. Nina hield het uiteinde vast terwijl hij de tafel een stukje opzij rolde. Daarna zette hij de rem weer vast. Nu stond de korte kant vrij. Over een rafelige scheur liep een schuine, glanzende strook.
Noor voelde haar hand al naar de flap gaan. Als ze alleen het deksel een beetje optilde, zag ze misschien een boekrug. Maar op het lange eind rustte nog een tweede doos. Mo wees naar de naad tussen de twee.
‘Die zit er een stuk overheen.’
‘Ja.’ Noor trok haar hand terug. Ze keek van de kar naar een kleine werktafel bij het raam. ‘Als die op de kar komt, kan de onze straks op die tafel. Dan hoeft niemand boven een open doos te blijven hangen.’
Ze wees naar de werktafel. Er lagen rollen prijsetiketten op. De beheerder knikte naar Ada. ‘Dat is een beter plan.’
Ada verplaatste de rollen. Noor ging mee en legde ze bij elkaar in een leeg bakje. Onder een rol zat een elastiek vast. Ze trok het los voordat ze het bakje optilde.
Achter haar telde de beheerder af. Nina en hij tilden de bovenste doos tegelijk. Lio trok de kar een eindje naar hen toe en stopte toen een wiel tegen de gele streep kwam. Niemand hoefde nog een gewicht met gestrekte armen vast te houden.
‘Kijk nu eens,’ zei Nina.
De verdachte doos stond helemaal vrij. Noor liep eromheen. De scheur en de etiketplek zaten op dezelfde zijkant. Over de beschadiging liep het plakband schuin omhoog. Ada hield de foto zo dat het raamlicht er niet op glom. Op de foto liep de strook precies zo.
Lio kwam naast Noor staan. Hij raakte de gevouwen rand aan. ‘Ja. Hier bleef ik met mijn mouw achter hangen.’
Dat kon Noor niet op de foto zien. Hij zei het tegen Nina, die heel even haar lippen op elkaar drukte. Daarna pakte ze met de beheerder de doos op. Ze zetten hem op de vrijgemaakte tafel.
Het deksel was niet dichtgeplakt, alleen in elkaar geschoven. Noor liet Lio de eerste flap terugvouwen. Hij wist waar hij hem had ingestoken. Uit de hoek viel een los stukje bruin papier op de tafel. Boven op de stapel boeken in de doos lag een groot plantenboek.
Onder het plantenboek lagen nog meer boeken. Een dikke atlas, twee kleine paperbacks en een boek waarvan de kaft omkrulde. Noor stak haar handen uit.
‘Wacht even met stapelen,’ zei ze. Ze trok een lege krat naar de tafel. ‘Dan ligt er straks niet iets los tussen.’
Ada zette de krat stevig op de grond. Noor nam het plantenboek met twee handen en legde het erin. Mo haalde de kleine boeken uit de hoek. Nina tilde de atlas. De stapel in de doos werd lager.
Lio haalde adem alsof hij iets wilde zeggen. Er kwam niets. Noor keek langs zijn hand omlaag.
De bruine rand was vlakker dan een boek. Er zat een brede strook stof aan, met een lichte plek waar iemand hem vaak had vastgehouden. Een lang, gekruld boek lag er nog schuin overheen.
‘Daar,’ zei Noor.
Ada zette haar hand tegen de rand van de doos. Niet om hen tegen te houden; om hem stil te houden. Mo tilde het laatste boek eraf. De bruine kaft lag over de hele bodem.
Op het papierlabel stonden twee woorden. Het tweede was een beetje scheef geschreven. Noor herkende de grote, ongelijke letters.
VOOR ZATERDAG.
Het was zaterdag. Ze hadden hem op tijd gevonden. Noor glimlachte al en beet toen op de binnenkant van haar wang. Eerst moesten ze hem nog openmaken.
De bruine rug
Ada pakte de map bij de twee lange kanten. Noor tilde de rand mee over de doos. Er schoven bladen tegen het karton, maar niets viel eruit. Ze legden de map op het midden van de tafel.
De linnen rug had een paar blauwe vlekjes. Aan de buitenkant zat een kras die Noor niet kende. Ze kon niet zien of die er al was geweest of van de doos kwam. Op het label zat geen prijssticker.
Lio hield zijn handen boven de map en trok ze weer terug. Ada sloeg de kaft open.
Er lag een omslagvel met een grote 1 erop. Daarachter staken witte, gele en blauwe randjes uit. Noor zag een stukje getekend wiel. Ze wilde het eruit trekken, maar schoof eerst haar rugzak van haar schouder.
‘De lijst,’ zei ze.
Ada haalde het papier dat ze hadden meegenomen uit haar hoesje. Noor streek het plat aan de lege kant van de tafel. Er stonden twaalf nummers op, met de namen van de makers erachter. Noor pakte haar potlood. De lege kantlijn was voor de vinkjes.
‘We bekijken één omslag tegelijk,’ zei Ada. ‘Anders ligt alles straks op de verkeerde plaats.’
Noor ging bij de lijst staan. Mo trok een stoel voor Lio bij de tafel. De beheerder keek op zijn horloge en knikte hun toe.
‘De doos kan straks op de lege stapel. Ik ben hiernaast als jullie nog iets nodig hebben.’
Hij liep de zaal in. Achter de deur schoof een tafel over de vloer. Noor hoorde iemand roepen dat daar een kleed onder moest. Het waren nu hun twaalf bijdragen en een potlood tegenover een hele markt in aanbouw.
Nummer 1 bevatte een verhaal met een getekende wolk boven de titel. Nummer 2 was op groen papier geschreven. Bij nummer 3 zaten de twee bladen met een paperclip aan elkaar. Ada keek telkens eerst naar de naam en bladerde dan de bijdrage door. Noor zette pas een vinkje wanneer ze knikte.
Daarna kwam 4.
Noors eigen omslagvel was aan één kant wat dunner geworden. Ze had daar te vaak met haar gum overheen gewreven om het cijfer netjes te krijgen. Er staken twee bladen in. Niet haar nieuwe halve versie van vrijdag, niet een kopie. Twee echte bladen met zwarte inkt.
In onze gang stonden zeven fietsen, en geen ervan was van ons.
Noor legde haar vinger niet op de woorden, maar ernaast. Onder de derde regel stond een haaltje waar haar pen was blijven hangen. Halverwege had ze eerst straks geschreven en er toen ineens van gemaakt. Het nieuwe woord stond er scheef boven.
‘Hij is het,’ zei ze.
‘En de tweede?’ vroeg Ada.
Noor sloeg hem om. Onderaan stond het einde, met zo weinig wit eronder dat ze haar naam er in de hoek bij had moeten proppen. Ze voelde pas nu hoe strak ze het potlood vasthield. Ze legde het even neer.
‘Allebei.’
Mo keek naar het blad. ‘Was het dus toch eerst de bel?’
‘Nee. Eerst deed mijn vader open.’
Ze hoefde hem niet te bewijzen dat zij dat bijna nog wist. Het stond er gewoon. Noor stopte haar twee bladen terug en zette een vinkje bij 4.
Mo vouwde zijn tekening bij 5 voorzichtig open. De twee buitenste sturen verschenen eerst, daarna het middelste. Het wiel was kleiner dan in zijn schrift. De fiets paste precies in de getekende gang. Aan de achterste bagagedrager hing een tas die Noor niet eerder had opgemerkt.
‘Die neemt de boodschappen mee,’ zei Mo toen hij haar zag kijken. ‘Anders heeft iedereen wel een stuur maar niemand eten.’
Hij vouwde het blad langs de bestaande vouwen dicht. Noor wachtte tot het helemaal in het omslagvel zat voor ze het vijfde vinkje zette.
Bij 6 lag een gedicht. Bij 7 een verhaal op gelinieerd papier. Toen kwam er een omslag met 9 erop.
Noor hield haar potlood stil.
‘Acht zit achteraan,’ zei Lio snel. ‘Die had ik eruit.’
Ada bladerde niet haastig de hele stapel door. Ze legde 9 met de inhoud dichtgevouwen aan de zijkant en keek onder de resterende omslagen. 10, 11, 12. Daaronder lag een omgekeerd vel.
Noor zag het cijfer pas toen Ada het draaide. De twee ronde bogen van de 8 waren met een dikke zwarte stift gemaakt. In de omslag zaten twee tekeningen.
De eerste had een hoge toren en een dak dat breed uitstak als een paraplu. Uit het ene raam wapperde een vlag. Uit het andere hing een sok. Een scherpe vouw liep door het dak. Bij de vlag zat een klein scheurtje. Geen grijze afdruk ervan, zoals op de kopie die Lio vrijdag had laten zien. Het papier was daar echt open.
Nina hield haar hand onder het blad toen Ada het optilde. ‘Niet verder trekken,’ zei ze zacht.
Terwijl Lio naar het scheurtje keek, bekeek Noor de tweede tekening. Het dak was smaller. Een raam zat hoger en de vlag paste verder van de rand. De sok hing nog precies even slap.
‘Je hebt ze allebei teruggedaan,’ zei Noor.
‘Ik wilde nog kijken welke.’ Lio streek zijn vingertoppen over de lege tafel. ‘Ik wist het niet. Daarna moest ik naar beneden en heb ik alles dichtgedaan.’
Ada legde beide bladen op elkaar, de beschadigde ondersteund door het andere. Ze schoof ze in omslag 8. ‘Dan blijven ze nu samen. We gaan in de bibliotheek kijken welke je erbij wilt laten zien.’
Mo schoof 8 voor 9 terug. Noor zette het vinkje. Ze hoefden het ontbrekende nummer niet meer in de doos of tussen marktboeken te zoeken. Het had omgekeerd onder de rest gelegen.
De laatste vier bijdragen kwamen ook tevoorschijn. Ada controleerde namen, omslagen en de bladen erin. Bij 12 keken ze voor de zekerheid nog onder het omslagvel. Het was echt de laatste.
Noor telde haar vinkjes. Twaalf. Ze begon nog een keer, ditmaal met het potlood boven de nummers in plaats van ertegenaan. Mo keek mee. Na 12 zei hij niet dertien om haar te plagen. Hij knikte.
Ada sloot de kaft. Nina hield haar tas open, met de vlakke bodem op de tafel. De map kon erin zonder te buigen. Ada nam de hengsels over.
Noor keek nog in de lege boekendoos. Een los stukje verpakkingspapier lag in de hoek. Meer niet. Ze hoefde er niets uit te redden.
Toen ze naar buiten liepen, stond in de zaal het eerste bordje met een prijs omhoog. De map ging langs de andere deur naar buiten, in Ada's hand. Noor liep ernaast met twaalf vinkjes in haar tas.
De vos bleef staan
Op de terugweg hield Ada de tas zo dat hij niet tegen haar been sloeg. Noor liep aan de straatkant. In de etalage van de bakker stonden nu broodjes die er eerder nog niet lagen. Ze kon weer ergens naar kijken zonder te zoeken naar een bruine hoek of een strook plakband.
Bij de bibliotheekdeur trok Ada haar sleutel tevoorschijn. Nina nam de tas even over. Lio wilde hem van haar aanpakken, maar ze hield de bodem recht totdat Ada de deur open had. Toen droegen ze hem samen naar de grote tafel.
Daar stond het doosje met kartonnen standaards. Noors halve nieuwe begin lag er nog bovenop. Het leek vreemd dun naast de echte map. Ze legde het onder haar eigen spullen. Ze hoefde het niet weg te gooien. Het hoefde alleen niet te doen alsof het de oude versie was.
Noor haalde de lijst uit haar tas. Ada nam hem van haar aan. ‘Twaalf.’
‘En acht zit weer op de goede plek,’ zei Mo.
‘Dat zag ik. Goed dat jullie bij de namen en de bladen hebben gekeken.’ Ze legde de lijst vooraan in de map. ‘Nu weten we tenminste wat we opbergen.’
Lio bleef achter zijn stoel staan. De bibliotheek was nog dicht voor gewone bezoekers. Zijn schoenzool piepte toen hij zijn voet verplaatste.
‘Ik moet nog iets zeggen,’ zei hij.
Ada ging zitten, niet achter de balie maar aan de tafel. Noor keek naar Lio. Ze had hem donderdag al horen vertellen wat hij gedaan had. Nu draaide hij niet meer weg toen ze keek.
‘Woensdag wist ik niet dat hij naar de markt was,’ zei hij. ‘Maar ik wist wel dat ik de map mee had genomen. Dat had ik moeten zeggen. Niet alleen van dat proefpapier.’
Nina keek naar hem en knikte. Ze antwoordde niet voor hem.
‘Ja,’ zei Ada. ‘Dan hadden we eerder geweten waar we moesten zoeken. En de originelen mogen niet zonder overleg mee naar huis. Ook niet als je iets wilt verbeteren.’
Lio schoof zijn stoel met beide handen naar achteren en ging zitten. ‘Ik neem hem niet meer mee.’
‘Als je later nog iets wilt veranderen, spreken we hier af wat ermee gebeurt. Voorlopig blijft deze map hier. Een kopie van je eigen werk mag mee, de map niet.’
‘Goed.’ Hij keek naar Noor en Mo. ‘Sorry dat jullie op de verkeerde plekken moesten zoeken.’
Mo legde zijn schrift op tafel. De raket op de omslag had een witte kras. ‘Die plekken wist jij ook niet.’
‘Nee.’
‘Maar die doos wel.’
Lio knikte. Noor trok haar stoel naar de tafel. Ze wilde niet opnieuw horen dat hij het echt niet zo had bedoeld. Ze wilde dat de map bleef waar ze hem allemaal konden vinden. Ada had nu gezegd waar dat was.
Nina haalde het kleine briefje met de afspraak uit haar jaszak. ‘En ik had moeten vragen wat er in die doos terug moest. Ik zag boeken en ik had een stapel voor de markt. Toen heb ik hem erbij gezet.’
‘Rik dacht dat het donaties waren,’ zei Noor.
‘Dat had ik ook tegen hem gezegd.’ Nina vouwde het briefje op. ‘Hij heeft gebracht wat ik klaar had gezet.’
Noor keek naar Mo's schrift. Zonder zijn tekening hadden ze op de foto een bruine rand gezien en er misschien een boek van gemaakt. Op een foto kon een map bijna verdwijnen terwijl hij er gewoon op stond. In een huis kon een retourdoos een donatiedoos worden zonder dat er iets aan de buitenkant veranderde.
Ze opende haar rugzak en haalde het kleine doosje eruit. Ze tilde de vos voorzichtig van de bodem. Ze zette hem op het lege stuk tafel, naast de verhalenmap. Zijn kop wees langs de bruine kaft naar Ada.
‘Deze was tenminste echt van jou,’ zei Noor.
‘Ja,’ zei Ada. ‘Die heb ik zelf gevouwen. Voor de woensdagroute.’
Ada stond op en haalde de bewaarde proefkopie uit het doorzichtige mapje. Er stond Noors eerste regel op. De rand was afgesneden en langs de kant liep het dunne afdrukstreepje dat ze inmiddels kenden.
Noor sloeg haar eigen bijdrage open. Daar stond dezelfde regel, maar zonder dat streepje. Haar handschrift was donkerder en onder de derde regel zat het haaltje van haar pen.
Ze schoof de twee niet over elkaar heen. Ze liet ze naast elkaar liggen: een origineel, een proefkopie en de vos van proefpapier. Niemand had haar echte verhaal in een dier veranderd.
‘Je had er ook een eend van kunnen maken,’ zei Mo.
‘Die kan ik niet zo goed,’ zei Ada.
‘Dan hadden we misschien de hele tijd naar een bad gezocht.’
Noor draaide de vos een stukje naar Mo. ‘Zelf kan hij geen stap zetten. Wij hebben al het lopen gedaan.’
‘En Ada al het bellen,’ zei Nina.
Ze lachten, maar Lio keek nog naar het proefvel. Noor deed de map voorzichtig dicht. Ze schoof hem niet voor zijn neus weg. Het werk van hem zat er nog in, tussen dat van de anderen. Alleen ging het voortaan niet meer ongevraagd mee naar huis.
Ada keek naar de klok. ‘Ik bel Rik en de marktbeheerder dat alles compleet is. Ze weten dat we de map hebben, maar dit willen ze ook weten. Daarna gaat hier de deur open.’
‘En om één uur het feest,’ zei Noor.
‘Precies. We mogen nu eindelijk aan het feest beginnen.’
Mo trok het doosje standaards naar zich toe. Hij zette zijn schrift ernaast en keek naar de lege vloer bij de voorleesstoel. Noor volgde zijn blik.
‘De tafel kan,’ zei hij. ‘Met kopieën. Dan kunnen mensen zelf kijken.’
‘Ook naar die twee torens?’ vroeg Noor aan Lio.
Hij dacht na. ‘Als er niet alleen mijn naam heel groot boven staat.’
‘Nee. Gewoon bij de rest.’
Mo hield zijn handen boven de tafel alsof hij de drie sturen weer vast had. ‘Of we doen dat stukje met de fietsen. Niet het hele verhaal uit ons hoofd. Ada kan het voorlezen en wij doen een stukje.’
Noor pakte een lege standaard. Ze kon haar bladen erop zien staan, met ruimte voor Mo's tekening ernaast. Daarna keek ze naar de vloer. Daar kon ze de voordeur van haar verhaal maken, met twee stoelen als deurposten. Mo hoefde niet stil naast haar een bord omhoog te houden. Hij wilde zelf iets zeggen.
Lio legde een strook karton tussen hen in. ‘Als je zegt wat we doen, kan ik die op maat knippen.’
Ze hadden nog tijd, papier en een complete map. Ditmaal was het geen keuze tussen twee plekken waar iets misschien lag. Ze konden echt iets gaan maken.
De tafel met twee versies
Noor zette de eerste standaard op tafel. Ze schoof een leeg vel op het randje en deed een stap achteruit. Het zag eruit alsof er één brief aan de hele bibliotheek moest worden voorgelezen.
‘Er moeten er meer,’ zei ze.
Lio gaf haar de andere standaards. Mo legde een groot blad dwars voor de rij. De fiets zou rechtop maar half op de tafel passen, zei hij. Bovendien viel het onderste stuur weg achter het vouwrandje.
Ada nam de originele bijdragen mee naar de kopieermachine. Noor liep mee om de omslagvellen op volgorde te houden. Ze legde na elke kopie het origineel direct terug. De grote tekening kopieerden ze in twee delen. Ada liet ze een beetje overlappen; dan konden de wielen niet opeens los van de fiets naast elkaar komen te liggen.
Bij omslag 8 keek Ada naar Lio. Hij pakte eerst de nieuwe tekening. Daarna schoof hij de oude ernaast.
‘Die ook,’ zei hij. ‘Maar de scheur niet verder openvouwen.’
Ada ondersteunde het papier op de glasplaat. Op de kopie leek het scheurtje weer een grijs lijntje. Noor snapte dat ze vrijdag niet had kunnen voelen hoe dun het daar echt was.
Terug bij de tafel had Mo twee kartonnen stroken aan elkaar gemaakt. De tekening kon er nu plat op liggen, een beetje schuin omhoog. Het bovenste deel schoof nog wel naar beneden als iemand langs de tafel liep.
Noor legde er een standaard voor. Daarmee bedekte ze de onderkant van het wiel.
‘Dat kan niet,’ zei Mo.
Ze haalde hem weg. ‘Een klem?’
Hij hield de overlap vast terwijl Noor twee papierklemmen over de randen schoof. Het midden bleef vrij. De twee halve wielen vormden weer één rond wiel.
Om elf uur kwamen twee andere kinderen hun bijdrage bekijken. Een van hen had nummer 2 geschreven. Ze wees naar de rij standaards.
‘Als ik daarvoor sta, zie ik daarachter niks.’
Noor liep om de tafel heen. Aan haar kant hadden alle bladen vrij geleken. Nu keek ze tegen vijf lege achterkanten aan. Ze begon de hele rij naar zich toe te trekken en stopte.
‘Kun jij die helft naar de andere kant zetten?’ vroeg ze. ‘Dan kan je aan twee kanten kijken.’
Het meisje pakte twee standaards. Mo schoof de fiets naar de korte kant, waar iedereen hem kon zien zonder over een verhaal heen te buigen. Lio zette zijn twee torens naast elkaar met een klein strookje wit ertussen.
Noor maakte kaartjes met de namen. Ze schreef bij iedere bijdrage hetzelfde formaat letters. Bij de torens zette ze geen kruis door het oude dak en geen pijl met FOUT. Ze schreef EERSTE TEKENING en TWEEDE TEKENING. Lio las het kaartje en draaide het een tikje rechter.
De verhalen die uit meer bladen bestonden, kregen een klem bovenaan. Daaronder schreef Noor klein: Je mag de kopieën omslaan. Ze probeerde het zelf bij haar twee bladen. De eerste keer trok ze de hele standaard mee. Mo hield de voet vast en ze klemden de bladen iets minder diep.
Ada bracht de bruine map terug. Ze legde hem op de aparte voorleestafel, uit de buurt van het knutselmateriaal. De lijst zat vooraan. De twaalf omslagen lagen eronder, dicht.
‘Deze blijft hier bij mij,’ zei ze. ‘De tafel is om zelf te kijken. Dit zijn de originelen waaruit ik straks voorlees.’
Noor pakte de vos van de grote tafel. Ze probeerde hem tussen haar naamkaartje en de fietstekening te zetten. Hij keek precies tegen een klem aan. Ze zette hem daarom naast de bruine map, waar geen klemmen stonden.
Nina kwam kijken. Ze liep helemaal om de tafel heen en bleef aan de korte kant staan. ‘Nu wil ik die fiets wel weten.’
Mo ging naast haar staan. Hij wees niet alleen naar de drie sturen, maar ook naar de tas aan de bagagedrager. Noor pakte nog één leeg naamkaartje. Zij kon straks bij de verhalen helpen. Mo wist meer van de tekeningen.
Een plek tussen de boeken
Vlak voor één uur liep Noor voor de derde keer om de tafel. Alle kaartjes stonden nog goed. De kopieën ook. Ze wilde de fiets een stukje naar links schuiven, maar Mo stond daar al met een vrouw die vroeg hoe dat middelste stuur werkte.
‘Niet allemaal tegelijk,’ zei hij. ‘Dan wordt het ruzie.’
Noor liet de fiets staan. Bij haar eigen verhaal sloeg een jongetje de eerste kopie om. Ze keek automatisch naar de klem. Die bleef vastzitten. Het jongetje las verder en sloeg daarna nog eens terug naar het begin.
‘Zeven is wel veel,’ zei hij.
‘Voor een gang wel,’ antwoordde Noor.
‘Voor een schuur niet.’
Ze kon hem moeilijk tegenspreken. Hij boog zich weer over het blad. Noor liep verder in plaats van naast hem te blijven wachten tot hij alles had gelezen.
Aan de andere kant van de tafel wees een meisje naar het groene papier. Haar vader had er met zijn vinger bijna op getikt. ‘Dit is de kopie,’ zei ze. ‘De echte heeft een vlekje. Dat zit hier ook op.’
Ze klonk trots op het vlekje. Noor keek naar de bruine map naast Ada's stoel. Alle echte vlekjes, doorgestreepte woorden en scheuren zaten daar veilig in hun omslagvellen. Zelfs het kleine vlekje had een plek op de tafel gekregen.
Ada tikte op de rand van haar mok en wachtte tot de mensen zich omdraaiden.
‘We gaan beginnen. Er zijn stoelen en er zijn kussens. Als je naar de tafel wilt kijken, kan dat straks ook nog.’
Noor ging op een kussen zitten met één knie onder zich. Mo plofte op het kussen ernaast en trok de omgekrulde hoek recht. Lio ging een rij achter hen zitten, bij Nina. Zijn handen lagen leeg op zijn knieën.
Ada tilde de map op zodat iedereen de voorkant kon zien. ‘Hier zitten de verhalen en tekeningen van twaalf kinderen in. Voor vandaag hadden ze de werktitel Voor zaterdag. Dat is nu.’
Een paar mensen lachten. Noor keek naar het scheve woord op het label. Ada had het niet mooier overgeschreven voor het publiek.
Ze las eerst het verhaal bij 1. Noor kende de wolk boven de titel, maar niet alles wat eronder stond. Ze luisterde naar een meisje dat onder een regenwolk door probeerde te fietsen zonder nat te worden. Naast haar zat Mo met zijn hoofd een beetje schuin. Hij tekende ditmaal niets. Zijn potlood zat in zijn schrift.
Toen Ada bij 4 kwam, ging Noor rechter zitten. Het papier ritselde. Ada keek naar haar.
‘Wil jij het begin doen?’
Noor had niet geoefend om op te staan. Ze stond toch op. Ze liep naar Ada, die het eerste blad ondersteunde zodat ze het niet voor iedereen hoefde vast te houden.
‘In onze gang stonden zeven fietsen, en geen ervan was van ons.’
De woorden kwamen niet zo hard als ze had verwacht. Ze keek naar de achterste rij. Haar moeder zat er naast Mo's vader. Ze konden haar horen. Noor las de volgende alinea en zag op het kussen Mo zijn hand heel even als een bel bewegen.
Ze gaf het blad terug. Ada las verder. Nu de woorden niet meer door Noor zelf gelezen werden, hoorde ze iets dat ze op het papier nooit had opgemerkt: de brievenbus kwam precies op het goede moment open. Er werd gelachen. Niet heel hard, maar lang genoeg om Ada even te laten wachten.
Bij de grote tekening vertelde Mo waarvoor de drie sturen waren. Hij ging niet staan wachten tot Noor iets aanvulde. Ze hield haar mond en keek naar de tas met boodschappen die een bezoeker nu óók ontdekte.
Lio liet bij 8 de twee torens zien. Eerst de oude, daarna de nieuwe. Ada hield het beschadigde blad aan de onderkant tegen een stevig vel.
‘Deze had ik eerst,’ zei Lio. ‘Toen wilde ik het dak anders. Op de nieuwe is het smaller.’
Een kind vroeg waarom de sok niet naar binnen waaide. Lio keek even naar de vlag. ‘Aan de sok zit een knijper.’
‘Dat kun je niet zien.’
‘Nee. Die zit achter het raam.’
Noor keek achterom. Lio glimlachte voor het eerst die middag zonder meteen zijn mond weer dicht te doen. Niemand vroeg om de hele geschiedenis van de boekendoos voor de volle zaal te vertellen. De mensen kwamen voor het werk kijken.
Na het voorlezen liep bijna iedereen naar de tafel. Noor hielp het jongetje van de zeven fietsen het goede blad weer vinden. Nina hield een klem vast voor iemand die het niet tegelijk kon lezen en omslaan. Er kwam limonade, op een andere tafel, zo ver van de originelen dat zelfs Noor het goed vond.
Later legden ze de kopieën bij elkaar. Sommige konden de makers meenemen. De naamkaartjes gingen in het doosje met standaards. Mo trok de klemmen van zijn twee fietsdelen en hield ze tegen elkaar tot Noor er een schoon vel omheen schoof.
Ada maakte op de plank naast de voorleesstoel ruimte. Niet helemaal bovenin. Op ooghoogte van Noor, met een stevig boekensteuntje aan het eind. Daar kwam de bruine map. Ervoor lag een kaartje: Vraag Ada als je onze verhalen wilt lezen.
‘Niet meer bij de opruimdozen,’ zei Nina.
‘Nee,’ zei Ada. Ze legde de lijst met de twaalf vinkjes vooraan en sloot de kaft. ‘Dit is zijn plek.’
Noor zette de vos ernaast. Zijn scheve oor wees naar de map; de blauwe stip bleef zichtbaar. Ze schoof hem iets van de rand af, zodat een voorbijgaande tas hem niet kon raken.
Mo was al bij de boekenrekken. Hij hield twee boeken omhoog. ‘Deze heeft een kaart. Deze heeft alleen maar mensen die verdacht kijken.’
Noor koos er geen voor hem. Ze pakte zelf een boek van de plank en las de eerste bladzijde. Toen nam ze het mee naar de balie.
Buiten liep haar moeder een paar passen voor hen. Mo had zijn fietskopie onder zijn arm. Noor had één gewoon bibliotheekboek in haar tas. Ze wist nog niet hoe het afliep. Dat vond ze nu precies genoeg.