De draak die zachtjes niesde
Riff en Cato brengen een lampion naar Oma’s nieuwe huis. Dan komt er een heel klein niesje. En een heel echt gat. Hoe brengen ze hun kwetsbare cadeau nu heel bij Oma?
Een volledig prentenverhaal met 14 grote platen. Jij leest voor; samen nemen jullie de tijd.

Plaat 1 van 14
Oma woont sinds vandaag aan de andere kant van de beek. Bij haar nieuwe raam hangt nog niets.
‘Wij brengen een lampion,’ zegt Cato.
Op de tuintafel staat hun oranje lampion. Drie blauwe sterren zitten erop. De vierde ligt op Riffs poot. Hij houdt hem zo voorzichtig vast dat zijn tong uit zijn mond steekt.
Je kunt samen aanwijzen wat nog op de lampion moet. Alleen luisteren mag ook.
Een vraag voor samen. Niets hoeft.
Het verhaal is uit. Nog eens kijken? Met ‘Nog een keer’ begin je weer bij de eerste plaat.
Hier lees je alle platen achter elkaar. Als de bladerknoppen werken, verschijnt één plaat tegelijk.
Plaat 1

Oma woont sinds vandaag aan de andere kant van de beek. Bij haar nieuwe raam hangt nog niets.
‘Wij brengen een lampion,’ zegt Cato.
Op de tuintafel staat hun oranje lampion. Drie blauwe sterren zitten erop. De vierde ligt op Riffs poot. Hij houdt hem zo voorzichtig vast dat zijn tong uit zijn mond steekt.
Zie jij de losse blauwe ster?
Je kunt samen aanwijzen wat nog op de lampion moet. Alleen luisteren mag ook.
Plaat 2

Er kriebelt iets in Riffs neus.
‘Hatsjie.’ Het is maar een klein niesje. Toch vliegt de ster omhoog. Hij blijft aan een van Riffs hoorns hangen.
Cato schiet in de lach. ‘Je bent nog niet aan de beurt om versierd te worden.’ Riff kijkt omhoog. Zijn eigen hoorn kan hij helemaal niet zien.
Waar is de ster nu terechtgekomen?
Kijk samen naar Riffs hoorn. Een voorspelling hoeft niet te kloppen.
Plaat 3

Cato haalt de ster van zijn hoorn en plakt hem op de lampion. Nu zijn het er vier.
Het gele batterijlampje gaat in haar schoudertas. Het plakband en een restje blauw papier gaan erbij. In dat restje zit nog het gat waar de laatste ster uit is geknipt.
Riff pakt het blauwe draagkoord. ‘Op naar Oma.’
Wat zou jij meenemen naar Oma?
Je kunt even over het cadeau praten, of meteen verder lezen. Er hoeft niets gekozen te worden.
Plaat 4

Bij de beek ligt een smalle houten brug. Riff loopt voorop. De lampion bungelt naast hem; zijn staart zwaait de andere kant op.
Cato blijft even staan om naar een vis te kijken.
‘Kom je?’ roept Riff. Voorbij de brug ziet hij Oma’s huis al, met de blauwe luiken naast het raam.
Zie jij wat Cato in de beek bekijkt?
Je kunt samen naar het water kijken. Je hoeft de vis niet te zoeken als je kind liever verder wil.
Plaat 5

Aan het einde van de brug hangt een lage wilgentak over het pad. Riff stapt erlangs.
Dan rimpelt hij zijn neus weer. ‘Hatsjie.’
Zijn poot schokt. De lampion zwaait opzij en blijft achter een twijgje haken. Rrrts. Riff staat doodstil. De oranje lampion heeft een scheur.
Wat denk je dat er nu gaat gebeuren?
Laat een idee gerust staan. Het verhaal gaat vanzelf verder; er is geen goed antwoord nodig.
Plaat 6

Cato tilt het papier voorzichtig van het twijgje. Een rafelige flap hangt naar binnen.
Riff draait de lampion een halve slag. De scheur zit nu aan de achterkant.
‘Zo,’ zegt hij. ‘Ik zie hem niet meer.’
Cato kijkt eromheen. ‘Ik nog wel.’
Riff laat zijn poot zakken.
Ze zetten de lampion naast het pad neer. Oma’s raam is nog leeg. Riff wil hem niet zo brengen.
Zie jij de losse flap papier?
Je kunt het gat in de afgebeelde lampion aanwijzen. Je hoeft niets in eigen papier te maken.
Plaat 7

Naast het pad staat een brede boomstronk. Cato zet de lampion erop. Riff duwt de scheurranden tegen elkaar. Het papier kreukelt, maar het gat blijft open.
Cato rommelt in haar tas. Daar is het blauwe restje.
‘Dit is groter dan de scheur.’ Ze houdt het ertegen. Middenin zit het uitgeknipte sterrengat.
Waar zou het blauwe restje passen?
Bekijk samen het papier en de scheur. Je kind hoeft de reparatie niet uit te leggen.
Plaat 8

Riff houdt het blauwe papier vast. Cato schuift het een stukje omhoog, tot de scheur erachter verdwijnt.
Ze plakt de randen vast met korte stukjes doorzichtig plakband. De uitgeknipte ster valt precies over het gat in het oranje papier.
‘Onze lampion heeft een raam,’ zegt Riff. ‘Nu nog een gordijntje.’
Zie jij het nieuwe raampje?
Je kunt de stervorm volgen met je vinger. Knutselen is niet nodig om door te lezen.
Plaat 9

Cato haalt het lampje uit haar tas. Ze drukt op het knopje en hangt het aan het haakje binnen in de bovenste houten ring.
De lampion gloeit oranje. Maar door het nieuwe raampje schijnt het licht bijna wit.
Riff draait de lampion langzaam rond. Vier blauwe sterren. En één ster waar je doorheen kunt kijken.
Welke ster laat het licht door?
Kijk naar het verschil tussen de blauwe sterren en het lichte sterrengat. Je hoeft niets te tellen.
Plaat 10

Net als Cato het plakband opbergt, trekt Riff een raar gezicht.
‘Wacht even,’ zegt hij.
‘Hatsjie.’ De lampion ritselt. Het blauwe stukje bolt een beetje op, maar blijft zitten.
Riff bekijkt alle randen. Geen nieuwe scheur.
Cato hangt haar tas weer om. ‘Zullen we ons raam nu maar naar Oma brengen?’
Denk je dat het lapje blijft zitten?
Je kunt samen kijken naar de geplakte randen. Het antwoord wordt in het verhaal zichtbaar.
Plaat 11

Dit keer draagt Cato de lampion aan het koord. Riff houdt de onderste houten ring vast. Zo kan de lampion niet tegen een tak zwaaien.
Ze lopen naast elkaar over het laatste stukje pad. Bij de deur laat Riff de ring los en klopt aan.
Achter het raam beweegt iets. Een grijze vlecht komt tevoorschijn. Daarna Oma.
Zie jij wie er achter het raam staat?
Je kunt samen naar het raam kijken. Je hoeft geen naam of antwoord te vragen.
Plaat 12

‘Kom binnen,’ zegt Oma. ‘Ik heb net een plek gevonden voor mijn stoel.’
Cato geeft haar het blauwe koord. Riff wijst meteen naar het lapje.
‘Hij heeft onderweg een scheur gekregen.’
Oma draait de lampion om.
‘En nu heeft hij een extra raam,’ zegt Cato.
Oma houdt haar hand voor het sterrengat. Een licht vlekje valt op haar vingers. ‘Hij doet het al,’ zegt ze.
Zie jij het licht op Oma’s hand?
Je kunt het kleine raam in de lampion aanwijzen. Het gesprek mag ook gewoon doorgaan.
Plaat 13

Boven het lege raam zit een haak. Oma hangt de lampion eraan. Cato zet haar tas naast Oma’s stoel.
Buiten zakt de zon achter de wilgen. De lampion gloeit warm in de schemering. De ster in het blauwe lapje straalt tussen de vier dichte sterren.
Oma doet een stap achteruit. ‘Ja. Precies daar.’
Waar hangt het cadeau nu?
Kijk samen waar de lampion een plek heeft gekregen. Je kunt ook zacht verder lezen.
Plaat 14

Oma schuift haar stoel bij het raam. Cato gaat op de brede vensterbank zitten. Riff nestelt zich op de vloer, met zijn staart om zijn laarzen.
Ze kijken hoe het buiten langzaam donker wordt.
‘Vanaf de brug kun je hem vast zien,’ zegt Cato.
Oma legt haar hand op de armleuning. ‘Dan weten jullie voortaan precies waar je moet zijn.’
Bij wie zou jij nog eens op bezoek willen?
Een naam noemen mag, maar hoeft niet. Samen naar de laatste plaat kijken is ook een mooi einde.
Alle 14 platen achter elkaar bekijken
Plaat 1

Oma woont sinds vandaag aan de andere kant van de beek. Bij haar nieuwe raam hangt nog niets.
‘Wij brengen een lampion,’ zegt Cato.
Op de tuintafel staat hun oranje lampion. Drie blauwe sterren zitten erop. De vierde ligt op Riffs poot. Hij houdt hem zo voorzichtig vast dat zijn tong uit zijn mond steekt.
Zie jij de losse blauwe ster?
Je kunt samen aanwijzen wat nog op de lampion moet. Alleen luisteren mag ook.
Plaat 2

Er kriebelt iets in Riffs neus.
‘Hatsjie.’ Het is maar een klein niesje. Toch vliegt de ster omhoog. Hij blijft aan een van Riffs hoorns hangen.
Cato schiet in de lach. ‘Je bent nog niet aan de beurt om versierd te worden.’ Riff kijkt omhoog. Zijn eigen hoorn kan hij helemaal niet zien.
Waar is de ster nu terechtgekomen?
Kijk samen naar Riffs hoorn. Een voorspelling hoeft niet te kloppen.
Plaat 3

Cato haalt de ster van zijn hoorn en plakt hem op de lampion. Nu zijn het er vier.
Het gele batterijlampje gaat in haar schoudertas. Het plakband en een restje blauw papier gaan erbij. In dat restje zit nog het gat waar de laatste ster uit is geknipt.
Riff pakt het blauwe draagkoord. ‘Op naar Oma.’
Wat zou jij meenemen naar Oma?
Je kunt even over het cadeau praten, of meteen verder lezen. Er hoeft niets gekozen te worden.
Plaat 4

Bij de beek ligt een smalle houten brug. Riff loopt voorop. De lampion bungelt naast hem; zijn staart zwaait de andere kant op.
Cato blijft even staan om naar een vis te kijken.
‘Kom je?’ roept Riff. Voorbij de brug ziet hij Oma’s huis al, met de blauwe luiken naast het raam.
Zie jij wat Cato in de beek bekijkt?
Je kunt samen naar het water kijken. Je hoeft de vis niet te zoeken als je kind liever verder wil.
Plaat 5

Aan het einde van de brug hangt een lage wilgentak over het pad. Riff stapt erlangs.
Dan rimpelt hij zijn neus weer. ‘Hatsjie.’
Zijn poot schokt. De lampion zwaait opzij en blijft achter een twijgje haken. Rrrts. Riff staat doodstil. De oranje lampion heeft een scheur.
Wat denk je dat er nu gaat gebeuren?
Laat een idee gerust staan. Het verhaal gaat vanzelf verder; er is geen goed antwoord nodig.
Plaat 6

Cato tilt het papier voorzichtig van het twijgje. Een rafelige flap hangt naar binnen.
Riff draait de lampion een halve slag. De scheur zit nu aan de achterkant.
‘Zo,’ zegt hij. ‘Ik zie hem niet meer.’
Cato kijkt eromheen. ‘Ik nog wel.’
Riff laat zijn poot zakken.
Ze zetten de lampion naast het pad neer. Oma’s raam is nog leeg. Riff wil hem niet zo brengen.
Zie jij de losse flap papier?
Je kunt het gat in de afgebeelde lampion aanwijzen. Je hoeft niets in eigen papier te maken.
Plaat 7

Naast het pad staat een brede boomstronk. Cato zet de lampion erop. Riff duwt de scheurranden tegen elkaar. Het papier kreukelt, maar het gat blijft open.
Cato rommelt in haar tas. Daar is het blauwe restje.
‘Dit is groter dan de scheur.’ Ze houdt het ertegen. Middenin zit het uitgeknipte sterrengat.
Waar zou het blauwe restje passen?
Bekijk samen het papier en de scheur. Je kind hoeft de reparatie niet uit te leggen.
Plaat 8

Riff houdt het blauwe papier vast. Cato schuift het een stukje omhoog, tot de scheur erachter verdwijnt.
Ze plakt de randen vast met korte stukjes doorzichtig plakband. De uitgeknipte ster valt precies over het gat in het oranje papier.
‘Onze lampion heeft een raam,’ zegt Riff. ‘Nu nog een gordijntje.’
Zie jij het nieuwe raampje?
Je kunt de stervorm volgen met je vinger. Knutselen is niet nodig om door te lezen.
Plaat 9

Cato haalt het lampje uit haar tas. Ze drukt op het knopje en hangt het aan het haakje binnen in de bovenste houten ring.
De lampion gloeit oranje. Maar door het nieuwe raampje schijnt het licht bijna wit.
Riff draait de lampion langzaam rond. Vier blauwe sterren. En één ster waar je doorheen kunt kijken.
Welke ster laat het licht door?
Kijk naar het verschil tussen de blauwe sterren en het lichte sterrengat. Je hoeft niets te tellen.
Plaat 10

Net als Cato het plakband opbergt, trekt Riff een raar gezicht.
‘Wacht even,’ zegt hij.
‘Hatsjie.’ De lampion ritselt. Het blauwe stukje bolt een beetje op, maar blijft zitten.
Riff bekijkt alle randen. Geen nieuwe scheur.
Cato hangt haar tas weer om. ‘Zullen we ons raam nu maar naar Oma brengen?’
Denk je dat het lapje blijft zitten?
Je kunt samen kijken naar de geplakte randen. Het antwoord wordt in het verhaal zichtbaar.
Plaat 11

Dit keer draagt Cato de lampion aan het koord. Riff houdt de onderste houten ring vast. Zo kan de lampion niet tegen een tak zwaaien.
Ze lopen naast elkaar over het laatste stukje pad. Bij de deur laat Riff de ring los en klopt aan.
Achter het raam beweegt iets. Een grijze vlecht komt tevoorschijn. Daarna Oma.
Zie jij wie er achter het raam staat?
Je kunt samen naar het raam kijken. Je hoeft geen naam of antwoord te vragen.
Plaat 12

‘Kom binnen,’ zegt Oma. ‘Ik heb net een plek gevonden voor mijn stoel.’
Cato geeft haar het blauwe koord. Riff wijst meteen naar het lapje.
‘Hij heeft onderweg een scheur gekregen.’
Oma draait de lampion om.
‘En nu heeft hij een extra raam,’ zegt Cato.
Oma houdt haar hand voor het sterrengat. Een licht vlekje valt op haar vingers. ‘Hij doet het al,’ zegt ze.
Zie jij het licht op Oma’s hand?
Je kunt het kleine raam in de lampion aanwijzen. Het gesprek mag ook gewoon doorgaan.
Plaat 13

Boven het lege raam zit een haak. Oma hangt de lampion eraan. Cato zet haar tas naast Oma’s stoel.
Buiten zakt de zon achter de wilgen. De lampion gloeit warm in de schemering. De ster in het blauwe lapje straalt tussen de vier dichte sterren.
Oma doet een stap achteruit. ‘Ja. Precies daar.’
Waar hangt het cadeau nu?
Kijk samen waar de lampion een plek heeft gekregen. Je kunt ook zacht verder lezen.
Plaat 14

Oma schuift haar stoel bij het raam. Cato gaat op de brede vensterbank zitten. Riff nestelt zich op de vloer, met zijn staart om zijn laarzen.
Ze kijken hoe het buiten langzaam donker wordt.
‘Vanaf de brug kun je hem vast zien,’ zegt Cato.
Oma legt haar hand op de armleuning. ‘Dan weten jullie voortaan precies waar je moet zijn.’
Bij wie zou jij nog eens op bezoek willen?
Een naam noemen mag, maar hoeft niet. Samen naar de laatste plaat kijken is ook een mooi einde.