Otis had de hele reis op één blad gekregen. De bus, de voetveer, het paadje langs de muur van het fort. Zelfs de plek waar ze weer op de boot moesten stappen stond erop. Het enige wat buiten het blad viel, was tante Renée.
Hij schoof de kaart onder zijn boterham toen zijn moeder de keuken binnenkwam.
‘Je kruimelt op de zee,’ zei ze.
Otis tilde de boterham weer op. Er zat een natte afdruk op de hoek van het haventje. Hij wreef er met zijn mouw overheen. Daar werd het papier dun van.
‘Heb je Renée al gesproken?’
Hij vouwde de kaart dubbel. ‘Ik zou haar nog bellen.’
‘Dat zei je gisteren ook.’ Nelle zette haar boodschappentas op een stoel en trok een prei uit het hengsel. De prei had zich dwars door het net met mandarijnen gestoken. ‘Jij wilde die toetjes maken. Ze heeft speciaal twaalf glazen bij elkaar gezocht.’
‘Ik weet het.’
Dat was juist vervelend. Hij wist precies hoe de glazen eruitzagen: zes hoge, vier lage en twee die vroeger voor mosterd waren geweest. Hij had ze zelf op Renées keukenvloer in een rij gezet. Als ze in de hoge glazen drie lagen koek deden en in de lage twee, zou het ongeveer gelijk uitkomen. Zijn tante had gezegd dat hij chef mocht zijn. Zij zou alleen dingen aangeven.
Toen was er nog geen fort geweest.
Nou ja. Het fort stond al een paar honderd jaar op dat eiland. Maar Zora had hem pas dinsdag gevraagd of hij zaterdag mee wilde. Haar vader vond dat ze samen de bus en de veerboot mochten nemen. Mits ze de terugweg óók uitzochten. Die had Otis meteen uitgezocht. Woensdag had hij aan de keukentafel het geld nageteld. Donderdag had hij op school tegen Zora gezegd dat alles geregeld was.
Alles had toen vooral betekend dat hij heel graag wilde.
Zijn moeder pakte de mandarijnen uit het net. ‘Je kunt haar gewoon vertellen dat je twee dingen hebt afgesproken. Dan zoeken jullie uit wat nog kan.’
‘Dan zegt ze dat ik eerst met haar had afgesproken.’
‘Dat klopt.’
‘Dus dan weet ik het antwoord al.’
Nelle hield een mandarijn omhoog met een diepe preideuk erin. ‘Je weet nog niet wat zij zegt. Bel haar.’
Otis draaide zijn telefoon om. Zora had een bericht gestuurd. Een foto van haar rugzak, met een flesje water dat er scheef uitstak. Daaronder: Ik ga die buis proberen. Ook als je aan de andere kant alleen mijn gekuch hoort.
De geluidsbuis liep volgens de plattegrond dwars door een dikke muur van het fort. Je kon aan de ene kant fluisteren en aan de andere kant alles verstaan. Otis had daar zijn twijfels over. Op school kon je elkaar soms op een halve meter afstand niet verstaan, en daar zat niet eens een muur tussen.
Hij wilde zien of het echt werkte.
Hij wilde ook met de boot. Niet met een klas en een meester die voor de zekerheid zes keer telde. Gewoon met Zora, hun kaartjes en een tas waarin niets zat wat iemand anders op het laatste moment nog had meegegeven.
‘Hoe laat moet je daar zijn?’ vroeg Nelle.
Otis keek op.
‘Bij Renée.’
‘Om twaalf uur.’
‘Dan heb je nog tijd voor een telefoontje.’ Ze legde drie mandarijnen voor hem neer. ‘En ik heb de platte bewaardoos nodig. Die blauwe. Volgens mij staat hij boven, bij de tekenspullen van tante. De koekjes voor vanavond passen hier niet in.’
Op de stoel lag het kleine koekblik. Otis zette zijn bord op het aanrecht. Die bewaardoos kon hij tenminste gewoon gaan halen.
Hij nam zijn telefoon mee naar boven.
Op de zolder was het warmer dan op de trap. De dakruit stond een kiertje open. Het gele gordijntje werd steeds een stukje opgetild en viel dan terug tegen de muur.
Otis hurkte voor de kast onder het schuine dak. De bovenste plank was van hem en zijn moeder. Daar stonden de kerstlampjes, een kapotte wekker en de blauwe doos. De onderste twee planken waren nog van Renée. Ze was al maanden verhuisd, maar telkens als ze een tas kwam halen, bracht ze ook iets terug.
‘Kan bij jullie nog even staan,’ zei ze dan.
Even kon bij Renée behoorlijk lang duren.
Otis trok de blauwe bewaardoos van de plank. Het deksel bleef achter een smalle kartonnen doos haken. Die schoof mee, kantelde en gleed langs zijn schouder op de vloer.
‘Nou, graag gedaan,’ zei hij.
Hij legde de blauwe doos op de trap. De andere was ongeveer zo groot als zijn tekenblok, maar veel platter. Op het deksel stonden twee figuren: eentje op papier, eentje rechtop. De kleine had zijn hand omhoog. De grote ook.
Onder de figuren was in donkerrode letters geschreven: Dubbelpapier. Voor gezelschap met een eigen mening.
Otis ging op zijn knieën zitten. Aan een van de hoeken zat een oude plakbandstrook, helemaal geel. Het deksel kwam zonder trekken los.
Er lagen twee vellen in. Ze waren dikker dan tekenpapier en hadden dezelfde bleke kleur als de binnenkant van een appel. Aan de rand van het bovenste vel liep een rood stippellijntje. Verder was het leeg.
Op de binnenkant van het deksel stond nog meer.
Teken jezelf. Schrijf je naam achterop. Knip de hele figuur uit. Gezelschap wakker? Kies samen of het groot mag. Eén keer rechtop vouwen op de rode lijn. Groot tot zes uur. Daarna weer papier, met alles wat het heeft meegemaakt.
Otis las het twee keer. Bij de tweede keer pakte hij een potlood.
Op zijn telefoon verscheen een nieuw bericht van Zora.
Jij neemt toch de kaart mee?
‘Ja,’ zei Otis tegen het scherm.
Hij trok het bovenste vel uit de doos.
De zolder
2. Er staat iemand op mijn sok
Het hoofd werd te breed.
Otis gumde één wang weg en maakte hem smaller. Daarna had de tekening een scheve kin. Hij liet het zo. Als hij zichzelf nog vijf keer verbeterde, zou hij straks iemand anders zijn.
De trui lukte wel. Hij tekende de donkerblauwe stukken op de ellebogen en zette twee kleine strepen waar zijn schoenen zaten, net boven het rode vouwlijntje. Voor handen maakte hij geen rondjes. Daar was hij sinds groep vijf mee opgehouden. Hij tekende duimen. De andere vingers pasten alleen aan de rechterkant allemaal op het papier.
Terwijl hij tekende, bedacht hij hoeveel tijd hij nodig zou hebben. Naar Renée was het zeven minuten lopen. Hij kon daar eerst de koekjes verkruimelen en de glazen neerzetten. Misschien kon hij dan nog naar de halte. Maar de citroenlaag moest ook gemaakt worden. En het opruimen zou vast niet vanzelf gaan.
Met twee mensen zou het een stuk sneller zijn.
Hij draaide het vel om, schreef OTIS achter op de trui en knipte de figuur uit. Bij één schoen bleef een wit hoekje zitten. Hij wilde het wegknippen, maar zijn schaar bleef aan de mouw van zijn eigen trui haken.
‘Die heb ik nodig,’ zei een stem.
Otis hield de schaar stil.
Het uitgeknipte figuurtje lag op zijn rug naast het potlood. Het tilde zijn linkervoet op. Het witte hoekje stak eronderuit.
‘Anders sta ik scheef.’
De mond ging werkelijk open. Het was geen getekend rondje dat groter werd. Er kwam een smalle donkere opening in het papier en daarachter bewoog iets wat Otis niet goed kon zien.
Hij schoof achteruit. Zijn schouder kwam tegen de kast.
De figuur ging zitten. Hij zette twee dunne handen naast zich neer en trok zijn voeten dichterbij. Dat maakte een droog ritselend geluid.
‘Je mag me wel vasthouden,’ zei hij. ‘Maar niet bij mijn nek. Dat ziet er hier niet erg stevig uit.’
Otis legde de schaar op de grond. Heel langzaam stak hij één vinger uit.
De figuur pakte hem vast. Een smal papieren duimpje drukte tegen zijn nagel.
‘Ben je echt?’ vroeg Otis.
‘Wat bedoel je?’
‘Nou. Of je…’ Hij slikte. ‘Je praat.’
‘Jij ook. Toen je me tekende, hoorde ik je hierbinnen.’
De figuur tikte tegen zijn eigen voorhoofd. Het boog een beetje mee en kwam weer terug.
‘Wat hoorde je dan?’
‘Koekjes. Een boot. Een meisje bij een halte. En dat je tante maar niet moet vragen hoe laat je komt.’ Hij keek op. ‘Er zit nogal veel in zo’n klein hoofd.’
Otis trok zijn vinger terug. ‘Weet jij alles van mij?’
‘Hoe zou ik dat moeten weten?’
‘Hoe heet mijn moeder?’
De figuur keek hem aan.
‘Dat dacht ik al,’ zei Otis.
‘Ik dacht aan Zora,’ zei de figuur. ‘Die wil iets door een muur roepen. Dat lijkt me onhandig. Je kunt er toch omheen lopen?’
Otis moest lachen. Het geluid kwam er hoger uit dan hij had bedoeld. Hij keek naar de trap. Beneden sloot een kastdeur.
De figuur liep twee stapjes over de vloer. Bij de kier tussen de planken stopte hij en zette zijn voet dwars. Toen stapte hij eroverheen. Otis volgde het met zijn ogen.
‘Je bent van papier.’
‘Ja.’
‘Vind je dat niet… dun?’
De figuur keek langs zijn eigen buik naar zijn schoenen. Hij draaide zich een kwartslag. Nu zag Otis bijna alleen een lijn.
‘Handig bij smalle stukjes.’ Hij draaide terug. ‘Hoe heet ik?’
‘Otis.’
‘Jij heet Otis.’
‘Ik heb mezelf getekend.’
De figuur voelde met zijn hand achter op zijn rug. ‘Dat heb je daar ook geschreven, geloof ik. Maar ik hoef toch niet hetzelfde te heten? Als iemand roept, krijg je steeds twee antwoorden.’
Otis ging met zijn benen over elkaar zitten. Het figuurtje was nog geen hand hoog. Hij moest zijn kin bijna op zijn borst leggen om hem aan te kijken.
‘Kies dan iets.’
‘Max,’ zei de figuur meteen.
‘Waarom Max?’
‘Drie letters. Die passen er beter op.’
Otis pakte het potlood, maar Max hield zijn hand omhoog.
‘Straks. Eerst dat grote.’
Hij wees naar het deksel. Otis las de zinnen hardop. Max luisterde, met zijn smalle benen recht voor zich uit. Bij zes uur keek hij naar de dakruit.
‘En daarna weer zo,’ zei hij. Hij spreidde zijn armen.
‘Met alles wat je hebt meegemaakt,’ las Otis.
‘Dat is mooi.’ Max streek de witte punt onder zijn schoen glad. ‘Ik wil op die boot.’
Otis keek naar zijn telefoon. Nog geen half twaalf.
‘Eerst zou je iets anders moeten doen.’
Hij vertelde over Renée. Over de glazen en de koekstrepen en dat zij voor het eerst iedereen in haar eigen flat liet eten. Het klonk prettig terwijl hij het vertelde. Max zat zo aandachtig te luisteren dat Otis het stukje over de halve middag maar wegliet.
‘Je doet alsof je mij bent,’ zei hij. ‘Je gaat helpen. En dan kom ik je aflossen. Dan kun jij ook nog iets doen.’
Max dacht na. ‘Die tante kent me niet.’
‘Mij wel. En je lijkt precies op mij.’
‘Nu niet echt.’
Otis hield hem het deksel voor. Onder aan de figuur zat het rode lijntje. Het liep recht tussen zijn schoenen door, over het witte stukje dat Otis bijna had weggeknipt.
‘Wil je groot?’
Max stond op. ‘Ja. Ik wil voelen hoe dat water je optilt. Met een boot ertussen,’ voegde hij eraan toe. ‘Dit moet niet nat.’ Hij trok aan zijn papieren mouw.
Otis hield twee vingers bij de rode lijn. Max zette zelf zijn voeten schrap. Samen bogen ze het kleine voetstuk rechtop.
Het witte puntje verdween.
Een roodbruine schoen stond op Otis’ sok.
‘Au. Er staat iemand op mijn voet.’
De schoen ging omhoog. Otis trok zijn knie tegen zijn borst en keek langzaam van de schoen naar de spijkerbroek, de grijsgroene trui, de donkere ellebogen.
Zijn eigen gezicht keek op hem neer.
Het had geen ronde getekende ogen meer. Er zaten echte wimpers aan, en naast de neus zat zijn sproet. Het haar was aan de achterkant net zo plat als dat van Otis wanneer hij te lang op de bank had gelegen.
Max keek naar zijn handen. Hij draaide ze om en bewoog al zijn vingers, één voor één.
‘Je had er toch genoeg getekend,’ zei hij.
Van beneden klonk Nelles stem. ‘Otis? Heb je die doos?’
Otis keek naar Max. Max keek naar de trap.
‘Ja,’ riepen ze tegelijk.
Thuis en op straat
3. Wie vertelt het eerst?
Otis drukte de blauwe doos tegen zijn buik en rende de trap af. Bij de laatste treden hield hij in. Hij hoefde nergens heen te rennen. Dat zou zijn moeder alleen maar vragen laten stellen.
Ze stond met haar handen in het afwaswater.
‘Je deed lang over een doos.’
‘Er stond iets voor.’
Hij zette de doos op het aanrecht. Nelle haalde haar handen uit de gootsteen en schudde het water eraf. Boven kraakte een vloerplank.
‘Wat was dat?’
‘Een plank.’
‘Dat hoor ik. Heb je het raam dichtgedaan?’
‘Ik doe het zo.’
Otis liep weer naar boven. Halverwege de trap kwam Max hem tegemoet. Hij hield zijn armen een beetje van zijn lichaam af. Bij elke trede streek zijn mouw langs de muur.
‘Je kunt gewoon naar beneden,’ fluisterde Otis.
‘Dat doe ik.’
‘Ik bedoel: als ze weg is.’
Max keek langs hem naar het licht onderaan de trap. ‘Moet ik nu op die tante lijken of op jou?’
‘Op mij.’
‘Dan moet je dat ook duidelijk zeggen.’
Otis duwde hem niet terug. Hij ging zelf één trede omhoog, zodat Max moest blijven staan, en vertelde vlug hoe hij bij Renée kwam. Max luisterde met zijn hoofd scheef. Hij kende het fortplan. Hij kende de koekjes. Van de straatnamen had hij nog nooit gehoord.
Otis gaf hem het gevouwen papiertje waarop Renées nieuwe adres stond. Het stond er ook op zijn telefoon, maar die hield hij zelf. Daarna telde hij muntgeld in Max’ hand.
‘Dit is voor de bus en zo. Als we wisselen.’
‘Hoe laat?’
‘Ik bel…’ Otis stopte. Max had geen telefoon. ‘Ik kom naar je toe. Als je het begin hebt gedaan.’
Max sloot zijn vingers om het geld. Hij deed zijn vuist weer open en keek naar de rode afdrukken in zijn handpalm.
‘Die gaan weg,’ zei Otis.
‘Jammer. Dan kon ik ze tenminste terugvinden.’
Beneden ging de voordeur open. Nelle riep dat ze nog even naar de winkel liep. Of Otis nu werkelijk Renée wilde bellen. Hij riep ja, wachtte tot het slot klikte en liet zijn adem los.
Max stond vlak voor hem. Het was ongemakkelijk om je eigen neus van zo dichtbij te zien.
‘Ik kom straks,’ zei Otis.
‘Voor de boot.’
‘Ja.’
Max stapte langs hem. Bij de voordeur bleef hij staan, tilde één voet op en zette hem weer neer.
‘De stenen komen niet mee.’
‘Welke stenen?’
‘Op de vloer. Als ik erop stap.’
Otis keek naar de haltegels. ‘Dat doen stenen nooit.’
‘Bij mijn eerste stap kwam die plank wel een beetje omhoog.’
‘Dat was een losse plank.’
‘O.’ Max dacht erover na. Toen deed hij de deur open en liep de stoep op. ‘Ik heb nog veel te proberen.’
Otis keek hem na tot hij op de hoek was. Hij had verwacht dat dit heerlijk zou voelen. Er was iemand anders onderweg naar zijn afspraak. Hijzelf kon zijn tas pakken en naar Zora gaan.
In plaats daarvan liep hij terug naar boven om het doosdeksel nog een keer te lezen.
Toen zijn telefoon ging, zat hij op de vloer met het deksel op zijn knieën.
Renée.
Hij nam op met een stem die niets bijzonders mocht verraden.
‘Fijn dat het zo kon,’ zei zijn tante.
‘Wat?’
‘Dat je eerst even hier was. De koekjes zijn klein genoeg, hoor. Je had ze niet tot poeder hoeven slaan.’
Otis keek naar de rode stippellijn in de lege helft van de doos.
‘En ik heb die deur inmiddels ook zelf geprobeerd,’ zei Renée. ‘Met mijn heup gaat hij inderdaad open. Handig als ik iets vastheb.’
‘O. Ja.’
‘Je moeder zei dat jullie nog niets hadden afgesproken over het fort. Maar jij zei net dat het geregeld was.’
Otis wreef met zijn duim over de rand van het karton.
‘Ben je alweer thuis?’ vroeg Renée.
‘Ja.’
‘Dat is snel.’
Van beneden kwam het geluid van een sleutel. Nelle riep zijn naam. Renée hoorde haar ook.
Een paar minuten later zat Otis aan de keukentafel met zijn telefoon voor zich en het doosdeksel tussen de mandarijnen. Nelle stond erbij. Hij had het twee keer verteld. De tweede keer had hij de schaar laten zien. Dat hielp nauwelijks.
‘Er is dus een jongen naar Renée gegaan,’ zei ze. ‘Die eruitziet als jij. En die jij hebt gestuurd.’
Otis knikte.
‘En waar is hij nu?’
Hij belde Zora.
Ze nam meteen op. ‘Waarom bel jij? Je ging alleen kaartjes halen.’
Otis keek naar zijn moeder.
‘Wie ging kaartjes halen?’ vroeg hij.
Zora zweeg heel even. Toen zei ze zijn naam, veel langzamer dan anders.
Nelle stak haar hand uit. Otis gaf haar de telefoon. Hij luisterde naar haar korte vragen. Haven. Kiosk. Nog niet op een boot. Zora zou de andere jongen daar laten wachten en naar hun oorspronkelijke halte teruglopen. Ze kende de weg. Het was nog geen tien minuten.
Nelle gaf de telefoon terug.
‘Jij moet dit zelf vertellen,’ zei ze. ‘Aan Renée en aan Zora. Ik kom naar de haven zodra ik Renée heb gesproken. Die doos blijft hier.’
‘Geloof je me?’
Ze keek naar het deksel. Daarna naar hem.
‘Ik weet dat jij hier bent. En ik hoor dat Zora net met iemand stond die eruitziet als jij. Daar ga ik nu eerst van uit.’
Otis pakte zijn tas. Hij kon eerst naar Renée, die op hem had gerekend. Of naar de halte, waar Zora alweer voor hem heen en weer liep.
Aan allebei had hij iets uit te leggen.
Renées nieuwe flat
4. De verkeerde bezoeker
Renée deed de deur al open voordat Otis op de bel had gedrukt.
‘Laat eens kijken.’
Hij bleef op de mat staan.
Ze keek achter hem, het trappenhuis in. Daarna keek ze weer naar zijn gezicht. ‘Nee, ik zie het niet.’
‘Wat?’
‘Een verschil.’
Otis ging naar binnen. In de hal stonden twee verhuisdozen met vazen erin. Op de bovenste doos lag een stuk geel plakband dat aan zichzelf vastzat. Max had waarschijnlijk ook door deze hal gelopen. Hij had zijn schoenen misschien op precies dezelfde plek afgeveegd.
‘Hij heet Max,’ zei Otis.
‘Dat zei je moeder. Tegen mij heette hij Otis.’
Uit de keuken kwam het zoemen van de koelkast. Op het aanrecht lag een dichtgeknoopte zak met koekkruimels. Ernaast stond een deegroller. De twaalf glazen stonden klaar op een schone theedoek.
Renée hield de zak omhoog. De inhoud schoof naar één hoek. Het was bijna meel.
‘Hij vroeg of je aan een koekje kon horen dat het kapot was,’ zei ze.
Otis keek op.
‘Ik zei: probeer maar. Hij had er nogal plezier in.’ Ze legde de zak neer. ‘Toen zei hij dat hij naar de boot ging. Ik dacht dat jij eindelijk met je moeder en met Zora had overlegd.’
Otis trok de stoel onder de tafel vandaan. Een poot bleef aan het zeil haken. Hij tilde hem op.
‘Ik zou hem aflossen.’
‘Dat begreep ik van je moeder.’
‘Echt.’
‘Hoe laat?’
Hij zette de stoel neer zonder erop te gaan zitten.
Renée wachtte. Ze had een paar keer een hele middag met hem getekend. Dan kon zij ook zo wachten, met een potlood in haar hand, tot hij zelf zag waarom de voorkant van een auto niet aan de achterkant paste.
‘Ik had geen tijd gezegd,’ zei hij.
‘Dat maakt aflossen lastig.’
Otis ging zitten. De theedoek was geel met één groene streep. Hij had hem donderdag uitgekozen, omdat citroen geel was. Dat had hem toen een goede reden geleken.
‘Ik wilde die toetjes wel maken.’
‘Ik wilde ze ook met jou maken.’
Hij knikte, maar zij ging door.
‘Toen je het vroeg. Niet omdat ik zonder jou geen glazen kan vullen. Dat kan ik prima. Ik vond het leuk dat je het zelf bedacht had.’
‘Ik ook.’
Ze trok de andere stoel naar achteren en ging zitten. ‘En toen kwam er iets wat je óók leuk vond.’
Hij keek haar aan. Dat was tenminste precies.
‘Die boot gaat niet elke dag op die tijd,’ zei hij. ‘En Hassan vond dat we zelf mochten. Zora had alles al aan haar vader gevraagd. Ik dacht dat ik eerst een plan moest hebben voordat ik tegen jou zei dat ik misschien niet kwam.’
‘Je had al een plan. Voor hier.’
Otis trok met zijn nagel een los draadje uit de rand van de theedoek. Hij hield op toen de streep krom begon te worden.
‘Het spijt me,’ zei hij.
Renée leunde achterover. ‘Dat geloof ik. Maar wat ga je nu doen?’
‘Naar de haven.’
‘Voor die andere jongen.’
‘Ook voor Zora.’
‘En daarna?’
Otis keek naar de glazen. Als hij ze allemaal moest vullen, zou de boot waarschijnlijk weg zijn. Als hij nu alleen maar vertrok, bleef precies dezelfde afspraak weer liggen.
‘Ik kan vanavond de afwas doen,’ zei hij. ‘En de toetjes uitdelen. Als jij ze dan maakt.’
‘Dat laatste was ik inmiddels van plan.’
‘Ook de hoge gelijk?’
Renée keek naar de rij. Toen moest ze een klein beetje lachen.
‘Ik ga niet elk glas wegen, Otis.’
Hij glimlachte terug. Het duurde maar kort. Er was nog steeds een andere jongen onderweg met zijn gezicht, zijn muntgeld en een deel van zijn zaterdag.
Renée stond op. ‘Je moeder komt hier langs. Zij had een foto van die doos gemaakt.’
‘Van jouw doos.’
‘Blijkbaar. Ik weet nog dat ik die eens op een rommelzolder heb gevonden. De vellen waren te mooi om op te tekenen.’ Ze trok een kastlade open. ‘Ik dacht dat dubbelpapier betekende dat je er twee keer zoveel op kon zetten.’
‘Dat is ook een beetje zo.’
Ze keek over haar schouder. ‘Ik zou niet meteen nog een vel proberen.’
Otis had daar nog niet aan gedacht. Toen wel. Hij schudde zijn hoofd.
Renée haalde een platte kartonnen map uit de lade. De hoeken waren met donkerblauwe tape verstevigd. Er zaten twee elastieken omheen.
‘Zes uur, toch?’
‘Ja.’
‘Dan lijkt me dit wel nuttig.’
Otis nam de map aan. Hij drukte één elastiek met zijn duim opzij. Aan de binnenkant zat een glad vel. Daar kon een kleine figuur rechtop tegenaan zitten.
Er werd aangebeld. Hij keek naar de deur.
‘Dat zal je moeder zijn,’ zei Renée. ‘Hoewel ik vandaag nergens meer blind op vertrouw.’
Van Renées flat naar de haven
5. Geen afspraak met een tekening
Nelle had het doosdeksel gefotografeerd. Op haar scherm waren de letters een beetje scheef, maar goed te lezen.
Renée hield de telefoon met twee handen vast. Ze las alles hardop, ook het stukje dat Otis al kende.
‘Gezelschap met een eigen mening,’ zei ze daarna.
Otis keek naar de koekzak.
‘Hij zat eerst gewoon op de vloer,’ zei hij. ‘Heel klein. Hij liep over een kier heen. En toen wilde hij zelf groot.’
‘En kon hij toen al praten?’ vroeg Nelle.
‘Ja. Hij vond mijn vingers raar getekend. Die van hem waren goed gekomen, trouwens.’
Renée gaf de telefoon terug. ‘Dan is dat blijkbaar zijn gewone vorm. Zes uur wordt geen verdwijntruc.’
Otis maakte de map weer open. Het gladde binnenvel bewoog een beetje in de tocht van het open keukenraam.
‘Hij zei dat papier handig was bij smalle stukjes.’
Zijn moeder stak de telefoon in haar jaszak. ‘Dan zorgen we dat hij om zes uur ergens droog zit. En hij moet zelf weten dat we dat doen.’
‘Dat weet hij al.’
‘Hij weet van zes uur. Hij weet nog niet waar jij met die map heen wilt.’
Otis trok de elastieken er weer om. Dat verschil was hem niet opgevallen.
Nelle belde Zora. Ze liep daarbij naar de hal, maar Otis kon haar nog zien. Ze vroeg eerst of Zora inmiddels bij de halte was. Daarna vertelde ze waar ze zelf waren.
‘Wij gaan nu ook die kant op,’ zei ze. ‘Blijf jij daar even. Dan lopen jullie samen naar de haven. Nee, jullie hoeven geen van beiden voor Max te beslissen. We komen er zo bij.’
Ze luisterde nog even en trok een mondhoek op.
‘Ja. Eén echte uitleg. Daar heeft Otis voor gezorgd.’
Toen ze ophing, keek ze hem aan.
‘Ze is niet blij.’
‘Dat had ik al een beetje door.’
‘Dat is iets anders dan dat je er ook naar luistert.’
Renée hield haar hand op voordat Otis iets terug kon zeggen. ‘Ga maar. Ik wil straks horen wie Max eigenlijk is. Niet alleen wat hij voor jullie heeft verpest.’
Otis stond bij de deur met de map onder zijn arm. Hij draaide zich om. ‘Hij heeft heel goed koekjes kapotgemaakt.’
Renée keek naar de keuken. ‘Dat heeft hij zeker.’
Het trappenhuis rook naar pas geschilderd hout. Otis liep voor zijn moeder uit. Hij hield de map recht voor zich, zodat de hoek niet tegen de muur tikte. Beneden vroeg Nelle of zij hem in haar tas zou doen.
Hij aarzelde. Daarna gaf hij hem aan haar.
‘De doos staat thuis in de bovenste kast,’ zei ze. ‘Het andere vel zit erin. Die komt vandaag niet meer open.’
‘Ik wilde niet…’
Hij stopte. Hij had er bij Renées opmerking wél even aan gedacht. Een tweede Max die hem ging helpen de eerste te vinden. Het idee was ongeveer één seconde handig geweest.
Bij de halte stond Zora op de rand van het betonnen bankje. Ze had haar ene voet tussen de twee banden van haar rugzak gestoken. Toen ze Otis zag, zette ze hem op de grond.
‘Hoe heet jij?’ vroeg ze.
‘Otis.’
‘Dat zei de vorige ook.’
Nelle bleef een paar passen verderop staan. Ze haalde haar telefoon uit haar jas en keek naar een bericht. Otis wist dat zij hen gewoon kon horen.
‘Hij heet Max.’
‘Dat heeft hij inmiddels ook gezegd.’ Zora trok haar rugzak omhoog. ‘Nadat jouw moeder belde. Daarvóór deed hij alsof ik heel gewoon met jou naar de haven liep.’
‘Ik had gezegd dat hij naar Renée moest.’
Zora keek hem aan. Haar blik bleef zo stil dat Otis zelf hoorde hoe slap dat klonk.
‘Ik had hem gestuurd,’ zei hij. ‘Dat had ik niet moeten doen zonder het te vertellen.’
‘Aan mij.’
‘Aan jou ook niet.’
Er kwam een bus langs. Het was de verkeerde. Zora keek even naar het nummer, hoewel ze dat waarschijnlijk al wist. Ze kende busnummers beter dan hij.
‘Max staat bij de kiosk,’ zei ze. ‘Ik heb gezegd dat hij daar moest wachten tot wij kwamen. Dat vond hij stom. Maar ik zei dat hij dan in zijn eentje uit mocht zoeken hoe hij aan een bootkaartje kwam.’
‘Heeft hij dat?’
‘Hij stond bij het loket toen ik wegging.’
Otis voelde in het zijvak van zijn tas. Het muntzakje was er nog, maar de helft was eruit. Die zat in Max’ zak.
‘We kunnen lopen,’ zei Zora. ‘Dan hoeven we deze bus niet ook te missen.’
Otis keek naar zijn moeder. Ze knikte en kwam dichterbij.
Ze liepen met z’n drieën richting haven. Zora ging niet vlak naast hem. Ze hield een halve stoeptegel afstand. Otis probeerde niet dichterbij te schuiven. Hij liep om een losliggend takje heen en besefte dat Max waarschijnlijk had willen weten waarom die tak niet vastzat.
‘Hij weet maar een paar dingen,’ zei hij.
Zora keek opzij.
‘Die ik dacht toen ik hem tekende. Jouw naam. Het fort. De boot. Hij weet niet wie mijn moeder is als ik dat niet vertel.’
‘Maar hij wist wel dat hij mij niet vertelde wie hij was.’
Otis knikte.
Bij het laatste kruispunt konden ze het water zien. Nelle bleef bij de zijdeur van het havengebouw staan om een telefoontje van Hassan te beantwoorden. Ze wees dat ze alvast naar de kiosk konden. Max stond ervoor, met zijn handen in zijn zakken en zijn gezicht naar de boten.
Otis herkende de houding meteen. Zo stond hij zelf wanneer hij deed alsof hij nergens op wachtte.
De vertrekhalte
4. Je hebt mij ook al gezien
Bij de halte was niemand.
Otis keek naar de klok op zijn telefoon, daarna langs de straat. Achter de bakker kwam Zora aanlopen. Ze liep vlug. Haar rugzak hing aan één schouder en een van haar vlechten zat onder de band.
Ze bleef twee passen voor hem staan.
‘Zeg iets wat jij weet.’
Otis keek naar haar vlecht. ‘Je haar zit vast.’
‘Dat kan iedereen zien.’
‘Je wilde bij die buis in het fort eerst zelf luisteren. Omdat je niet vertrouwt dat ik zacht genoeg fluister.’
Zora stak een hand onder haar rugzakband en trok de vlecht los. ‘Dat heb ik die andere niet verteld.’
‘Dan ben ik het.’
Ze ging op het bankje zitten. Otis bleef staan. Hij wilde niet vragen of hij naast haar mocht, maar zomaar gaan zitten leek ook niet goed.
‘Ik was hier op tijd,’ zei ze. ‘Hij kwam vlak na mij. Jij dus. Dacht ik. Hij had jouw trui en jouw hoofd en zelfs dat scheve plukje.’
Otis streek zijn haar plat. De pluk sprong terug.
‘Hij vroeg waarom we op de bus wachtten als we ook konden lopen. Dus liepen we. Ik vond het nog wel een goeie vraag.’
‘Dat doet hij.’
‘Wat?’
‘Vragen stellen.’
‘Jij ook.’
Hij keek weg. Op de stoep lag een platgetrapt muntdropje. Iemand had er een voetafdruk in achtergelaten.
‘Hij heet Max,’ zei hij.
‘Dat zei hij toen je moeder belde. Daarvóór zei hij gewoon Otis.’
Otis ging nu toch zitten. Hij hield zijn tas op zijn knieën, met twee handen om de band.
‘Ik vond een doos,’ begon hij.
Zora luisterde naar zijn verhaal zonder hem te onderbreken. Bij het kleine pratende papier fronste ze. Bij de echte schoen keek ze naar zijn voeten. Toen hij vertelde over Renée, legde ze haar rugzak naast zich op het bankje.
‘Dus hij moest jou zijn bij je tante.’
‘Alleen tot ik…’
‘En ik wist niet dat ik met hem liep.’
‘Nee.’
Hij liet het woord maar staan.
Een vrouw met een boodschappentrolley kwam aan de andere kant van het hokje staan. Ze keek naar het informatiebord. Otis schoof zijn voeten onder de bank, zodat de trolley erlangs kon. Zora wachtte tot de vrouw haar oortjes in had gedaan.
‘Ik had me erop verheugd dat wij samen gingen,’ zei ze.
‘Ik ook.’
‘Maar je had nog iets anders afgesproken.’
‘Die toetjes bij Renée.’
‘Die jij wilde maken.’
Hij knikte. Zora wist ervan. Hij had haar zelf verteld dat hij helemaal zelf de lagen ging verzinnen en dat gewone volwassenen altijd te weinig koekjes in een toetje deden.
Ze liet haar hoofd tegen de glazen wand zakken. Er klonk een dof tikje.
‘Hij heeft ook iets verzwegen,’ zei Otis.
Zora keek hem aan.
‘Ik weet het,’ zei hij snel. ‘Ik begon.’
Ze trok de rits van haar rugzak een stukje dicht en weer open. ‘Na het telefoontje wilde hij meteen door naar de boot. Ik zei dat ik eerst jou ging halen. Of zoeken. Ik wist niet eens hoeveel er van jullie waren.’
‘Twee.’
‘Dat zei hij ook.’
‘Er is nog een vel, maar dat zit thuis in de doos.’
Zora deed haar ogen dicht.
‘Die blijft dicht,’ zei Otis.
Ze opende haar ogen weer. ‘Mooi.’
Otis keek naar de weg. In de verte kwam een bus aan. Voor op de bus stond hun lijnnummer. Hij voelde zijn schouders omhooggaan.
Zora stond op.
‘Ik wil hem wel zelf vragen waarom hij niks zei.’
‘Hij staat nog bij de kiosk?’
‘Ja. Ik heb gezegd dat hij daar moest wachten. Toen ben ik hierheen gelopen, want dat had ik met je moeder afgesproken. Jij zou mij hier vinden.’ Ze keek naar de bus. ‘We hoeven nu niet met die bus. We zijn al halverwege.’
Otis keek op zijn kaart. Dat klopte. Hij had alle bushaltes uitgeschreven en daardoor over het hoofd gezien dat je de eerste twee ook gewoon voorbij kon lopen.
‘Mijn moeder komt naar de haven,’ zei hij.
‘Mijn vader weet het inmiddels ook. Die zei dat ik bij haar moest blijven tot hij met haar had gesproken.’
‘Wat zei hij verder?’
Zora trok haar wenkbrauwen op. ‘Dat hij blij was dat hij vandaag niet hoefde mee te denken.’
Dat geloofde Otis niet helemaal, tot ze erbij glimlachte. Het was nog niet de glimlach van vanmorgen. Maar er zat beweging in.
Ze liepen langs het bushokje. De vrouw met de trolley stapte naar de stoeprand. Achter hen sisten de busdeuren open.
Otis keek niet om. Voor het eerst die middag wist iemand die naast hem liep precies wie hij was.
Op weg naar de haven
5. Twee stemmen aan de telefoon
De weg naar de haven liep eerst langs het water en daarna juist weer ervandaan. Otis keek twee keer op zijn kaart. Hij had het uitgezocht. Het bleef vervelend om van de zee weg te lopen als je naar een boot wilde.
Zora liep aan de buitenkant van de stoep. Bij de hoek bleef ze staan voor een fietser. Otis stopte net iets later.
‘Dat deed hij ook,’ zei ze.
‘Wat?’
‘Net doen alsof het stoplicht vanzelf rekening met hem houdt.’
‘Dit is een zebrapad.’
‘Daar zat hij ook al over te praten.’
Ze keek hem schuin aan. Otis wist niet of het een grap was waar hij aan mee mocht doen. Hij besloot van wel.
‘Hij heeft alleen mijn goede kanten meegekregen.’
‘Dan moet er iets mis zijn gegaan bij het knippen.’
Otis lachte. Zora keek weer naar de overkant. De fietser stak een hand op toen hij voorbijreed.
Zijn telefoon ging. Nelle.
Ze was bij Renée. Nelle zei dat ze haar luidspreker aanzette, zodat zijn tante mee kon luisteren. Otis deed hetzelfde voor Zora en bleef bij een dichte winkelpui staan, uit de loop.
‘We hebben hetzelfde deksel gelezen,’ zei Nelle. ‘En ik heb een map. Een stevige. Renée had hem nog.’
‘Goed,’ zei Otis.
‘Voor zes uur. Maar Max moet weten dat wij die bij ons hebben. Wat heb jij hem precies verteld?’
Otis keek naar Zora. Zij zat inmiddels op de lage rand onder de winkelruit.
‘Dat hij eerst naar Renée ging en dat ik hem zou aflossen. En dat hij ook nog op de boot kon.’
Aan de andere kant bleef het stil.
‘Ik had geen tijd gezegd,’ voegde hij eraan toe.
Renée kwam duidelijker door de telefoon. ‘Dat is iets wat je met míj nog moet bespreken. Niet onderweg met je moeder.’
‘Ja.’
‘Ik maak de toetjes. Jouw koekjesidee blijft erin. Maar vanavond ben je er zelf.’
‘Ik kom zelf.’
‘Daar ga ik nu van uit.’
Hij hoorde haar verder weg lopen. Er werd iets neergezet, twee glazen tegen elkaar. Otis stelde zich de theedoek voor met de groene streep en de rij die hij had gemaakt.
Nelle kwam weer aan de telefoon. ‘Ik kom vanaf hier naar de haven. Jullie kunnen bij de kiosk blijven. Er is nog niemand op een boot, toch?’
‘Nee,’ zei Zora, hard genoeg om gehoord te worden. ‘Ik heb hem laten wachten.’
‘Goed. Je vader en ik hebben elkaar gesproken. Ik blijf erbij. Het betekent niet dat jullie dan ook de hele middag aan mij moeten uitleggen wat je ervan vindt.’
Otis keek even op. Zijn moeder voegde eraan toe dat ze een rood elastiek uit Renées laatje had meegenomen.
‘Waarom?’ vroeg hij.
‘Omdat ik jullie straks wil kunnen aanspreken zonder dat de verkeerde antwoordt.’
‘We hebben namen.’
‘Die heb ik ook. Toch roep jij soms nog “mam” tegen een vrouw met eenzelfde jas.’
Zora boog haar hoofd. Haar schouders bewogen.
Otis beëindigde het gesprek. Hij stak zijn telefoon in het voorvak van zijn tas.
‘Die figuur was eerst papier,’ zei Zora. ‘En straks weer?’
‘Om zes uur. Maar hij praat dan nog. Hij praatte al voordat hij groot werd.’
‘En vindt hij dat goed?’
‘Hij zei dat dun zijn handig was.’ Otis keek naar de winkelruit. Hun twee gezichten stonden bleek tussen de lampen en de lege etalage. ‘Hij wilde voelen hoe een boot hem optilt. Omdat hij op papier niet zelf in water kan. Dan wordt hij slap.’
Zora trok haar knieën onder de rand vandaan en stond op. ‘Dat zei hij tegen mij nog niet.’
‘Hij heeft het vast druk met gewone dingen.’
‘Hij bleef heel lang bij een putdeksel staan. Ik dacht dat jij me voor de gek hield.’
‘Waarom?’
‘Hij wilde weten waarom al dat water wel naar binnen mocht, maar je het deksel niet hoefde open te doen.’
Otis keek naar de dichtstbijzijnde straatkolk. De smalle zwarte gaten zaten vol oude blaadjes. Hij had nog nooit geprobeerd te tellen hoeveel water daar tegelijk doorheen kon.
Zora wees naar de volgende straat. ‘Hierlangs. Je kunt daar de boten zien.’
De huizen hielden ineens op. Voor hen lag een breed stuk grijsblauw water. Aan de overkant stonden lage loodsen en een rij kale masten. Een meeuw liep over een witte paal alsof dat een heel normale stoep was.
Naast het havengebouw stond de kiosk. Max stond ervoor, met één hand in zijn zak en de andere plat voor zijn gezicht. Hij deed zijn vingers uit elkaar en weer tegen elkaar.
Otis hield zijn pas even in.
Er stond werkelijk een andere jongen met zijn gezicht. Op zolder had dat nog bij de doos gehoord. Hier, tussen mensen die nergens van wisten, zag hij hoe weinig het verschil opviel.
Max liet zijn hand zakken. Hij had hen gezien. Hij stak een arm omhoog.
Zora stak haar hand niet op. Ze liep door.
Otis haalde haar bij en hield zijn tas steviger vast. Hij kon niet meer doen alsof de ander alleen maar een afspraak was die hij verkeerd in zijn hoofd had gezet.
Het havenplein
6. Zijn eigen gezicht
‘Daar ben je weer,’ zei de vrouw in de kiosk.
Otis keek naar haar. Ze hield een kartonnen bekertje op. Op het deksel stond met een stift een scheve O.
‘Je bent je water vergeten.’
‘Dat is van mij,’ zei Max achter hem.
De vrouw keek van de een naar de ander. Haar hand bleef halverwege het luikje hangen.
‘Tweeling?’
Otis voelde Zora naast zich bewegen. Hij wilde niet nóg een makkelijke uitleg kiezen waar hij later weer uit moest komen.
‘Zoiets,’ begon hij. Hij hoorde zichzelf en beet op zijn lip.
‘Nee,’ zei Max. ‘Ik was vanmorgen een tekening.’
De vrouw trok haar wenkbrauwen op. Toen schoof ze het bekertje over het plankje.
‘Vanmorgen was ik nog vrij. Nu sta ik hier. Neem je water maar mee.’
Ze draaide zich naar een man die een krant wilde betalen. Otis deed een stap opzij, zodat Max bij het luikje kon.
Max pakte het bekertje met twee handen. Hij dronk niet. Hij liet het water eerst naar de ene rand en daarna naar de andere schuiven.
Zora zette haar rugzak op een bankje. ‘Waarom zei je dat je Otis was?’
Max keek haar aan. ‘Dat moest.’
‘Van wie?’
Hij wees met zijn kin naar Otis.
‘Bij mijn tante,’ zei Otis. ‘Ik bedoelde bij mijn tante.’
‘Dat had je dan moeten zeggen.’
Zora vouwde haar armen over elkaar. ‘En toen je met mij liep?’
Max keek naar het bekertje. Hij zette het op de bank naast haar tas.
‘Toen wilde ik nog steeds op die boot,’ zei hij.
Er rammelde een vlaggenlijn tegen een mast. Otis zag een kleine jongen met een blauw emmertje achter zijn vader aan lopen. De jongen keek om naar hen. Hij draaide zijn hoofd bijna helemaal achterstevoren en liep tegen zijn vaders been aan.
Otis ging op het bankje zitten. Max bleef staan, precies voor hem. Het was vervelend dat de ander nu boven hem uitkwam.
‘Je bent gewoon weggegaan,’ zei Otis.
‘Ik heb geholpen.’
‘Je zou blijven tot ik kwam.’
‘Dat heb je niet gezegd.’
Otis wilde antwoorden. Hij zag weer de trap, de muntstukken in de hand, zijn eigen haast om het gemakkelijk te laten klinken.
Max ging op de rand van de bank zitten. Otis schoof automatisch een stukje op. Dat vond hij achteraf een irritante beweging van zichzelf.
‘Ik heb de koekjes gedaan,’ zei Max. ‘En die tante liet me de deur proberen met mijn heup. Dat ging. Toen vroeg ik of zij verder kon.’
‘En toen?’
‘Ze zei dat ze geen pudding ging aanbranden omdat ik één keer de kamer uitliep. Toen ging ik.’
Zora pakte het bekertje, dronk een slok en gaf het aan Max terug. ‘Dat is niet hetzelfde als dat alles geregeld was.’
‘Nee,’ zei hij na een ogenblik.
Otis keek op.
Max had zijn ellebogen op zijn knieën gezet. Hij bewoog het bekertje tussen zijn handen. ‘Dat dacht ik toen nog.’
Nelle kwam om de hoek van het havengebouw. Ze hield haar grote tas tegen haar heup en liep iets langzamer toen ze hen zag.
Otis stond op. Max stond ook op.
Zijn moeder bleef voor hen staan. Ze keek eerst naar Otis, daarna naar Max en toen weer terug. Haar blik ging langs de truien, de schoenen, de donkere elleboogstukken.
‘Dat is bijzonder,’ zei ze uiteindelijk.
Max knikte. ‘Ik vind vooral die knieën handig.’
Nelle lachte kort, meer adem dan geluid. Ze stak haar hand uit.
‘Ik ben Nelle. Otis’ moeder.’
Max zette het bekertje neer en schudde haar hand. Hij keek naar hun vingers. Hij maakte één keer de greep los en pakte haar hand opnieuw, wat minder hard.
‘Max.’
‘Goed dat je dat zegt.’ Ze keek naar Otis. ‘Jij krijgt even dat elastiek. Als je dat goedvindt.’
Hij stak zijn linkerhand uit. Nelle schoof het rode bandje om zijn pols. Het was zo gewoon dat het hele vreemde gezelschap er even overzichtelijker van werd.
Ze liet Max de droge map zien en vertelde dat die voor straks was, als hij weer klein werd. Hij trok één elastiek opzij en bekeek de binnenkant.
‘Daar kan ik ook staan,’ zei hij.
‘Dat kan.’
‘Niet dichtdoen terwijl ik praat.’
‘Dat lijkt me een redelijke afspraak.’
Ze stak de map terug in haar tas en pakte haar telefoon. Eén kort bericht aan Hassan, met waar ze waren en dat ze bij de kinderen bleef. Daarna vroeg ze wie al een kaartje had.
Max stak zijn hand in zijn zak. Hij haalde een glad bedrukt kaartje tevoorschijn.
Otis keek naar de rode rand bovenaan. Daar stond FORTTOCHT.
‘Dat geld had je van mij.’
‘Voor de bus en zo. Als we wisselden.’
‘Ja. Voor mij.’
Max hield het kaartje tussen zijn vingers. Zijn gezicht veranderde. Voor het eerst leek het minder op dat van Otis.
‘Dan bleef er dus niks voor mij over,’ zei hij.
Otis keek naar zijn moeder. Ze deed niets met haar telefoon. Ze wachtte.
Achter hen sloeg het houten luikje van de kiosk dicht tegen zijn haak. Er was nog steeds maar één kaartje.
De havenkraan
7. Water in een mouw
Het water in het bekertje was op. Max hield het nog steeds vast.
‘Dat kan in die bak,’ zei Zora.
Hij keek naar de afvalbak. Het deksel had een rond gat. Max stak het bekertje erin en trok zijn hand terug voordat zijn vingers het metaal raakten.
‘Je gooit heel veel weg als je groot bent.’
‘Dat bekertje was al van papier,’ zei Otis.
Max keek hem aan. Hij keek nog een keer naar de bak.
‘Dat zei ik niet.’
Zora liep naar een lage kraan op een paal. Er stond een waterdruppel op het bordje ernaast. Ze haalde haar fles uit haar rugzak en draaide aan de knop. Het water kwam eerst met een luchtig kuchje, daarna in een stevige straal.
Max ging naast haar staan.
‘Hier komt het niet op je af,’ zei hij.
‘Waar wel?’
‘Op de boot. Dan komt het onder je door.’
Zora hield haar fles wat lager. ‘Dat hoop ik wel.’
Max stak één vinger van zijn rechterhand in de straal. Hij haalde hem terug, bekeek hem en deed het opnieuw. Toen hield hij zijn hele hand eronder.
Het water sloeg uit elkaar op zijn palm. Er liepen dunne straaltjes langs zijn pols onder zijn manchet door. Hij draaide zijn hand om en het water vond een andere weg.
‘Je mouw,’ zei Otis.
Een donkere plek kroop vanaf Max’ manchet omhoog. Max trok zijn arm terug en hield hem schuin. Er druppelde water van zijn elleboog.
Zora draaide de kraan dicht. Ze hield haar fles vast en keek naar de natte trui. Otis voelde de neiging om de mouw beet te pakken en uit te wringen. Hij deed het niet. Max keek er zo aandachtig naar dat het bijna iets leek wat hij besteld had.
‘Zwaar,’ zei Max.
‘Dat droogt wel.’
‘Ik merk het.’ Hij zwaaide één keer met zijn arm. De natte mouw sloeg tegen zijn pols. ‘Die komt later aan dan ik.’
Nelle gaf hem een zakdoek. Hij drukte hem tegen de trui, keek naar de natte vlek op de zakdoek en schudde zijn hoofd.
‘Nu heb ik er twee.’
‘Het idee is dat je die uitwringt,’ zei Otis.
Max stak hem naar Otis uit. Die nam hem aan en draaide de stof met beide handen. Er kwamen drie druppels uit. Eén viel op zijn schoen.
‘Zo.’
Max probeerde het zelf. Zijn handen draaiden eerst dezelfde kant op. Otis zag het en hield zijn mond. Max keek naar de slappe prop tussen zijn handen, veranderde zijn greep en kreeg er water uit.
Zora stopte haar fles in haar rugzak.
‘Ik dacht dat jij expres zo deed,’ zei ze tegen Max. ‘Onderweg. Bij dat putdeksel en bij die hondenriem die om een paaltje zat.’
‘Die hond kon wel om het paaltje. De riem niet.’
‘Ja. Dat zag ik toen ook.’ Ze trok de band over haar schouder. ‘Maar ik dacht dat jij het mij liet uitleggen omdat je dat grappig vond.’
Max keek van haar naar Otis.
‘Doe jij dat?’
‘Soms,’ zei Otis.
Zora knikte. ‘Soms.’
Max stopte de vochtige zakdoek in zijn zak. Nelle vroeg hem de doek daar straks weer uit te halen; anders bleef zijn hele broek nat. Hij gaf hem meteen terug.
Ze liepen langs de kade naar het loket. Het water lag lager dan de straat. Tussen de stenen wand en een boot hing een dikke zwarte autoband. Bij elke kleine beweging van de boot werd de band iets platter en weer rond.
Max bleef staan. Hij legde zijn droge hand op de leuning.
Otis was al twee passen verder. Hij keek om. Max boog niet over het hek. Hij keek alleen naar die band, met zijn mond een beetje open.
‘Hij duwt terug,’ zei hij.
‘De band?’
‘Alles daar.’ Max wees naar het water. ‘Die hele boot staat nergens op.’
Er kwam een golfje langs de boeg. De boot steeg nauwelijks zichtbaar en zakte terug. De autoband piepte tegen de muur.
Otis had hier zelf zo over kunnen staan kijken. Misschien had hij dat vorige zomer ook gedaan. Nu stond zijn hele middag scheef en zag de ander iets wat hij had willen zien.
‘Dat is waarom ik wilde,’ zei Max.
Hij zei het tegen Zora. Otis voelde dat als een klein duwtje.
‘Om opgetild te worden?’ vroeg zij.
Max knikte. Hij hield zijn hand vlak, ongeveer op de hoogte van zijn buik, en bewoog hem op en neer.
‘Toen ik nog klein was, deed de vloer dat één keer. Maar dat was een losse plank. Deze kan de hele tijd.’
Otis keek naar het kaartje dat boven Max’ broekzak uitstak. Hij had het geld gegeven zonder er goed over na te denken. Het zag er nu uit als een plaats op een boot die al bezet was.
Nelle liep tot bij hen en wees naar het loket.
‘Laten we vragen wat met dat kaartje kan. Daarna kiezen jullie zelf wat jullie met de middag doen.’
Max maakte zijn vingers los van de leuning. Zijn natte mouw liet een donkere streep op het metaal achter. Hij streek er met zijn duim overheen.
De streep werd alleen maar breder.
Het kaartjesloket
8. Eén kaartje
De vrouw achter het glas herkende Max.
‘Nog iets vergeten?’
Otis deed een stap naar voren. De vrouw keek langs hem naar de jongen met de natte mouw. Haar wenkbrauwen gingen omhoog. Ze leunde iets naar het glas toe.
‘O. Dat verklaart een hoop.’
‘Niet echt,’ zei Zora zacht.
Otis legde Max’ kaartje in het metalen bakje onder de ruit. Hij had het gevraagd. Max had het pas gegeven nadat hij beloofd had het niet zomaar aan iemand anders te geven.
‘We hebben dit kaartje,’ zei Otis. ‘Maar we weten niet of we…’
De vrouw pakte het op. ‘Met de boot mee willen?’
‘Wel met een boot. Alleen misschien met een andere.’
Zij legde het kaartje naast haar toetsenbord. ‘Er is nog geen overtocht mee gemaakt. Ik kan het terugnemen. Als jullie een ander kaartje kopen, verrekenen we het bedrag.’
Otis voelde zijn schouders zakken. Eén ding kon gewoon.
Achter hem schoof een wiel over de bestrating. Een man met een opgevouwen kinderwagen keek naar het bakje. Otis ging wat rechter staan.
‘We wilden naar het fort,’ zei hij.
De vrouw wees op het bord naast de ruit. Bovenaan stond 13.40. Daaronder liep een blauwe lijn naar het fort, met 14.10 erbij. Er stond ook een rood blok: laatste toegang 14.30.
‘Die moet je dan hebben. De volgende komt pas om half vier aan. Dan is de poort voor nieuwe bezoekers al dicht.’
Otis kende het. Het stond op zijn eigen kaart. Hij had de tijd onderstreept, zodat ze het juist niet zouden missen.
‘Weet je nog?’ zei Zora. ‘Dat had je uitgezocht.’
Hij knikte. Hij keek op zijn telefoon. Nog elf minuten.
Max boog een beetje naar het glas. ‘Als de poort dicht is, kun je nog wel op het eiland?’
‘Aan de aanlegplek wel. Maar voor de buitentocht om het fort heb je meer tijd nodig. En dat kaartje geeft toegang tot het fort. Dat is dan zonde.’
Max keek naar Otis. ‘Ik wil alleen de boot.’
‘Dat zei je.’
‘Jij blijft over die poort beginnen.’
Otis trok het koord van zijn tas strak om zijn hand. Hij keek naar de vrouw. Hij zou het kort houden. Het hoefde niet de hele middag weer hetzelfde verhaal te worden.
‘Ik had eigenlijk geld voor mezelf meegegeven,’ zei hij. ‘Maar hij dacht dat het voor hem was. En nu hebben we maar één kaartje voor ons tweeën.’
De vrouw keek een ogenblik naar hun gezichten. ‘Dan is het goed dat jullie nog aan deze kant staan.’
Ze schoof twee muntstukken en een biljet in het bakje. Het kaartje legde ze bij de papieren naast haar toetsenbord. Ze maakte het in de hoek ongeldig met een tangetje. Er viel een klein rondje papier uit.
Max volgde het rondje met zijn ogen. De vrouw merkte het op en schoof het naar hem toe.
‘Hier. Souvenir.’
Hij pakte het voorzichtig. Het was nog kleiner dan de nagel van zijn pink.
‘Is het kaartje nu stuk?’
‘Alleen voor deze overtocht.’
Otis nam het geld uit het bakje. Max keek ernaar. Otis hield het even vast en gaf toen de helft terug.
‘Dit was ook voor na Renée,’ zei hij. ‘Dat had ik niet duidelijk gezegd.’
Max sloot zijn hand erom. Hij zei niets.
De man met de kinderwagen zette zijn voet een stukje naar voren. Otis stapte opzij. Zora kwam naast hem staan.
‘We moeten opschieten als we nog willen,’ zei ze.
‘Willen jullie kaartjes?’ vroeg Nelle.
Otis keek naar het rode blok op het bord. Met drie kinderen en zijn moeder zou het ineens een heel andere uitstap worden. Er was niks mis met zijn moeder. Het was alleen niet wat hij had uitgezocht.
‘Ik wilde met Zora,’ zei hij.
Max keek naar de muntstukken in zijn hand.
‘Dat wist ik,’ zei Zora. ‘Maar je was niet bij de halte.’
Otis slikte zijn antwoord in. Hij kon moeilijk zeggen dat iemand anders hem bij zijn tante moest vervangen, terwijl hij de enige Otis bleef die met Zora mocht varen.
De vrouw achter het glas tikte tegen een smaller bordje onder het grote.
‘Als jullie later iets korters willen: om half vier is er nog een havenrondvaart. En het kleine pontje aan de kop vaart tot zes uur. Daar koop je gewoon ter plekke een kaartje.’
‘Dank u,’ zei Nelle.
Ze liep met hen naar de reling. Otis keek nog één keer naar het geld. Alles samen was er nog evenveel. Toch paste de middag er niet meer in.
De kade
9. De boot die wel vertrekt
De loopplank lag nog tussen de kade en de boot.
Otis versnelde zijn pas zonder het te willen. Boven de deur stond de grote wijzer nu vlak voor de vertrektijd. Het terugnemen van het kaartje en hun gesprek hadden langer geduurd dan hij had gemerkt. Hij kwam bij een rij witte palen met een ketting ertussen. Daarachter stond een man in een donker jack bij de toegang naar de boot.
‘Kaartjes?’ vroeg de man.
Otis bleef staan. Hij keek om. Zora stond twee passen achter hem. Max en Nelle kwamen er net aan.
‘We moeten eerst…’
Hij maakte zijn zin niet af. Hij wilde Zora even apart spreken. Hij wilde weten of zij nog steeds met hem wilde, als het niet met hem alleen kon. Hij wilde Max uitleggen waarom het niet zo eenvoudig was als één kaartje erbij kopen.
De man wachtte een ogenblik, keek naar de klok boven de deur van het havengebouw en begon de ketting los te maken.
‘Gaan jullie mee?’
Zora keek naar Otis. ‘Zeg het dan.’
‘Ik weet het niet.’
Het klonk klein tussen de masten en de motor van de boot.
De man knikte. ‘Dan zet ik dit vast dicht. Niet meer eroverheen.’
Hij trok de ketting tussen de palen. Aan boord riep iemand iets terug. Otis keek naar de loopplank, naar de eerste tree en de strepen waar zoveel schoenen overheen waren gegaan.
Nelle legde haar hand niet op zijn schouder. Ze stond naast hem, met de map in haar tas.
Max kwam tot bij de ketting. Hij hield een halve pas afstand. Hij keek naar de mensen op het voordek.
‘Daar had ik kunnen staan,’ zei hij.
‘We hadden nog moeten kiezen,’ zei Otis.
Max draaide zijn hoofd. ‘De boot heeft alvast gekozen.’
Otis wilde zeggen dat een boot niks koos. Dat het de man was en de tijd en dat zij geen kaartjes hadden. Maar Max keek alweer naar het water.
De man maakte het touw los van de paal en nam het mee over de loopplank. Daarna werd de plank ingetrokken. Even later zag Otis hem achter een raam bewegen.
Er zat ineens een smalle strook water tussen de boot en de kant.
De strook werd breder.
Otis legde zijn handen op de bovenkant van een paal. Het witte verfwerk voelde korrelig. Hij had de tijd goed uitgezocht. De heenreis klopte. De terugreis ook. Alleen het stukje waarin hij zelf moest vertrekken had hij niet geregeld.
Zora pakte de band van haar rugzak vast.
‘Ik ga even daar kijken,’ zei ze.
Onder het afdak naast het havengebouw stond een groot houten model van de haven. Er liepen blauwe geulen tussen lage huisjes. Bij een brug zaten twee metalen hendels. Een klein kind duwde met zijn hand een bootje onder de brug door. Zijn vader zei dat hij het niet moest optillen als de brug nog dicht was.
Zora liep erheen. Otis volgde niet meteen.
De fortboot draaide. Achter de achtersteven ontstond een brede witte streep. Max boog zijn knieën een beetje toen de eerste kleine golf tegen de muur sloeg.
‘Die komt hier nog,’ zei hij.
Otis keek naar hem. ‘Wat?’
Max wees naar het water. De rimpels liepen van de draaiende boot naar de kade. Ze kwamen onder de zwarte autoband door en sloegen tegen de stenen, één na één.
‘Hij is al weg,’ zei Max. ‘En hij duwt hier nog.’
Otis keek naar de cirkels tussen de palen. Hij had de golf niet zien komen. Nu zag hij hem ook langs een andere boot lopen. Daar tikte een touw tegen een mast.
Max bleef wachten tot het water rustiger werd. Daarna keek hij naar Otis.
‘Komt er nog een?’
‘Voor het fort niet op tijd. De poort gaat dicht.’
‘Voor varen.’
Otis knikte.
Max stak zijn handen in zijn zakken. Hij vond het kleine rondje uit het kaartje en haalde het weer tevoorschijn. Hij legde het op zijn handpalm. De wind pakte het meteen.
Het rondje vloog op, draaide een keer en verdween tussen de stenen.
Max knielde. Otis zakte naast hem door zijn knieën. Ze vonden het in een kier, tegen een strookje mos. Otis hield zijn hand ernaast tegen de wind terwijl Max het pakte.
‘Dat gaat makkelijker als je zwaar bent,’ zei Max.
‘Zo’n rondje vinden?’
‘Op je plek blijven.’
Otis ging weer staan. Hij stak zijn hand uit. Max keek ernaar en greep hem vast. Zijn hand was nog koel van de kraan.
Onder het afdak schoof Zora de ene hendel om. De modelbrug ging omhoog.
‘Hier kun je tenminste zelf iets laten vertrekken,’ riep ze.
Otis en Max liepen naar haar toe.
Onder het havenafdak
10. Wat er nog staat
Het model was bijna even lang als Renées keukentafel. Aan de ene kant lag de stad, met kleine rode daken. Aan de andere kant begon de zee. Het eiland met het fort zat vast aan een houten staafje dat onder het blauw verdween.
Zora pakte het platte bootje bij de achtersteven en schoof het door een geul. Onder de brug bleef het steken. Ze trok het terug, bewoog de hendel verder en probeerde het nog een keer.
‘Die gaat echt veel te langzaam open,’ zei ze.
‘Jij hebt de andere hendel nodig,’ zei Otis.
Ze keek op. Hij wees.
‘Die is voor het slot.’
Zora trok aan de korte hendel. Er klonk een klik. Nu kon de brug verder omhoog. Het bootje schoof erdoorheen.
‘Dat stond op het bordje,’ zei Otis.
‘Je hoeft je niet voor alles te verontschuldigen,’ zei ze. ‘Je mag ook gewoon weten hoe een brug werkt.’
Hij wist niet wat hij daarop moest zeggen. Hij legde zijn tas op de brede onderrand en zette een kleiner bootje in de havengeul.
Max keek naar zijn handen. Toen liep hij om het model heen. Van de andere kant kon je het bootje bijna niet zien, alleen de bovenkant van de mast.
‘Dat is een hele omweg,’ zei hij.
‘Wat?’
‘Als je wil weten wat er aan de achterkant zit.’
Hij boog door zijn knieën en keek langs de geverfde loodsen. Otis zag zijn eigen achterhoofd verdwijnen onder de rand van de tafel.
Nelle haalde de map uit haar tas. Ze zette hem tegen de muur, achter haar voeten, en gaf Otis zijn telefoon aan. Die was uit het open voorvak gegleden toen hij zijn tas neerzette.
‘Misschien kun je Renée nu vertellen hoe laat we terug zijn.’
Otis nam de telefoon.
Hij liep tot de rand van het afdak en belde. Regenwater drupte uit een los pijpje in een plantenbak. De lucht erboven was droog. Het pijpje liep kennelijk ergens op leeg.
Renée nam op met zijn naam.
‘We zijn niet naar het fort,’ zei hij.
‘O.’
‘De boot is weg. De volgende komt te laat bij de poort.’
Aan de andere kant werd iets tegen een rand getikt. Een lepel, dacht Otis.
‘Wat doe je nu?’ vroeg zij.
Hij keek naar Zora. Ze hield de brug open voor het bootje van een klein meisje dat erbij was komen staan. Max zat nog gehurkt aan de overkant en liet het bootje weer tevoorschijn komen tussen twee huisjes.
‘Dat kiezen we nog. Iets korters.’
‘Goed.’
‘Ik ben er vanavond. Zelf. En ik doe de afwas. Ook de pannen.’
‘Die worden meestal vuiler dan de borden, ja.’
‘Ik bedoel dat je ze niet alvast hoeft te doen.’
Renée bleef even stil. Toen zei ze dat ze om zeven uur wilden eten en dat hij er eerder mocht zijn om de glazen uit de koelkast te halen.
‘Half zeven,’ zei Otis. ‘Dat kan.’
Hij keek naar Nelle. Zij knikte.
‘En Max komt mee,’ zei hij.
‘Graag. Kan hij tegen citroen?’
Otis wist het niet. Hij keek naar de jongen naast het havenmodel. Max volgde het bootje met zijn ogen, tot het meisje ermee wegliep.
‘Hij is dan weer papier.’
‘O ja. Dan zetten we geen glas op zijn plaats.’
Otis glimlachte. Hij had bij het idee van een extra gast meteen aan nog een toetje gedacht. Zijn tante blijkbaar ook.
‘Ik had het je eerder moeten zeggen,’ zei hij.
‘Ja.’
Hij wachtte niet op een zin die dat makkelijker maakte. Renée zei dat ze een beetje haast had: er moest nog iets de koelkast in. Hij bedankte haar en hing op.
Zora kwam bij hem staan. ‘Zijn we welkom?’
‘Ja. Om zeven uur eten.’
‘Mijn vader haalt ons. Dat heeft hij aan je moeder gestuurd.’
Otis stak zijn telefoon diep in het vak en deed de rits dicht.
Bij het model stak het kleine meisje haar bootje aan Max toe. ‘Nog een keer?’
Hij keek naar Otis. Daarna naar het bootje.
‘De brug staat al open,’ zei Otis.
Max pakte het bootje en zette het aan het begin van de geul. Hij duwde het met één vinger vooruit. Het meisje holde naar de andere kant om het op te vangen.
Otis bleef staan tot het bootje aangekomen was. Het duurde maar een paar tellen. Daarna pakte hij zijn tas weer op.
De uitkijktrap
11. De achterkant van de haven
Zora wees naar de metalen trap aan de zijkant van het havengebouw.
‘Daar kun je over die loodsen heen kijken.’
Bovenaan staken twee mensen hun hoofd tussen de spijlen van de leuning. Naast de onderste trede stond een bordje met een kijker erop. De trap hoorde bij het uitzichtpunt van de haven.
Nelle stak de map terug in haar tas. ‘Ga maar. Ik kom erachteraan.’
Zora ging voorop. Max zette zijn voet op de eerste trede en keek door de gaatjes in het metaal. Daarna keek hij erlangs, naar de ruimte tussen de trap en de muur.
‘Je hoeft er niet doorheen,’ zei Otis.
‘Ik keek of mijn voet erop bleef.’
‘Dat blijft hij.’
Max ging omhoog. Na drie treden veranderde zijn pas. Hij zette zijn voeten niet meer precies in het midden. Bij de bocht legde hij zijn hand op de leuning en trok zichzelf de laatste paar stappen bijna omhoog.
Boven was meer wind. Otis voelde hem in zijn hals, onder de kraag van zijn trui. De uitkijkvloer was niet groot. Je kon er met een paar mensen staan, met de haven voor je en het dak vlak achter je rug.
De twee andere bezoekers liepen naar de trap. Zora wachtte tot ze langs konden en ging toen op hun plek staan.
Van hier zag Otis de boot weer.
Hij was al een heel eind weg. De witte streep erachter was dunner geworden. Het eiland lag nog verder, met een lage donkere rand waar de fortmuur bovenuit kwam.
Otis haalde zijn kaart niet uit zijn tas. Hij wist waar de geluidsbuis ongeveer zat. Daar kon je vanaf hier niks van zien.
Zora leunde op haar ellebogen.
‘Volgende keer wil ik daar nog steeds heen,’ zei ze.
‘Ik ook.’
‘Dan spreken we één dag af. En jij zegt gewoon of die kan.’
Otis knikte.
Max stond een stuk verderop. Hij hield zijn gezicht recht in de wind en kneep zijn ogen half dicht. Aan de rechterkant trok zijn natte manchet aan zijn arm.
‘Je kunt je hoofd draaien,’ zei Otis.
Max deed het. Zijn haar viel tegen de andere kant van zijn voorhoofd. Hij draaide terug en glimlachte.
‘Ik weet het.’
Otis keek naar de leuning. Hij had alweer iets uitgelegd wat de ander zelf aan het proberen was.
Beneden stak een klein plat bootje het binnenwater over. Het had geen hoge bovenkant. Je kon de mensen erop zien staan. Het kwam van de ene kade los en liep schuin naar de overkant.
Zora wees. ‘Dat is het pontje dat ze bedoelde.’
Nelle kwam boven. Ze bleef even bij de laatste trede staan om haar jas goed te trekken. Daarna keek ze met hen mee.
‘Aan de havenkop,’ zei ze. ‘Daar loopt een pad langs de muur. Met het pontje kun je aan de overkant weer teruglopen naar dit gebouw.’
Otis zag het. Vanaf de trap lag de route bijna vanzelf open. Een brede strook langs het water, het kleine bootje en het pad terug tussen de loodsen en de huizen. Geen ingewikkelde overstap.
Aan de andere kant van het plein lag een langere rondvaartboot. Twee mensen tilden een krat bekertjes naar binnen. Op de zijkant stond HAVENRONDVAART, met grote donkere letters.
Waar zou jij vanaf de uitkijktrap het eerst naar kijken?
Je mag iets aanwijzen of gewoon verder lezen.
Max keek eerst naar het kleine pontje en daarna naar die boot.
‘Die twee gaan allebei op het water.’
‘Ja,’ zei Zora.
‘En daar staan mensen op. Die worden mee omhooggedaan.’
Otis leunde met zijn onderarmen op de rail. ‘Dat zal bij de rondvaart meer zijn. Die gaat verder de haven uit.’
Hij keek snel naar Max om te zien of dat weer te veel uitleg was. Max keek alleen maar naar de boten.
‘Wat is een golf als niemand hem aanraakt?’ vroeg hij.
Otis opende zijn mond. Hij deed hem weer dicht.
Zora trok één schouder op. ‘Nog steeds een golf, denk ik.’
‘Maar je weet niet of hij je optilt.’
‘Daarom wil je mee.’
Max knikte.
Otis keek naar het lange vaartuig. Hij had zich de hele ochtend verheugd op de veerboot. Dat stuk was niet verdwenen omdat het andere stuk niet meer kon.
Zora draaide zich om. ‘We gaan zo terug. Ik wil nog even zelf in die havenwinkel kijken.’
‘Wat wil je kopen?’ vroeg Otis.
‘Dat weet ik pas als ik gekeken heb.’
Max keek haar aan en knikte zo ernstig dat Otis moest lachen.
Ze gingen naar beneden. Max liep voor Otis uit. Bij de onderste trede bleef hij even staan, omdat zijn schaduw nu op de muur viel. Hij stak een arm op. De schaduw deed hetzelfde.
‘Die is nog plat,’ zei hij.
‘Die blijft ook plat,’ zei Otis.
Max keek over zijn schouder. ‘Dat dacht jij van mij ook.’
Het havenplein
12. Een nieuw vertrek
Beneden zette Zora haar rugzak even op de brede vensterbank. Ze haalde haar portemonnee eruit en telde het geld. Daarna stopte ze alles terug.
‘Ik wil geen haast meer omdat jullie eerst nog moeten kiezen,’ zei ze.
Otis keek naar het loket. Er stonden nog maar twee mensen. De vrouw achter de ruit had een andere trui aangedaan, of misschien alleen haar vest dichtgeknoopt.
‘Dan kiezen we nu.’
Max ging naast hem staan. ‘Jij ook?’
‘Ik ook.’
Nelle trok haar telefoon uit haar zak en keek hoe laat het was. Ze liet het scherm even aan Otis zien. Ze hadden ruim tijd tot zes uur. Ze hoefden nergens meer heen te rennen.
‘De rondvaart duurt een uur,’ zei ze. ‘Dat heb ik net op het bord gezien. Half vier weg, half vijf terug. Of we lopen naar de havenkop. Het pontje komt om het kwartier. Daarmee zijn we ook ruim op tijd terug.’
Max keek naar de boot langs de steiger.
‘Een uur op het water?’
‘Een uur varen,’ zei Zora. ‘Ze leggen hem vast niet halverwege droog.’
Hij glimlachte. Toen keek hij naar Otis.
Otis voelde het kaartpapier door de stof van zijn tas. Hij had de hele ochtend willen doen wat daarop stond. De kaart kon nu gewoon blijven zitten. Hij hoefde hem niet weg te gooien. Hij kon hem een andere keer gebruiken.
‘Ik vind die rondvaart wel mooi,’ zei hij. ‘Dan gaan we een stuk naar buiten. En hoeven we nergens af te stappen om op tijd weer terug te zijn.’
Zora keek langs de reling naar de havenkop. Je kon het kleine pontje net zien vertrekken.
‘Ik vind lopen ook fijn. Dan kunnen we stoppen als er iets is. En naar dat winkeltje aan het eind. Mijn vader zei dat ze oude zeekaarten hebben.’
‘Dan kopen we niet weer een hele nieuwe route,’ zei Otis.
‘Ik wil ernaar kijken.’
Hij knikte. ‘Weet ik.’
Max bewoog zijn armen. De natte mouw was niet meer zo donker. Hij drukte zijn hand ertegen en keek naar het vocht op zijn vingers.
‘Bij allebei word ik opgetild,’ zei hij. ‘Dat maakt niet uit.’
‘Je hoeft niet te zeggen dat alles goed is,’ zei Otis.
Max keek hem aan. ‘Dat zeg ik ook niet. Ik zei dat die twee goed zijn.’
Otis voelde een korte lach achter in zijn keel. Het was irritant hoe vaak de ander met bijna zijn eigen stem iets zei waar hij niks tegenin kon brengen.
Nelle wees naar een bakkerij naast het havengebouw. ‘Wat jullie ook kiezen, ik haal eerst iets te eten. Jullie hebben sinds vanmorgen alleen water binnengekregen.’
Otis voelde ineens dat zijn maag leeg was. Zijn boterham leek van een andere dag.
Zora pakte haar rugzak. ‘Als we de rondvaart doen, wil ik vóór we aan boord gaan even alleen in de havenwinkel kunnen kijken. Gewoon vijf minuten. Niet dat er iemand naast me staat die steeds vraagt of ik al klaar ben.’
‘Dat kan,’ zei Otis.
Max knikte ook.
‘En als we gaan lopen,’ zei Otis, ‘wil ik wel dat we het pontje terug nemen. Niet dat we aan het eind zeggen: lopen kan ook.’
‘Afgesproken,’ zei Zora.
Max stak zijn handen in zijn zakken en haalde het kleine rondje papier weer tevoorschijn. Hij legde het op de vensterbank, precies in de hoek waar de wind er niet bij kon.
‘Ik wil dat meenemen,’ zei hij.
Otis pakte het kleinste vakje van zijn tas open. ‘Hier kan het. Dan krijg je het straks terug.’
Max hield zijn hand even boven het rondje. Daarna gaf hij het aan Otis.
Het paste tussen twee kaartjes die Otis nog van een eerdere busreis had bewaard. Hij schoof het vakje dicht.
Zora keek van de rondvaartboot naar het pad langs het water. Ze trok haar rugzakbanden recht.
‘Nou dan,’ zei ze. ‘Waar gaan we heen?’
De havenwinkel en de rondvaartboot
13. Zonder het fort
Zora zette een stap naar de havenwinkel.
‘Vijf minuten,’ zei ze. ‘Misschien zeven.’
Otis stak zijn handen op. ‘Ik wacht hier.’
Max keek naar de deur, maar hij liep niet achter haar aan. Nelle ging broodjes halen. Otis en Max bleven bij de brede vensterbank staan. Zonder Zora ertussen zag Otis pas hoe vaak hij zelf naar de ander keek.
Max hield zijn arm in de zon. De natte plek was gekrompen tot een donkere rand bij zijn pols.
‘Hij wordt lichter,’ zei hij.
‘Het water gaat eruit.’
Max knikte en liet zijn arm zakken. Hij vroeg niet waar het water heen ging. Otis had zijn antwoord al klaar gehad. Hij stopte het weer weg.
Door de winkelruit zag hij Zora bij een rek staan. Ze pakte een opgerolde kaart, maakte het elastiek los en liet de rol een stukje openvallen. Een hoek stootte tegen een potlodenbak. Ze zette de bak recht zonder op te kijken.
‘Zij weet veel van kaarten,’ zei Max.
‘Ze tekent ze ook. Van zelfbedachte eilanden.’
‘Die zijn er niet?’
‘Nog niet, zegt ze dan.’
Max keek naar het rek en daarna naar de haven. ‘Dat is wel een goed antwoord.’
Nelle kwam terug met een papieren zak onder haar arm. Ze deelde broodjes uit. Voor Max hield ze de zak open, zodat hij zelf kon kiezen. Hij pakte degene met kaas en keek hoe Otis de servet eromheen vouwde.
‘Die laat je eraan tot je bij je vingers bent,’ zei Otis.
Max nam een hap. Er bleef kaas aan het papier hangen. Hij trok eraan, kreeg de hele plak mee en keek naar het broodje dat hij overhield.
‘Of andersom,’ zei Otis.
Toen Zora naar buiten kwam, was Max bezig de kaas terug te leggen. Zij had een platte papieren zak met twee donkerblauwe lijnen erop.
‘Een kaart?’ vroeg Otis.
‘Een oude proefdruk. Van een stukje kust dat nu anders is.’ Ze trok de rand even omlaag. ‘Hier is nog een zandbank die verdwenen is.’
Max deed een stap dichterbij, maar Zora hield de zak tegen zich aan.
‘Straks rustig. Op de boot niet openmaken. Daar waait hij weg.’
Otis knikte. Een stuk papier dat heel moest blijven was ineens niet meer alleen iets voor zes uur.
Ze kochten hun kaartjes. Otis legde zijn geld in het bakje. Max legde zijn helft ernaast, telde het geld na en schoof een klein muntje terug naar Otis.
‘Dat had jij te veel gegeven.’
Otis telde het na. Het klopte. Hij liet het muntje in zijn tas vallen.
Bij de steiger stond de boot klaar. Hij was lager dan de fortboot, met een overdekt deel en een open voordek. Langs het dek liep een stevige rand met een rail erboven. Op de banken zaten al mensen met jassen op hun schoot.
Max ging halverwege de loopplank staan.
‘Niet hier stoppen,’ zei een vrouw achter hen vriendelijk.
Hij stapte door. De boot zakte nauwelijks onder zijn voet. Hij keek omlaag en zette zijn tweede voet erbij.
Otis merkte dat hij naast hem ging staan. Hij had bedacht dat Max hem de hele middag nadeed. Nu hadden hun voeten ongevraagd precies dezelfde plek gezocht.
Nelle liep naar een bank naast de deur van het overdekte deel. Ze ging zitten met haar tas op schoot en haalde de map er niet uit. Zora koos de bank ertegenover.
Max bleef op het open stuk staan. Hij keek naar de kabel aan de wal, naar het donkere water onder de loopplank en naar de rand van de kade. Otis kwam naast hem.
‘Je voelt het pas als we varen,’ zei hij.
Max zette zijn voeten wat verder uit elkaar. ‘Ik voel nu al iets.’
Otis luisterde naar de motor. Het trillen kwam door zijn schoenen omhoog. Hij voelde het in de naden onder zijn voeten.
Max keek hem aan. Er verscheen een glimlach op zijn gezicht.
Een bemanningslid maakte de loopplank los. De vrouw achter hen ging met een plof op de bank zitten en ritste haar jas dicht. Zora vouwde de bovenrand van haar papieren zak om en stopte hem hoog in haar rugzak.
‘Ik ben er klaar voor,’ zei ze.
Max stak zijn kin een beetje omhoog.
Otis keek naar de kade. De zwarte rand tussen de boot en de stenen werd breder. Dit keer bleef hij zelf aan de andere kant staan.
Aan boord
14. Je hoeft het niet te weten
Otis keek naar de kade tot hij niet meer precies kon zien waar ze hadden gestaan.
De bank bij de kiosk, het afdak met het model en de metalen uitkijktrap schoven achter elkaar. Vanaf het plein hadden ze ver uit elkaar geleken. Nu pasten ze in één smalle strook.
Max hield één hand tegen de rail. Hij kneep niet. Zijn vingers lagen er gewoon overheen.
‘Straks komt er een bocht,’ zei Otis.
‘Dat zie ik.’
‘Daar gaat hij meer bewegen.’
Max knikte. Otis schoof zijn voet tegen het lage randje onder de bank. Het gaf steun zonder dat hij ernaar hoefde te kijken.
De boot liep langs een rij loodsen. Iemand achter hen wees naar de rode deuren. Nelle keek op en volgde de richting met haar ogen. Daarna liet ze haar blik weer over het water gaan.
Zora kwam bij hen staan. ‘Mijn kaart zit veilig.’
‘Ik heb er niks over gezegd,’ zei Otis.
‘Dat hoeft ook niet. Ik vertel gewoon iets.’
Hij keek naar haar. Hij was nog zo bezig om niet de verkeerde opmerking te maken dat zelfs een gewone zin als een vraag voelde.
Max draaide zijn hoofd naar de boeg. De wind pakte zijn haar en trok de platte plek achterop open. Otis voelde hetzelfde bij zichzelf. Hij streek zijn haar glad.
Max deed dat niet.
‘Het waait hier harder,’ zei hij.
‘Daarom moet je straks misschien toch maar gaan zitten.’
‘Waarom?’
‘Omdat je dat nog nooit hebt gedaan.’
Max keek naar de banken en toen naar zijn voeten. ‘Ik sta.’
‘Ik bedoel varen.’
‘Dat doe ik ook al.’
Zora stootte Otis met haar elleboog aan. Niet hard. Precies genoeg om hem te laten horen wat hij zei.
Hij keek over de rand. Er dreef een bruine tak langs, met aan het uiteinde iets wat op een klein handje leek. Even voer de tak naast hen. Daarna bleef hij achter.
De boot begon te draaien.
Otis voelde zijn buik een beetje achterblijven. De kade ging de andere kant op dan hij had verwacht. Hij pakte de rail steviger vast. Naast hem liet Max zijn knieën meebewegen.
‘Daar,’ zei Max.
‘Ik voel het wel.’
Max keek verbaasd. ‘Ik wees naar dat gele ding.’
Aan de overkant stond een hijskraan, op een hoge rij poten. Onder de kraan lag een boot met een dichte hoes. Otis knikte, hoewel zijn vingers nog stevig om het metaal zaten.
Zora boog een beetje voorover. ‘Hij staat met dat hele ding boven het water.’
‘Ja,’ zei Otis.
Hij wilde vertellen hoe de kraan waarschijnlijk werkte. Hij wist het niet precies. Hij had alleen iets gezien op een filmpje. Hij slikte zijn uitleg in.
De boot kwam rechter te liggen. Otis maakte zijn vingers los, één voor één. Er stonden bleke strepen op zijn knokkels.
Max zag het.
‘Heb jij dat nooit gedaan?’ vroeg hij.
Otis staarde naar de loodsen.
‘Een boot wel.’
‘Maar dit niet.’
Otis schudde zijn hoofd. ‘Niet zo. Met zo’n bocht.’
Max knikte langzaam. ‘Dan zijn we dat allebei aan het proberen.’
Zora keek naar Otis. Ze glimlachte niet op die manier waarop mensen glimlachten als ze vonden dat je gerustgesteld moest worden. Ze keek gewoon even en ging toen op de bankrand zitten.
‘Hier zie je ook genoeg,’ zei ze.
Otis ging naast haar zitten. Max bleef nog staan.
Zora haalde een hoek van haar zakdoek uit haar jaszak en streek ermee langs een natte plek op haar hand. ‘Hij heeft me bij de halte gevraagd of ik de zee al eens van dichtbij had gezien.’
Otis keek op.
‘Jij weet dat. Jij was erbij.’
‘Die dag met je vader.’
‘Ja.’
Max kwam iets dichterbij. ‘Die zat niet in de tekening.’
Zora keek naar hem en knikte. ‘Nee. Dat snap ik nu.’
Ze vertelde kort over die dag. Over het zand dat zo heet was dat ze hun schoenen weer hadden aangetrokken. Over haar vader die dacht dat de auto precies naast dat blauwe huis stond, terwijl er langs de hele straat blauwe huizen waren.
Otis herinnerde zich het meteen. Hij voelde het zand weer onder zijn tenen en hoorde Zora toen roepen dat ze een nieuw huis moesten kiezen om de auto bij te parkeren.
Max luisterde. Hij kende geen van die dingen. Hij leunde met zijn elleboog op de rail en vroeg of de zee toen ook zo had geroken.
Otis was zelf vergeten om te ruiken.
Op de rondvaartboot
15. Het water onder zijn voeten
Na de bocht werd de haven breder. De loodsen lagen verder uit elkaar en tussen twee muren zag Otis een strook open water.
Max ging aan de voorkant staan. Hij legde eerst zijn hand op de rail en zette toen zijn voeten neer. Hij keek even achterom, naar de bank waar Otis en Zora zaten.
Otis stond op.
Zora kwam ook. Ze gingen met z’n drieën naast elkaar staan. Nelle bleef op haar bank, met haar gezicht in de zon. Ze had haar ogen gesloten, maar één hand hield nog de hengsels van haar tas vast.
Er kwam een andere boot langs. Het was een kleine werkboot, met twee mensen in oranje jassen. Achter de boot bleef een schuine rimpel liggen die steeds langer werd.
Max wees.
‘Ja,’ zei Otis. ‘Die komt.’
Hij zette zijn voeten steviger neer. De rand van zijn schoen drukte tegen de vloer. Naast hem stopte Zora haar vlecht achter haar oor. De wind trok hem er meteen weer vandaan.
De eerste golf bereikte hen.
Otis voelde het dek onder zich omhooggaan. Het was maar een korte beweging. Zijn knieën bogen, zijn buik ging mee en toen stonden ze weer bijna recht.
Max zei niets.
Hij hield zijn gezicht naar het water. De tweede beweging kwam van een andere kant. Zijn handen sloten wat steviger om de rail, maar hij bleef staan.
Bij de derde golf begon hij te lachen.
Het was geen hard lachen. Het kwam in kleine stukjes naar buiten, precies tegelijk met de beweging onder zijn voeten. Hij keek omlaag naar zijn schoenen en daarna naar Otis.
‘Dit.’
Otis knikte.
‘Dit bedoelde ik.’
Zora lachte mee. Ze hield haar handen om de rail en deed één keer heel overdreven haar knieën op en neer. Max keek naar haar benen en probeerde het ook.
‘Nu doe je het zelf,’ zei Otis.
Max hield op. Hij wachtte. De boot bewoog nog een klein beetje na.
‘Dat kan dus ook.’
Otis lachte hardop. Pas toen het water rustiger werd, merkte hij dat hij de rail minder hard vasthield.
Ze bleven staan tot de werkboot achter de muur verdwenen was. Zora wees naar een lijn witte palen in het water. Ze vroeg of het kleine pontje daar ook langs kwam. Otis zei dat hij het niet wist.
Dat klonk eenvoudiger dan hij had verwacht.
Max keek naar zijn eigen hand. Hij spreidde zijn vingers boven de rail en legde ze weer neer.
‘Ik wilde dat al bij de kraan,’ zei hij. ‘Daar bewoog het water ook. Maar dan moest ik het zelf opvangen.’
‘En nu de boot,’ zei Zora.
‘Ja.’
Er kwam een rustig stuk. De boot draaide verder tussen de boeien door. De stad schoof weer naar voren, dit keer van de andere kant.
Otis keek naar Zora. Hij had iets willen zeggen sinds ze bij het loket stonden, maar het was steeds in de weg gaan zitten van iets anders.
‘Ik had je niet moeten laten denken dat alles kon.’
Zora keek even opzij. Daarna terug naar het water.
‘Ik wilde wel met je mee.’
‘Weet ik.’
‘Ook zonder dat ik precies wist hoe het allemaal moest.’
‘Dat wist ik niet.’ Ze bewoog haar hand over de rail tot ze een droge plek had gevonden. ‘Je vertelde het alsof het alleen nog uitgevoerd hoefde te worden.’
Otis dacht aan zijn kaart. De lijnen, de pijltjes en de tijden. Bij geen enkel pijltje had gestaan dat hij een gesprek moest voeren.
‘Volgende keer vraag ik eerst of de dag kan.’
‘Bij iedereen,’ zei Zora.
‘Ja.’
Max draaide zich naar haar toe. ‘Ik wilde ook mee. En ik wist dat je dacht dat ik Otis was.’
Ze keek hem aan.
‘Toen je zei dat je blij was dat we eindelijk gingen,’ zei hij. ‘Ik heb het toen niet gezegd. Dat had ik wel begrepen.’
Zora knikte langzaam. Ze liet haar blik even op zijn gezicht rusten, alsof ze er een plek zocht waar de twee jongens uit elkaar begonnen te lopen.
‘Nu weet ik het,’ zei ze.
Max keek naar de stad. ‘Ik wil nog wel met jou varen.’
‘Dat doen we.’
Zora stootte met haar schouder tegen de zijne. Hij zette een stap opzij en vond zijn evenwicht terug. Otis keek naar de twee plekken waar hun schoenen stonden.
De boot ging weer een bocht in. Hij bleef bij hen staan.
Toen ze langs de rode deuren van de loodsen voeren, wees Max uit zichzelf naar de hoge kraan. Otis keek omhoog. Hij liet hem wijzen, tot Zora vroeg of die kraan wel door het fort paste.
Otis keek haar aan.
Ze hield haar gezicht heel ernstig.
‘Met zo’n goeie kaart moet je dat toch uitgezocht hebben.’
Hij schoot in de lach. Achter hen deed Nelle haar ogen open.
De kade en het kleine havenstrand
16. Weer vaste grond
De loopplank lag stil toen ze terugkwamen. Otis merkte pas dat hij erop had gewacht toen hij eroverheen liep.
Max bleef op de kade staan en keek naar zijn voeten. Hij zette zijn ene schoen achter zijn andere, deed een stap opzij en keek omhoog.
‘Het beweegt niet.’
‘De straat,’ zei Zora.
‘Nee. Dat weet ik nu.’
Hij keek nog één keer naar de boot. Op het dek stapte een bemanningslid om een bank heen. Het leek vanaf hier veel gemakkelijker dan toen zij erop stonden.
Nelle haalde haar telefoon tevoorschijn. Het was half vijf. Er was nog anderhalf uur voordat Max klein werd.
‘We kunnen rustig terug naar huis,’ zei ze. ‘Of nog even hier blijven. Hassan hoeft pas later te komen.’
Max keek naar het water. Hij legde een hand op de rail. Er kwam een kring tegen de muur aan, van een boot die Otis niet had zien vertrekken.
‘Ik wil nog hier zijn als ik weer klein ben.’
Otis keek naar de tas van zijn moeder.
‘Daar onder het afdak kan de map droog liggen,’ zei hij. ‘Als er geen regen in waait.’
Max knikte. ‘Dan weet ik hoe het van allebei de hoogtes is.’
Nelle keek naar het afdak, naar de beschutte bank ernaast en toen naar haar telefoon. Ze stuurde Hassan een bericht. Even later kwam zijn antwoord. Tien over zes bij de haven. Daarna samen naar Renée.
Ze liepen langs de andere kant van het plein. Achter een laag muurtje lag een smal strookje zand, met een paar stenen treden ernaartoe. Er stonden twee kinderen met hun schoenen in hun handen. Ze maakten met hun tenen een geul van een plas naar het water.
Max bleef kijken tot het water doorbrak. Er liep een dun straaltje over het zand. De randjes stortten in en de geul werd breder.
‘Daar kun je ook staan,’ zei Otis.
Ze gingen de treden af. Nelle bleef boven op het muurtje zitten, haar tas naast zich. Zora trok haar schoenen uit en zette ze met de neuzen tegen elkaar. Otis volgde haar voorbeeld. Max keek toe en begon aan zijn veters.
Het droge zand was warm. Het natte stuk verderop voelde koel onder Otis’ voeten. Hij bewoog zijn tenen en zag het water opkomen tussen de korrels.
Max drukte één voet in het zand. Hij tilde hem op en keek naar de afdruk.
‘Die blijft.’
‘Tot er water komt,’ zei Zora.
Ze zette haar voet ernaast. Haar afdruk was smaller en de tenen stonden verder uit elkaar. Otis zette de zijne er aan de andere kant bij.
Max keek naar de twee gelijke vormen. Hij ging op één been staan en maakte met zijn andere voet een afdruk schuin door de zijne heen. Nu zag het er heel anders uit.
Zora begon een rij voetstappen naar het water. Otis liep ernaast. Ze gingen maar een klein eindje. Het koude water spoelde over zijn tenen en trok terug, met zand onder zijn voetzool vandaan.
Max kwam naast hem staan. Hij keek niet meer naar de boot.
Ze bleven er langer dan Otis had gedacht. Zora maakte een schelp los uit het zand die helemaal geen schelp bleek, maar de witte onderkant van een kiezel. Max bouwde met zijn handen een lage rand om een voetafdruk. De eerste keer liep het water eromheen. De tweede keer ging het eroverheen en was de afdruk weg.
Hij keek naar de vlakke plek en zette er zonder aarzelen een nieuwe voet in.
Toen ze weer op de treden zaten om het zand af te vegen, stond de zon lager tegen de ramen van de loodsen. Otis had korrels tussen zijn tenen die niet mee wilden werken. Zora hield een sok binnenstebuiten en schudde hem uit. Max had zijn schoenen voor de verkeerde voeten klaargezet.
‘Dat merk je als je gaat staan,’ zei Otis.
Max keek naar de neuzen. Hij verwisselde ze zonder het eerst te proberen.
Boven had Nelle drinken gehaald. Ze gaven de fles door op het muurtje. Otis legde zijn telefoon naast zijn tas: kwart over vijf.
Zora haalde haar kaart uit de zak. Er was geen wind tussen de hoge zijkant van het havengebouw en het muurtje. Ze rolde hem open. De verdwenen zandbank stond als een bleek vlekje in zee.
Max boog eroverheen. Hij wees naar een lege hoek, buiten de getekende kust.
‘Dat staat er niet op,’ zei Zora.
‘Maar het is er wel.’
‘Ja.’
Hij trok zijn hand terug. Otis hield één opkrullende rand vast. Zo bekeken ze de kaart, tot Nelle zei dat het bijna tijd was om een droge plek te zoeken.
Max stapte van het muurtje. Hij liep zelf naar het afdak. Zijn schoenen kraakten een beetje van het zand.
Het havenpad
13. Voorbij de geplande afslag
Bij de bakkerij nam Max het broodje met kaas. Hij trok de servet eraf, keek naar de losgeraakte blaadjes sla en pakte ze één voor één op.
‘Die moet je erom laten,’ zei Otis.
Max keek naar het broodje. Daarna vouwde hij de servet om de onderkant.
‘Dat was eerder handig geweest.’
Otis glimlachte. Zora trok haar eigen servet wat hoger en nam een hap. Nelle betaalde het drinken en stak het wisselgeld in haar jaszak. De map zat tussen haar tas en haar arm geklemd.
Ze aten op het muurtje naast de uitkijktrap. Vanaf daar begon het brede pad langs de haven. Aan de buitenkant stond een lage stenen muur met donkere leuningen erop. Aan de andere kant lagen deuren waar Otis nog nooit achter had gekeken.
Zora stond het eerst op. Ze vouwde haar servet tot een klein pakje en deed hem in de afvalbak.
‘Nu niet alsnog bij elke boot stoppen om te vragen of hij ook vaart,’ zei ze.
‘We gaan naar de havenkop,’ zei Otis.
‘En nemen het pontje.’
Max stopte zijn laatste stukje brood in zijn mond en knikte met volle wangen.
Het eerste stuk van de route stond nog op Otis’ kaart. Bij het einde van het havengebouw ging de getekende lijn naar rechts, naar de veerboot. Zij liepen rechtdoor.
Otis voelde dat kleine verschil in zijn voeten. Hij keek één keer achterom naar de aanlegsteiger. Daarna vouwde hij de kaart op en deed hem in zijn tas.
Naast de loodsen was minder wind. Je hoorde hun stappen en het kloppen van iets dat los tegen een deur hing. Een hoge schuifdeur stond halfopen. Binnen lagen dikke touwen in lussen over elkaar. Aan een muur hing een oranje reddingsboei. Meer kon Otis niet zien.
Max hield zijn pas in, maar Zora liep door.
‘Je mag kijken,’ zei zij over haar schouder. ‘Ik hoef niet bij alles te blijven staan.’
Max keek nog even en haalde hen toen in. Zijn schoenen maakten een ander geluid op de losse klinkers. Hij probeerde één stap precies op de naad en daarna één midden op een steen.
Otis zag het aan. Hij herkende de neiging om niet gewoon te lopen. Zelf liep hij vaak alleen op de donkere tegels als niemand naast hem liep.
Hij zette zijn voet op een donkere steen.
Max zag het en koos de lichte ernaast.
Zo liepen ze tot de bestrating veranderde. Zora keek om toen hun voetstappen ineens tegelijk ophielden. Ze zag de laatste twee donkere stenen achter hen en rolde haar ogen.
‘Met twee van jullie kom ik nooit ergens.’
‘We lopen gewoon,’ zei Otis.
‘Dat zie ik.’
Ze sloeg de hoek om. Daar hielden de loodsen even op en werd de haven breder. Er stond een bank met een gebogen metalen rugleuning. Daarachter lag een klein veldje gras, platgedrukt langs een paadje waar mensen kennelijk vaak liepen.
Nelle ging op de bank zitten om iets uit haar schoen te halen. ‘Loop maar tot die bocht. Ik kom zo.’
Otis bleef staan. Niet omdat hij op haar moest wachten. Hij wilde even zien wat er na de bocht was zonder dat hij er meteen op afging.
Max kwam naast hem staan. Hij trok zijn mouw een beetje omhoog. De natte rand hing zwaar om zijn pols, maar er vielen geen druppels meer uit.
‘Was jij vanmorgen ook al naar de haven geweest?’ vroeg hij.
‘Nee.’
‘Je wist steeds waar we moesten zijn.’
‘Dat had ik uitgezocht.’
Max wees vooruit. ‘Dit ook?’
Otis schudde zijn hoofd.
Er kwam een fietsster uit de bocht. Ze had een grote plant in haar fietstas. De bladeren zwiepten langs de muur. Otis stapte opzij. Max ook.
‘Dan gaan we kijken,’ zei Max.
Zora stond al verderop bij een raam. Achter het glas hingen kaarten aan houten knijpers. Sommige waren haast helemaal blauw. Eén had een groot wit stuk midden in het water.
Zij wees ernaar toen ze dichterbij kwamen.
‘Kijk. Die wil ik zien.’
Naast het raam zat een smalle deur. Er stond een houten blokje onder zodat hij openbleef. Het rook er naar karton en vers hout. Een vrouw achter een grote tafel keek op.
‘Kom maar binnen als je wilt kijken.’
Zora stapte naar binnen. Ze wachtte niet tot Otis gevraagd had wat ze precies wilde zien. Hij keek naar Max.
‘We zouden haar zelf laten kijken.’
Max knikte en bleef buiten bij de muur staan.
Otis ging naast hem zitten op de lage rand. Nelle kwam de bocht om, haar schoen weer aan. Ze ging aan de andere kant van Max zitten.
De havenkop
14. De andere kant van een lijn
Zora kwam naar buiten met een platte zak onder haar arm. Ze hield hem eerst dicht, keek naar de wind en ging toen onder de luifel staan.
‘Hij is verkeerd gedrukt,’ zei ze.
Otis keek naar de zak.
‘Niet helemaal. Maar dit stuk is leeg gebleven.’ Ze schoof de kaart een beetje omhoog. ‘Die vrouw had hem bewaard omdat ze het mooi vond.’
Max boog naar voren. Op het papier lag een lange donkere kustlijn. Aan één kant waren allemaal kleine streepjes en cijfers gedrukt. Aan de andere kant was bijna niets.
‘Daar kun je iets bij tekenen,’ zei Otis.
‘Misschien.’ Zora schoof hem weer in de zak. ‘Ik wil hem eerst zo laten.’
Ze stopte hem boven in haar rugzak. De hoek stak net niet uit de rits.
Het pad werd smaller doordat er een rij houten bakken tegen de muur stond. Er groeiden planten in die naar het water hingen. De bladeren raakten de grond. Max stapte eromheen en keek nog een keer achterom.
‘Die blijven daar staan.’
‘Die hebben wortels,’ zei Otis.
Max keek hem aan.
‘Dat weet ik,’ zei hij. ‘Ik bedoel de bakken. Iemand heeft besloten dat dit een goeie plek is.’
Otis hield zijn volgende uitleg in. Achter hen kwam Nelle naast Zora lopen. Ze zei iets over de kaart. Zora liet de rand van de zak nog een keer zien.
Bij de havenkop zat een man op een opvouwbaar stoeltje. Zijn hengel lag in een steun. Aan het uiteinde van de lijn dreef een roodwit puntje in het water.
Max liep erheen. Hij bleef een paar passen achter het stoeltje staan.
‘Komt het pontje hier?’
Otis keek langs de muur. Hij zag geen steiger, alleen een trapje dat bij het water eindigde.
‘Ik denk dat we verder moeten,’ zei hij.
De man keek over zijn schouder. Hij wees met zijn duim naar een smalle opening tussen twee loodsen aan de overkant.
‘Hij ligt daar nu. Zo komt hij deze kant op. De steiger zit achter dat muurtje, waar die blauwe paal staat.’
Max volgde zijn hand en knikte. ‘Dank u.’
Otis keek naar de blauwe paal. Hij had hem voor een deel van het hek gehouden.
De hengelaar draaide zich weer naar zijn lijn. Max bleef staan. Het roodwitte puntje ging omhoog en omlaag. De lijn hing er schuin naartoe.
‘Wacht u op iets?’ vroeg hij.
De man keek op. Zijn mondhoek trok omhoog.
‘Dat is ongeveer de bedoeling.’
Max keek naar het water. ‘Hoe weet u of er iets is?’
De man tikte met zijn vinger tegen de hengel. ‘Dat merk ik wel.’
Otis trok zijn tas wat hoger. Hij wilde Max vertellen dat je een hengelaar niet de hele tijd vragen moest stellen. Maar de man keek helemaal niet alsof hij ervan af wilde.
Zora kwam naast hem staan. Ze volgde de lijn tot de dobber.
‘Ik zou steeds denken dat ik iets had,’ zei ze.
‘Daarom zit ik ook op een stoel,’ zei de man.
Otis lachte. De hengelaar pakte zijn beker uit het gras en nam een slok. Max keek nog één keer naar het dansende puntje en bedankte hem opnieuw.
Ze liepen naar de blauwe paal. Achter het muurtje lag werkelijk de steiger. Aan de overkant kwam iemand uit de kleine stuurhut van het pontje en maakte een touw los.
‘Je had het gewoon moeten vragen,’ zei Max.
Otis keek op. ‘Ik had niks gezegd.’
‘Je zei dat we verder moesten.’
‘Ik zei dat ik dat dacht.’
Max ging met zijn rug tegen de muur staan. Hij keek Otis zo ernstig aan dat Otis zich ineens de strengste van de twee voelde.
‘Ik wilde niet weer ergens te laat zijn,’ zei Otis.
‘Ik was het al aan het vragen.’
Otis keek naar het pontje dat loskwam van de overkant.
‘Je had gelijk.’
Max legde zijn handen naast zich op de muur. ‘Dat wist ik pas toen die man antwoordde.’
Zora glimlachte. Ze kwam tussen hen in staan en wees naar de schuine lijn die het pontje over het water trok.
‘Vanaf de trap zag het er veel korter uit.’
Otis keek naar de overkant. Er stond daar een rood raam boven een deur. Daarnaast begon het pad terug. Hij kon het niet helemaal volgen, maar hij zag waar het moest liggen.
Hij pakte zijn kaart niet. Het pontje kwam hun kant al op.
Op het pontje
15. Het kleine pontje
Er pasten meer mensen op het pontje dan Otis vanaf de trap had gedacht. Twee fietsen stonden tegen een rek. Een vrouw met een boodschappentas zat op de korte bank bij de stuurhut. De schipper wachtte tot iedereen aan de kant stond voordat hij de plank neerlegde.
Max bleef achter Otis lopen. Aan de rand keek hij omlaag.
‘Hier zit het vlak onder,’ zei hij.
Otis keek naar het donkere water tussen de boot en de steiger. Hij zag een blaadje langs de zijkant draaien.
‘We stappen gewoon hierop.’
Hij wees naar de plank en stak zijn hand uit. Even hield hij hem boven het hout, alsof hij het begin van de route aanwees.
Max stapte erop. Het hout gaf een klein beetje mee. Daarna stond hij op het dek. Zora kwam achter hem en de boot bewoog net genoeg om Max zijn voeten wijder te laten zetten.
Hij keek naar haar schoenen.
‘Dat deed jij.’
‘Ik ben niet zo zwaar.’
‘Wel voor de boot.’
De vrouw op de bank lachte. Zora keek naar Max en toen naar Otis. Haar mondhoek ging omhoog.
Nelle kocht de kaartjes bij de schipper. Otis gaf haar zijn deel. Max gaf het zijne zonder dat iemand ernaar vroeg. Het waren kleine kaartjes met een afgescheurde rand. Max stak het direct in zijn broekzak.
‘Die blijft van mij,’ zei hij.
Otis knikte.
De schipper trok de plank weg. Er kwam water waar net nog hout had gelegen. Otis merkte dat Max dat heel precies volgde. Toen kwamen de motor en de bocht.
Het pontje duwde zich van de steiger af.
Otis voelde een korte kanteling onder zijn voeten. Hij hield zich vast aan de rand. Max keek naar de overkant en daarna naar de plek waar zij hadden gestaan. De blauwe paal schoof langs een raam.
Zora zette haar rugzak tussen haar schoenen. Ze keek even of de rits goed dichtzat.
Max boog zijn knieën. Hij ging niet zelf op en neer. Hij wachtte tot het dek nog een keer bewoog.
Dat gebeurde toen ze midden op het water kwamen. Een brede rimpel liep onder de boot door. De boeg kwam wat omhoog en zakte terug. Achter Otis tikte de vrouw op de bank met haar schoen tegen een poot.
Max draaide zijn hoofd.
Zijn glimlach begon bij zijn mond, maar kwam pas echt in zijn ogen toen de volgende beweging kwam.
‘Daar is het,’ zei hij.
Otis keek naar zijn schoenen. Hij voelde dezelfde beweging.
‘Ja.’
Max haalde langzaam adem. Hij liet één hand los en legde hem meteen weer terug op de rand. Hij hoefde niks te doen om opgetild te worden. Dat deed de boot onder hem.
Zora keek naar hem en daarna naar Otis. Ze zei niets. Ze pakte haar rugzak wat steviger tussen haar schoenen.
Het duurde kort. De andere kade kwam al dichterbij. Toch ging het pontje nog niet recht op de steiger af. Eerst draaide het en schoof de muur opzij. Otis zag nu pas het hele pad terug naar het havengebouw.
‘Daar komen we uit,’ zei hij tegen Zora. ‘Bij die rode deur. Dan onderlangs terug, niet weer om de hele haven.’
Ze volgde zijn vinger. ‘Dat is goed. Ik wil nog niet weer diezelfde hoek.’
Max keek naar haar.
‘Ik had eerder moeten zeggen wie ik was,’ zei hij.
Zora keek op.
‘Toen we bij de halte stonden. Ik begreep dat jij op Otis wachtte. Maar toen gingen we al lopen en ik wilde niet dat je stopte.’
Ze legde haar hand op de tasband.
‘Ik was wel met je meegegaan,’ zei ze. ‘Als ik het had geweten.’
‘Dat wist ik niet.’
‘Nee.’
Max keek naar het water naast de boot. De muur was nu dichtbij. Hij richtte zich weer naar haar.
‘Ik wil de volgende keer wel zeggen wie ik ben.’
Zora knikte. ‘Dat maakt het een stuk makkelijker.’
Otis draaide het rode elastiek rond zijn pols. ‘Ik had jou niet moeten laten oplossen wat ik zelf niet durfde te zeggen.’
Zora keek naar het bandje. Toen naar hem.
‘Dat was nogal een ingewikkelde manier om niet te bellen.’
Hij lachte zacht. ‘Ja.’
Het pontje raakte de steiger met een doffe tik. De schipper stapte uit de stuurhut en pakte het touw. Max bleef staan tot de plank lag en de fietsen langs waren.
Toen stapte hij aan wal. Hij draaide zich nog één keer om.
‘Dank u,’ zei hij tegen de schipper.
‘Graag gedaan.’
Max liep naar de rode deur en bleef daar op hen wachten. De boot lag achter hem. Hij keek niet of Otis wist hoe ze verder moesten. Hij had het net zelf gehoord.
Het pad terug naar het havenplein
16. De kant waar ze begonnen
De loodsen aan deze kant hadden geen grote deuren naar het water. Ze stonden met hun rug ernaartoe. Tussen de muren lagen smalle stroken gras, een vergeten houten krat en een bezem zonder steel.
Zora liep voorop. Zij zag het paadje als eerste dat tussen twee loodsen door naar een breed plein ging. Aan de overkant van dat plein kon je het havengebouw alweer zien.
‘Daar is die trap,’ zei Otis.
Max keek ernaar. Van deze kant zag de trap er veel smaller uit. Je zag vooral de schuine lijn en de plekken waar de treden eraan vastzaten.
‘Die is er dus echt aan allebei de kanten,’ zei hij.
Otis wilde zeggen dat een trap niet verdween als je eromheen liep. Hij dacht aan Max die op zolder bijna alleen een lijntje was geweest. Hij liet het.
Nelle keek op haar telefoon. Nog geen vijf uur. Ze had een bericht van Hassan gekregen. Hij kon om tien over zes bij de haven zijn.
‘Zullen we eerder teruggaan?’ vroeg ze.
Max keek naar het water achter hen. Het pontje trok alweer van de steiger los.
‘Kan ik hier klein worden?’
‘Onder het afdak kan de map droog liggen,’ zei Otis. ‘Dat hadden we gezien.’
Max knikte. ‘Ik wil dit ook van mijn andere hoogte zien.’
Nelle keek naar de beschutte bank naast het havengebouw. Ze stuurde Hassan terug dat tien over zes goed was.
Ze hadden nog tijd. Dat was ineens iets waar Otis niet tegen hoefde te vechten.
Op het brede plein trok Max zijn trui aan de onderkant recht en rende een stukje vooruit. Hij stopte abrupt. Zijn schoenen schuurden over het gruis.
‘Ik schiet nog door,’ zei hij.
Otis bleef staan. ‘Als je stopt?’
Max knikte. Hij liep achteruit, draaide zich om en probeerde het nog een keer. Dit keer remde hij al eerder. Hij eindigde precies naast een donkere vlek in het asfalt.
Zora zette haar rugzak op een lage richel. ‘Daarom heb je knieën.’
‘Die vond ik al handig.’
Otis nam drie snelle passen en stopte naast hem. Zijn schoen gleed iets verder door dan hij wilde. Max keek naar de twee neuzen naast de vlek.
‘Jij ook.’
Ze probeerden het nog een paar keer. Geen wedstrijd naar de overkant, alleen beginnen en weer stoppen, met hun armen die steeds iets te lang doorgingen. Zora deed één keer mee, nam een veel te grote laatste stap en bleef met haar benen ver uit elkaar staan.
Ze keek omlaag en begon te lachen.
Nelle zat op de rand van een plantenbak. Ze had haar tas naast zich gezet en keek naar hen met haar handen los tussen haar knieën.
Toen ze verderliepen, voelde Otis zijn hart in zijn keel. Hij was warm geworden. Max trok zijn mouwen omhoog. De laatste natte plek was bijna droog.
Bij het havenplein stond een ijskar. Zora keek op de prijslijst en haalde haar portemonnee tevoorschijn. Otis voelde naar het losse muntje in zijn tas. Samen met wat hij nog had, was het genoeg voor één bol.
Max koos citroen.
‘Vind je dat lekker?’ vroeg Otis.
‘Dat weet ik nog niet.’
Hij kreeg het ijs en nam een hap die te groot was. Hij bleef met zijn mond open staan tot de kou minder werd. Daarna likte hij een klein stukje van de rand.
‘Wel. Maar langzaam.’
Otis koos chocola. Zora kreeg iets lichtbruin met kleine donkere stukjes erin. Ze gingen op het muurtje zitten, uit de wind. Ze praatten een tijdje bijna niet. Max was zo druk met het gelijk houden van de smeltende zijkanten dat hij pas halverwege opkeek.
‘Dit past straks ook niet meer,’ zei hij, en hield het hoorntje omhoog.
‘Dan weet je nu hoe het is,’ zei Zora.
Hij knikte en beet heel voorzichtig een stukje van de rand.
Later rolde Zora haar kaart open op de brede bovenkant van het muurtje. Otis hield de ene hoek vast. Nelle legde haar telefoon op de andere hoek. Het witte stuk in zee bleef leeg.
Max liep met twee vingers over het pad dat er niet op stond. Hij raakte het papier nauwelijks.
‘Hier liepen wij.’
‘Ongeveer,’ zei Zora.
‘Dat hoeft er niet op?’
Ze schudde haar hoofd. ‘Dat weet ik nu zelf.’
Otis keek naar de haven. Ze hadden de boot, de twee steigers en het hele stuk tussen de loodsen echt gezien. Hij had daar geen lijn voor hoeven tekenen.
De schaduw van de muur werd langer over het plein. Om kwart voor zes rolde Zora haar kaart weer op.
Max schoof van het muurtje. Hij liep zelf naar het afdak, waar de bank nog vrij was.
De beschutte havenbank
17. Een heel klein antwoord
Nelle legde de map op de bank onder het afdak. Ze schoof de elastieken opzij en klapte hem open. De ene kant lag vlak. De andere kon tegen de rugleuning staan.
Max streek met zijn hand over het gladde binnenvel.
‘Die kier daar is groot genoeg,’ zei hij.
Otis keek waar hij wees. Tussen twee planken van de bank zat een donkere strook. Hij schoof de map een stukje op, zodat het midden eroverheen lag.
‘Zo?’
Max knikte en ging naast de map zitten. Hij zette zijn voeten op de onderste plank en keek naar het havenwater.
Zora bleef staan. Ze had haar rugzak voor zich op de grond gezet, hoog tegen de poot van de bank. Nelle trok haar jas dicht. De wind kwam langs het afdak, maar de hoek waar de map lag bleef rustig.
Otis voelde in het kleine vakje van zijn tas.
Het rondje zat er nog. Het was tussen een oud buskaartje en een los draadje geschoven. Hij haalde het eruit met zijn nagel en legde het op de map.
Max boog eroverheen.
‘Dat is straks groot,’ zei hij.
‘Voor jou.’
Max knikte. Hij raakte het heel even aan, zodat het een halve slag draaide. Daarna liet hij het liggen.
Wat er nog in zijn zakken zat, legde hij naast zich op de bank. Nelle bewaarde het voor hem. Max voelde zijn zakken nog één keer na en trok zijn handen eruit.
‘Ik dacht dat jij alles wist wat ik wist,’ zei Otis.
Max keek op. ‘Dat dacht jij.’
‘In het begin. Toen je over Zora begon.’
‘Zij stond nogal vooraan in die tekening.’
Zora keek van de een naar de ander. Otis voelde dat zijn oren warm werden.
‘De boot ook,’ voegde Max eraan toe. ‘En koekjes. Vooral dat ze kleiner moesten.’
Zora glimlachte. Ze ging nu op de andere kant van de bank zitten.
‘Dat klopt wel,’ zei ze.
Otis trok zijn tas op zijn schoot. Hij had de kaart voor het fort nog steeds. De hoek was kreukelig van zijn boterham. Hij streek er met zijn duim overheen en vouwde hem toen netjes op.
Nelle keek op haar telefoon. ‘Nog twee minuten.’
Max haalde zijn voeten van de onderste plank en liet zijn benen bungelen. Hij bewoog ze één keer tegelijk naar voren.
‘Die worden weer kort,’ zei hij.
‘Vind je dat erg?’ vroeg Zora.
Hij keek naar zijn schoenen en daarna naar het water.
‘Ik ben er wel aan gewend geraakt. Maar zo kan ik niet op een kaart lopen.’
Otis stelde zich Max voor op de kaart uit Zora’s tas. Een kleine figuur die zelf naar de rand van de kust liep. Hij had hem vanmorgen ergens naartoe willen sturen zonder zich af te vragen wat hij daar zelf zou willen.
Max keek opzij. ‘Niet weer tekenen terwijl je iets moet afzeggen.’
Otis schoot in de lach. ‘Dat ben ik niet van plan.’
‘Dan krijg je een erg druk hoofd mee.’
Nelle keek nog één keer naar het scherm. Ze legde haar telefoon weg. Max schoof dichter naar de open map, tot zijn linkerhand erop rustte.
Otis hoorde de motor van een boot die hij niet kon zien. Er rammelde iets aan het houten model achter hen.
De donkere rand van Max’ mouw werd een potloodlijn.
Otis zag zijn hand smaller worden, met hetzelfde kleine knikje bij de duim dat hij op zolder had getekend. Max trok zijn knieën op. Zijn voeten kwamen los van de bank. De trui, het gezicht en de haren werden lichter, tot er dun grijs op roomwit papier overbleef.
Een ogenblik later zat de kleine figuur op het binnenvel van de map. Naast zijn schoen stak het witte voetpuntje uit. Er liep een rood lijntje overheen.
Hij keek omhoog.
‘Zo,’ zei hij.
Zijn stem was zachter, maar heel goed te verstaan.
Otis liet de lucht uit zijn longen ontsnappen. Hij had niet gemerkt dat hij die vasthield.
Max stond op. Hij zette één papieren voet op het rondje uit het kaartje en keek erlangs. Het was bijna zo breed als zijn schoen. Hij schopte er niet tegen. Hij tilde het met twee handen op en draaide het voor zich.
Zora boog naar hem toe. ‘Zie je het water nog?’
‘Als je iets opschuift.’
Ze deed het meteen. Max ging op de voorste rand van de map zitten. Zijn benen staken over het karton. Hij keek tussen de leuningstijlen door naar de haven.
Otis ging op zijn hurken zitten. Van zijn eigen hoogte uit was Max bijna kwijtgeraakt tussen de lijnen van de map. Nu zag hij zijn gezicht weer.
‘Er staat nog Otis op je rug.’
Max draaide zijn hoofd. ‘Dat moet anders.’
Zora haalde een potlood uit haar rugzak. Ze hield het voor hem neer. Het was lang genoeg om als mast te dienen.
Max keek ernaar en daarna naar Otis.
‘Jij mag het doen. Klein. Anders past het niet.’
Otis zette zijn tas op de grond. Hij vroeg of Max even op zijn buik wilde liggen, pakte het potlood en wachtte tot hij zelf ging liggen.
Hij zette een dunne streep door zijn eigen naam. Daaronder schreef hij MAX.
‘Drie letters,’ zei Max.
‘Het past.’
Max ging weer zitten. Nelle stak haar hand onder de open map en hield hem iets hoger. Max liet zijn voeten over de rand hangen.
Aan de andere kant van het plein kwam Hassan aangelopen. Hij stak zijn hand op. Zora zwaaide terug.
Max tilde het kleine rondje omhoog.
Otis zag dat Hassan even zijn pas inhield. Toen liep hij verder, met dezelfde opgeheven hand.
Renées nieuwe flat
18. Nog een bord
Hassan bukte bij de bank, keek naar de map en zei zijn naam.
Max zei de zijne.
‘Ja,’ zei Hassan. ‘Die kende ik al. Maar nu zie ik er ook iemand bij.’
Hij legde één hand op Zora’s schouder. Zij leunde even tegen hem aan en pakte toen zelf haar rugzak.
In de auto zat Max met de open map op Otis’ knieën. Otis hield één kant vast en Zora de andere, zodat hij niet verschoof. Max had gevraagd of hij naar buiten kon kijken. Op een kruising zag hij alleen de zijkant van een bestelbus.
‘Die doet het uitzicht dicht,’ zei hij.
Zora schoof de map een klein stukje omhoog. Toen het licht groen werd, reed de bestelbus weg en kon Max langs de lege straat naar het water kijken.
Otis keek mee. Hij had gedacht dat de middag voorbij zou zijn zodra Max weer klein was. Maar hij zat er nog steeds bij. Hij vroeg alleen vanaf een andere plek wat er te zien was.
Bij Renées flat hield Otis de map met twee handen voor zich. Max zat op de onderste rand, met zijn rug tegen het schuine binnenvel. Het rondje uit het kaartje lag naast hem, onder de hoek van een elastiek.
Renée deed de deur open.
‘Je bent er zelf,’ zei ze tegen Otis.
‘Ja.’
Toen keek ze naar de map. Ze liet de deurklink los en boog voorover.
‘En jij bent Max.’
‘Ik heb de koekjes gedaan.’
‘Dat heb ik gemerkt. Ze waren niet meer terug te vinden.’
Max keek op. Renée glimlachte en hield de deur verder open.
In de keuken stonden de toetjes in de koelkast. Ze had ze niet allemaal gelijk gevuld. De hoge glazen hadden meer citroenlaag en iets minder koek. Op de twee mosterdglazen lag elk een halve koek als deksel.
Otis bleef voor de koelkast staan.
‘Die had ik anders bedacht,’ zei hij.
Renée kwam naast hem staan. ‘Dat weet ik.’
Hij keek naar de halve koeken. Ze staken aan één kant iets verder uit dan aan de andere. Het zag er goed uit.
‘Zo kan het ook.’
‘Dat vond ik ook.’
Hij deed de koelkast dicht, schoof het rode elastiek van zijn pols om de band van zijn tas en vroeg wat hij nog kon doen.
Er moesten glazen op tafel. Hij pakte een dienblad en zette ze erop. Dit keer telde hij alleen tot hij er genoeg had. Zora hielp met de lepeltjes. Haar vader ging bij Nelle aan de andere kant van de tafel zitten. Er waren al meer mensen binnen, met jassen over stoelen en een schaal brood tussen zich in.
Renée vroeg Max waar hij wilde zitten.
Hij wees naar het brede houten plankje naast het raam. Daar lag een schetsboek. Er stonden twee potten met potloden en een lamp met een kromme voet.
‘Daar kan ik alles zien.’
Ze schoof het schetsboek opzij en legde er een droog stuk karton neer. Otis zette de open map ertegenaan. Max stapte eruit. Hij liep langs de potloodpot en bleef staan bij de lampvoet.
‘Die is groot,’ zei hij.
‘Jij bent klein,’ zei Otis.
Max draaide zich om. ‘Dat kan tegelijk.’
Otis lachte en ging de andere glazen halen.
Het eten duurde langer dan hij had gedacht. Er werden schalen doorgegeven en verhalen verteld die halverwege over iets anders gingen. Zora vroeg aan Max wat hij van een citroentoetje zou verwachten. Hij zei dat het waarschijnlijk meer naar citroen smaakte dan een koekje. Renée vond dat een bruikbare bespreking van haar gerecht.
Otis at zijn glas bijna leeg. Onderaan zat meer koek dan hij verwachtte. Hij schraapte met zijn lepel langs de bodem tot Renée over de tafel naar hem keek.
‘Dat glas moet nog langer mee.’
Hij legde de lepel neer.
Na het eten bracht hij de borden naar de keuken. Er was meer afwas dan hij zich bij het telefoontje had voorgesteld. Onder de borden stonden nog een ovenschaal, twee pannen en een vergiet.
Renée vulde de gootsteen. Ze gaf hem een borstel en een schone doek.
‘Deze keer niet tot poeder,’ zei ze.
‘Ik weet hoe een bord werkt.’
Hij begon met de glazen. Zora kwam naast hem staan en pakte de theedoek. Ze droogde het eerste glas af, hield het tegen het licht en zette het toen in de kast.
‘Volgende zaterdag kan ik niet,’ zei ze.
Otis keek op. ‘Voor het fort?’
‘Ja. Dan ben ik met mijn vader weg. De zaterdag daarna misschien.’
Hij pakte zijn telefoon niet met zijn natte handen. Hij knikte naar zijn tas bij de deur.
‘Ik kijk straks of dat kan.’
‘Eerst kijken.’
‘Ja.’
Ze pakte een volgend glas. ‘En dan wil ik nog steeds die buis.’
‘Ik luister wel.’
‘Dat zei je vanmorgen ook.’
Ze glimlachte erbij. Otis glimlachte terug en duwde een stukje koek van de bodem van een glas.
Achter hen klonk de zachte stem van Max. Renée had hem met zijn karton naar de lege kant van de keukentafel gebracht. Hij zat bij een gewoon tekenvel. Er lag een potlood naast.
‘Ik kan wel zeggen hoe de boot moet,’ zei hij. ‘Maar niet zo’n grote potloodstam vasthouden. Wil jij hem straks tekenen als ik zeg waar alles zit?’
‘Dat doen we straks,’ zei Otis. ‘Als dit klaar is.’
Wat zou Max op de tekening van zijn boot willen terugzien?
Je kunt er even over praten of verder lezen.
Max knikte. Hij ging met zijn benen over elkaar zitten en keek naar de stapel schone borden.
Otis pakte een nat glas bij de rand. Het glipte een klein stukje uit zijn hand en tikte tegen het bord eronder.
‘Voorzichtig,’ zei Renée.
‘Dat doe ik,’ zeiden Otis en Max tegelijk.
Zora begon te lachen. Otis hield het glas nu met twee handen vast. Aan de tafel trok Max zijn papieren schouders op.