Nog één keer zaterdag Een novelle Hoofdstuk 1 — De uitnodiging René zette het woord afscheidsfeest tussen aanhalingstekens. Dat was precies iets voor hem. Hij wilde dat we kwamen, maar hij wilde niet verantwoordelijk zijn voor de gevoelens die daarbij ontstonden. Ik las zijn bericht terwijl ik in een lege congreszaal tachtig stoelen telde. Volgens de tekening moesten het er tweeëntachtig zijn. Volgens mijn collega Tess waren er twee verdwenen in een ruimte waar nooit stoelen hoorden te staan. We hadden allebei gelijk kunnen hebben. In mijn werk was dat meestal het begin van een probleem. Beste oudgedienden, schreef René. Over acht weken stop ik bij De Wissel. Er komen een paar oude bandjes spelen. Zouden jullie drie nummers willen doen? Gewoon voor de lol. Groet, René. Gewoon voor de lol was een uitdrukking die volwassenen gebruikten als ze het ingewikkelde deel aan jou wilden overlaten. Ik stopte mijn telefoon in mijn achterzak en telde opnieuw. Bij zevenenvijftig werd ik gebeld over een spreker die geen trapje op wilde. Er was geen reden waarom hij het niet kon; hij vond het een onprettig beeld. We schoven het podium aan de kant en zetten zijn tafel op de vloer. Daarmee hadden we ook twee stoelen over. Om halfzes zat ik in de personeelsruimte met een boterham die ik voor twaalf uur had meegenomen. Het brood was aan één kant hard geworden. Ik opende Renés bericht opnieuw. Onder mijn naam stonden die van Mo, Sofie en Bas. Hun adressen waren oud genoeg om aandoenlijk te zijn. Mo gebruikte nog steeds een naam met een drumgrap erin. Bas had een zakelijk adres. Sofie stond met haar voorletters in de lijst, alsof zij zich als enige had voorbereid op een leven buiten de repetitieruimte. Ik had ze al een tijd niet alle drie tegelijk gezien. Mo kwam ik soms tegen bij de supermarkt. Met Sofie sprak ik af en toe af, steeds met een datum die daarna verschoven werd. Bas kende ik vooral via foto's waarop hij ergens stond waar ik nog nooit was geweest. Hij had de gewoonte gekregen om op bergen te gaan staan met zijn rug naar de camera. Ik wist niet of dat bescheidenheid was of een praktische oplossing voor ouder worden. Mijn telefoon trilde. Mo had een groep aangemaakt. BIJNA THUIS — HERKANSING. Bas veranderde de naam vrijwel onmiddellijk in BIJNA THUIS — REÜNIE. Daarna schreef Sofie: Moeten we wel eerst ja zeggen misschien. Ik legde de telefoon op tafel. Aan de andere kant van de ruimte zat Tess een appel te eten. Ze keek naar mijn gezicht. ‘Is er iemand dood?’ ‘Nee. Er is iemand gestopt met werken.’ ‘Dat kan ook hevige emoties oproepen.’ Ik vertelde dat ik vroeger in een band had gezeten. ‘Jij?’ vroeg ze. ‘Zo gek is dat niet.’ ‘Nee, maar ik zie jou vooral discussiëren over badges.’ Dat was eerlijk. Ik was negenentwintig en projectcoördinator bij congreslocatie De Brug, een gebouw dat aan geen enkele brug lag. Op mijn eerste werkdag had ik dat gevraagd. Mijn leidinggevende Helma had gezegd dat het ging om verbinding. Sindsdien stelde ik andere vragen. Tess vroeg wat ik speelde. ‘Toetsen. En ik zong.’ ‘Waarom ben je gestopt?’ ‘Dat liep zo.’ Ze knikte, maar niet op een manier die betekende dat ze me geloofde. Ik at het laatste stukje brood en zei dat ik de kleine zaal nog moest controleren. Thuis maakte ik de groepschat open. Mo had geschreven dat hij wilde. Bas ook, als ze een paar vaste repetitiedata konden vinden. Sofie vroeg hoeveel avonden het zouden worden. Niemand had op die vraag geantwoord. Er waren wel drie foto's geplaatst uit de tijd dat wij alle vier vonden dat een legerjasje automatisch een persoonlijkheid toevoegde. Op één foto zat ik achter mijn keyboard met mijn mond half open. Bas hield zijn gitaar hoog tegen zijn borst. Mo had zijn ogen dicht. Sofie keek naar mij. Ik wist waar de foto was genomen. In de oude repetitieruimte van De Wissel, een voormalige school achter de fietsenstalling van het winkelcentrum. Het plafond was laag, de verwarming kon alleen uit of verschroeiend en iemand had ooit een stuk tapijt aan de muur gespijkerd omdat dat volgens hem goed was voor de akoestiek. Het tapijt had jaren naar een natte hond geroken. Er kwam geen hond. Ik had daar van mijn zestiende tot mijn eenentwintigste bijna elke zaterdag doorgebracht. Soms ook woensdagavond. Ik dacht toen dat als je ergens genoeg uren maakte, het vanzelf de rest van je leven werd. Ik typte: Ik wil wel een keer kijken of we nog iets kunnen. Mo stuurde vier uitroeptekens. Sofie schreef: Kijken is goed. Nog niks toezeggen graag. Bas vroeg of mijn keyboard het nog deed. Ik wist het niet. Het stond bij mijn ouders, in de kast onder de trap. Daar stond het al jaren omdat mijn eerste kamer te klein was geweest. Daarna had ik een grotere kamer gekregen, en later een appartement. Het keyboard was blijven staan. Het had zich blijkbaar bij mijn plannen neergelegd. Ik belde mijn moeder. ‘Is er iets?’ vroeg ze. ‘Kan ik morgen mijn keyboard ophalen?’ Ze zei een paar seconden niets. ‘Natuurlijk.’ ‘Het staat er toch nog?’ ‘Ja. Je vader heeft er kerstspullen bovenop gezet. Maar heel voorzichtig.’ Ik hoorde haar haar stem van de telefoon wegdraaien. ‘Juna wil het keyboard.’ Mijn vader zei iets wat ik niet verstond. ‘Voor muziek,’ zei mijn moeder tegen hem, alsof er andere waarschijnlijke toepassingen waren. Daarna vroeg ze of ik weer ging spelen. Ik vertelde over René. Ze zei dat dat leuk was. Ze zei het op een toon die een beetje extra voorzichtigheid bevatte. Mijn ouders hadden mijn laatste optreden gezien. Ze hadden me daarna thuisgebracht terwijl ik op de achterbank deed alsof ik sliep. Het was gemakkelijk geweest om sindsdien te zeggen dat de band uit elkaar was gegroeid. Dat was ook waar. We waren alle vier vertrokken, alleen niet op dezelfde manier. Die avond zocht ik de oude filmpjes op. Ik vond er maar twee die ik durfde aan te klikken. Het eerste duurde drie minuten en was gefilmd door iemand die vooral enthousiast was over inzoomen. Mijn hoofd verdween regelmatig uit beeld. Het tweede was een opname uit de repetitieruimte. We speelden Vier hoog, een nummer dat ik had geschreven nadat ik voor het eerst op kamers was gegaan. De tekst ging over vrijheid. De kamer was op de eerste verdieping. Ik luisterde naar mijn stem. Hij was hoger dan ik me herinnerde en harder. Ik wilde elk woord gehoord hebben. Soms zong ik alsof ik bang was dat iemand het nummer anders zou afpakken. Bij het refrein speelde Sofie een andere baslijn dan in mijn oude akkoordenschema stond. Ik was dat vergeten. In mijn hoofd waren de nummers jarenlang van mij geweest, met andere mensen eromheen. Ik sloot het filmpje toen de camera naar haar draaide. In de groepschat hadden ze een datum gevonden voor een eerste bijeenkomst. Zaterdag over een week, van tien tot twaalf. Sofie moest daarna naar huis. Mo kon pas om kwart over tien. Bas stelde voor koffie mee te nemen. Ik schreef dat ik er zou zijn. Daarna maakte ik mijn werkagenda open. Op die zaterdag stond nog niets. Op de datum van het afscheidsfeest stond in potlood een aanvraag voor een avondprogramma. Ik keek ernaar, sloot de agenda en schreef de repetitie in mijn privéagenda. Ik vertelde mezelf dat een aanvraag nog geen boeking was. Hoofdstuk 2 — Achter de fietsenstalling Mijn keyboard was zwaarder dan ik het me herinnerde. Dat kon aan het keyboard liggen, maar mijn vader zei dat het gewoon aan de hoes lag. Hij had er in de loop der jaren verschillende kabels bij gestopt die volgens hem vast van mij waren. Er zat een snoer van een printer tussen en een oplader voor een telefoon die ik niet herkende. ‘Je weet maar nooit,’ zei hij. Ik haalde ze eruit. Mijn moeder stond in de keuken een bakje eten in te pakken dat ik niet had gevraagd maar wel mee zou nemen. Ze vroeg of Bas nog gitaar speelde. ‘Volgens mij wel.’ ‘En Sofie heeft nu een kindje.’ ‘Lou is drie.’ Mijn moeder keek op. ‘Drie alweer?’ Ik voelde de lichte verwijtende warmte van die vraag, hoewel ze er misschien niets mee bedoelde. Tijd ging bij andermans kinderen altijd sneller dan bij je eigen plannen. Mijn vader hielp het keyboard in de auto. Hij vroeg of ik nog bladmuziek had. ‘Het waren onze eigen nummers.’ ‘Dan moet je toch ook weten wat je speelt.’ Dat was een goede vraag, die ik uit gewoonte irritant vond. Een week later stond ik met de hoes voor de deur van De Wissel. De fietsenstalling was vernieuwd. De oude golfplaten overkapping was weg en er stonden nu strakke rekken waarin mijn fiets vroeger met geen mogelijkheid recht zou zijn gebleven. Aan het gebouw zelf was weinig veranderd. Er hing een nieuw bord. De deur was nog steeds blauw. René deed open met een mok in zijn hand. Hij droeg een vest dat ik kende, of een vest dat zoveel op zijn oude leek dat hij het net zo goed had kunnen bewaren. ‘Juna.’ Hij zette de mok neer en gaf me een omhelzing waarbij het keyboard tussen ons in bleef. ‘Je hebt hem nog.’ ‘Mijn ouders vooral.’ Hij pakte de andere kant van de hoes en hielp me naar binnen. De gang rook naar schoonmaakmiddel en iets gebakkens. Vroeger had hij naar frituur en natte jassen geroken. Ik voelde me onmiddellijk teleurgesteld, wat veel zei over de betrouwbaarheid van nostalgie. In het lokaal stond Bas zijn gitaar te stemmen. Hij had korter haar en een klein buikje dat hem goed stond. Ik vond het onvriendelijk van mezelf dat ik dat meteen opmerkte. ‘Hé,’ zei hij. ‘Hé.’ We omhelsden elkaar ongemakkelijk, omdat zijn gitaar nog om zijn nek hing. Er was die ochtend opvallend veel apparatuur tussen mensen. ‘Je ziet er goed uit,’ zei hij. ‘Jij ook.’ ‘Dat zeggen we nu gewoon, toch?’ ‘Ja. Dan is dat geweest.’ Hij lachte. Het geluid was hetzelfde gebleven, een beetje door zijn neus. Daar was ik blijer mee dan met het gebouw. Sofie kwam binnen met haar bas op haar rug en een tas waar een plastic dinosaurus uit stak. Ze zag mijn blik. ‘Die is niet van mij.’ ‘Jammer.’ ‘Hij bijt wel.’ Ze gaf me een kus op mijn wang. Haar jas rook naar kinderlotion. Ze legde haar telefoon op de versterker en zette het geluid aan. ‘Ik moet bereikbaar zijn,’ zei ze. Niemand had er iets van gezegd. Toch begreep ik waarom ze het alvast meldde. Mo kwam om kwart over tien, zoals afgesproken, maar bood zijn excuses aan alsof hij te laat was. Hij had een zak broodjes bij zich en een bos sleutels waarvan het geluid nog precies hetzelfde was. Ik had hem vaker gezien dan de anderen, maar in deze ruimte zag hij er ineens weer uit als onze drummer. Alleen zijn baard was nieuw. ‘Daar zitten we dan,’ zei hij. ‘We staan nog,’ zei Bas. Mo gaf hem een broodje. René liet ons zien wat er veranderd was. De drumstellen waren beter, de stoelen slechter. Het tapijt aan de muur was weg. Er hingen echte panelen. Ik klapte één keer in mijn handen om te horen wat er gebeurde. ‘Dat deden jullie vroeger ook altijd,’ zei René. ‘Alsof je wist waar je naar luisterde.’ ‘We wisten precies waar we naar luisterden,’ zei Bas. ‘Naar onszelf.’ We lachten. Het was gemakkelijk om samen te lachen over wie we waren geweest. Moeilijker was dat we daarna moesten uitzoeken wie er nu stond. René vertelde over de afscheidsavond. Verschillende bandjes, oud en nieuw. Niet iedereen hoefde lang te spelen. Drie nummers was genoeg. Het centrum bleef gewoon open. Meryem nam zijn werk over. ‘Ben je niet te jong om te stoppen?’ vroeg Mo. René haalde zijn schouders op. ‘Ik stop hier. Niet met ademhalen.’ Hij ging bij zijn partner wonen, in een andere stad. Hij zou nog wat lessen geven en misschien een paar dagen werken in een winkel van een vriend. Hij vertelde het zonder de verhevenheid waarmee ik zelf elke verandering probeerde aan te kondigen. ‘En ik wil ook weleens op zaterdag ergens zijn waar niemand vraagt of ik een kabel heb,’ zei hij. We keken allemaal naar de kabels op de grond. Toen hij weg was, zetten we onze spullen klaar. Mijn keyboard ging aan. Op het scherm verscheen dezelfde onhandige tekst als vroeger. Ik drukte op een toets. Er kwam een dun orgelgeluid uit. ‘Je laatste instelling,’ zei Bas. Ik wist niet meer bij welk nummer die hoorde. Dat voelde erger dan ik had verwacht. Mo hielp me aansluiten. Hij legde een kabel langs de muur zodat niemand erover struikelde en zette een klein kastje op de vloer. Sofie testte haar bas. De eerste lage noot vulde de kamer. Ik voelde hem in mijn benen voordat ik hem echt hoorde. ‘Daar is hij,’ zei Mo. We besloten met Vier hoog te beginnen. Dat kende iedereen nog, dachten we. Ik gaf de akkoorden. Bas speelde een intro dat ik niet herkende. ‘Dat is de verkeerde,’ zei ik. Hij stopte. ‘Is dit niet de tweede versie?’ ‘We hadden geen tweede versie.’ Sofie keek op. ‘Jawel. Omdat die eerste te lang was.’ Ik bladerde in het oude schrift dat ik had meegenomen. Er stonden doorhalingen in mijn eigen handschrift. Naast het intro stond: korter, Bas. Ik had het nummer blijkbaar zelf veranderd en daarna de herinnering teruggezet. ‘Goed,’ zei ik. ‘De tweede versie.’ We begonnen. Na acht maten stopte Mo. ‘Volgens mij zijn we niet allemaal in dezelfde maat.’ ‘Dat was vroeger ook al zo,’ zei Bas. Sofie keek naar de klok. Ik voelde iets in mijn borst aantrekken. We waren nog geen halfuur bezig en ik wilde al dat het beter ging dan het ging. Hoofdstuk 3 — Eén twee drie vier De eerste repetitie leverde anderhalf nummer op en een foto die Mo in de groepschat zette. Op die foto stonden we te lachen. Dat was niet gelogen, maar het was een heel precies gekozen moment. Ik luisterde thuis naar de opname die ik met mijn telefoon had gemaakt. De stem stond te hard en de bas te zacht. Dat lag aan de plek van de telefoon. Het kon ook aan ons liggen. Ik speelde het refrein drie keer terug en hoorde telkens een andere fout. Op maandag stuurde ik een lijstje met repetitiedata. Ik had voor de zekerheid ook een map gemaakt met oude opnames, akkoorden en teksten. Bas reageerde met een duim. Mo schreef dat hij zou kijken. Sofie vroeg of we de zaterdagmiddag konden vervangen door een ochtend. Ik schreef: Als we echt willen spelen, moeten we wel tijd maken. Het duurde negen minuten voordat ik besefte hoe die zin klonk. Ik zette erachter: Ik bedoel dat we moeten weten waar we aan toe zijn. Sofie reageerde die avond. Zaterdagochtend kon ze. Middag niet. Woensdag één keer per twee weken, mits ruim op tijd afgesproken. Ze eindigde met: Ik wil graag meedoen. Ik heb ook andere dingen die moeten. Ik liet haar bericht openstaan terwijl ik eten maakte. Het scherm werd donker en ik tikte erop. Dat deed ik een paar keer, alsof er bij langer kijken iets vriendelijkers kon verschijnen. De zaterdag ertussen kon niemand. Bij de tweede repetitie waren we er alle vier op tijd. Sofie had haar bas al gestemd. Bas droeg oordoppen aan een koordje om zijn nek. Mo zette de kruk achter het drumstel lager dan vroeger. ‘Rug,’ zei hij toen ik keek. ‘We worden oud.’ ‘We hebben gewoon lichamen. Die hadden we vroeger ook, maar toen luisterden we niet.’ Ik zette mijn microfoon iets hoger. Hij stond nog op de stand van de zangeres die voor ons had gerepeteerd. Er lag een elastiekje op de standaard. Ik legde het op de vensterbank, een klein bewijs dat deze ruimte niet op ons had gewacht. We begonnen Vier hoog opnieuw. Mo telde af. Ik kwam te vroeg in. ‘Nog een keer,’ zei ik. We deden het nog een keer. Ditmaal kwam Bas te laat in het refrein. ‘Ik dacht dat je nog een regel had,’ zei hij. ‘Die heb ik eruit gehaald.’ ‘Wanneer?’ ‘Gisteren.’ Hij liet zijn handen van de gitaar zakken. ‘Dan moet je dat even zeggen.’ Ik had de aangepaste tekst in de map gezet. Ik had niet gemeld dat hij veranderd was. In mijn werk vond ik dat van anderen onbegrijpelijk. Bij mijn eigen liedjes noemde ik het kennelijk vanzelfsprekend. We begonnen weer. Sofie speelde haar baslijn, rustig en precies. Mo legde een eenvoudige slag eronder. Bas hield zijn akkoord langer aan dan vroeger. Ik wilde eerst dat hij sneller wisselde, maar toen ik begon te zingen, bleek er ruimte te zijn die ik niet had verwacht. Het refrein kwam niet uit de luidsprekers zoals op de oude opname. Het was lager, iets trager. Ik hoefde niet over de anderen heen te duwen. Op de laatste regel hoorde ik Sofie zacht meezingen. We speelden door tot het einde. Er was een korte stilte, waarin niemand meteen wist of hij iets mocht zeggen. ‘Ja,’ zei Mo uiteindelijk. Bas knikte. Ik lachte. Het kwam onverwacht en ik kon er niet meteen mee ophouden. Sofie lachte mee, eerst om mij en daarna om iets van onszelf. We hadden een nummer gespeeld. Dat was niet veel. Het was ook niet weinig. Daarna ging het weer mis. Dat was misschien wel het geruststellendste deel. We werkten aan De laatste bus, een nummer met een wiegende maat waarin ik vroeger altijd te veel lettergrepen probeerde te proppen. Mo tikte het ritme op zijn bovenbenen voordat hij het speelde. Sofie volgde hem. Ik luisterde naar het patroon en probeerde mijn tekst ertussen te zetten. ‘Je hoeft niet alle woorden vandaag kwijt,’ zei Bas. ‘Het zijn de woorden van het nummer.’ ‘Dan kunnen er misschien een paar met een andere bus.’ Ik wilde geërgerd zijn, maar hij had gelijk. Ik schrapte twee regels. Het werd beter. Om kwart voor twaalf begon Sofie haar kabel op te rollen. ‘Nu al?’ vroeg ik. ‘We zouden om twaalf uur stoppen. Ik moet mijn spullen nog inpakken.’ ‘We kunnen dat laatste stuk nog één keer doen.’ Ze keek naar haar telefoon en daarna naar mij. ‘Ik kan nog vijf minuten.’ We deden het laatste stuk. Ik stopte na vier maten om iets aan te passen. Sofie speelde niet opnieuw mee. ‘Ik ga,’ zei ze. ‘Maar we zijn net—’ ‘Juna. Ik heb gezegd tot twaalf uur.’ Het was geen ruzie. Dat maakte het moeilijker om mijn reactie als verdediging te zien. Ze stopte haar bas in de hoes en wenste ons een fijn weekend. Mo gaf haar een broodje voor onderweg. Bas hield de deur open. Ik bleef achter mijn keyboard zitten. ‘Het is toch jammer,’ zei ik. ‘Wat?’ vroeg Mo. ‘Als we net lekker bezig zijn.’ Hij ging op de drumkruk zitten en draaide een stok tussen zijn vingers. ‘Misschien was zij ook lekker bezig tot twaalf uur.’ Bas begon zijn versterker uit te zetten. Hij zei niets. Dat vond ik eerst laf, en vervolgens volwassen, en daarna weer laf. Ik was nog niet erg stabiel in mijn oordeel over andere mensen. Toen alles uit was, dronken we koffie in de gang. Mo moest weg om boodschappen te doen voor zijn vader. Bas vertelde over zijn andere band. Ze speelden vooral in kleine cafés, een paar keer per jaar. Ik had er foto's van gezien, maar vroeg nu pas wat voor muziek ze maakten. ‘Van alles,’ zei hij. ‘Niet zo veel eigen nummers.’ ‘Vind je dat niet jammer?’ Hij dacht even na. ‘Soms. Maar ik vind spelen ook gewoon leuk.’ Ik hoorde het woord gewoon en voelde dezelfde weerstand als bij Renés uitnodiging. Alsof iets pas telde wanneer het ergens naartoe moest. Op weg naar huis luisterde ik niet naar de opname. Ik zette de radio uit en luisterde naar de geluiden van de auto. Bij een verkeerslicht zag ik Sofie aan de overkant fietsen, met Lou in het kinderzitje. Ze zong iets naar achteren. Lou schudde zijn hoofd, waarschijnlijk omdat ze het verkeerde lied had gekozen. Ik stak mijn hand op, maar ze keek niet mijn kant op. Het licht werd groen. Hoofdstuk 4 — Een uur is een uur Sofie nodigde me woensdag uit om samen de tweede stem door te nemen. Ze schreef erbij dat Lou erbij zou zijn. Ik antwoordde dat dat geen probleem was. Ik had geen idee of dat waar was, maar het leek me een lelijke reactie om eerst naar het volume van haar kind te vragen. Haar huis stond in een wijk waar elke straat een eigen versie van dezelfde voortuin had. Ik had er al vaker aangebeld, meestal met een cadeau of een schaal eten. Ditmaal had ik mijn schrift en een kleine speaker bij me. Dat voelde minder verantwoord en daarom prettig. Lou deed de deur open met een plastic zwaard. ‘Ik ben geen ridder,’ zei hij. ‘Goed dat je het zegt.’ ‘Ik ben een bezorger.’ Hij gaf me een leeg doosje en rende weg. Sofie stond in de keuken een kom rijst van de vloer te rapen. ‘Er was een probleem met de haven,’ zei ze. Ik zette mijn spullen neer en hielp. Ze zei niet dat dat niet hoefde. Ik vond het prettig dat ik niet eerst moest bewijzen dat ik haar wilde helpen. Erik kwam langs met zijn jas aan. Hij moest werken. Hij gaf Sofie een kus en vroeg of er nog iets was. ‘Melk,’ zei ze. ‘Ik kom laat terug.’ ‘Ik weet het. Daarom zeg ik het nu.’ Hij knikte, zette het in zijn telefoon en vertrok. Het was een gewoon gesprek, zonder iemand die verkeerd reageerde. Toch zag ik hoeveel kleine dingen er in die paar zinnen geregeld werden. We gingen aan tafel zitten. Sofie had haar bas al aangesloten op een klein versterkertje. Ze speelde zacht. Lou bouwde naast ons een weg van houten blokken. Na twee regels kwam hij vragen waarom wij hetzelfde steeds opnieuw zongen. ‘Omdat het nog niet goed gaat,’ zei Sofie. ‘Dan moet je iets anders doen.’ ‘Dat is ook een mogelijkheid,’ zei ik. We kregen het eerste refrein goed. Sofie zong lager dan ik me herinnerde, met een warme klank die ik vroeger waarschijnlijk als achtergrond had beschouwd. Ik hield op met mijn eigen partij om naar haar te luisteren. ‘Wat?’ vroeg ze. ‘Dat klinkt mooi.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Ik zing elke avond. Alleen meestal over een muis die niet naar bed wil.’ Lou keek op. ‘Hij wíl wel. Hij kan niet.’ We namen het refrein op. Daarna moest er een boterham worden gesmeerd. Er viel een beker om. Lou wilde weten waar zijn andere sok was, hoewel hij er twee aanhad. Sofie bleef ondertussen rustig, maar ik zag dat haar aandacht steeds werd losgetrokken en weer teruggelegd. Toen Lou even in de kamer speelde, vroeg ik of ze niet liever bij mij wilde oefenen. ‘Dat is soms makkelijker,’ zei ze. ‘Maar dan moet Erik er zijn. Of iemand anders. En ik wil niet elke vrije avond iets regelen zodat ik een vrije avond kan hebben.’ Ik knikte alsof ik het begreep. Ze zag dat ik het vooral probeerde. ‘Ik wil graag spelen,’ zei ze. ‘Ik wil ook graag thuiskomen zonder dat ik daarna nog een hele dag moet repareren.’ ‘Ik wilde je zaterdag niet opjagen.’ ‘Dat deed je ook niet. Je wilde dat ik bleef.’ ‘Is dat heel anders?’ ‘Voor mij soms niet. Voor jou misschien wel.’ Ik keek naar mijn schrift. Er stonden tijden in de kantlijn. Wanneer we begonnen, hoeveel minuten we per nummer konden besteden, welke stukken nog niet goed gingen. Ik had gedacht dat structuur ons zou helpen. Ik had er niet bij gezet hoeveel energie iemand nodig had om überhaupt in de ruimte te verschijnen. Lou kwam tegen Sofie aan hangen. Hij was ineens moe. Ze tilde hem op haar schoot en liet hem met een vinger op de losse snaren van de bas tikken. Het instrument maakte een dof, laag geluid. Hij vond het prachtig. Ik ook, onverwacht. ‘Heeft hij ooit gehoord dat jij in een band zat?’ vroeg ik. ‘Hij denkt dat ik nog steeds in een band zit.’ ‘Dat klopt nu ook.’ Ze keek even naar me. ‘Misschien.’ Ik bleef eten. We aten rijst die niet op de vloer had gelegen en groente die Lou wantrouwde. Daarna gaf ik hem een boek aan terwijl Sofie de keuken opruimde. Hij wilde dat ik het las, maar corrigeerde me voortdurend. Ik moest de vrachtwagen bozer doen en de fietser juist niet zo verdrietig. Het was mijn eerste publiek in jaren dat precies wist wat het wilde. Toen Sofie hem naar bed bracht, keek ik rond in de kamer. Er stond een foto van ons vieren op een plank, half achter een plant. Ik pakte hem op. We zaten op de rand van een podium, met onze benen in een wirwar van kabels. Sofie had haar hand boven haar ogen tegen de zon. Ik had die foto niet meer. ‘Ik dacht dat jij alles had weggegooid,’ zei ik toen ze terugkwam. ‘Waarom zou ik?’ Ik zette de foto neer. ‘Weet ik niet.’ Ze ging op de bank zitten en trok haar benen onder zich. ‘Ik heb het niet alleen vervelend gehad, Juna.’ Dat trof me harder dan een verwijt. Ik had de laatste avond zo groot gemaakt dat ik blijkbaar had aangenomen dat de jaren ervoor voor haar ook verdwenen waren. We zongen nog één keer zacht het refrein. Ditmaal zonder instrumenten. De stemmen pasten niet meteen op elkaar. We zochten, hielden een noot iets langer vast, begonnen opnieuw. Boven klonk een voetstap. Sofie luisterde. Het bleef stil. Om halfnegen ging ik naar huis. We hadden minder geoefend dan ik had gepland en meer gedaan dan ik had verwacht. Ik durfde dat niet meteen in de groepschat te schrijven. Het zou te veel hebben geklonken alsof ik haar avond beoordeelde. In plaats daarvan stuurde ik de opname. Mo schreef: Mooi. Bas schreef: Die tweede stem houden. Sofie stuurde een foto van Lou, die alsnog wakker was en haar bas vast wilde houden. Onder de foto stond: Onze vervanger is nog niet beschikbaar. Ik legde mijn telefoon neer en neuriede het refrein terwijl ik mijn tanden poetste. Voor het eerst in lange tijd hoorde ik in mijn hoofd niet alleen mijn eigen stem. Hoofdstuk 5 — Het oude nummer Het kwam door een mapje met vergeelde vellen. Dat zou later een gemakkelijke manier zijn geweest om het te vertellen. Alsof papier zelf iets kon voorstellen en ik er toevallig bij stond. In werkelijkheid koos ik het nummer. Ik zat op vrijdagavond aan mijn keukentafel en zocht een derde lied voor het optreden. Vier hoog werkte. De laatste bus begon ergens op te lijken. Voor het slot wilde ik iets dat meer deed dan prettig eindigen. Ik wist niet precies wat dat betekende, maar ik vond het belangrijk. Wie er overblijft stond achter in mijn schrift. De tekst was nauwelijks veranderd sinds ik hem op mijn twintigste had geschreven. Er waren twee regels doorgestreept. Ik las ze toch. Het lied ging over een huis waarin iemand bleef wachten. Over een jas die aan een kapstok hing terwijl de vrouw die hem droeg ergens anders sliep. Het was een mooi beeld. Dat had ik destijds vaak gehoord. Ik had zelden toegevoegd van wie het beeld was geweest. Sofie had me verteld over haar moeder. We waren net op kamers en zij ging nog vaak naar huis om te kijken hoe het met haar vader ging. Haar moeder was eerst een paar dagen vertrokken en daarna teruggekomen voor spullen. De jas was blijven hangen. Sofie had het verteld terwijl we in de bus zaten, op weg naar een optreden van iemand anders. Ik had daarna een lied geschreven. Ze had het gehoord. Ze had gezegd dat ze het mooi vond en dat ze niet wilde dat wij het speelden waar mensen haar familie kenden. Ik had die twee zinnen niet even zorgvuldig onthouden. Bij ons laatste optreden had ik het toch ingezet. Er waren meer redenen geweest, in mijn eigen versie. De set moest korter. Een ander nummer werkte niet. René had gezegd dat dit lied sterk was, al wist hij niet hoe het was ontstaan. Ik had het gevoel gehad dat er eindelijk iets van mij overeind bleef. Sofie was tijdens het nummer van het podium gegaan. Ik vertelde jarenlang vooral dat laatste. Vrijdagavond schreef ik in de groepschat: Zullen we Wie er overblijft nog eens proberen? Misschien kunnen we er nu iets anders mee. Ik keek naar het scherm en wist al dat de woorden iets anders niet genoeg waren. Sofie reageerde na een halfuur. Nee, liever niet. Ik had daar ja op kunnen zeggen. Dat zou achteraf geen bijzondere prestatie zijn geweest. Het was ongeveer het minimum. Ik schreef: Ik bedoel niet dezelfde versie. We kunnen de tekst aanpassen. Daarna werd het stil. Bas stuurde de volgende ochtend een link naar een ander nummer uit onze map. Mo stelde voor zaterdag eerst de twee bestaande nummers te doen. Sofie schreef niets meer. Tijdens de repetitie hing mijn voorstel in de ruimte, hoewel niemand het noemde. We speelden stijf. Ik luisterde naar elke beweging van Sofie en miste daardoor mijn eigen inzet. Bas vroeg of we een pauze wilden. ‘Kunnen we het niet gewoon bespreken?’ vroeg ik. Sofie legde haar bas neer. ‘Ik dacht dat ik dat had gedaan.’ ‘Ik wil begrijpen waarom het nu nog niet kan.’ Ze keek naar me. ‘Omdat ik het niet wil.’ Mo schoof een bekertje water naar haar toe. Ze raakte het niet aan. ‘Het is acht jaar geleden,’ zei ik. Ik hoorde mezelf. Ik had willen zeggen dat er dingen veranderd waren. Wat ik zei, was dat haar grens blijkbaar een houdbaarheidsdatum had. ‘Voor jou misschien,’ zei ze. ‘Dat is niet eerlijk.’ ‘Nee?’ Bas begon de kabel van zijn gitaar los te maken. Niet om te vertrekken, maar om iets te doen. Ik kende die beweging van mezelf. ‘Ik heb er ook last van gehad,’ zei ik. ‘Waarvan?’ vroeg Sofie. ‘Van hoe het toen ging. Dat jij wegliep. Dat alles daarna ophield.’ Ze keek me lang aan. Er was geen grote woede in haar gezicht. Dat had ik misschien makkelijker gevonden. ‘Ik was twee keer heel duidelijk geweest,’ zei ze. ‘Je wist waarom. En toen stond je daar toch dat verhaal te zingen. Je keek niet eens naar me.’ ‘Ik dacht dat als je hoorde hoe het—’ Ik stopte. De zin was in zijn geheel nog slechter. Mo tikte met zijn vinger tegen de rand van zijn beker. ‘Ik wist toen niet wat er aan de hand was,’ zei hij. ‘Ik dacht dat jullie ruzie hadden over het nummer.’ ‘Dat hadden we ook,’ zei Sofie. ‘Alleen ging het niet over de akkoorden.’ Er was een stilte waarin ik mijn eigen adem hoorde. Ik had verwacht dat iemand zou uitleggen dat ik het goed had bedoeld. Niemand deed dat. Misschien wisten ze dat al en vonden ze het onvoldoende. ‘Dan spelen we het niet,’ zei ik. Het klonk klein en geërgerd. Ik schaamde me voor mijn toon, maar kreeg hem niet meer terug. Sofie knikte. ‘Goed.’ We speelden daarna nog twintig minuten. Het was niet gezellig. Het was wel mogelijk. Dat verbaasde me. In mijn hoofd betekende een conflict altijd dat de hele avond kapot was. Sofie speelde gewoon haar partij. Bas luisterde. Mo hield het tempo vast. Toen we stopten, bleef ik bij mijn keyboard staan. Sofie pakte haar tas. ‘Wil je koffie?’ vroeg ik. ‘Vandaag niet.’ Ik knikte. Ze liep weg, deze keer door een gewone deur en op een gewone tijd. René kwam binnen toen de anderen ook weg waren. Hij vroeg hoe het ging. Ik zei dat we nog een derde nummer moesten kiezen. ‘Je hoeft niet per se een groot slot,’ zei hij. ‘Dat zei ik niet.’ Hij keek me aan. ‘Nee. Dat zag ik aan je gezicht.’ Ik wilde hem vragen of hij zich ons laatste optreden herinnerde. Ik wilde dat hij zei dat iedereen toen onhandig was geweest. In plaats daarvan vertelde ik hem wat er aan het lied vastzat. Hij luisterde zonder me te onderbreken. Daarna ging hij op een stoel zitten en schoof zijn mok een stukje van zich af. ‘Dat wist ik niet,’ zei hij. ‘Nee.’ ‘Ik had toen beter moeten vragen wat er speelde.’ Ik voelde meteen de verleiding om zijn deel groter te maken dan het mijne. Hij had ons begeleid. Hij was de volwassene geweest. Maar ik was eenentwintig, geen kind dat per ongeluk een geheim in een vriendenboekje had geschreven. ‘Ik had gewoon moeten luisteren,’ zei ik. René knikte. Hij maakte het niet mooier. Thuis stopte ik het oude lied in een aparte map. Ik gooide het niet weg. Daar zou ik misschien weer iets heldhaftigs van maken. Ik legde het alleen niet meer tussen de nummers die wij samen moesten spelen. Hoofdstuk 6 — Bij Mo thuis Mo vroeg of ik donderdag zijn oude opnameapparaat wilde ophalen. Er stonden nog bestanden op die we misschien konden gebruiken om een derde nummer te vinden. Hij kon niet naar het centrum komen en zei dat ik ook later kon gaan, volgende week of zo. Ik schreef dat ik toch in de buurt was. Dat was niet waar, maar het was minder omslachtig dan zeggen dat ik hem graag wilde zien. Hij deed open met een theedoek over zijn schouder. ‘Je moet een beetje langs de schoenen.’ In de gang stonden vier paar schoenen en een rollator. Ik wist dat zijn vader moeilijk liep. Ik wist niet dat Mo op donderdagavond rijst kookte in zijn keuken en de vuilniszak alvast bij de deur zette. Zijn vader zat in de woonkamer met de televisie aan. Hij herkende me niet meteen. Toen Mo mijn naam zei, glimlachte hij. ‘Zangeres.’ ‘Soms,’ zei ik. ‘Vroeger harder.’ Mo lachte vanuit de keuken. ‘Dat is waar.’ Ik ging zitten op een bank waarvan de kussens steeds naar het midden schoven. Op de salontafel lagen kranten, een afstandsbediening en een bakje mandarijnen. Zijn vader vroeg of ik thee wilde. Voor ik iets kon zeggen, zei Mo dat het theewater al opstond. Er zat een vermoeidheid in zijn stem die ik in de repetitieruimte niet had gehoord. Ik wilde helpen en wist niet waarmee. Ik vroeg of ik de tafel kon dekken. Mo wees waar de borden stonden. Hij zei dat ik kon blijven eten. Ik had eten in huis, maar niets dat moeilijk zonder mij kon. Tijdens het eten vertelde zijn vader over de tuin die hij vroeger had gehad. Ik had het verhaal eerder gehoord. Mo ook, vaker dan ik. Toch stelde hij een vraag over de perenboom. Zijn vader kwam daardoor bij een ander deel van het verhaal uit, een buurman die altijd fruit plukte voordat het rijp was. Na het eten bracht Mo een stapel papieren naar de keuken. Hij maakte er twee stapels van en legde één stapel weer terug. Ik vroeg of hij veel regelde. ‘Een beetje.’ ‘Dat ziet er niet uit als een beetje.’ Hij keek naar de papieren. ‘Het is vooral vaak.’ Ik dacht aan zijn late aankomst op de eerste repetitie. Aan mijn opmerking dat we tijd moesten maken. ‘Had je daarom zaterdag eerst nog iets?’ ‘Ja.’ ‘Waarom zeg je dat niet?’ Hij leunde tegen het aanrecht. ‘Omdat ik geen reden nodig wil hebben om te mogen zeggen hoe laat ik kan.’ Ik zei niets. Het was een zin die ik waarschijnlijk in mijn telefoon had opgeslagen als iemand anders hem tegen iemand anders had gezegd. Nu stond hij voor me met afwaswater op zijn mouw. ‘Ik vind de band leuk,’ zei hij. ‘Maar ik wil niet bij elke afspraak uitleggen wat er hier gebeurt.’ ‘Dat snap ik.’ ‘Misschien kun je het gewoon aannemen als ik zeg dat iets niet kan.’ Ik knikte. Hij liep terug naar de woonkamer om zijn vader te helpen met iets aan de televisie. Het bleek een instelling te zijn die per ongeluk was veranderd. Ze kibbelden erover alsof het een wedstrijd was die al jaren liep. Toen we later in zijn oude slaapkamer naar het opnameapparaat zochten, zag ik de posters die nog aan de muur hingen. Ze waren verbleekt. Op het bureau stond een lamp met een kap die scheef hing. Het was vreemd om Mo in die kamer te zien, met zijn brede schouders en zijn korte baard. Hij paste er niet meer helemaal in, maar wist nog steeds waar de batterijen lagen. ‘Ik woon hier niet,’ zei hij, alsof hij mijn gedachte had gehoord. ‘Dat weet ik.’ ‘Ik ben hier alleen veel.’ We vonden het apparaat in een doos met kabels. Hij stopte er nieuwe batterijen in en we luisterden naar korte fragmenten. Een drumsolo die veel te lang duurde. Bas die zei dat zijn vingers koud waren. Ik die vroeg of we nu eindelijk konden beginnen. ‘Gezellig mens,’ zei ik. ‘Je kon ook leuk zijn.’ ‘Bewijs?’ Hij zocht verder. Op het volgende fragment lachte ik zo hard dat ik nauwelijks nog kon zingen. Sofie probeerde een zin over een gebroken hart serieus te houden, maar iemand had een piepend geluid gemaakt met een stoel. We klonken jong en onbeschaamd gelukkig. Ik voelde mijn ogen prikken. Mo deed alsof hij het apparaat aandachtig bekeek. ‘We waren niet altijd aan het repeteren,’ zei hij. ‘Nee.’ ‘Misschien is dat een deel van wat ik mis.’ We vonden een instrumentaal stukje dat we nooit hadden afgemaakt. Bas speelde een korte reeks tonen, Sofie antwoordde met twee lage noten en Mo kwam er halverwege met een ander ritme onder. Ik neuriede iets wat geen tekst was. Daarna stopten we omdat iemand naar huis moest. ‘Deze,’ zei ik. Mo keek op. ‘Kunnen we hier iets mee?’ Hij speelde het nog eens af. ‘Misschien.’ Ik wilde meteen zeggen hoe we het konden opbouwen. Ik slikte de eerste twee ideeën in en vroeg wat hij hoorde. Hij tikte met zijn vingers op het bureau. Eerst langzaam, daarna met een verschuiving waardoor ik niet meer wist waar het begin van de maat zat. Toen liet hij één tik weg. Het hele stukje veranderde. ‘Dat is mooi,’ zei ik. Hij glimlachte. ‘Daar kan nog iets tussen.’ Beneden riep zijn vader. Mo stond op. Ik bleef zitten en luisterde naar de opname. De stemmen op de achtergrond praatten door elkaar. Niemand was de leider van dat fragment. Het was alleen een begin dat we samen hadden laten liggen. Toen ik wegging, gaf Mo me het apparaat en een bakje eten. ‘Dat hoeft niet,’ zei ik. ‘Ik heb te veel gemaakt.’ Ik nam het aan. Bij de deur zei ik dat hij voor de volgende repetitie alleen hoefde te laten weten of hij kon. Geen uitleg nodig. Hij keek me aan. ‘Dank je.’ Ik reed naar huis met twee dozen op de passagiersstoel: één met een oude opname en één met rijst. Ik vond het moeilijk te bepalen welke ik eerder nodig had gehad. Hoofdstuk 7 — Mijn eigen stem Carla liet me beginnen met het stukje waar ik bang voor was. Dat vond ik geen bijzonder vriendelijke opvatting van een kennismakingsles. Haar lesruimte was een voormalige bloemenwinkel. In de vensterbank stonden nog tegels met een randje groen, maar de emmers waren vervangen door een piano en twee stoelen. Ik had haar nummer van het prikbord in De Wissel gehaald. Op het kaartje stond dat ze zangles gaf aan beginners en mensen die opnieuw begonnen. Ik had beide categorieën beledigend gevonden en toch gebeld. ‘Ik zoek vooral even iemand die luistert,’ had ik aan de telefoon gezegd. ‘Dat komt goed uit,’ had ze geantwoord. ‘Dat doe ik meestal.’ Nu zat ze op een kruk met een gebarsten zitting. Ze droeg sportschoenen onder een wijde rok en schreef mijn naam op een los vel. Ik had haar leeftijd niet kunnen raden. Alles aan haar leek al lang gebruikt en nog prima bruikbaar. Ik speelde de eerste akkoorden van Vier hoog. Op haar piano klonken ze meteen deftiger. Ik begon te zingen en voelde bij de hogere zin mijn kin naar voren gaan. Mijn stem werd scherp. Ik hield de laatste noot aan, langer dan nodig was, alsof duur kon goedmaken wat er verder misging. Carla liet me uitzingen. ‘Dat klinkt als hard werken,’ zei ze. ‘Het ging vroeger makkelijker.’ ‘Mag ik horen hoe je het vroeger deed?’ Ik zocht een oud filmpje. Ze luisterde naar ongeveer twintig seconden en gaf de telefoon terug. ‘Daar werk je ook hard.’ ‘Ik klonk wel hoger.’ ‘Ja.’ Ik wachtte op wat dat betekende. Ze schoof haar kruk naar de piano en speelde de beginakkoorden lager. De toon lag waar we hem in de repetitie ook hadden gevonden. ‘Zing nu alsof je de woorden aan mij vertelt.’ Ik deed mijn best om te klinken alsof ik geen moeite deed. Ze stak haar hand op. ‘Je hoeft geen nieuwe stem te verzinnen. Praat de eerste zin maar eens.’ Ik zei de woorden. Zonder melodie waren ze behoorlijk stellig. Een meisje vertelde dat niemand haar ooit nog zou vinden als ze vertrok. Op mijn twintigste had ik dat een romantische gedachte gevonden. Nu zag ik vooral mijn moeder voor me, die belde om te vragen of ik de sleutel nog had. Ik lachte midden in de zin. ‘Wat?’ vroeg Carla. ‘Ik geloof niet meer alles wat ik heb geschreven.’ ‘Dan moet je kiezen wat je ermee doet. Maar dat hoeft niet in deze minuut.’ We werkten een kwartier aan vier regels. Ik kreeg geen indrukwekkende oefeningen die op een opname zouden klinken als de voorbereiding van een groot artiest. Ik moest tussendoor zitten, opstaan, gewoon ademhalen en opnieuw proberen zonder al bij de eerste letter naar het einde te willen. Soms ging het beter. Soms veel slechter, omdat ik vervolgens begreep dat het beter ging en het wilde vasthouden. ‘Je kijkt steeds naar mijn gezicht,’ zei Carla. ‘Ik wil weten of het goed is.’ ‘Ik zal het je vertellen als ik iets hoor waarmee we verder kunnen. Je hoeft mijn wenkbrauwen niet te lezen.’ Ik keek naar de groene tegels. Bij de laatste herhaling kwam de hoge zin er klein uit, maar zonder de botsing die ik verwachtte. Ik stopte vanzelf. ‘Dat was niet veel,’ zei ik. ‘Het was een begin. Je mag ook een volgende zin zingen.’ Aan het einde vroeg ze wat het optreden moest worden. Ik vertelde over René en de drie nummers en hoorde mezelf zeggen dat we natuurlijk geen kinderen meer waren. Het klonk als een verontschuldiging voor iets wat zij nog niet had aangerekend. ‘Hoeveel mensen komen er?’ vroeg ze. ‘Geen idee. Een zaal vol oude bandjes, vermoed ik. Ouders. Jongeren die er nu spelen.’ ‘En hoeveel daarvan komen om jouw stem van acht jaar geleden te controleren?’ ‘Eentje,’ zei ik. Ze glimlachte, maar maakte er geen punt van. Ze schreef de lagere toonsoort op een kaartje en gaf me een paar eenvoudige stukken om thuis te proberen. Ik boekte nog een les voor twee weken later. Mijn betaling voelde verrassend ernstig. Ik kocht voor het eerst in jaren iets voor muziek zonder mezelf te kunnen vertellen dat het uitsluitend voor anderen was. Op zaterdag had Bas de oude opname uitgewerkt. Niet helemaal, zei hij meteen. Hij had vooral geluisterd waar hij destijds zijn vingers had neergezet. ‘Ik speelde het toen sneller,’ zei hij. ‘We deden alles sneller,’ zei Sofie. Ze haalde haar bas uit de hoes. ‘Behalve kiezen waar we gingen eten.’ Mo schoof zijn stoel naar achteren en vroeg of we het nieuwe stukje eerst konden doen. Hij moest zijn vader later naar een verjaardag brengen. Hij zei het achteloos. Ik wilde vragen of er niet iemand anders kon rijden en hield mijn mond. Hij had een tijd genoemd; de tijd was duidelijk. Bas speelde de reeks tonen. Het was minder glad dan ik me herinnerde. Er zat een sprong in die steeds iets te vroeg leek te komen. Sofie probeerde haar twee lage noten terug te vinden. Bij de tweede poging knikte Mo en zette hij een zacht ritme eronder. Ik legde mijn handen op het keyboard. Er was veel ruimte. Dat maakte me onrustig. Ik vulde een akkoord in, nog één, en daarna een melodie die ik in de auto had bedacht. Bas stopte. ‘Wacht even. Dan raak ik mijn begin kwijt.’ ‘Ik dacht dat het daar naartoe kon.’ ‘Misschien. Kunnen we eerst horen waar het nu heen gaat?’ Ik trok mijn handen terug en legde ze op mijn bovenbenen. Sofie keek naar me. Ik wist niet of ze waardering zag of beledigd zwijgen. Het verschil kon op mijn gezicht klein zijn. Ze begonnen opnieuw. Zonder mijn akkoorden hoorde ik dat de tweede basnoot langer bleef hangen dan de eerste. Mo tikte er vlak naast, liet zijn stok even boven het bekken wachten en kwam dan terug. Bas liet het laatste stukje van zijn reeks weg. ‘Daar,’ zei ik. Niemand stopte. Ik drukte één toets in en hield hem vast. De noot paste eerst nergens bij, dacht ik, en toen veranderde Bas van toon en lag hij precies goed. Ik begon zacht te neuriën. Mijn stem zat laag genoeg om niet te hoeven zoeken. We speelden bijna twee minuten. Toen raakte Mo zijn ritme kwijt en schoot Sofie in de lach. ‘Waar zijn we?’ vroeg Bas. ‘Geen idee,’ zei ik. ‘Er ontbreekt ergens een halve maat.’ ‘Dat zou de naam kunnen zijn,’ zei Sofie. Mo tikte zijn stokken tegen elkaar. ‘Halve maat. Voor mensen met weinig tijd.’ Ik schreef het boven aan een nieuw blad. Daaronder wilde ik meteen een volgorde zetten, maar ik liet het potlood op tafel liggen. Bas vroeg of we nog een keer konden beginnen. Hij had iets gehoord wat hij terug wilde. De volgende poging werd veel minder mooi. Ik zocht de goede noot van daarnet en vond hem pas toen de anderen verder waren. Bas speelde te veel. Mo zette het ritme recht en vond het vervolgens saai. Sofie trok aan de hals van haar bas en zei dat ze honger had. ‘Het is halfelf,’ zei ik. ‘Ik was om kwart over vijf wakker.’ We aten de koekjes die Bas bij de supermarkt had meegenomen. Hij had de goedkoopste gekozen omdat er meer in de verpakking zaten. Dat was een redenering die ik me van vroeger herinnerde en meteen prettig vond. Ik liet ze het begin van Vier hoog horen zoals ik het bij Carla had gezongen. Er was geen begeleiding, alleen mijn stem en het zachte tikken van Mo die onbewust zijn stok op zijn knie liet vallen. Sofie keek op van de verpakking. ‘Dat kan ik erbij zingen,’ zei ze. Ze deed het. Haar melodie liep eerst met mij mee en koos daarna een andere toon. Bij het einde ademden we tegelijk in. We moesten allebei lachen omdat het zonder afspraak gebeurde. ‘Zo,’ zei Bas. ‘Nu hoeven we alleen nog ons eigen werk goed te doen.’ We haalden Vier hoog in de nieuwe versie van begin tot einde zonder echt te stoppen. De overgang naar het tweede deel was rommelig en ik vergat een woord, maar ik kon blijven luisteren. Dat was nieuw. Gewoonlijk hoorde ik tijdens het zingen vooral hoeveel er nog mis kon gaan. Bij het opruimen vroeg Mo of iemand de opnamen van Halve maat wilde rondsturen. Ik pakte zijn oude apparaat en hield het omhoog. ‘Ik stuur het door.’ ‘Alle versies,’ zei Bas. ‘Ook die lelijke?’ ‘Vooral die. Daar zit volgens mij het goede einde in.’ Thuis luisterde ik ze allemaal terug. Bij de tweede versie lag mijn stem over Sofies lage noot en schoof Bas erachterlangs. Verderop zei ik te hard dat we moesten stoppen. Ik schoof met mijn vinger over het scherm, terug naar de muziek. Er waren achttien seconden die ik wilde bewaren. Ik luisterde er zo vaak naar dat ik vergat mijn was uit de machine te halen. Toen ik uiteindelijk opstond, moest alles opnieuw omdat het muf rook. Ik stuurde de bestanden zonder commentaar naar de groep. Even later typte ik toch nog: Volgens mij kan dit iets worden. Daar hoefde niemand iets op te antwoorden. Dat besefte ik pas nadat ik drie keer had gekeken. Hoofdstuk 8 — De grote zaal Op maandag werd de aanvraag voor de grote zaal een boeking. Zeshonderd gasten, een diner, een band en een uitloop tot middernacht. Helma had een offerte verstuurd waar ik naar had gekeken. Mijn opmerkingen stonden in de kantlijn. Ik kon later dus moeilijk beweren dat het aan mijn aandacht was ontsnapt. ‘Jij bent het aanspreekpunt,’ zei ze bij de planning. ‘Tess doet de voorbereiding mee. Tijdens de avond hebben we het gewone team.’ Ik keek naar de datum op het scherm. De letters waren dezelfde als toen ik Renés uitnodiging kreeg. Alleen het grijze vraagteken was verdwenen. ‘Die zaterdagavond heb ik iets,’ zei ik. Helma keek op. ‘Wat?’ ‘Een optreden. Met de band waar ik vroeger in zat.’ Tess draaide haar pen tussen haar vingers. Zij wist van het optreden, maar blijkbaar niet van de datum. Ik had die alleen verteld aan mensen van wie ik geen praktisch antwoord hoefde te verwachten. ‘Staat dat ergens?’ vroeg Helma. Ik keek naar mijn notitieboek. ‘In mijn eigen agenda.’ ‘Je hebt geen vrije avond aangevraagd.’ ‘Nee. Omdat die aanvraag nog niet zeker was.’ Helma liet haar hand op de tafel liggen. Ze had dunne vingers met brede ringen. Ik keek daar vaak naar als ze iets zei wat ik niet prettig vond. ‘Dat was juist het moment geweest,’ zei ze. Ik kon niet bedenken hoe ik dat redelijk moest tegenspreken. Dus zei ik dat het maar een klein optreden was en dat ik misschien eerst een deel van de avond kon doen. Meteen begon ik te rekenen. De ontvangst om zes uur, de eerste gang om halfacht. Als ik om acht uur vertrok, kon ik twintig minuten later in De Wissel zijn. ‘En als de eerste gang een halfuur uitloopt?’ vroeg Tess. ‘Dan regel ik dat daarvoor.’ Ze keek me aan. ‘Hoe?’ Ik zei niets. We gingen verder met de planning. Ik schreef veel op, ook dingen die al in het draaiboek stonden. Het leek me belangrijk dat iedereen kon zien dat ik bleef werken. Na afloop vroeg Helma me te blijven zitten. Tess pakte haar laptop en ging zonder iets te zeggen naar buiten. Ik voelde me veertien. Dat was niet Helma's schuld, maar ik rekende het haar wel een beetje aan. ‘Ik wil best kijken of we iets kunnen verschuiven,’ zei ze. ‘Ik heb alleen iemand nodig die de hele avond overziet. Dat ben jij. Of dat is een ander.’ ‘Ik weet het.’ ‘Je hoeft me niet te overtuigen dat jouw afspraak klein is. Je hoeft me te vertellen dat je vrij wilt.’ Ze vroeg hoe laat ik er moest zijn. Ik had nog geen definitief tijdstip, zei ik. Dat bleek ook een vervelend antwoord. Ze schoof haar stoel naar achteren en gaf me tot de volgende middag om helder te krijgen wat ik vroeg. Daarna moest de personeelsplanning door. In de gang stond een kar met glazen voor de lift. Ik schoof hem aan de kant en bleef langer dan nodig naar het metalen frame kijken. Ik had gedacht dat ik op mijn werk vrij duidelijk was. Ik vertelde klanten voortdurend wat wel en niet kon. Kennelijk was dat makkelijker wanneer de beperking een stopcontact of een branddeur was. Tess zat in de kleine zaal te eten. Ze had een bakje pasta dat er minder droevig uitzag dan mijn boterhammen. Ik vroeg of ik erbij mocht komen zitten. ‘Je mag altijd zitten,’ zei ze. Ik begon over de zaterdag. Ze prikte een stuk tomaat aan haar vork. ‘Wil je weten of ik het overneem?’ vroeg ze. ‘Misschien.’ ‘Dan moet je dat vragen.’ Het werd een dag waarop iedereen veel vertrouwen had in duidelijkheid. Ik vroeg het. Tess slikte en zei dat ze die avond met haar broer en zus naar een voorstelling zou gaan. Haar broer was pas naar het buitenland verhuisd en kwam een weekend terug. Ze had al kaartjes. ‘O,’ zei ik. ‘Nee. Dan houdt het op.’ Ik zei het met een lichte zucht waarvan ik hoopte dat zij die niet zou horen. Zij hoorde hem wel. ‘Het is vervelend voor je,’ zei ze. ‘Maar ik ga dat niet afzeggen omdat jij nog niets had geregeld.’ ‘Dat vraag ik ook niet.’ Ze keek me aan. Ik voelde mijn gezicht warm worden. ‘Goed,’ zei ik. ‘Nee. Je hebt gelijk.’ We aten even zonder te praten. Aan de andere kant van de zaal was een collega bezig een doek op een verrijdbaar frame vast te zetten. Het hing steeds scheef. Normaal was ik opgestaan om te helpen. Nu bleef ik zitten omdat helpen me op dat moment erg goed zou uitkomen. Tess schoof haar bakje dicht. ‘Vraag Daan,’ zei ze. ‘Die zit op een andere locatie.’ ‘Daarom moet je het vragen. Misschien heeft hij die avond niets. En misschien wil hij juist van een ochtend af waar jij wel kunt.’ Daan was een coördinator die soms voor ons inviel. Ik kende hem vooral van overdrachten waarin hij precies wilde weten welke deur met welke sleutel openging. Ik had hem daardoor ooit omslachtig gevonden. Die middag leek dat een aantrekkelijke eigenschap. Hij nam niet op. Ik liet een bericht achter en belde Meryem. Zij mailde me het voorlopige programma van het afscheid. Ons optreden stond om twintig over negen. De technische doorloop was in de namiddag. Ik kon mijn werkplan niet meer passend maken door de reistijd optimistisch in te schatten. In de groepschat schreef ik dat ik op mijn werk iets moest omzetten. Ik typte eerst dat er opeens een boeking tussendoor was gekomen. Toen verwijderde ik die zin. Ik heb te laat vrij gevraagd voor de avond, schreef ik. Ik regel het nu. Morgen weet ik meer. Bas antwoordde met een duim. Sofie vroeg of we al een reservetoetsenist nodig hadden. Er stond geen gezichtje bij. Ik wist niet of het een grap was en besloot geen uitleg te sturen over waarom het ingewikkeld was. Daan belde terug toen ik een plattegrond stond te bespreken met iemand die overal een loungebank wilde. Ik vroeg de klant een minuut en liep de gang in. Hij kon de avond in principe overnemen, zei hij. Maar hij wilde het hele dossier en een rondgang met mij door het gebouw. Bovendien stond hij de zondag erna vroeg ingepland bij een ontbijt voor een sportvereniging. Daar wilde hij graag vanaf. ‘Hoe vroeg?’ vroeg ik. ‘Zes uur aanwezig.’ Ik keek naar het programma op mijn telefoon. Renés afscheidsavond liep tot twaalf uur. Daarna moesten we opruimen. ‘Dat kan ik doen,’ zei ik. ‘Weet je het zeker?’ Ik rekende opnieuw, nu zonder een manier te zoeken waarop er meer uren in de nacht pasten. ‘Ja. Maar dan moet ik na ons optreden op tijd weg.’ ‘Dat is aan jou.’ Helma keurde de ruil de volgende ochtend goed, op voorwaarde dat Daan tijd kreeg om zich voor te bereiden. Ik moest zelf de overdracht plannen. Dat vond ik eerlijk en toch ook oneerlijk genoeg om er even chagrijnig van te worden. Twee dagen later liepen Daan en ik samen door de grote zaal. Hij vroeg naar de verwarming, de routes voor het personeel en wie de sleutels van de opslag had. Ik liet hem de stopcontacten achter het gordijn zien. Hij noteerde alles. Toen ik zei dat hij me kon bellen als er iets was, hield hij zijn pen stil. ‘Tijdens je optreden?’ ‘Desnoods.’ ‘Dan geef je me het nog steeds niet helemaal.’ Ik keek naar zijn lijst. Er stonden vragen op die ik zelf nog niet had gesteld. Ik wees hem het nummer van Helma aan en zei dat zij achterwacht was. Hij schreef het over. Aan het einde van de rondgang liepen we langs het kleine podium. Het was hooguit dertig centimeter, maar het maakte de lege zaal meteen plechtig. Ik zette mijn voet op de rand en voelde de plank licht veren. ‘Is het een belangrijk optreden?’ vroeg Daan. Ik dacht aan drie nummers, een jeugdcentrum en een man die eindelijk eens een zaterdag niet wilde werken. ‘Voor mij wel,’ zei ik. Hij knikte alsof dat een bruikbaar antwoord was. Daarna vroeg hij waar de bezems stonden. Die avond schreef ik de repetitietijden op een vel papier en legde het naast mijn werkrooster. Er zat nergens een wonderbaarlijke vrije ruimte verstopt. Ik schrapte de afspraak die ik met mezelf had gemaakt om alle opnamen uit te werken. Vervolgens stuurde ik aan de anderen dat de zaterdag geregeld was en dat ik zondag vroeg moest werken. Mo schreef: Dan helpen wij je na afloop snel inladen. Ik had nog niet eens om hulp gevraagd. Ik las zijn bericht twee keer en liet het daarbij. Hoofdstuk 9 — Wat ik niet had gevraagd Mo kon de volgende zaterdag pas om elf uur. We hadden twee weken tot het optreden. Hij schreef het woensdagavond, toen ik net mijn laptop dichtdeed. Ik maakte hem weer open om te kijken wat dat betekende voor de planning, alsof elf uur met behulp van een tabel een ander tijdstip kon worden. De repetitie duurde tot twaalf. Dat was nog steeds de afspraak. Ik stuurde hem buiten de groep een bericht. Of Aisha misschien een keer met zijn vader kon gaan. Ik had geen idee waarmee hij weg moest, maar ik wist dat zijn zus bestond. Ze had vroeger weleens aan de rand van onze repetitieruimte gestaan, kleiner dan wij en veel minder onder de indruk. Hij antwoordde pas de volgende ochtend. Dat overleggen we zelf, schreef hij. Er kwam geen tweede bericht om het zachter te maken. Ik voelde me onterecht terechtgewezen. Ik had toch alleen een mogelijkheid genoemd? Ik stond met een tandenborstel in mijn hand te bedenken hoe ik dat kon uitleggen. Het was een onhandig moment om weer te willen typen. In de trein naar mijn werk las ik mijn eigen bericht terug. Het stond er beleefd. Dat maakte het niet beter. Bij Mo thuis had ik nog gezegd dat hij geen reden hoefde te geven. Nu had ik zijn reden alvast ingevuld en een familielid aangewezen dat het kon oplossen. Ik schreef: Je hebt gelijk. Elf uur staat genoteerd. Daarna legde ik mijn telefoon in mijn tas. Vijf minuten later haalde ik hem eruit om te kijken of hij had gereageerd. Dat had hij niet. Vrijdagavond werkte ik aan Halve maat. Ik had tegen mezelf gezegd dat ik de opname alleen op volgorde zou zetten. Toen hoorde ik een overgang die soepeler kon. Ik speelde hem op het keyboard, nam hem op en zette er een tweede partij onder. Mijn computer had klanken die ik nauwelijks gebruikte. Binnen een uur had ik een zacht ritme, een baslijn en een heleboel akkoorden. Het klonk behoorlijk goed. Dat vond ik eerst fijn. Daarna werd ik bang dat de anderen het niet zouden begrijpen als ik het alleen liet horen. Ik schreef erbij waar ze konden invallen. Voor de zekerheid maakte ik ook een blad met de volgorde. Om halféén 's nachts stuurde ik het bestand naar de groep. Ik noemde het een voorstel, gevolgd door drie zinnen over waarom het werkte. Het woord voorstel had daardoor niet veel ruimte meer over. Zaterdag waren Bas en Sofie er voor mij. Ze zaten op het lage muurtje bij de ingang. Bas dronk koffie uit een beker die hij ergens had meegenomen. Sofie had haar bas nog op haar rug. Ze stonden op toen ik aankwam, zonder haast. ‘Hebben jullie geluisterd?’ vroeg ik. ‘Ja,’ zei Bas. ‘En?’ Sofie keek naar de deur. ‘Laten we eerst even naar binnen gaan.’ Dat was een antwoord dat geen enkele hoeveelheid koffie prettig kon maken. We zetten de spullen klaar. Mo's drumstel stond al in de ruimte; alleen zijn eigen bekken en stokken nam hij meestal mee. Ik legde mijn blaadjes op tafel. Bas keek naar de cijfers en streepjes. ‘Je hebt dat rare stuk eruit gehaald,’ zei hij. ‘Het liep niet helemaal.’ ‘Dat was juist het stukje dat we wilden houden.’ ‘Ja, maar om het op tijd te kunnen spelen—’ ‘Het kon gespeeld worden. We hebben het gespeeld.’ Sofie zette haar versterker zachter. Ze speelde de twee noten die ik op mijn computer had vervangen door een doorlopend patroon. Ze liet de tweede lang hangen. Het voelde een beetje alsof ze een verdwenen persoon beschreef. ‘Hier is geen plek meer voor,’ zei ze. ‘Jawel. Als je er dit onder doet.’ Ik speelde mijn baspartij op het keyboard. Terwijl ik bezig was, zag ik haar gezicht veranderen. Ik stopte halverwege. ‘Ik bedoel niet dat je precies dat moet spelen.’ ‘Je hebt het wel opgeschreven.’ ‘Omdat we nog maar twee weken hebben.’ Bas ging op zijn versterker zitten. ‘Dan spelen we dat nummer toch niet?’ Ik keek hem aan. Het gemak waarmee hij het zei, maakte me kwaad. ‘We hebben drie nummers beloofd.’ ‘René heeft gevraagd of we drie nummers wilden doen. We hebben ja gezegd tegen een klein optreden. We kunnen hem bellen.’ ‘Kunnen we eerst proberen iets af te maken voordat we het opgeven?’ Mijn stem klonk harder dan de ruimte nodig had. Ik zag Sofie kort naar de klok kijken en had daar meteen een oneerlijke gedachte over. Alsof zij het probleem was omdat de middag ook bestond. ‘Ik wil het best afmaken,’ zei Bas. ‘Ik wil zelfs dat het goed wordt. Maar dit is jouw nummer geworden met plekken waar wij iets mogen spelen.’ Ik begon te zeggen dat ik er uren aan had gewerkt. Dat was waar. Het was ook geen antwoord. We repeteerden Vier hoog. Zonder drums was het moeilijk om de vaart erin te houden. Ik speelde te nadrukkelijk, alsof mijn linkerhand de afwezige Mo moest vervangen. Sofie vroeg of ik de lage tonen even weg kon laten. Ik deed het en hoorde onmiddellijk meer van haar. Dat hielp niet voor mijn humeur. Om elf uur kwam Mo binnen. Hij zette zijn tas op de grond en keek naar ons. ‘Wat heb ik gemist?’ ‘Een arrangement,’ zei Bas. Sofie lachte kort. Ik deed alsof ik mijn blaadjes rechtlegde. Mo had mijn bestand gehoord, zei hij. Hij vond de eerste overgang mooi, maar wist niet goed wat hij met de rest moest. Hij ging zitten en liet het ritme van de oude opname horen. Het haperde op de plek waar hij expres ruimte liet. ‘Zo dus,’ zei hij. ‘Ja,’ zei Bas. Ik wachtte tot er aan mij iets gevraagd werd. Toen dat niet gebeurde, begon ik over de beschikbare repetitietijd. We moesten volgens mij kiezen tussen iets eenvoudigers of een extra avond. ‘Donderdag kan ik,’ zei Bas. ‘Maar pas na achten.’ Sofie schudde haar hoofd. ‘Dan werkt Erik. En mijn moeder kan die week niet.’ Bij het woord moeder keek ze niet naar me. Ik voelde desondanks dat ik er iets mee moest, wat waarschijnlijk precies de verkeerde reactie was. ‘Ik kan donderdag ook niet,’ zei Mo. Ik knikte te langzaam. Sofie legde haar hand over haar snaren. ‘Als het voor jou alleen zin heeft als we vaker kunnen, moet je dat zeggen.’ ‘Dat zeg ik niet.’ ‘Je kijkt het wel.’ Ik wilde vragen of mijn gezicht dan ook ingepland moest worden. Het was een kinderachtige grap en ik hield hem binnen. Dat kostte meer moeite dan ik later graag zou toegeven. Mo draaide zijn stok tussen zijn vingers. ‘Ik heb hier zin in, Juun. Ik denk door de week aan dat ritme. Ik tik het op mijn stuur als ik stilsta. Dat betekent niet dat ik elke avond kan komen.’ ‘Ik weet het.’ ‘Volgens mij weet je het, maar geloof je het nog niet helemaal.’ Sofie keek naar hem en daarna naar mij. Ze zei niets. Dat maakte het eenvoudiger om te horen wat hij zei, omdat ik me niet door drie mensen tegelijk aangevallen hoefde te voelen. Ik pakte mijn arrangement en draaide het blad om. ‘Kunnen we dan beginnen bij die achttien seconden?’ vroeg ik. ‘En kijken hoe lang we willen dat het duurt?’ Bas stond op. ‘Graag.’ We werkten twintig minuten. Ik speelde de noot die ik eerder had vastgehouden. Bas herhaalde zijn reeks, Sofie liet haar tweede toon langer klinken en Mo maakte zijn verschuiving klein genoeg om mee te bewegen. Aan het einde kwamen we nergens uit. Hij tikte nog door toen de rest stopte. ‘Dat was het blijkbaar,’ zei hij. ‘Dat zou best het einde kunnen zijn,’ zei Sofie. Het was geen af nummer. Er zat een begin in en een gedeelte waar iets kon gebeuren. Ik vond het te weinig en wilde dat niet meteen weer het belangrijkste maken. We spraken af dat we bij de technische doorloop zouden beslissen. Twee nummers stonden vast. Het derde moest dan in een vorm bestaan die we samen konden spelen. Ik belde Meryem waar de anderen bij waren. Zij zei dat een iets kortere set geen ramp was, zolang ze het vooraf wist. Ze had ook drie jongens van zeventien die allemaal een solo wilden doen. Ze zou de minuten wel kwijt kunnen. Na twaalf uur bleven Bas en ik nog even spullen verplaatsen. Hij moest later die middag naar een optreden met zijn andere band. Ik vroeg waar. ‘Een verjaardag. In een zaaltje boven een café.’ ‘Vind je dat leuk?’ Hij keek me aan. ‘Meestal wel.’ ‘Je speelt daar toch vooral muziek van anderen?’ ‘Ja. Daar blijken mensen ook plezier aan te beleven.’ Ik lachte, aarzelend. Hij boog om zijn gitaarkoffer te sluiten. ‘Ik vind dit ook leuk,’ zei hij. ‘Het hoeft elkaar niet uit te sluiten.’ Ik hielp hem zijn versterker in de auto tillen. Het ding was zwaarder dan het eruitzag. Op de achterbank lagen werkschoenen, een ingepakte taart en een tweede gitaarhoes. Ik had geen volledig beeld van zijn leven. Ik had vooral gemerkt waar hij zich niet meer in het mijne liet schuiven. Thuis opende ik mijn bestand van de avond ervoor. De nette versie begon precies op de tel en eindigde met een mooie uitklank. Ik kon alle partijen aanwijzen die ik had gemaakt. Daarna luisterde ik naar de rommelige opname van die ochtend. Halverwege zei Sofie dat ze opnieuw wilde. Mo ging toch door en ze viel er lachend weer in. Ik sloeg ook die opname op. Niet als een mislukte versie. Gewoon met de datum. Hoofdstuk 10 — Geen nieuw begin Ik vroeg Sofie of ze een keer met me wilde lopen. Zonder instrumenten en zonder dat ik iets aan een planning wilde veranderen. Ze stuurde terug dat ze maandag om halfacht kon. Daarna schreef ze: Gewoon een rondje? Ik antwoordde ja. Het was nog licht toen ik bij haar kwam. Erik zat op de vloer naast een grote kartonnen doos. Lou stond erin en hield een plastic bord voor zijn borst. ‘Boot,’ zei hij tegen mij. ‘Ik zie het.’ ‘Niet aanraken.’ ‘Begrepen.’ Sofie trok in de gang haar schoenen aan. Erik vroeg of ze haar sleutel had. Ze stak hem omhoog en we liepen naar buiten. Ik hoorde Lou nog roepen dat de boot nu naar oma ging. Daar bleek niemand een probleem van te maken. We liepen langs de singel. Het gras was pas gemaaid en er lagen nog kleine hopen langs de rand. Sofie hield haar handen in de zakken van haar jas. Ik had al een hele openingszin voorbereid en vond hem ineens onaangenaam netjes. ‘Ik wil je iets zeggen over dat nummer,’ begon ik. Ze keek vooruit. ‘Ik had het toen niet mogen spelen. Je had het duidelijk gezegd. Ik vond dat mijn idee over de muziek belangrijker was dan wat jij vroeg. En daarna heb ik gedaan alsof jij degene was die alles kapotmaakte.’ Er fietste iemand langs met twee honden. De kleinste trok aan de lijn en bracht de hele opstelling uit evenwicht. We gingen achter elkaar lopen om ruimte te maken. Toen we weer naast elkaar liepen, zei Sofie: ‘Ja.’ Ik knikte. Het was een passend antwoord. Ik had onbewust toch op iets ruimers gehoopt. ‘Het spijt me,’ zei ik. ‘Dat geloof ik.’ We liepen een stukje verder. Mijn handen waren koud, maar ik wilde ze niet ook in mijn zakken steken omdat ik dan nog meer op haar zou lijken. ‘Ik dacht lang dat je uiteindelijk wel zou begrijpen waarom ik het had gedaan,’ zei ik. Ze draaide haar hoofd. ‘Dat klinkt verkeerd.’ Ik stopte even met lopen. ‘Dat was ook verkeerd. Ik bedoel dat ik mezelf dat heb verteld. Dan hoefde ik geen contact te zoeken om iets te zeggen waar je kwaad om mocht blijven.’ Sofie knikte langzaam. Aan de overkant van het water joeg een kind achter een bal aan. Zijn vader riep dat hij op de fietsers moest letten. Het kind knikte zonder te kijken. ‘Ik was vooral bang dat iedereen het doorhad,’ zei Sofie. ‘Mijn moeder stond achterin. Mijn tante ook. Ik had mijn moeder gevraagd om te komen. Dat was al een heel ding. En toen begon jij.’ ‘Ik wist niet dat ze er was.’ Sofie keek me aan. ‘Dat maakt het niet beter,’ zei ik snel. ‘Nee.’ We gingen weer lopen. Ik herinnerde me het podium. Het licht in mijn gezicht, mijn hand op het keyboard, Sofie die een stap naar achteren deed. Ik had haar beweging gezien. Ik had gedacht dat als ik doorzong, ze niet anders kon dan terugkomen. Ik vertelde haar dat. Het was het deel dat ik het liefst alsnog voor mezelf had gehouden. Sofie bleef staan bij de brug. Ze pakte een stukje verf van de leuning en drukte het tussen haar vingers. ‘Dat wist ik niet,’ zei ze. ‘Ik weet het.’ ‘Ik dacht dat je helemaal niet naar me keek.’ Ik had geen antwoord dat iets hielp. De verf brak in twee stukken. Ze veegde haar vingers af aan haar broek. ‘Ik ben blij dat je het zegt,’ zei ze. ‘Ik weet alleen niet of ik er nu blij van word.’ ‘Dat hoeft ook niet.’ Ze keek naar me. ‘Dat weet ik.’ Ik had zelfs bij mijn excuses de neiging om toestemming uit te delen. Ik voelde een vermoeide schaamte die minder dramatisch was dan de schaamte in de repetitieruimte. Er viel niets mee te doen behalve blijven staan. Sofie wees met haar kin naar het pad. We staken de brug over. Er zat een eend op het lage beton, precies op een plek waar iedereen hem moest ontwijken. Ik maakte een grote boog. Sofie liep er vlak langs. De eend week geen centimeter. ‘Mijn moeder en ik doen het nu op onze manier,’ zei ze. ‘Soms zien we elkaar vaak. Soms een paar weken niet. Ze komt graag bij Lou. Dat is soms fijn en soms ingewikkeld.’ Ik knikte. ‘Je hoeft niet te vragen hoe ingewikkeld.’ ‘Dat was ik niet van plan.’ ‘Een beetje wel.’ Ik lachte kort. ‘Een beetje.’ Ze keek nu ook even alsof ze kon lachen. Daarna werd haar gezicht weer ernstig. ‘Ik heb je daarna ook niet veel kansen gegeven,’ zei ze. Ik voelde hoe graag ik dat wilde vastpakken. Ik hield mijn ogen op het pad. ‘Dat hoefde je niet.’ ‘Nee. Maar ik kon soms doen alsof alles wat je zei dezelfde bedoeling had. Ook als je alleen maar vroeg of ik koffie wilde.’ Ze vertelde over een verjaardag, bijna vier jaar eerder, waar ik had gevraagd of ze ooit nog muziek maakte. Ze had net een positieve zwangerschapstest gehad en het aan niemand verteld. Mijn vraag was voor haar gaan klinken alsof ze moest uitleggen wat ze met haar leven had gedaan. Ik herinnerde me dat gesprek nauwelijks. Ik herinnerde me vooral dat ze kort had geantwoord en dat ik mezelf daarna buiten had neergezet met de conclusie dat ze geen behoefte aan me had. ‘Ik had gewoon kunnen zeggen dat ik er geen zin in had om over te praten,’ zei ze. ‘Ik had ook iets anders kunnen vragen.’ ‘Ja.’ We vonden een bankje met één natte plank. Sofie ging op de droge kant zitten. Ik haalde een oude kassabon uit mijn zak en gebruikte hem om de druppels weg te vegen. Hij werd onmiddellijk slap en liet een wit stukje papier achter. Ik pulkte het van het hout. ‘Je bent goed voorbereid,’ zei ze. ‘Professioneel.’ We zaten een tijdje zonder dat iemand een nieuwe vraag stelde. Aan de andere kant van de singel ging een man met een stok tussen de struiken. Zijn hond stond op het pad te wachten. Het leek erop dat de rollen tijdelijk omgedraaid waren. Ik vroeg Sofie wat ze prettig vond aan het repeteren. Ze dacht langer na dan ik had verwacht. ‘Dat mijn handen het nog weten,’ zei ze. ‘Niet alles. Maar soms zet ik ze neer en dan komt er iets. En dat Lou mijn bas nu een echt instrument vindt. Eerst dacht hij dat het een heel grote gitaar voor mama was.’ ‘Dat is het toch ook ongeveer.’ ‘Pas op.’ Ik glimlachte. Ze keek naar haar vingers, die nog lichte strepen hadden van de snaren. ‘Ik miste het samen spelen,’ zei ze. ‘Dat iemand iets doet waar je op kunt reageren. Op mijn werk is reageren meestal een probleem dat opgelost moet worden. Hier mag het gewoon geluid zijn.’ Ze werkte als planner bij een zorgorganisatie. Dat wist ik, maar ik had haar nooit gevraagd hoe een gewone dag eruitzag. Ik vroeg het nu. Ze vertelde over roosters, mensen die met goede redenen niet konden en een collega die altijd de namiddagdienst wilde omdat hij 's ochtends voor zijn kleinkind zorgde. Er zat geen groot verhaal in. Er zaten veel mensen in die allemaal ergens op tijd moesten zijn. ‘Soms plan ik thuis in mijn hoofd nog door,’ zei ze. ‘Dan ben ik heel blij als Erik zegt dat de was ook morgen kan.’ Ik vertelde over Daan en de bezems. Ze lachte hardop. Daarna zei ze dat ze haar bericht over een reservetoetsenist onaardig had bedoeld. ‘Ik dacht al dat er geen gezichtje ontbrak,’ zei ik. ‘Nee. Het was expres zonder.’ Ik was blij dat ze het zei, hoewel het de opmerking niet ongedaan maakte. Het gaf me in elk geval een werkelijkheid waar ik niet eindeloos over hoefde na te denken. We liepen terug langs de andere kant van het water. Bij een kruising pakte ze mijn mouw omdat ik doorliep terwijl een fietser afsloeg. Ze liet meteen weer los. Het was een klein, oud gebaar. Ik had het niet verdiend of geregeld. Het gebeurde. Voor haar huis vroeg ik of ze Halve maat thuis had geprobeerd. ‘Een beetje. Ik heb een ander einde.’ ‘Mag ik het horen?’ Ze keek naar het verlichte raam. ‘Nu niet. Lou gaat bijna naar bed. Zaterdag.’ ‘Zaterdag.’ Ze stak haar sleutel in het slot en bleef nog even staan. ‘Ik wil niet dat dit gesprek een soort nieuw begin moet zijn,’ zei ze. ‘Dan moet alles hierna meteen goed.’ ‘Dat lijkt me ook vermoeiend.’ ‘Het mag gewoon een gesprek zijn.’ Ik knikte. Toen ging ze naar binnen en liep ik naar mijn auto. Ik had niets opgeschreven en niets opgenomen. Toch wist ik zeker dat ik het meeste zou onthouden. Hoofdstuk 11 — Licht op de vloer Bij mijn tweede les vroeg Carla of ik iets anders had dan Vier hoog. Ik zei dat ik daar juist mee wilde oefenen. Ze knikte en vroeg het nog een keer. Ik speelde het begin van Halve maat. Zonder de anderen was het erg kaal. Ik neuriede de melodie die ik erbij had gevonden en stopte toen ik niet meer wist hoe ik alleen verder moest. ‘Daar zitten dus nog mensen tussen,’ zei Carla. ‘Drie.’ ‘Dat hoor ik.’ Ze vroeg of ik de melodie een keer wilde zingen zonder keyboard. Ik vond dat ongemakkelijk. Mijn handen hielden zich met elkaar bezig. Toch kwam de tweede keer een klank tevoorschijn die ik in de repetitieruimte nog niet had gemaakt, een beetje schor aan het einde. Ik stopte om hem te verbeteren. ‘Waarom stop je?’ vroeg Carla. ‘Het brak.’ ‘Vond je het lelijk?’ Ik dacht na. ‘Ik weet het niet.’ ‘Je mag het eerst even horen.’ We namen het op en luisterden terug. Het was maar een kort stukje. Ik vond sommige tonen mooi en andere dun. De breuk aan het einde klonk minder als een fout dan ik had verwacht. Ik besloot niet dat ik hem voortaan altijd zou maken. Ik liet hem in de opname staan. Na de les vroeg Carla of ik na het optreden nog eens wilde komen. Ik had mijn agenda al vast voordat ik besefte dat ik ook gewoon ja kon zeggen zonder een heel project te maken van de maanden daarna. We spraken over drie weken af. Eén afspraak. Geen belofte over wie ik ermee ging worden. De laatste gewone repetitie was op de zaterdag voor het afscheid. Sofie liet haar einde horen. Ze begon op de lage noot die we kenden en verplaatste daarna één vinger. Er zat iets droevigs in wat ze niet uitlegde. Bas probeerde er een akkoord bij en trok een gezicht. ‘Niet die,’ zei zij. ‘Nee, dat hoorde ik.’ Hij zocht verder. Mo zat met zijn stokken op zijn knieën en tikte alleen met zijn voet. Ik wachtte tot Bas iets had gevonden. Daarna speelde ik de dunne hoge toon die op de oude opname ergens boven iedereen zweefde. We deden het vier keer. Bij de vijfde ging Sofie vanzelf terug naar het begin. Mo kwam erin zonder te vragen. Het duurde bijna vier minuten. Toen stopten we allemaal tegelijk, behalve de snaren van Bas die nog een beetje doortrilden. ‘Ja,’ zei Mo. Er kwam geen uitgebreide bespreking. Ik draaide me naar mijn vel papier en schreef alleen de volgorde op. Begin, ruimte, terug. Dat was te weinig voor iemand die het nummer niet kende, maar wij kenden het nu een beetje. We probeerden de drie nummers achter elkaar. Vier hoog duurde korter dan vroeger, De laatste bus langer. Halve maat liep één keer vast, omdat ik na de open passage te vroeg wilde terugkeren. We spraken af dat Sofie zou aangeven wanneer ze weer begon. Ik hoefde alleen naar haar rechterhand te kijken. Om kwart voor twaalf pakten we in. Het leek vreemd om niet nog één poging te doen terwijl er tijd was. Toen begon Sofie over schoenen. Ze had geen zin om op een podium te staan in iets waar ze pijn van kreeg. Bas zei dat hij zijn werkschoenen al eerder voor optredens had gebruikt. ‘Jij werkt achter een computer,’ zei Mo. ‘Dat maakt de schoenen niet minder hardwerkend.’ Ik vroeg wat we aantrokken en kreeg drie antwoorden die neerkwamen op kleren. Er was even een plan geweest om dezelfde kleur te kiezen. Dat stierf zonder dat iemand er verdriet van had. Een week later stond ik voor mijn kast alsof er toch een kledingcommissie zou langskomen. Ik koos een donkerblauwe broek en een shirt dat niet opkroop als ik mijn armen bewoog. Mijn haar deed ik vast, los en opnieuw vast. Vervolgens at ik een banaan boven de gootsteen omdat ik voor een bord geen geduld had. Om drie uur was de technische doorloop. De Wissel stond vol apparatuur die bij elkaar beter paste in herinneringen dan in de gang. Twee mannen sleepten een grote versterker langs een jongen die zijn eigen spullen in een rugzak droeg. Iemand riep om een verloopstuk. Er was koffie in een kan met een half afgebroken deksel. Meryem stond op het podium met een rol tape om haar pols. Ze had een headset op, maar tilde één kant op toen we binnenkwamen. René probeerde naast haar een kist te verplaatsen. ‘Jij bent vandaag bezoek,’ zei ze. ‘Ik zet alleen even—’ ‘Bezoek mag die kist laten staan.’ Hij liet hem zakken. Ik had hem nog nooit zo gehoorzaam gezien. Meryem wees hem een stoel aan en vroeg ons het keyboard links te zetten. Voor ons was een band met drie jonge gasten aan de beurt. Ze noemden zich Stoepkrijt, een naam die op de handgeschreven lijst tegelijk kinderlijk en serieus stond. De gitarist had een gezicht dat nog niet helemaal wist wat het met een snor moest. Hij speelde een paar akkoorden en stopte. ‘Ik hoor mezelf niet,’ zei hij. ‘Wat wil je meer horen?’ vroeg de geluidstechnicus vanuit de zaal. ‘Mij.’ Bas boog naar me toe. ‘Dat vind ik een heldere wens.’ Ik glimlachte. De zangeres van een andere band, ouder dan wij, stond naast me haar tekst op een telefoon te lezen. Ze bewoog haar lippen geluidloos. Niemand zag eruit alsof alles vanzelf ging. Toen wij mochten, bleek het keyboardstatief te hoog. Ik had het thuis niet uitgeklapt. Bas hielp me de vergrendeling los te maken terwijl de zaal wachtte. Het was een klein werkje dat onder toezicht buitengewoon ingewikkeld werd. ‘Rustig,’ zei hij. ‘Hij zit alleen vast.’ We kregen het lager. Ik ging zitten en zag dat er op de vloer een stuk gele tape lag waar ik ongeveer met mijn stoel moest blijven. Sofie stond rechts van mij. Mo zat achter ons, iets hoger. Bas keek diagonaal de zaal in alsof hij al iemand kende die er nog niet was. De geluidstechnicus vroeg om een stukje zang. Ik pakte de eerste regel van Vier hoog en schrok van mijn stem die verder weg terugkwam dan ik verwachtte. Mijn rechterhand zocht vanzelf naar meer volume op het keyboard. ‘Even laten staan,’ zei de technicus. Ik haalde mijn hand weg. Hij draaide iets. Ik hoorde mezelf opnieuw, nog steeds vreemd, maar nu dichterbij. We speelden het refrein. Mo hield zich in; het drumstel was anders neergezet dan in de repetitieruimte. Na het einde vroeg hij of hij de bas iets beter kon horen. Sofie vroeg of haar stem harder mocht in het kastje voor haar voeten. Bas vroeg niets, tot de technicus hem rechtstreeks aankeek. ‘Ik hoor alles,’ zei hij. ‘Dat is nieuw voor me.’ Daarna kwam Halve maat. Meryem had haar pen boven het programma. We moesten nu kiezen of het erop bleef. Bas begon. Hij speelde wat sneller dan in de ruimte beneden. Sofie ving hem op en Mo liet het ritme zakken. Ik legde mijn noot ertussen. De zaal klonk groot en leeg. Waar ik thuis elk geluid apart had gehoord, vloeiden de tonen hier in elkaar. Bij de open passage durfde ik nauwelijks te zingen. Ik hoorde de gitarist van Stoepkrijt achter in de zaal een kist dichtdoen en nam dat als een oordeel. Toen keek Sofie naar me en haalde adem. Het was geen instructie, maar ik ademde mee. Mijn melodie kwam er zacht uit. Ze gaf het teken voor de terugkeer. Haar rechterhand tilde even op en viel op de snaren. Ik zag het en bleef erbij. Aan het einde luisterden we allemaal naar de laatste gitaartoon. Meryem zette een vinkje. ‘Drie dus,’ zei ze. Ik knikte en keek naar de anderen. Ze knikten ook. Het besluit voelde klein genoeg om waar te zijn. In de gang hielp ik Mo zijn bekkenhoes tegen de muur zetten. Hij controleerde zijn telefoon en stak hem weer weg. ‘Gaat het?’ vroeg ik. ‘Ja. Aisha is bij mijn vader vanavond. Ze gaan samen eten.’ ‘Fijn.’ ‘Ze vroeg of hij mee wilde. Hij zei dat hij jullie vroeger al gehoord had.’ Ik lachte. Mo ook. Daarna zei ik dat ik niet had moeten bedenken wie zijn ochtend kon overnemen. ‘Nee,’ zei hij. ‘Ik wil soms ergens bij helpen omdat ik niet weet hoe ik anders moet reageren.’ ‘Je mag ook vragen hoe het met mij is.’ Ik vroeg het. Hij leunde met zijn rug tegen de muur. ‘Moe,’ zei hij. ‘Maar nu heb ik zin in vanavond. Morgen is mijn vader er ook nog.’ We stonden even naast elkaar terwijl iemand met twee dienbladen langs ons schoof. We moesten telkens aan de kant. Mo vroeg hoe laat ik morgen op moest. ‘Vijf.’ ‘Dan zijn we allebei moe.’ Ik ging naar buiten om mijn jas in de auto te leggen. Op de parkeerplaats stond een vrouw een shirt recht te trekken bij een jongen die haar handen steeds wegduwde. Achter mij sloeg iemand op een trommel. Binnen zou het over een paar uur warm en vol zijn. Mijn telefoon trilde. Daan stuurde een foto van de ingerichte grote zaal. De tafels stonden goed. In een hoek zag ik de bezemkar die hij blijkbaar ook had gevonden. Onder de foto stond: Alles loopt. Fijne avond. Ik antwoordde dank je en stopte de telefoon in het vak van mijn tas dat dicht kon. Daarna liep ik terug naar de blauwe deur. Iemand had hem met een oude stoeptegel opengezet. Hij piepte nog steeds op dezelfde plek. Hoofdstuk 12 — Nog één keer zaterdag Om kwart over negen had ik water nodig en wilde ik niets drinken. Mijn mond was droog. Mijn maag had andere opvattingen over wat verstandig was. Bas draaide de dop van een fles en gaf hem aan me. ‘Klein slokje,’ zei hij. Ik keek hem aan. ‘Sorry,’ zei hij. ‘Je kunt zelf drinken.’ Ik lachte en nam een slok. Het hielp iets. Ik stond achter het gordijn aan de zijkant. Op het podium speelde een band waarvan de leden elkaar bij elk refrein enthousiast aankeken. Ze waren zeker tien jaar ouder dan wij. Eén van hen droeg een bril die langzaam van zijn neus schoof. Hij duwde hem steeds terug zonder de maat kwijt te raken. De zaal was voller dan bij de doorloop. Er stonden mensen bij de bar, mensen tegen de muren en mensen midden in de looproute die nooit van plan leken om door te lopen. Ik had mijn ouders gezien. Mijn vader had me met zijn hele arm toegewuifd. Mijn moeder had alleen haar hand opgestoken, alsof ze rekening wilde houden met een onbekende hoeveelheid spanning in mijn lichaam. Lou was in de namiddag even geweest. Hij had met oorkappen op naar het drumstel gekeken en gevraagd of Mo alles zelf kon raken. Mo had hem één stok gegeven en hem op een trommel laten slaan. Daarna had Lou zijn eigen schrik ontkend. Erik had hem voor het avondeten meegenomen. Sofie had hen bij de deur uitgezwaaid en was teruggekomen met een vergeten kinderhandschoen in haar achterzak, hoewel het daar allang te warm voor was. Nu stond ze naast me. Ze tikte met twee vingers op de hals van haar bas, een beweging zonder geluid. Ik vroeg of ze zenuwachtig was. ‘Ja,’ zei ze. ‘Jij?’ ‘Ik ben aan het overwegen of ik nog naar het toilet moet.’ ‘Dat is geen antwoord.’ ‘Dat is mijn antwoord.’ Ze glimlachte en keek het podium op. De band was aan de laatste maat bezig. Het applaus begon al voor de laatste toon, een beetje onhandig en daardoor prettig. Meryem stak achter het gordijn drie vingers op, wees naar ons en vervolgens naar het podium. Mo liep als eerste. Hij had zijn stokken in zijn achterzak. Bas volgde met zijn gitaar tegen zijn buik. Sofie liet mij voorgaan. Ik bleef even bij de rand staan om het trapje goed te zien. Daarna zat ik op mijn stoel, op de plek van de gele tape. Het licht maakte de mensen verderop onscherp. Ik zag vooraan een paar gezichten, daarachter vooral hoofden die bewogen. Mijn keyboard had een kleine kras bij de volumeknop. Ik legde mijn vingers ernaast en keek naar Bas. Hij stak zijn duim op. Mo tikte zacht op de rand van zijn trommel. Sofie draaide haar hoofd naar mij. Meryem noemde onze naam. Er klonk een geluid uit de zaal dat groter was dan ik had verwacht. Iemand riep iets wat ik niet verstond. Ik glimlachte te breed en schoof de microfoon iets naar me toe. ‘Wij zijn Bijna Thuis,’ zei ik. ‘Dat is nog steeds de naam. Dank je, René, dat we weer mogen.’ Meer had ik niet voorbereid. Dat bleek genoeg om te kunnen beginnen. Vier hoog begon met mijn akkoorden. Ik had het thuis zo vaak gedaan dat mijn handen het konden terwijl ik mijn hoofd ergens anders voor gebruikte. Dat was nu niet helemaal een voordeel. Ik dacht aan de zaal, aan het licht, aan het feit dat mijn broek bij mijn knie trok. De eerste woorden kwamen eerder dan mijn aandacht. Bij de tweede zin hoorde ik dat ik de oude hoge melodie wilde pakken. Mijn stem spande aan. Ik keek naar de toetsen en zong de volgende regel lager, waar we hem hadden geoefend. Sofie kwam erbij. Haar stem gaf me iets buiten mezelf om naar te luisteren. Het refrein werd breder. Mo speelde duidelijker dan in de repetitie, zonder harder te worden dan nodig was. Bas liet een akkoord trillen. Ik zag iemand vooraan zijn hoofd bewegen op de maat. Het was een vrouw die ik niet kende. Ze hield een glas water met twee handen vast. Ik vergat een woord. Het was geen belangrijk woord, maar in de ruimte die het achterliet dacht ik een ogenblik dat iedereen moest stoppen. Sofie zong door. Ik viel een tel later weer in. Niemand in de zaal leek erdoor te zijn getroffen. Tegen het einde durfde ik op te kijken. René stond bij de zijkant, naast Meryem. Hij had een papier in zijn handen dat hij kennelijk niet had weggelegd. Hij glimlachte niet de hele tijd. Hij luisterde. Dat vond ik veel fijner dan ik had verwacht. Het laatste akkoord viel gelijk. Er volgde applaus. Ik ademde uit alsof ik tot dan toe iets onder water had gedaan. Bas begon de gitaar voor De laatste bus te stemmen. Het was maar een kleine aanpassing, maar hij luisterde zorgvuldig. Ik pakte mijn fles water. De dop zat vaster dan daarnet. Ik probeerde hem twee keer en legde de fles terug. Sofie boog naar me toe. ‘Gaat goed.’ ‘Ja?’ Ze knikte. ‘Adem ook even tussen de nummers.’ Mo tikte het begin aan. De laatste bus moest zacht bewegen. Ik begon te vroeg. Bas kwam mee, Sofie wachtte de goede tel af en ineens waren er twee plekken waar de maat leek te zitten. Ik keek om naar Mo. Hij hield zijn ritme, maar zijn wenkbrauwen gingen omhoog. Bas stopte één akkoord, zette opnieuw in en kwam naast Sofie terecht. Ik liet mijn handen even rusten. Mijn stem liep nog een halve zin door. Daarna luisterde ik en vond de plek terug. Het duurde misschien vijf seconden. In mijn hoofd had ik tijd om de hele avond af te schaffen. Toen hoorde ik Sofies lage noot weer op de juiste plaats vallen en ging de muziek verder. Bij het tweede refrein zongen we samen. Haar stem lag zo dicht bij de mijne dat ik soms niet wist welke van ons ik hoorde. Ik hield de laatste klank langer vast, zoals we hadden afgesproken. Mo maakte een kleine beweging over de trommels en kwam terug op het zachte ritme. Bas speelde de korte reeks tonen die vroeger een veel langere solo was geweest. Iemand achterin liet een glas vallen. Er werd gelachen. Ik bleef zingen. Het glas hoorde bij de zaal, niet bij het lied, en toch kon het er allebei zijn. Toen we klaar waren, keek Bas naar Mo en trok een verontschuldigend gezicht. Mo haalde één schouder op. Het was opgelost. We hoefden niet midden op het podium uit te zoeken wie er als eerste een fout had gemaakt. Ik schoof mijn stoel een paar centimeter naar achteren. Voor Halve maat zat ik liever iets verder van het keyboard. Mijn knie stootte tegen de standaard. Er gebeurde niets. Ik liet mijn handen in mijn schoot vallen. ‘Dit laatste hebben we pas afgemaakt,’ zei ik. ‘Het begon heel lang geleden. Het heet Halve maat.’ Ik keek naar Sofie, daarna naar Bas en Mo. Bas zette de eerste tonen in. Ze klonken helder, bijna alleen. Sofie liet haar twee lage noten antwoorden. Mo kwam erin op de plek die ik inmiddels kon voelen zonder hem te hoeven tellen. Ik wachtte. De neiging om iets te doen was sterk; er stonden mensen voor ons en ik zat zichtbaar achter een instrument. Toch liet ik Bas nog een keer de reeks spelen voordat ik mijn toets indrukte. De hoge toon bleef hangen. Sofie ging naar de verandering die ze had meegenomen. Het maakte de hele ruimte achter de melodie anders. Ik begon te zingen zonder woorden. Dat had ik vroeger alleen gedurfd als voorbereiding op een echte tekst. Nu kon ik nergens uitleg in stoppen. Er was een klank, en daarna een volgende. De tweede brak een beetje, zoals bij Carla. Ik liet hem doorgaan. Bas keek naar mij. Hij speelde zachter. Ik dacht even dat hij vond dat ik te weinig volume had, toen begreep ik dat hij gewoon ruimte maakte. Mo nam zijn stok van het bekken en speelde alleen op de trommel. Sofie bleef op haar toon, vast en rustig. Ik hoorde mijn eigen stem in de kast voor mijn voeten en verder weg uit de zaal. De twee kwamen niet precies tegelijk terug. Ik kon ze niet allebei controleren. Ik koos de stem die het dichtst bij me was. In de open passage keek ik naar Sofies hand. Ze had haar ogen op haar bas. Ze wachtte langer dan bij de doorloop. Ik dacht dat ze het teken misschien vergeten was. Mijn vingers wilden alvast naar het beginakkoord. Toen tilde ze haar hand op. Een kleine beweging. Ze keek naar Mo en liet haar hand op de snaren vallen. We kwamen samen terug. Er gebeurde niets groots in de zaal. Niemand stond ineens op. Er kwam geen geluid dat bevestigde dat dit belangrijk was. Maar Bas glimlachte naar Sofie en Mo zette het ritme steviger neer. Ik zong de melodie nog een keer, nu met een andere laatste toon, en hoorde dat die erbij paste. Het einde kwam dichterbij. Ik wist dat omdat ik de anderen hoorde, niet omdat ik naar het papier keek. Sofie maakte haar verandering. Bas liet zijn laatste akkoord los en Mo hield zijn stok boven de trommel zonder hem nog neer te laten komen. We stopten. De gitaartoon bleef even achter. Ik liet mijn handen op mijn benen liggen tot ik hem niet meer hoorde. Toen kwam het applaus. Het was warm en rommelig en veel. Ik keek de zaal in en vond mijn moeder. Ze had haar handen voor haar gezicht, niet huilend, gewoon klappend op een manier die ik van haar kende. Mijn vader stond naast haar met zijn mond open. Hij riep vermoedelijk iets. Deze keer hoefde ik niet te weten wat. Sofie boog naar voren. Bas deed een overdreven hoffelijke buiging naar haar en struikelde bijna over zijn kabel. Ik lachte in de microfoon. Het klonk harder dan mijn laatste noot. René kwam naar de rand van het podium. Hij legde zijn hand op het hout en keek eerst naar Mo, daarna naar ons allemaal. ‘Dat laatste,’ zei hij, maar het applaus maakte de rest onhoorbaar. Ik boog naar hem toe. ‘Wat?’ ‘Dat laatste kende ik nog niet.’ ‘Wij ook bijna niet,’ zei ik. Hij lachte en stapte achteruit zodat we langs hem konden. Meryem wees naar de vrije kant van het podium. De volgende band stond al klaar. We hadden onze minuten gehad. Ik trok de stekker uit mijn keyboard en hielp Bas de standaard opzijzetten. Mijn handen trilden nu pas echt. Er liep een jongen langs me met een gitaar, zijn schouders hoog, zijn mond dun van concentratie. Hij keek naar het podium alsof het iets van hem kon afpakken. ‘Veel plezier,’ zei ik. Hij knikte zonder me goed te zien. Ik ging voor hem aan de kant. Hoofdstuk 13 — Na de laatste kabel In de opslagruimte sloeg Mo zijn armen om Bas heen. Bas hield zijn gitaar nog vast en er kwam een kort, boos geluid uit. Ze lieten elkaar lachend los. Sofie zette haar bas tegen de muur en ging op een kist zitten. ‘Die bus,’ zei ze. ‘Ja,’ zei ik. ‘Die vertrok van twee perrons.’ ‘We kwamen er nog in,’ zei Bas. Ik voelde hoe graag ik wilde uitleggen waarom ik te vroeg was begonnen. Ik had de tel anders gehoord, ik had naar de zaal gekeken, de monitor klonk vreemd. Allemaal waar genoeg. Niemand vroeg ernaar. Ik ging naast Sofie op de kist zitten. Mo pakte vier bekers water. Er was geen dienblad en hij hield ze onhandig tussen zijn vingers. Ik nam er twee over. Eén liep over mijn hand. Het water was lauw. Ik dronk mijn beker in één keer leeg. ‘Ik wil dit nog een keer,’ zei ik. De woorden kwamen eruit voordat ik had bedacht hoe groot ze klonken. Sofie keek naar me. ‘Vanavond?’ ‘Nee.’ ‘Mooi. Dan laat ik eerst dit optreden even bezinken.’ Ik lachte en liet mijn schouders zakken. Achter de muur begon de volgende band. De bas trilde door de kist waar we op zaten. Mo tikte mee met zijn vingers op zijn been. Bas luisterde en zei dat de gitarist goed was. We bleven een paar minuten zitten. Ik dacht aan de open passage in Halve maat, aan hoe lang Sofie had gewacht. Ik vroeg waarom ze later terugkwam dan tijdens de doorloop. ‘Omdat het mooi was,’ zei ze. ‘O.’ ‘Ik dacht dat het nog even kon.’ Ik knikte. Mo had het gemerkt, zei hij. Hij was bijna begonnen, had haar hand gezien en gewacht. Bas zei dat hij vooral blij was dat hij de juiste toon nog wist. We hadden hetzelfde stuk gespeeld en verschillende dingen beleefd. Ik vond het prettig om dat te horen zonder er één verhaal van te hoeven maken. Mijn ouders kwamen de gang in. Mijn moeder kuste me op mijn wang en zei dat ze mijn stem goed had kunnen verstaan. ‘Bij het laatste was dat makkelijker,’ zei mijn vader. ‘Daar zat geen tekst in, pap.’ ‘Precies.’ Hij lachte om zijn eigen grap. Mijn moeder gaf hem een kleine duw met haar elleboog. Daarna keek hij me recht aan en zei dat hij het prachtig had gevonden. Hij deed dat zonder zijn stem te veranderen. Ik geloofde hem daardoor meteen. Ze praatten met Sofie over Lou en met Mo over zijn vader. Bas werd gevraagd naar zijn werk. Hij vertelde dat hij software testte en legde vervolgens uit wat dat betekende. Mijn vader stelde zoveel vragen dat Bas een voorbeeld met een verkeerd werkende thermostaat verzon. Ik wist niet zeker of zijn werk daar iets mee te maken had, maar iedereen leek tevreden. Mijn moeder vroeg of ze mijn keyboard mee naar huis moesten nemen. ‘Het gaat naar mij,’ zei ik. Ze keek even verrast en knikte toen. ‘Ja. Natuurlijk.’ Ik had het niet nadrukkelijk bedoeld. Het was gewoon waar de hoes inmiddels hoorde. In de zaal vertelde iemand een verhaal over René en een kamp waar een tent was weggewaaid. Aan het lachen te horen kende een groot deel van het publiek het al. René stond met één hand voor zijn ogen. Meryem had de microfoon en hield de verteller binnen de tijd door steeds een halve stap dichterbij te komen. Ik zocht een plek achterin. Sofie kwam naast me staan. Bas ging drinken halen. Mo was even buiten aan het bellen. Hij kwam terug terwijl de verteller met veel gebaren uitlegde hoe René in zijn sokken achter de tent aan was gegaan. ‘Alles goed?’ vroeg ik zacht. Mo knikte. ‘Mijn vader wil weten of de drummer nog steeds te hard speelt.’ ‘Wat heb je gezegd?’ ‘Dat ik op een gegeven moment ben weggegaan omdat het niet uit te houden was.’ Ik proestte in mijn beker. Sofie keek naar ons en schudde haar hoofd, maar bleef glimlachen. René kreeg het woord. Hij keek naar het papier dat hij al de hele avond bij zich had en vouwde het dicht. Ik vreesde even een lange toespraak die helemaal uit het hoofd moest. Hij hield het kort. Hij bedankte de mensen met wie hij had gewerkt, de ouders die hadden gereden en de jongeren die soms minder belangstelling voor zijn advies hadden gehad dan goed voor hem was geweest. Daarna vroeg hij iedereen ook een beetje aardig voor Meryem te zijn. ‘Dat bepaal ik zelf wel,’ zei zij naast hem. Er werd gelachen. René knikte alsof dat precies het juiste antwoord was. Hij gaf haar de microfoon en stapte van het podium. Er begon alweer iemand stoelen te verplaatsen voor de volgende act. Zijn afscheid kreeg geen leegte om zich heen. Er waren te veel mensen die iets wilden laten horen. Ik keek op mijn horloge. Kwart over tien. Ik had mezelf beloofd om halfelf naar mijn auto te gaan. De belofte voelde nu onredelijk. Ik wilde nog horen wie er kwam, nog iets zeggen tegen iemand die ik net had herkend, nog blijven op de plek waar ik acht weken naartoe had gewerkt. Sofie zag me kijken. ‘Ga maar inpakken,’ zei ze. ‘We helpen.’ ‘Er komt zo nog—’ ‘Ik weet het.’ Ze zette haar lege beker neer. Ik had om hulp gevraagd noch een reden gegeven. Iedereen wist de reden al. In de opslag pakten we de spullen die we eerder van het podium hadden gehaald. Bas trok de poten van mijn statief in. Mo hield de hoes open terwijl ik het keyboard erin liet zakken. Ik controleerde drie keer of de voeding erin zat. Dat was geen nieuwe zenuw; dat had ik altijd gedaan. Sofie vond een kabel onder de kist. ‘Is die van jou?’ Ik bekeek het stuk rode tape bij de stekker. Dat had ik er als tiener omheen gewikkeld. Er zat nog een klein stukje van mijn naam op. ‘Ja.’ Ze rolde hem op en gaf hem aan me. Daarna droegen we alles naar de auto. Buiten was de lucht koeler geworden. De geluiden uit de zaal kwamen met ons mee en werden zachter toen de deur dichtviel. René kwam naar buiten voordat ik de achterklep sloot. Hij had gezien dat ik weg moest en wilde me nog even spreken. De anderen bleven bij de auto staan. Er hoefde geen afzonderlijk moment van gemaakt te worden. ‘Ik ben blij dat jullie gekomen zijn,’ zei hij. ‘Wij ook,’ zei Bas. René keek naar mijn keyboardhoes. ‘Speel je thuis ook weer?’ ‘Ja.’ ‘Mooi.’ Hij vroeg niet of er een nieuwe band kwam, of we vaker gingen optreden of wie de nummers schreef. Ik was hem daar dankbaar voor. Toen vroeg ik wanneer hij verhuisde. Volgende week, zei hij. De dozen stonden bij hem in de gang en zijn partner vond dat hij te veel koffiemokken bezat. ‘Dat is waarschijnlijk waar,’ zei Mo. ‘Ik heb vandaag nog twee nieuwe gekregen.’ We lachten. René sloeg zijn armen om ons heen, één voor één. Bij Sofie bleef hij iets langer staan. Ik hoorde niet wat hij zei en probeerde het niet te horen. Mo gaf me een tik op mijn schouder. Bas zei dat ik morgen koffie nodig zou hebben. Sofie stak haar hand op toen ik in de auto zat. Ze gingen met René terug naar binnen. Ik bleef even wachten tot ze door de deur waren. Daarna startte ik. Thuis zette ik het keyboard tegen de muur. Ik trok mijn schoenen uit en keek op mijn telefoon. Er stonden foto's in de groep, een korte opname van Mo en een bericht van Daan: avond loopt prima, succes morgen. Ik luisterde niet naar de opname. Ik legde mijn kleren voor de vroege dienst klaar en zette de wekker. Toen ik in bed lag, hoorde ik de muziek nog, maar zonder vaste volgorde. Mijn lichaam was moe en wilde blijven bewegen. Het duurde langer dan ik hoopte voordat ik sliep. Om vijf uur ging de wekker. Ik vond onze hele reünie ongeveer twintig seconden een onverantwoord idee. Daarna stond ik op. In De Brug rook het naar brood dat nog in de oven zat. De medewerker die de keuken opende, wees op de koffiemachine. Ik vulde een mok en liep naar de zaal. Daan had het dossier voor het ontbijt klaargelegd. Er lag een briefje bovenop: Vier tafels links houden voor de kinderen. Ik schoof twee stoelen opzij en zette de eerste kan water neer. Mijn stem klonk laag toen ik een collega goedemorgen wenste. Er was niemand die naar het optreden vroeg, omdat niemand ervan wist. Dat vond ik even jammer. Daarna begon de eerste bus met gasten voor te rijden en moest de deur open. Hoofdstuk 14 — Over zes weken De afspraak kwam zes weken later tot stand. Dat was geen romantische keuze. Sofie had twee familieverjaardagen, Bas speelde met zijn andere band en Mo kreeg een ander rooster in de bioscoop. Ik moest twee zaterdagen werken. We zetten allemaal onze beschikbare ochtenden in de groep en vonden er één die voor vier mensen paste. Voordat het zover was, ging ik twee keer naar Carla. De eerste keer wilde ik de opname van het optreden laten horen. Ze luisterde een stukje en vroeg toen wat ik zelf wilde zingen. Ik had geen antwoord voorbereid. We probeerden een melodie die ik in de auto had bedacht. Er zaten nog geen woorden aan vast. Ze vond dat geen probleem. Thuis kwam het keyboard op de plaats van een smalle tafel waar vooral ongeopende post op lag. De post verhuisde naar een mand. Dat was geen oplossing voor de post, maar wel voor het keyboard. Ik speelde soms tien minuten voordat ik naar mijn werk ging. Soms kwam ik er dagen niet aan toe. Een buurvrouw vroeg in het trappenhuis of ik weer les gaf. Ik zei dat ik zelf oefende. Ze knikte en vertelde dat ze op dinsdagavond online vergaderde. We spraken af dat ik dan mijn koptelefoon gebruikte. Verder vond ze het best gezellig klinken, zei ze. Ik wist niet of dat waar was en hoefde er niet achteraan. Helma vroeg me in die weken of ik vaker de late diensten wilde coördineren. Een collega ging minder werken. Er zat meer verantwoordelijkheid bij, en de mogelijkheid om later door te groeien. Ik voelde onmiddellijk hoe prettig het was om gevraagd te worden. Ik zei dat ik erover na wilde denken. Dat klonk voor haar blijkbaar minder vreemd dan voor mijzelf. Ze mailde de taken en vroeg me de week erop terug te komen. Ik las de lijst aan mijn keukentafel. Ik kon bijna alles. Dat had lang genoeg als reden gevoeld om iets te doen. Er stonden ook veel avonden in waarop iemand bereikbaar moest zijn. Ik tekende de uren in mijn agenda en zag hoe weinig ruimte er overbleef als ik alle witte stukken alvast als beschikbaar beschouwde. Ik vertelde Helma dat ik mijn eigen projecten graag bleef doen, maar het pakket van extra avonden niet wilde overnemen. Ze vroeg of het om het geld ging. Ik zei dat ik vooral een rooster wilde waar ik andere dingen omheen kon afspreken. ‘Dan past die functie nu niet,’ zei ze. ‘Nee.’ Ze knikte en schreef iets op. Ik voelde nog een paar dagen de behoefte om uit te leggen dat ik wel ambitie had. Ik deed het niet. Op vrijdag kreeg ik een ingewikkeld evenement toegewezen met drie zalen en twee programma's die tegelijk begonnen. Er was kennelijk nog genoeg werk voor iemand die niet altijd kon. Tess vroeg hoe het optreden was geweest. Ik liet haar een kort filmpje zien tijdens de lunch. Ze keek naar mijn gezicht op het scherm en daarna naar mij. ‘Je kijkt anders,’ zei ze. ‘Beter?’ ‘Geconcentreerd op iets wat ik niet begrijp. Dat is grappig.’ Ik vroeg hoe de voorstelling met haar broer was geweest. Ze vertelde het, inclusief het restaurant waar ze daarna te lang op hun eten hadden gewacht. Ik had het die maandag na het optreden moeten vragen. Het kon gelukkig nog steeds. Op de zaterdag die we hadden gevonden, kwam ik tien minuten te vroeg bij De Wissel. Meryem was bezig met een meisje dat haar gitaar niet uit de hoes wilde halen omdat er een sticker op zat waar ze zich inmiddels voor schaamde. Meryem zei dat ze het eerst maar eens moest laten horen. Ik liep door zonder te kijken welke sticker het was. De repetitieruimte rook naar warme apparatuur. Er stond een andere stoel voor het keyboard. Ik verplaatste hem een stukje en zette de hoes op de grond. Mijn statief klikte deze keer meteen open. Bas kwam met koffie. Hij had minder koekjes bij zich dan vroeger, maar genoeg. Sofie volgde met haar bas en een klein bakje druiven dat Lou in haar tas had gestopt. Er zat één half opgegeten exemplaar tussen. ‘Voor de band,’ zei ze. ‘Met persoonlijke aandacht,’ zei Bas. Mo zou om kwart over tien komen. Dat had hij twee dagen eerder gezegd. Niemand vroeg waarom. Ik merkte dat ik toch keek toen het kwart over tien werd. Drie minuten later hoorde ik zijn sleutels in de gang. ‘Er was een vuilniswagen,’ zei hij. ‘Daar hoef je geen verantwoording over af te leggen,’ zei Bas plechtig. Mo gooide een lege koffiebeker naar hem. Bas ving hem niet. Het ding rolde onder de tafel. Sofie viste het met de punt van haar schoen terug en zette het op het blad. We spraken eerst over René. Hij had een foto gestuurd van zijn nieuwe woonkamer, waar inderdaad veel koffiemokken op een plank stonden. Achter het raam was een boom te zien. Er stond geen keyboard in beeld. Mo zei dat dat buiten de foto kon staan. Sofie zei dat dat ook niet hoefde. Bas vertelde over een optreden waar de jarige een halfuur met de microfoon had rondgelopen. Mo liet een foto zien van de nieuwe stoel van zijn vader. Aisha had hem uitgezocht; zijn vader had eerst gezegd dat hij hem niet nodig had en zat er nu voortdurend in. Ik vroeg hoe het met Mo zelf ging. ‘Deze week redelijk,’ zei hij. ‘Volgende week zien we wel.’ Dat was genoeg om te weten hoe ik die ochtend bij hem kon zijn. Ik hoefde er geen toekomst uit af te leiden. We speelden Vier hoog. Er ging meer mis dan bij het optreden. Bas was een overgang vergeten en ik zong een regel uit de oude tekst. Sofie stopte en lachte omdat ze daar vroeger ook al over struikelde. Mo telde opnieuw in. Daarna deden we Halve maat. Het klonk anders nu er geen zaal was die aan het einde zou klappen. We hadden meer tijd in het midden. Misschien te veel. Toen ik voor de derde keer dezelfde melodie zong, legde Bas zijn hand op zijn snaren. ‘Het wordt wel een hele maat nu,’ zei hij. ‘We kunnen inkorten,’ zei ik. Sofie stelde voor om eerst het einde te spelen en dan te kijken of we daar op een andere manier konden komen. Ik pakte mijn potlood. Ze keek ernaar en toen naar mij. ‘Eerst proberen?’ vroeg ze. Ik legde het neer. We kwamen niet meteen ergens uit. Het ene idee was saai, het volgende te druk. Mo zei dat hij van een bepaald ritme nu al moe werd. Bas vond dat juist een reden om het te bewaren. Sofie hield een noot zo lang aan dat ik moest lachen. Het was geen bewijs dat we weer een band voor altijd waren. Het was twee uur in een ruimte die we hadden gehuurd. Om kwart voor twaalf begonnen we op te ruimen. Ik wilde nog vragen wanneer we weer konden, maar Sofie was me voor. De komende maand zat voor haar vol, zei ze. Over zes weken kon ze waarschijnlijk weer. ‘Voor mij goed,’ zei Mo. Bas moest zijn rooster bekijken. Ik ook. We spraken af binnen een week te reageren. Het was minder opwindend dan zeggen dat we voortaan iedere zaterdag zouden spelen. Ik geloofde er meer van. Toen ik mijn kabel oprolde, hoorde ik Sofie de twee lage noten van Halve maat nog één keer spelen. Ze had haar versterker al bijna uitgezet. Bas antwoordde zonder zijn gitaar opnieuw aan te sluiten; de snaren klonken dun door de ruimte. Ik bleef met de kabel in mijn hand staan. Mo tikte met zijn vingers op de rand van een lege doos. Er zat net genoeg ritme in om de anderen te volgen. Sofie keek naar me. Ik neuriede de melodie, zacht, omdat de microfoon al uit stond. We lieten het stukje uitlopen tot Bas zijn hand op de snaren legde. Daarna trok ik de laatste stekker uit het stopcontact. Sofie sloot haar hoes. Mo hield de deur open en Bas liep met de koffiekan voorop naar de gang. Ik droeg mijn keyboard naar buiten. Er kwam een fiets aan. Ik wachtte even tot die voorbij was en liep toen verder. Op de achterbank van mijn auto maakte ik ruimte naast mijn tas en legde het keyboard neer.