Het gewicht van lege dozen Een novelle Hoofdstuk 1 — De maat van de kast Eva had de linnenkast opgemeten zonder haar jas uit te trekken. Ze zat nu op haar hurken voor de onderste plank, met het metalen lipje van het meetlint onder haar schoen. 'Eenentachtig,' zei ze. 'Dan kan hij dus niet mee.' Ada stond in de deuropening met een kop koffie in elke hand. Op de overloop was geen plaats om ze neer te zetten. Overal lagen handdoeken, in hopen die Eva kennelijk iets vertelden. 'Hij kan uit elkaar.' 'Dat zeg je altijd.' 'Aan de achterkant.' 'Je kijkt ook weleens tegen een achterkant aan, mam.' Ada gaf haar de koffie. Ze wilde zeggen dat zij dat risico wel durfde te nemen, maar Eva hield de kop zo onbeholpen vast, gehinderd door het meetlint om haar vingers, dat ze eerst vroeg of het ging. Het ging. Zoals bijna alles volgens Eva ging wanneer ze net iets te veel tegelijk deed. Beneden sloeg de voordeur dicht. Maarten riep dat hij nog even naar de bouwmarkt reed voor meer dozen. 'We hebben er al dertig,' riep Ada. 'Tweeëndertig,' verbeterde Eva. 'Maar voor de boeken heb je kleine nodig.' Het huis was plotseling iets waarvoor spullen moesten worden ingekocht. Jarenlang was er van alles bij gekomen zonder plan: een pan die toevallig in de aanbieding was, een vergiet dat eigenlijk van haar zus was, lampen die Kees vond op markten waar hij voor zijn fototoestellen heen ging. Nu moest voor het verdwijnen van die voorwerpen een sluitend systeem worden bedacht. Eva legde het meetlint in haar jaszak en trok een handdoek uit de eerste hoop. 'Deze zijn nog goed.' Het was een groene, met een dunne plek in het midden. Ada wist dat hij op Bram had gelegen toen ze hem voor het eerst thuis in bad deden. Ze wist ook dat die herinnering geen praktische reden was om een handdoek te bewaren. 'Neem maar mee als je hem wilt.' 'Ik vroeg of jij hem nog wilde.' 'Ik hoorde je niet vragen.' Eva streek hem glad op haar knie. Het rood van haar nagels was bij de duimen afgesleten. Toen Ada jong was geweest, had haar moeder haar handen ook zo bekeken: op zoek naar een scheur, een afgebroken nagel, iets waar een boterham of een nieuwe handschoen tegen kon helpen. Nu betrapte ze zichzelf erop. Eva had een hypotheek, een dochter en een team op haar werk. Dat kon Ada allemaal moeilijk beoordelen. Een wondje bleef overzichtelijk. 'We moeten een beetje door,' zei Eva. 'Van wie?' Haar dochter keek op. Ada hoorde hoe de vraag had geklonken. 'Ik bedoel: de overdracht is pas over zes weken.' 'En het appartement is nog niet eens geverfd. Je weet hoe snel zes weken voorbij zijn.' Dat wist Ada. Zes weken waren ook lang genoeg om iedere ochtend wakker te worden en een telefoon op te nemen die niet overging. De eerste weken na Kees' dood had ze zijn naam soms op het scherm verwacht, op het tijdstip waarop hij gewoonlijk vroeg of ze brood wilde meenemen. Nu vergat ze af en toe een halve ochtend dat hij dood was. Ze dacht niet dat hij leefde; ze dacht gewoon aan de douchekop of aan een brief die op de post moest. Daarna kwam er een kleine schrik. Alsof ze hem had laten wachten. Ze ging op de bovenste tree zitten. Eva schonk daar geen aandacht aan. Haar dochter had de afgelopen veertien maanden geleerd niet iedere zucht na te vragen. 'Tom heeft gebeld,' zei Ada. 'Voor de tentoonstelling?' 'Of ik woensdag naar De Brug kom.' 'Goed. Bram gaat ook, toch?' 'Dat moest ik nog vragen.' 'Ik vraag het wel.' Eva pakte haar telefoon. Ada dronk haar koffie voordat ze iets kon zeggen wat hun ochtend zou veranderen in een gesprek over wie waarvoor toestemming nodig had. De tentoonstelling was begonnen met zes foto's. Tom wilde in het buurthuis een paar van Kees' beelden laten zien, ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig bestaan van de fotovereniging. Kees was lang voorzitter geweest en had in die jaren eindeloos veel fietsenrekken, paardenlijven en schuine muren besproken. Daarna waren er twaalf foto's bij gekomen en een middag voor leden. Nu heette het Een leven in beelden en moest er iemand iets zeggen. 'Ik hoef toch niet te spreken?' vroeg Ada. Eva keek nog naar haar scherm. 'Een paar woorden. Wie anders?' 'Tom.' 'Ja, Tom ook.' Het licht uit het slaapkamerraam viel over de handdoeken. Ada had het gordijn altijd verkeerd om teruggehangen na het wassen; de zoom zat aan de kant waar Kees het zag wanneer hij zich aankleedde. Hij had er jaren een grap over gemaakt. De laatste keer had ze gezegd dat hij het ook zelf kon doen. Hij was verrast geweest, oprecht. Hij had de hele tijd gedacht dat zij de grap eveneens leuk vond. Eva haalde de onderste lade leeg. Een doos met oude knopen verscheen, een vergeelde envelop met extra gordijnhaakjes en een oranje plastic map. Ada zette haar kop op de tree. 'Die geef je mij maar.' 'Wat is het?' 'Papieren.' 'Van het huis? Die moeten bij de notarisstukken.' 'Andere papieren.' Eva gaf haar de map zonder erin te kijken. Daar was Ada haar dankbaar voor, en ze ergerde zich onmiddellijk aan die dankbaarheid. Ze was vierenzestig en hoefde niet opgelucht te zijn omdat haar dochter niet in een map keek. Het plastic was bij de sluiting ingescheurd. Ze klemde het onder haar arm en liep naar de slaapkamer. In de onderste lade van haar nachtkastje lagen een paar sokken waarvan de maat te groot was. Ze had gedacht dat ze van Bram waren, maar ze bleken van haarzelf, gekocht in een periode waarin haar voeten 's avonds dik waren geweest van het rijden. Ze legde de map eronder en duwde de lade dicht. Uit de map stak een strook wit papier. Bovenaan stond in blauwe letters een straatnaam. Het was een straat waar ze nu soms met opzet niet doorheen fietste, hoewel niemand haar daar kende. Toen ze terugkwam op de overloop zat Eva met een oud kussensloop op schoot. Er stond een rafelige olifant op, door Ada geborduurd toen Eva zes was. 'Deze wil ik wel.' 'Voor Lot?' 'Voor mij.' Ada ging naast haar zitten. De trap was te smal voor hun heupen. Eva schoof een stukje op en morste koffie op haar jas. 'Verdomme.' 'Koud water,' zei Ada. 'Ik weet het.' Ze bleven zitten terwijl de vlek langzaam naar de naad trok. Beneden rinkelde de brievenbus. De bezorger drukte folders door de klep en fietste weg. Ada zag hem niet, maar ze kende zijn gehaaste stappen en de manier waarop zijn standaard op de stoep sloeg. Over zes weken zou hij hier nog steeds komen. Iemand anders zou de aanbiedingen van de vloer rapen en denken dat de klep eens geolied moest worden. 'Je hoeft niet alles nu al weg te doen,' zei Eva. Ada keek naar haar. 'Dat zeg jij?' 'Ik probeer gewoon te helpen.' 'Dat weet ik.' 'Soms lijkt het alsof je alles in één keer kwijt wilt.' Ada streek met een vinger langs de rand van haar kop. Ze wist niet welk antwoord haar dochter zou geruststellen zonder onwaar te zijn. 'Ik wil ergens kunnen zitten zonder dat er werk om me heen ligt.' Eva knikte. Het was een antwoord waarmee ze iets kon. Die middag, toen Maarten de gevulde dozen langs de muur had gezet en Eva naar huis was gereden om Lot op te halen, maakte Ada een broodje kaas. Ze at het staande aan het aanrecht, iets wat Kees onbeschaafd had gevonden. Hij had daar zelf nog weleens chips gegeten, recht uit de zak, maar chips waren volgens hem geen maaltijd. Op het prikbord hing een ansichtkaart van een haventje. Ze hadden hem twintig jaar geleden naar zichzelf gestuurd omdat Eva dat grappig vond. Kees had geschreven: Alles goed hier, behalve het weer. Ada had eronder gezet dat het brood uitstekend was. Ze kon de vakantie bijna niet meer terughalen. Wel wist ze precies aan welke tafel ze de kaart hadden geschreven, en dat ze haar trui niet had kunnen vinden. Ze nam de kaart van het bord. Achter de kaart was het kurk donkerder. Boven trok ze de oranje map uit de lade. Er zaten vier vellen in. Een plattegrond. Een beschrijving van het appartement. Een berekening, door haarzelf gemaakt op de achterkant van een busdienstrooster. En een bevestiging van een bezichtiging. De afspraak was van zeventien maanden geleden. Drie maanden voor Kees overleed, had ze daar in een lege kamer gestaan en aan een makelaar gevraagd of ze een maand de tijd kon krijgen. Ze had het appartement niet genomen. De makelaar had haar later gebeld en toen was Kees al ziek geweest. Er waren dagen geweest waarin hij beter leek. Ze had niet geweten dat ze inmiddels in zijn laatste weken waren beland. Ada haalde de papieren uit de map. Ze legde ze op bed, in de volgorde waarin ze ze had gekregen. Daarna deed ze ze terug. Op het busdienstrooster was naast haar berekening nog een oud telefoonnummer te lezen. Ze had het destijds nooit doorgekrast. Haar leven was op dat vel gewoon naast het andere blijven bestaan. Hoofdstuk 2 — De wenteltrap Het nieuwe appartement lag boven een voormalige drogisterij. Aan de buitenkant zat nog een klok waarop altijd kwart over twee was. De eigenaar had beloofd hem weg te halen voordat Ada de sleutel kreeg. Ze had gezegd dat hij geen haast hoefde te maken. Kwart over twee was een uitstekend tijdstip. Binnen rook het naar verse kit en de citroenzeep van de vorige bewoner. Ada had de woonkamer al drie keer bekeken. Toch verbaasde de afmeting haar steeds opnieuw. In haar oude huis waren meubels op den duur een deel van de ruimte geworden. Hier moest ze uit lege lucht afleiden wat erin paste. Willem stond op de overloop met een gereedschapstas die tegen zijn been sloeg. Hij droeg een trui die bij de ellebogen glom. 'Jij bent Ada.' 'En jij hebt de trap overleefd.' 'Het laatste stuk ging op karakter.' Hij zette de tas neer en streek zijn haar plat. Derya had hem aanbevolen. In het kluscafé waar zij haar broodrooster had laten repareren, had Willem een lade rechtgehangen zonder daar eerst een hele beschouwing over te geven. Dat was volgens Derya een zeldzame kwaliteit. Ada wees naar de muur waar de boekenplanken moesten komen. 'Ik wil ze laag. Zodat ik de bovenste plank ook kan gebruiken.' Willem legde een duimstok uit. 'Hoe laag?' 'Hier.' Hij maakte een potloodstreep op haar hoogte. 'Dat is een meter vijfenveertig.' 'Dat zal dan wel.' Hij keek naar de streep en knikte. Ze had zich voorbereid op een gesprek over wat gebruikelijk was. Hij begon over de pluggen. Terwijl hij de muur bekeek, liep Ada naar het balkon. Er paste een stoel op, misschien twee als je je benen onderling afsprak. Beneden bond een vrouw haar hond los van een fiets. De hond wachtte rustig, de vrouw niet. Ze zocht in twee zakken, hing haar tas over haar schouder, zette hem weer op de bagagedrager en trok tenslotte een sleutel uit haar mouw. Ada kon hier uitkijken zonder zelf bekeken te worden. Het uitzicht bestond uit daken, een binnenplaats en de achterkant van een supermarkt. Ze had aan Eva verteld dat ze van daken hield. Dat klonk waardiger dan dat ze genoeg had van een tuin. Kees was de tuin ingegaan met de bedoeling er vijf minuten iets aan te doen en kwam dan twee uur later binnen. Ada was er altijd direct met een taak in verdwenen. Er moest een kliko terug, iets van de lijn, een bal uit een struik. Wanneer ze ging zitten, zag ze wat er nog moest gebeuren. Kees had gezegd dat ze beter moest leren kijken. 'Is deze schakelaar ergens voor?' vroeg Willem. Ada kwam terug. 'Voor dat stopcontact, geloof ik.' 'Dan zetten we daar de boor maar niet in. Anders moet jij de hele tijd het licht aanhouden.' Hij haalde een verlengsnoer uit zijn tas. Ada vroeg of hij koffie wilde. 'Graag. Als het geen onderneming is.' De waterkoker stond nog in een boodschappentas. Ze had twee mokken meegenomen, een pot koffie en een theelepel. Toen ze de tas uitpakte, bleek het de lange lepel te zijn die ze gebruikten voor augurken. 'Dat wordt zorgvuldig roeren,' zei Willem. Hij nam de mok aan en ging op de vensterbank zitten. Ada bleef staan. 'Waar woon je nu?' Ze noemde de straat. 'Dat huis met die blauwe regen?' 'Ja.' 'Mijn vrouw wilde die ook. We hebben een klimroos genomen. Om de een of andere reden krijg je bij zo'n compromis altijd een derde ding.' Hij dronk. Ada wachtte of hij verderging. 'Ze is zes jaar dood,' zei hij. 'De roos doet het nog. Al heb ik hem vorig jaar bijna afgemaakt.' 'Veertien maanden,' zei Ada. Ze hoefde niet te zeggen wie. Het getal klonk kaal in de kamer. Willem zette zijn mok neer. 'Dan is het nog een heel gedoe.' Hij zei het alsof hij het over de trap had. Ze vond dat prettig. 'Het is vooral veel spul.' 'Ja. Daar zat ik ook mee.' Ada bekeek zijn gezicht. Hij had een kleine inkeping naast zijn mond waar zijn kinbaard niet groeide. Zijn ogen waren lichter dan ze aanvankelijk had gedacht. 'Wat heb je ermee gedaan?' 'Eerst verkeerd.' Ze lachte. Hij ook, al leek hij een moment te overwegen of het wel grappig was geweest. 'Ik heb een doos servies aan mijn dochter gegeven die zij helemaal niet wilde. Ik was beledigd toen ze dat zei. Later heb ik de doos zelf naar de kringloop gebracht.' 'Was het mooi servies?' 'Nee. Dat hielp niet.' Hij schoof van de vensterbank en pakte de duimstok weer. Ada vouwde een stuk karton dubbel om onder de gereedschapstas te leggen. De vloer was nieuw en ze voelde zich daar onverwacht verantwoordelijk voor. In haar oude huis kenden krassen hun plaats. Hier zou iedere beschadiging met haar beginnen. Willem legde uit dat hij één plank wilde ophangen om te zien of de afstand klopte. Ze hoefde niet meteen over alle vier te beslissen. 'Hoeveel boeken heb je?' 'Die van mij of die van het huis?' 'Dat is een ingewikkelde boekenkast.' Ze dacht aan Kees' fotoboeken, zwaar en zo groot dat je er nauwelijks mee in een stoel kon zitten. Zelf las ze romans uit de bibliotheek. Wanneer ze er een kocht, zette Kees hem vaak tijdelijk op een stapel om ruimte te maken. Tijdelijk had bij hem lang kunnen duren. 'Vier planken is genoeg.' Op weg naar huis kocht Ada bij de supermarkt een pak soep en een bos tulpen. Bij de kassa pakte ze uit gewoonte twee zakken pepermunt. Kees had ze overal laten rondslingeren: in zijn cameratas, tussen de autostoelen, in een la bij de batterijen. Ze zette er één terug en hield de andere vast. Toen ze thuis de bloemen in een vaas zette, belde Eva. 'Hoe was die klusman?' 'Hij heet Willem.' 'Dat zegt niets over of hij een beetje zorgvuldig is.' 'Hij heeft de eerste plank opgehangen.' 'Eentje?' 'Om te kijken of de hoogte goed was.' Eva zweeg. Op de achtergrond hoorde Ada Lot vragen waar haar gymtas was. 'Onder de kapstok,' zei Ada. 'Wat?' 'De gymtas. Vorige week lag hij onder de kapstok.' Er klonk gerommel en toen zei Eva: 'Ja. Dank je.' Ze praatten nog even over de vloer in de slaapkamer. Ada had groen uitgezocht voor de muur. Eva wilde weten welk groen. Ze zei dat ze een foto zou sturen, al wist ze niet hoe ze een foto moest maken van een kleur die nog in een blik zat. 'Ik kom zaterdag wel even langs,' zei Eva. 'Dan kijken we samen.' Ada zette de vaas midden op tafel. 'Ik ga hem vrijdag schilderen.' 'O.' 'Het is een mooie kleur.' 'Dat zal vast.' Er was niets onaardigs gezegd. Toch bleef het gesprek nog een tijdje in de keuken hangen nadat Ada had opgehangen. Die avond schoof ze een stoel bij de doos met haar boeken. Ze haalde er de titels uit die ze wilde meenemen, zonder te bedenken of ze ze ooit nog zou lezen. Een boek over tuinieren ging terug. Een dunne atlas mocht mee. Ze had hem gekocht toen ze begon met rijden, omdat ze had gemerkt hoe weinig ze van de plaatsen buiten haar eigen streek wist. Toen ze hem jaren later weer uit de kast haalde, had Kees gezegd dat je tegenwoordig alles op je telefoon kon zien. In de atlas zaten strookjes papier bij steden waar ze nooit was geweest. Ze liet ze zitten. Hoofdstuk 3 — Uit de selectie Tom had een tafel in De Brug bedekt met grijze kartonnen passe-partouts. Hij droeg een leesbril aan een koord, een tweede bril op zijn neus en hij zocht een derde, die hij nodig had voor het scherm. 'Die ligt op je hoofd,' zei Bram. 'O ja. Dat is alvast opgelost.' Ada hing haar jas aan de stoel. Het buurthuis rook naar filterkoffie en de vloerreiniger die ook op het busstation was gebruikt. In het zaaltje ernaast oefende een zanggroep. Ze begonnen steeds opnieuw aan dezelfde regel. Bram schoof een kopje naar haar toe. Hij was rechtstreeks van zijn werk gekomen en had zwarte vegen bij zijn pols, waar zijn mouw niet helemaal overheen viel. 'Fietsketting,' zei hij toen hij haar zag kijken. 'Ik zei niets.' 'Je keek zoals oma vroeger keek.' 'Dat zal mij leren.' Hij glimlachte en drukte zijn duim op de rand van het kopje. Bram kon vriendelijk zijn op een manier die iets afsloot. Dat had hij van Kees, dacht ze, en onmiddellijk vond ze dat onrechtvaardig. Het was ook gewoon Bram. Tom schoof een afdruk naar het midden. 'Hier zou ik mee willen beginnen.' Op de foto stond Ada naast haar bus. Ze droeg het oude donkerblauwe uniform, haar haar zat opgestoken met een klem die te klein was geweest. Achter haar weerspiegelde het rode achterlicht van een andere bus in de deur. Ze keek langs de fotograaf heen. 'Mooi,' zei Bram. Ada herkende de ochtend. Ze had een vroege dienst gereden, daarna had een collega zich ziek gemeld en was haar gevraagd nog twee ritten over te nemen. Kees stond haar bij de remise op te wachten. Ze hadden samen naar een markt gewild. Hij had drie kwartier gewacht en was daar boos over, hoewel ze hem had gebeld. Op de foto zag je een vrouw die ergens naar uitkeek. 'Een krachtig beeld,' zei Tom. 'Je ziet het contact.' 'Ik keek naar de bus achter hem. Die moest eruit.' Tom boog zich over de foto. 'Dat doet er niet toe. Het beeld vertelt zijn eigen verhaal.' Bram keek naar Ada, kort. Hij hoorde de rest van haar antwoord, ook als zij het niet uitsprak. Tom pakte een volgende foto: een mistig voetbalveld met een scheef doel. Ada wist dat Kees daar een prijs mee had gewonnen. Ze hadden het hele huishouden om die mist heen gepland, een herfst lang. Op sommige ochtenden was hij teruggekomen met koude handen en een humeur waar geen koffie tegen hielp. Op andere had hij zijn camera bijna op de keukentafel laten vallen om haar te kunnen omhelzen. Ze herinnerde zich hoe hij dan rook, naar natte wol en buitenlucht. Dat was een herinnering die nergens om vroeg. 'Deze moet er zeker in,' zei ze. 'Dat dachten wij ook,' zei Tom. Het meervoud stoorde haar. Kees was langer lid geweest van die vereniging dan zij bevriend was met de meeste mensen in haar eigen leven. Ze wist dat Tom recht had op zijn verdriet. Toch voelde het soms alsof de leden onderling hadden besloten wat voor man er was overleden en haar nu uitnodigden dat te bevestigen. Ze bekeken het voetbalveld, drie portretten, een serie bomen waarvan Ada de verschillen niet kon onthouden en een foto van Bram als jongetje. Hij zat onder de tuintafel met een boterham, zijn knieën opgetrokken. 'Die liever niet,' zei Bram. 'Omdat je erop staat?' vroeg Tom. 'Omdat ik niet onder die tafel wilde worden gefotografeerd.' Tom keek op. Bram draaide het kopje aan het oortje. 'Ik had ruzie. Ik weet niet eens meer waarover. Maar ik weet nog dat ik daar wilde zitten zonder dat iemand me zag.' 'Dat maakt hem juist ontroerend.' 'Voor jou misschien.' Er viel een stilte waarin de zanggroep er eindelijk in slaagde de regel uit te zingen. Ada legde de foto opzij. 'We hebben er genoeg, Tom.' 'Natuurlijk. Het is ook jullie keuze.' Hij zei het correct, maar zijn mond trok scheef. Ada had de neiging hem gerust te stellen. Bram drukte met zijn knie tegen de hare, onder de tafel. Ze wist niet of het bewust was. Ze gingen verder. Bij een landschapsfoto lachten ze om Kees' hardnekkige gewoonte een paaltje net buiten beeld te houden, ook als hij daarvoor in een sloot moest staan. Tom vertelde hoe hij hem eens aan zijn jas omhoog had getrokken. Bram zei dat zijn vader nog steeds had moeten wachten tot iemand een foto van dat hele tafereel had gemaakt. Zo kon het ook, dacht Ada. Je kon om iemand lachen zonder zijn laatste maanden erbij te halen. Na een uur lagen er achttien foto's op de tafel. Tom toonde op de computer een voorlopige uitnodiging. Onder Kees' naam stond een tekst waarin zijn aandacht, zijn geduld en zijn liefde voor het gewone werden genoemd. 'Aandacht,' las Bram. Ada hoorde het, maar Tom niet. Hij zocht een bestand. 'En hier zou dan een persoonlijk stukje van jou komen,' zei Tom. 'Een herinnering. Iets wat wij niet kennen.' Ada keek naar het witte vlak onder de tekst. 'Hoe lang?' 'Een paar honderd woorden. Het hoeft niet lang. Over jullie leven. Wat fotografie voor hem betekende, en voor jullie.' 'Voor hem betekende het meer.' Tom draaide zich om. 'Dat is juist een mooi begin.' Ze wist niet wat ze daarop moest zeggen. Op de parkeerplaats bleef Bram bij haar fiets staan. Er zat een scheur in het handvat. Hij draaide het voorzichtig. 'Dat vervang ik even als ik kom verhuizen.' 'Het zit al jaren zo.' 'Dat geloof ik direct.' Hij zette de fiets iets rechter in het rek. 'Je hoeft dat stukje niet te schrijven.' 'Het zijn maar een paar honderd woorden.' 'Dat is niet de hoeveelheid waar ik het over heb.' Ada stak de sleutel in het slot. Hij ging niet om. Ze had de verkeerde, die van het appartement. 'Tom doet zijn best,' zei ze. 'Weet ik.' 'Hij mist je vader.' 'Ik ook.' Ze keek op. Bram stond met zijn handen in zijn jaszakken, zijn schouders een beetje naar voren. Het was dezelfde houding als op de foto onder de tafel. 'Ik weet dat jij hem ook mist.' 'Soms lijkt het alsof dat alleen telt als ik alles mooi vind.' Ada schoof de juiste sleutel in het slot en liet hem zitten. 'Wat vond je van die foto bij de bus?' 'Mooi. Dat vond ik echt.' 'Je vader was die ochtend kwaad op me.' Bram knikte, alsof ze een tijdstip had genoemd. 'Dat kan toch?' Ze wilde zeggen dat het ingewikkelder lag. Dat hij kwaad was geweest, dat zij zich schuldig had gevoeld omdat ze collega's niet had willen laten zitten, dat er daarna een goede middag was gekomen waarin hij een wollen muts kocht die hij jaren had gedragen. Maar Bram wachtte niet op zo'n afweging. Hij keek naar de klok boven de ingang en zei dat hij zijn trein moest halen. Ada fietste naar huis met de afdruk van haarzelf in haar tas. Bij een verkeerslicht keek een jongen op een brommer haar ongeduldig aan. Ze stond te ver naar links. Ze schoof op, verontschuldigde zich en werd daarna boos omdat ze zich had verontschuldigd. Thuis zette ze de foto tegen de suikerpot. Ze was negenendertig op dat beeld. De bus had een koppeling gehad die te zwaar was en een radio die alleen werkte als het droog was. Ze kon zich de beweging van het stuur nog herinneren, het kleine tegensputteren wanneer ze bij de remise scherp afsloeg. Die vrouw had een vroege dienst achter de rug. Ze wist waar de bus achter de fotograaf naartoe moest. Ada bleef een tijdje naar haar kijken en haalde toen de aardappelen uit de kast. Hoofdstuk 4 — Een ronde door de wijk Derya kwam op vrijdag helpen schilderen met een tas broodjes en een radiotoestel dat ze op haar werk uit een afvalcontainer had gehaald. 'Iemand had de stekker afgeknipt,' zei ze. 'Meer was er niet mee.' 'Dat lijkt me toch vervelend.' 'Willem heeft er een nieuwe aan gezet.' Ze zei zijn naam achteloos en keek daarbij iets te nadrukkelijk naar het blik verf. 'Hij heeft vier planken opgehangen,' zei Ada. 'Al vier? Het gaat hard.' Ada hield het blik vast terwijl Derya het deksel losmaakte met een schroevendraaier. Het groen zag er donkerder uit dan op het kaartje. Ze had even het onaangename gevoel dat er nu alsnog iemand moest worden geraadpleegd. 'Mooi,' zei Derya. 'Welke muur?' Ze werkten de hele ochtend. Derya deed de randen en neuriede met de radio mee, soms een andere melodie dan die er te horen was. Ada rolde de grote vlakken. Het zachte geluid van de roller gaf haar na een tijdje een kalmte die ze niet had verwacht. Er gebeurde iets omdat ze haar arm bewoog. Niemand kon daar een andere herinnering aan overhouden. Bij het eten zaten ze op de vloer. Derya vertelde over een nieuwe leidinggevende die erop stond dat collega's elkaar feedback gaven. 'Ik heb gevraagd of hij dan voor mij wilde terugkoppelen dat de verwarming in de pauzeruimte het nog steeds niet doet.' 'En?' 'Daar was het overleg niet voor.' Ada lachte zo hard dat een stukje sla uit haar broodje viel. Ze hadden elf jaar samen gereden, hoewel samen in de praktijk betekende dat ze elkaar bij de remise tegenkwamen of achter een ruit zagen zitten. Hun gesprekken waren ontstaan in onderbrekingen. Vijf minuten bij een koffieautomaat, acht minuten bij een eindpunt. Derya wist daardoor sommige dingen heel goed en andere nauwelijks. 'Je bent dunner,' zei ze. 'Ik kook anders.' 'Dat vroeg ik niet.' 'Ik ook niet.' Derya wees met haar broodje. 'Je mag best voor jezelf een behoorlijke pan maken. De vriezer is geen persoonlijk falen.' Ada beloofde niets. Ze had laatst een bloemkool gekocht en vier dagen gegeten alsof ze door die aankoop een verplichting was aangegaan. Toen de tweede laag erop zat, liep Derya de kamer rond. 'Dit wordt goed.' Ada knikte. Ze keek naar de muur, die nog glom. Het was haar kleur, en als hij morgen lelijk bleek, zou het ook haar lelijke kleur zijn. Derya haalde haar telefoon uit haar tas. 'Mag ik je iets vragen? De buurtvereniging zoekt mensen voor hun wagen. Boodschappenritten, soms iemand naar een afspraak. Geen vaste diensten als je dat niet wilt.' 'Ik ben net gestopt.' 'Twee jaar geleden.' 'Dat noem ik net.' 'Je was er goed in.' Ada keek naar haar handen. Er zat groen op haar nagels. Bij haar afscheid had ze een miniatuurbus gekregen en een boek waarin collega's iets hadden geschreven. Kees was mee geweest. Hij had foto's gemaakt, waarvoor ze hem dankbaar was geweest, en daarna thuis gevraagd of ze het niet prettig vond nu eindelijk zelf haar dagen te kunnen indelen. Ze had dat een redelijke vraag gevonden. Ze had er ja op gezegd. De eerste maanden had ze vooral allerlei afspraken ingehaald. De tandarts, de ramen, een kennis die al lang wilde afspreken. Daarna was Kees ziek geworden. Ze had nooit ontdekt wat voor iemand ze op een gewone dinsdag wilde zijn. 'Ik kan eens kijken,' zei ze. 'Dat is precies genoeg.' Een week later zat Ada naast de coördinator van de buurtwagen. Hij heette Pieter, had een bril waarvan de glazen te klein leken voor zijn ogen en wees voortdurend naar plekken waar Ada al naartoe keek. 'Bij die bocht moet je even opletten.' 'Ja.' 'Hij komt aan de achterkant wat uit.' 'Ja.' Ze had in haar werk bussen gereden die twee keer zo lang waren. Toch had ze die ochtend slecht geslapen. Het was vreemd hoeveel verschil het maakte of je ergens betaald werd verwacht of zelf had aangegeven dat je misschien iets kon bijdragen. Ze parkeerden bij een seniorenflat. Een vrouw met een rode rollator stond achter het glas en keek verwijtend op haar horloge. 'Mevrouw Vos,' zei Pieter. 'Zij is altijd vroeg.' 'Jullie zijn laat,' zei mevrouw Vos toen ze instapte. Pieter begon aan een uitleg. Ada zette de rollator vast en vroeg waar mevrouw Vos boodschappen wilde doen. 'Waar de thee in de aanbieding is.' 'Dan hoop ik dat u de winkel weet.' Mevrouw Vos keek haar een moment aan en lachte kort. Er kwamen nog twee mensen bij: een man die een lege boodschappentas onder zijn arm hield alsof die iets breekbaars bevatte en een vrouw die haar geld bij het instappen alvast wilde pakken. Pieter legde uit dat ze vandaag alleen de route en de werkwijze doornamen. Ada luisterde half. Ze keek in de spiegel, wachtte op een fietser en reed weg. Bij het zebrapad stak een jongen over zonder op te kijken van zijn telefoon. Ada had hem al gezien voordat Pieter zijn hand uitstak. De oude opmerkzaamheid kwam terug in haar lichaam. Ze voelde waar de wagen breed was, hoorde aan de motor wanneer ze rustiger moest schakelen. Het kleine ongeduld van iemand achter haar kon daar weinig aan veranderen. Op de terugweg vroeg de man met de lege tas of ze van vroeger was. 'Van vroeger ben ik zeker,' zei Ada. 'Van lijn zeven.' 'Ja.' 'Dan heb ik nog bij u in de bus gezeten.' Het was een vreemde formulering, alsof hij bij haar op bezoek was geweest. Ze vroeg waar hij altijd uitstapte. Hij noemde de halte bij de fabriek die inmiddels was afgebroken. 'Daar heb ik zesendertig jaar gewerkt.' 'Dan hebben we elkaar vaak gezien.' 'Dat denk ik ook.' Meer zei hij niet. Toen ze hem thuisbrachten, bedankte hij haar bij haar voornaam, die hij op het papiertje voorin had gelezen. Na afloop vroeg Pieter welke ochtenden ze beschikbaar was. Ada hoorde zichzelf bijna antwoorden dat het afhing van de verhuizing, van Eva, van Bram, van de tentoonstelling. Ze pakte haar agenda. 'Woensdag. Om de week. Eerst maar drie maanden.' Pieter schreef het op. Ze wachtte op de vraag of het niet een beetje weinig was. 'Prima,' zei hij. Thuis vond ze een bericht van Eva. Of ze zondag kwamen eten, zij en Bram. Maarten zou koken. Ze wilden de verhuisplanning bespreken. Ada typte dat het goed was. Ze wilde toevoegen dat ze die ochtend weer had gereden. Ze wiste de zin omdat een bericht over een planning daar niet de juiste plek voor leek. Even later belde ze Derya. 'Het was maar een klein ding,' zei ze. 'Dat wist ik.' 'Met mevrouw Vos.' 'O. Dan ben je meteen ingewerkt.' Ada ging aan de keukentafel zitten en vertelde de hele rit. Derya luisterde terwijl ze hoorbaar een pan afspoelde. Er was geen enkele reden om dat vervelend te vinden. Ada praatte door. Hoofdstuk 5 — De vierde stoel Maarten had een stoofschotel gemaakt waarvoor hij naar eigen zeggen eigenlijk een andere pan nodig had. Ada zei dat ze er nog een had staan. Eva keek op van haar bord. 'Die blauwe?' 'Als hij hem wil.' 'Die heb je van pap gekregen.' 'Hij heeft hem in een winkel gekocht. Hij heeft hem niet zelf gegoten.' Maarten schepte haastig nog wat saus op zijn rijst. Bram keek naar zijn moeder en toen naar zijn zus. Lot zat tussen hen in en at eerst alle wortels uit haar bord. Ze was acht en had de gewoonte zich stil te houden wanneer volwassenen ingewikkeld begonnen te doen. Dat maakte Ada altijd een beetje ongerust. 'Ik wil die pan graag,' zei Maarten. 'Maar alleen als niemand er ruzie over krijgt.' 'Er is geen ruzie,' zei Eva. Ze schoof een schrift naast haar bord. Daarin stond de verhuisplanning. De bestelwagen was op zaterdag de achttiende beschikbaar. Bram kon hem om acht uur ophalen. Maarten wilde liever eerst de grote meubels doen en daarna de dozen. Eva had iemand gevonden die de ramen in het oude huis kon wassen. 'Dat hoeft toch niet?' vroeg Ada. 'Je laat het toch netjes achter.' 'Ik laat het netjes achter. Er hoeft geen optocht langs.' Lot lachte. Eva niet. Bram pakte het schrift en bekeek het. 'Wie is Willem?' 'Iemand die met de planken heeft geholpen,' zei Ada. 'O. Die komt ook?' 'Hij heeft aangeboden de tafel uit elkaar te halen.' 'Kan ik ook.' 'Dat weet ik.' 'Dan hoeft er geen vreemde bij.' Ada keek naar haar zoon. Er zat geen jaloezie in zijn stem. Hij dacht werkelijk dat hij iets van haar overnam. 'Hij is geen vreemde voor mij.' Eva legde haar bestek neer. 'Je kent hem twee weken.' 'Drie.' Maarten vroeg of iemand nog rijst wilde. Iedereen zei nee, behalve Lot, die naar het toilet moest. Hij stond met haar op. Ada hoorde de keukendeur achter hen dichtgaan. 'Ik bedoel het niet rot,' zei Eva. 'Je moet alleen een beetje voorzichtig zijn.' 'Met een tafel?' 'Met mensen die ineens heel behulpzaam zijn.' Ada keek naar het schrift, waarin haar nieuwe leven in nette blokken was verdeeld. Ze wist dat Eva dit uit liefde deed. Dat maakte het moeilijker om boos te worden en makkelijker om iets onherstelbaars te zeggen. 'Ik ben niet ineens iemand geworden die niets kan beoordelen.' 'Dat zegt niemand.' 'Je zei het net.' 'We proberen ervoor te zorgen dat je geen dingen te snel doet.' Bram draaide het schrift terug naar zijn zus. 'Laat mam zelf beslissen wie die tafel losschroeft.' 'Daar gaat het niet om.' Het ging inderdaad niet om de tafel. Dat wist Ada ook. Ze zaten aan dezelfde tafel waar ze met Kerst hadden besloten dat het goed zou zijn als ze kleiner ging wonen. Toen was Eva degene geweest die zei dat een huis te groot kon worden. Nu het appartement bestond, met groene verf en planken op een ongebruikelijke hoogte, leek het alsof iedereen geschrokken was van de snelheid waarmee een verstandig plan werkelijk werd. 'Ik heb hier lang over nagedacht,' zei Ada. 'Ik weet het. Sinds pap—' 'Ook daarvoor.' De woorden waren er eerder dan de beslissing om ze uit te spreken. Eva keek haar aan. Bram boog iets naar voren. 'Wat bedoel je?' Ada legde haar servet naast haar bord. De stof was nog warm van haar handen. 'Dat ik al eerder heb gekeken naar iets voor mezelf.' 'Naar een appartement?' 'Ja.' 'Met pap?' Ze had nog kunnen zeggen dat het om een gedachte ging, een losse mogelijkheid waar ieder mens weleens mee speelt. Maar Eva kende haar goed genoeg om het verschil te horen. En Ada was moe van de hoeveelheid oplettendheid die nodig was om in ieder gesprek dezelfde versie van haar leven overeind te houden. 'Zonder hem.' Uit de keuken klonk Lot, die iets wilde pakken wat te hoog stond. 'Je wilde bij pap weg?' vroeg Eva. 'Ik wilde een tijd apart wonen.' 'Dat is hetzelfde.' 'Voor mij was het niet hetzelfde.' Eva stond op en pakte de schaal, hoewel niemand meer at. 'Wanneer was dat?' 'Een paar maanden voordat hij ziek werd.' 'Een paar maanden.' Ze herhaalde het alsof ze het moest leren onthouden. Bram keek naar zijn bord. 'Wist hij het?' Ada knikte langzaam. 'Hij wist dat ik niet zo verder wilde. Het appartement heb ik niet met hem bekeken.' 'Maar wist hij dat je ging kijken?' 'Nee.' Eva zette de schaal zo hard neer dat de saus over de rand liep. 'En dat vertel je nu.' 'Ik wilde het jullie niet aan tafel vertellen.' 'Wanneer dan? Na de tentoonstelling? Nadat we allemaal hadden gezegd wat een prachtig leven jullie hebben gehad?' 'Dat leven was er ook.' 'Je kunt niet allebei zeggen.' Ada voelde haar borst strak worden. Ze keek naar Bram, maar wilde hem niet vragen partij te kiezen. Hij had zijn handen onder de tafel gevouwen. 'Waarom niet?' vroeg hij tenslotte. Eva schudde haar hoofd. 'Omdat hij er niet meer is. Omdat we hem niet meer kunnen vragen hoe het zat.' Daar had Ada geen antwoord op dat de situatie draaglijker maakte. Maarten kwam terug met Lot. Hij zag hun gezichten, keek naar de schaal en begon met een doek de saus op te vegen. 'Ben je boos, mama?' vroeg Lot. 'Nee, liefje. We praten even.' Ada wist nog hoe ze zelf dat zinnetje had gebruikt. Terwijl de kinderen allang hoorden dat er iets mis was, bleef je verzekeren dat er alleen gepraat werd. 'Oma gaat naar huis,' zei ze. Lot keek teleurgesteld. Ze hadden een spelletje zullen doen. 'Een andere keer.' Bij de deur hield Eva haar jas vast. Het was een klein, automatisch gebaar dat Ada meer pijn deed dan de woorden aan tafel. 'Heeft die Willem daar iets mee te maken?' 'Ik kende hem toen niet.' 'Ik weet niet meer wat ik wel weet.' Ada trok haar jas aan. 'Dat begrijp ik.' 'Zeg dat dan niet zo.' Ze stonden tegenover elkaar in de smalle gang. Ada zag het spiegelbeeld van haar dochter naast de kapstok. Ze herkende zichzelf in de gespannen mond en begreep dat Eva dat op dit moment afschuwelijk zou vinden. 'Ik weet niet hoe ik het goed moet zeggen,' zei ze. 'Misschien had je eerder moeten beginnen.' Bram liep met haar naar de auto. Hij zou meerijden naar het station. Ze reden een paar straten zonder te praten. 'Wil je er iets over weten?' vroeg Ada. 'Ik weet het nog niet.' 'Dat is goed.' Hij keek uit het raam. 'Ik wil niet degene zijn die het tussen jou en Eva moet uitleggen.' 'Dat vraag ik niet.' 'Mooi.' Bij het station bleef hij even zitten nadat ze de motor had uitgezet. 'Ik dacht wel dat jullie het moeilijk hadden,' zei hij. 'Maar ik dacht altijd dat het daarna weer overging.' 'Soms ging het ook over.' 'En soms niet.' 'Nee.' Hij knikte en pakte zijn tas. Voor hij uitstapte, legde hij zijn hand op haar schouder. Het gebaar duurde kort, bijna zakelijk. Ada was er dankbaar voor. Thuis zette ze de stoel waarop Kees altijd had gezeten iets verder onder de tafel. Ze deed dat niet met een bedoeling. Ze moest er langs om de lamp uit te doen. Hoofdstuk 6 — Het andere adres De makelaar had haar destijds voor de deur aangezien voor iemand die kwam schoonmaken. Hij had gezegd dat de bezichtiging nog niet klaar was en dat ze beter over een halfuur terug kon komen. 'Ik kom voor de woning,' had Ada gezegd. Hij had zich verontschuldigd. Ze had haar werkschoenen aan, met de brede zolen die ze sinds het rijden droeg, en een boodschappentas onder haar arm. Er zat prei in. Ze wist nog dat ze op weg naar die afspraak boodschappen had gedaan, alsof de bezichtiging pas geloofwaardig werd wanneer ze hem tussen gewone bezigheden in kon schuiven. Het appartement lag op de tweede verdieping. Het was kleiner dan haar nieuwe woning, met een badkamer waar je zijdelings langs de wastafel moest. In de woonkamer zat een beschadiging op de muur, de plek waar een televisie had gehangen. 'Die werken we nog weg,' had de makelaar gezegd. Ada vond de plek juist geruststellend. Er had iemand gewoond die op een avond had besloten dat het scherm daar moest komen, en op een andere avond dat alles weer mee moest. Ze had gevraagd hoe gehorig het was. 'Het is een ouder pand.' Een eerlijk antwoord, voor zover het een antwoord was. Door de muur hoorde ze een kind lachen. Ze had er kunnen wonen. Met een kleine tafel, een bed, haar kleren. Ze had haar pensioen en spaargeld doorgerekend. Het zou kunnen als ze zorgvuldig bleef. Ze was altijd zorgvuldig geweest met geld. Met woorden was ze minder zorgvuldig geweest. Of misschien juist te veel. Ze had ieder gesprek met Kees zo vaak in haar hoofd gevoerd dat het echte gesprek nooit kon beantwoorden aan wat zij inmiddels van hem verwachtte. Het was begonnen met iets kleins. Dat had ze later vervelend gevonden: dat ze geen groot voorval kon aanwijzen zonder alles wat eraan voorafging uit te wissen. Ze hadden vrienden te eten gehad. Ada had verteld dat ze misschien een cursus wilde volgen, iets met tekenen, hoewel ze op school nauwelijks een rechte lijn had kunnen maken. 'Ze zoekt nog een bezigheid,' had Kees gezegd. 'Sinds ze niet meer rijdt.' Hij had haar daarbij aangekeken met een glimlach die anderen geruststellend vonden. 'Ik zoek niet zomaar een bezigheid,' had ze gezegd. 'Dat bedoel ik ook niet zo.' Het gesprek was verdergegaan. Na afloop had ze de glazen afgewassen terwijl Kees ze afdroogde. Dat deden ze altijd samen. Er was een prettige routine in geweest, hij die zocht naar een plek voor een te grote schaal, zij die hem vertelde dat die al jaren onder het aanrecht stond. Maar die avond had ze gezegd: 'Ik wil dat je ophoudt voor mij te vertellen wat ik bedoel.' Hij had het glas neergezet. 'Dat deed ik toch niet?' 'Net aan tafel.' 'Ada, je zei dat je iets wilde gaan doen. Ik zei dat je iets wilde gaan doen.' 'Je zei dat ik een bezigheid zocht.' 'Is dat nu zo erg?' Ze kon het hem niet uitleggen zonder het gesprek groter te maken dan hij redelijk vond. Daarin waren ze geoefend geraakt. Hij stelde een vraag die klein klonk en zij moest het hele huwelijk bijhalen om antwoord te geven. De volgende ochtend had hij een folder van een tekenvereniging op tafel gelegd. Hij had ernaar gezocht. Dat was ook waar. Ada had hem bedankt. Er waren veel van die momenten geweest. Kees die precies wist hoe ze haar koffie dronk en niet merkte dat ze in gezelschap ophield aan een verhaal te beginnen. Kees die haar fietsband repareerde en haar route naar haar zus uitlegde, hoewel zij er al tientallen keren was geweest. Kees die naast haar zat wanneer ze slecht nieuws kregen en haar hand zo stevig vasthield dat ze daar werkelijk iets aan had. Ze had hem liefgehad. Ze had ook steeds vaker uitgekeken naar avonden waarop hij weg was. In oktober, drie maanden voordat hij werd opgenomen, had ze dat gezegd. Hij was foto's aan het ordenen, op de grote monitor in zijn werkkamer. Toen ze begon te praten, klikte hij eerst nog een venster weg. Daarna draaide hij zich om. 'Ik wil soms alleen zijn,' had ze gezegd. 'Dan ga ik wel vaker naar de club.' 'Dat bedoel ik niet.' Hij had gezucht. Ze begreep hem daarin. Ze vroeg hem iets te begrijpen waarvan zijzelf de omvang nauwelijks kende. 'Wat bedoel je dan wel?' 'Dat ik een tijdje ergens anders wil wonen. Kijken hoe dat is.' Hij had haar aangekeken alsof ze een onbekende prijs noemde voor iets wat hij allang bezat. 'We hebben toch een goed leven?' 'Er is veel goed.' 'Wat ontbreekt er dan?' Het was een redelijke vraag. Ze had die ook aan zichzelf gesteld en er geen antwoord op gevonden dat ze kon bewijzen. 'Ik weet niet meer wanneer ik iets wil omdat ik het wil,' had ze gezegd, 'en wanneer omdat het ons leven makkelijker maakt.' Hij was stil geworden. Later, in de keuken, had hij gevraagd of er iemand anders was. 'Nee.' 'Weet je dat zeker?' Ze was zo kwaad geworden dat ze het broodmes op het aanrecht had gegooid. Niet naar hem, zelfs niet in zijn richting. Het mes had tegen de rand van de snijplank getikt en was op de vloer gevallen. Ze had zich onmiddellijk geschaamd, vooral omdat de beweging het gesprek een dramatiek gaf die haar tegenstond. Kees had het mes opgeraapt. 'Zo kunnen we niet praten,' had hij gezegd. Ze had gehuild. Hij had zijn armen om haar heen geslagen en later iets warms voor hen gemaakt. Een week lang was hij voorzichtig geweest, zo voorzichtig dat ze zich bijna schuldig voelde omdat ze niet opgelucht was. Toen had zij de bezichtiging geregeld. Nu, aan haar keukentafel, streek Ada het oude dienstrooster glad. Ze had de bedragen destijds in hele euro's opgeschreven. Er stond een kleine fout in de optelling, tien euro, die ze nooit had gezien. Ze vroeg zich af of ze het appartement werkelijk zou hebben genomen. Het was gemakkelijker geweest om naar een mogelijk leven te kijken dan om het hare uiteen te halen. In december was Kees moe geworden. Eerst gewoon moe, zoals hij soms was na een lange wandeling. Daarna had de huisarts hem doorgestuurd. Er volgden afspraken, onderzoeken, uitslagen die ze thuis op papier probeerden te begrijpen. Het ging slechter, toen beter. Er was een middag waarop hij buiten op een bankje had gezeten en zijn ogen had dichtgedaan in de zon. Ada had gedacht dat ze nog moesten leren ruzie te maken zonder meteen naar hetzelfde eindpunt te lopen. In zijn laatste week had hij gevraagd of ze thuis zijn oplader wilde halen. De zwarte, niet de andere. Hij had haar daarna bij de hand gepakt. 'Gaat het een beetje met je?' Ze had ja gezegd. 'Je ziet er moe uit.' 'Dat ben ik ook.' 'Straks slapen we een week.' Dat was het laatste gesprek geweest waarin hij over straks sprak alsof het een plek was waar ze allebei naartoe zouden gaan. Ze had hem niet meer over het appartement verteld. Soms voelde dat als een verraad aan hem. Vaker als een verraad aan zichzelf. Er waren ook dagen waarop ze blij was dat hij dat extra verdriet niet had hoeven dragen. Ze kon geen van die gevoelens lang vasthouden zonder dat een ander zich meldde. Aan de keukentafel ging haar telefoon. Ze schrok zo dat de map van haar knie gleed. Het was Eva niet. Het was een vrouw van de energiemaatschappij die een vraag had over het nieuwe adres. Ada gaf de meterstand door die Willem voor haar had opgeschreven. Ze moest haar geboortedatum noemen en bevestigen dat zij de hoofdbewoner werd. 'De enige bewoner,' zei ze. 'Dat is goed,' zei de vrouw. Ada wist dat het een administratief antwoord was. Toch bleef ze na het gesprek even zitten, met de telefoon in haar hand. Hoofdstuk 7 — Aan het aanrecht Willem belde om te vragen of ze de tafel nog uit elkaar wilde laten halen. Hij kon volgende week donderdag of vrijdag. Op zaterdag moest hij zijn dochter helpen met een schutting. 'Vrijdag,' zei Ada. 'Om een uur of tien?' Ze keek naar de agenda. Die dag stond er niets. 'Goed.' 'Je klinkt of ik een kies kom trekken.' 'Er is alleen een hoop tegelijk.' Hij vroeg niet welke hoop. Ada was daar zo opgelucht over dat ze het juist vertelde: de avond bij Eva, het appartement waar ze eerder was gaan kijken, het gevoel dat ze haar kinderen iets had afgepakt wat zijzelf niet meer wilde bewaken. Willem bleef stil aan de andere kant. 'Ben je er nog?' 'Ja. Ik zocht even een plek om te zitten.' Hij had haar gebeld terwijl hij een brood kocht. Nu zat hij op een bankje buiten de winkel. Ada hoorde een scooter, stemmen. 'Ik weet niet wat ik daarop moet zeggen,' zei hij. 'Dat hoeft ook niet.' 'Dat zeggen mensen vaak als ze het eigenlijk wel hopen.' Ze glimlachte, ondanks zichzelf. 'Misschien hoop ik dat je iets weet wat ik nog niet weet.' 'Dat komt niet zo vaak voor.' Ze spraken af dat ze woensdag bij hem zou eten. Hij maakte iets wat in een pan kon blijven staan; dan was een halfuur eerder of later geen ramp. Ze schreef zijn adres op de achterkant van een envelop. Na het gesprek had ze het gevoel dat ze te veel had verteld aan iemand die ze nog nauwelijks kende. Toch legde ze de envelop niet weg. Willem woonde in een huis met een laag dak en een voortuin waarin meerdere planten volgens Ada al dood waren. Hij zei dat ze gewoon overwinterden. Het was april. 'Sommige doen daar langer over dan andere.' In de keuken stond een kleine ronde tafel. Aan de muur hing een kalender van een molenstichting, nog op februari. Ada wees ernaar. 'Je hebt twee maanden tegoed.' 'Dat is goed nieuws.' Hij draaide het blad om. Achter maart zat april met een andere molen die er bijna hetzelfde uitzag. Ze dronken water terwijl het eten opwarmde. Willem vertelde over zijn dochter Karin, die in Deventer woonde en dingen in haar huis kon repareren waar hij zelf niet aan begon. De schutting was een uitzondering. 'Ik word nog af en toe gebruikt als iemand die iets kan vasthouden.' 'Dat is ook een vak.' 'Daar hoop ik dan maar op.' Op een kastje stond een foto van een vrouw in een kano. Zij lachte naar iets buiten beeld, met haar peddel dwars voor zich. 'Lies?' vroeg Ada. Willem knikte. 'Ze stuurde dat ding altijd expres de verkeerde kant op. Ik begreep nooit wat daar leuk aan was. Zij wel.' Ada bekeek de foto. Ze voelde geen ongemak bij de aanwezigheid van de vrouw. Wel vroeg ze zich af of Willem hetzelfde zou voelen wanneer hij bij haar tussen Kees' foto's zat. 'Ik heb die kano nog twee zomers gehouden,' zei hij. 'Ik dacht dat ik er iets mee zou doen.' 'Heb je dat gedaan?' 'Er twee zomers tegenaan gekeken.' Hij tilde het deksel van de pan. Er kwam een geur van tomaat en knoflook uit. Ada merkte dat ze honger had. Tijdens het eten vertelde hij over zijn jaren op een technische school. Hij had jongens lesgegeven die in de eerste week al zeker wisten dat zij later veel meer zouden verdienen dan hij. Sommigen hadden gelijk gekregen. Een van hen had onlangs gratis zijn boiler gerepareerd en had erbij gezegd dat het nu wel weer genoeg was geweest met dat gezeur over huiswerk. Ada vertelde over een man die elke dinsdag op dezelfde halte instapte en altijd vroeg of zij zeker wist dat de bus naar het ziekenhuis ging. 'Op een gegeven moment vroeg ik of ik hem ooit ergens anders had afgezet.' 'En?' 'Toen zei hij dat dat geen garantie voor de toekomst was.' Ze lachten. Het was prettig om te merken dat ze nog iets kon vertellen wat de ander niet al kende. Ze had in haar huwelijk soms gevoeld dat verhalen bij voorbaat waren afgedaan. Zodra ze begon, wist Kees waar ze heen ging. Soms had hij haar dan geholpen met een naam. Soms had hij het einde alvast verteld. Toen ze klaar waren, zette Willem de borden op het aanrecht. Ada stond op om mee te helpen. Hij gaf haar zonder protest een doek. 'Mag ik iets vragen?' zei hij. 'Je hebt me al binnen.' 'Was het ook fijn met Kees?' Ada bleef even met de doek in haar handen staan. 'Ja.' Ze keek naar de openstaande achterdeur, naar een tuin die rommeliger was dan de hare. 'Heel vaak.' 'Dat dacht ik.' 'Wat dacht je dan van wat ik je vertelde?' Willem spoelde een bord af. 'Dat jullie twee mensen waren die lang samen hebben geleefd. Ik ken de rest niet.' Ze vouwde de doek over de rand van het aanrecht. 'Ik ben bang dat ik hem nu alleen nog als een probleem laat klinken.' 'Dan vertel je morgen een andere kant.' 'Daar worden mensen ongeduldig van.' 'Sommige mensen.' Hij zette de kraan uit. 'Lies heeft vlak voor ze ziek werd gevraagd of ik niet eens een heel weekend mijn mond kon houden. Dat vond ik toen ongehoord. Nu denk ik dat ze soms een punt had.' Ada keek hem aan. Het ging hem zichtbaar moeite kosten om meer te zeggen. 'Ik heb achteraf veel gesprekken beter gevoerd dan toen,' zei hij. Ze schoof een bord van het natte gedeelte naar het droge. Er was geen reden meer om dat bord aan te raken. Toen ze wegging, liep hij mee naar haar fiets. Het was gaan motregenen. Onder de kleine luifel stonden ze zo dicht bij elkaar dat ze zijn adem langs haar wang voelde. 'Dank je voor het eten,' zei ze. 'Dank je voor het afdrogen.' Ze bleef staan. Willem legde zijn hand tegen haar bovenarm. 'Mag dit?' Ze wilde hem een grappig antwoord geven, iets waarmee ze de plotselinge ernst lichter kon maken. In plaats daarvan knikte ze. De kus was kort en onhandig. Haar bril tikte tegen zijn wang. Willem lachte zacht en zette een stap terug, zodat zij ruimte had. Ada wist onderweg naar huis niet of ze blij was. Ze was vooral opmerkzaam. De regen op haar handen, de lichtvlekken op straat, haar mond. Het was lang geleden dat haar lichaam iets had meegemaakt waarover ze nog geen oordeel klaar had. Bij de voordeur rommelde ze met haar sleutels. Binnen stond de afdruk van haar bij de bus nog tegen de suikerpot. Ze legde hem plat, ergerde zich aan zichzelf en zette hem weer overeind. De volgende ochtend werd ze vroeg wakker. Ze had gedroomd dat Kees naast haar zat in een trein en haar vroeg of ze wist waar ze moesten overstappen. Er was niets beschuldigends aan geweest. Hij had het eenvoudigweg willen weten. Ze stond op en zette koffie. Daarna belde ze Willem. 'Ik weet niet of ik al ergens goed in ben,' zei ze. 'Waarin?' 'In dit.' Hij was even stil. 'Ik ben ook uit de routine.' 'Dat merkte ik.' Ze hoorde hem lachen. Zelf lachte ze mee, met haar voorhoofd tegen het koude keukenraam. Hoofdstuk 8 — Wat Eva meenam Eva kwam op dinsdagavond om de fotoalbums op te halen. Ze had van tevoren gevraagd of het uitkwam. Dat was nieuw. Ada zette thee, hoewel haar dochter meestal koffie dronk. Ze ontdekte de vergissing pas toen het water kookte. 'Thee is goed,' zei Eva. Ze bleven aan weerszijden van de tafel staan tot Ada vroeg of ze wilde zitten. De albums lagen in een plastic krat. Er waren er zeven, van vóór de tijd waarin foto's vooral op apparaten verdwenen. Kees had ze ingeplakt met hoekjes die uitdroogden. Wanneer je een blad omsloeg, schoof er vaak een kind uit een vakantie. Eva opende het tweede album. Haar handen waren voorzichtig. Ada zag een bladzijde met een kampeertent en drie foto's van een verjaardagstaart die onderweg was ingezakt. 'Ik vond het altijd fijn thuis,' zei Eva. Ada knikte. 'Dat hoop ik.' 'Je zegt dat alsof ik me iets verbeeld.' 'Nee. Ik ben blij dat het zo was.' Eva sloeg een bladzijde om en hield een losse afdruk tegen. 'Ik herinner me heus wel dat jullie ruzie hadden.' 'Dat weet ik.' 'Maar dat hoorde erbij. Bij iedereen was weleens wat.' Ada ging tegenover haar zitten. Op de foto stond Eva met een grote wollen muts en een stok in haar hand. Ze moesten toen in Duitsland zijn geweest. Kees had die stok op maat gezaagd omdat Eva hem als wandelstok wilde gebruiken. 'Die heeft hij de hele vakantie meegedragen,' zei Ada. Eva knikte. Ze keek niet op. 'Ik weet niet wat ik moet met wat je hebt gezegd.' 'Je hoeft er niet iets mee te doen.' 'Natuurlijk wel.' Ada wachtte. 'Het verandert hoe ik aan jullie denk. Aan ons. Jij weet dat al jaren. Ik hoor het tussen de rijst en de verhuisdozen.' Dat was waar. Ada legde haar handen op tafel, plat, alsof ze wilde laten zien dat ze niets achterhield. 'Het spijt me dat het zo ging.' 'Maar niet dat je weg wilde.' Ada slikte. 'Nee.' Eva deed het album dicht. Het plastic van de omslag kraakte. 'Dat vind ik moeilijk.' 'Ik ook.' 'Je had het hem moeten zeggen.' 'Ik heb het hem gezegd. Dat ik een tijd alleen wilde wonen.' 'Maar niet dat je al ergens was gaan kijken.' 'Dat niet.' Eva knikte langzaam. Ada zag hoe haar dochter probeerde een plek te vinden waar ze kon blijven staan zonder haar vader los te laten. 'Hij kon ook moeilijk zijn,' zei Eva tenslotte. 'Dat weet ik.' 'Je hoeft mij geen gelijk te geven.' 'Ik probeer juist iets te zeggen.' Ada zweeg. Dat had Kees vaak tegen haar gezegd: laat me even uitpraten. Ze had het gehaat, en nu deed ze precies wat ze hem verweet. Ze schonk thee in, voorzichtig om het gesprek niet met een verontschuldiging over te nemen. 'Hij had met Maarten soms dingen,' zei Eva. 'Over zijn werk. Of hij niet iets anders wilde, of er genoeg toekomst in zat. Maarten vond dat vervelend.' 'Dat wist ik niet.' 'Maarten zei dat hij ermee kon omgaan. Maar ik heb er nooit iets van gezegd. Ik dacht steeds: pap bedoelt het goed.' Ze schoof haar kopje een paar centimeter op. 'Ik wil niet dat ik nu ineens alleen dat zie.' 'Dat gaat niet gebeuren,' zei Ada. Toen verbeterde ze zichzelf. 'Dat hoop ik niet.' Eva keek door het raam naar de tuin. 'Hij heeft de schommel voor Lot gemaakt.' 'Ja.' 'Hij kon uren met haar in de schuur staan.' 'Dat kon hij.' Ze zaten een tijd stil. Voor het eerst leek die stilte niet te betekenen dat een van hen op een beter antwoord wachtte. Toen Eva opstond, tilde ze het krat niet meteen op. 'Kom je nog naar haar schoolding donderdag?' 'Als ik welkom ben.' Eva trok een gezicht. 'Doe alsjeblieft niet zo.' Ada voelde haar wangen warm worden. 'Je hebt gelijk.' 'Donderdag om drie. Ze speelt een boom.' 'Een grote rol.' 'Een heel aanwezige boom.' Ze glimlachten allebei, nauwelijks, maar genoeg om het krat samen naar de auto te dragen. Die avond belde Bram. Hij wilde weten of de tafel werkelijk uit elkaar kon, want hij had naar de afmetingen van de bestelwagen gekeken. 'Willem komt vrijdag.' 'Prima.' Het woord klonk eenvoudiger dan een week geleden. Ada vertelde dat Eva de albums had opgehaald. 'Ging het?' 'Een beetje.' 'Dat is al iets.' Er viel een stilte. 'Bram?' 'Ja?' 'Heb ik jullie te veel laten denken dat alles goed was?' Hij zuchtte. Ze hoorde verkeer op de achtergrond. 'Ik weet niet of dat een vraag is die ik voor je kan beantwoorden.' 'Nee.' 'Ik heb ook niet alles verteld. Sanne en ik hadden een halfjaar terug een tijd apart willen wonen. Dat hebben we uiteindelijk niet gedaan.' Ada ging rechter zitten. 'Waarom heb je niets gezegd?' 'Omdat je dan precies zo klinkt.' Ze keek naar haar eigen hand, die zich om de telefoon had gespannen. 'O.' 'En omdat het ons gesprek was. We moesten eerst zelf iets uitzoeken.' 'Gaat het nu beter?' 'Meestal.' Dat woord vond ze onbevredigend en geloofwaardig. 'Ik wil het je wel vertellen,' zei Bram. 'Maar niet zodat je gaat controleren of ik gelukkig genoeg ben.' Ze liet een paar seconden voorbijgaan voordat ze antwoordde. 'Ik zal het proberen.' 'Meer kan ik ook niet beloven.' Na het gesprek liep Ada door de woonkamer. De boekenkast was halfleeg. Op de plek waar een breed fotoboek had gestaan, lag stof in een smalle streep. Ze haalde er haar vinger langs en veegde die af aan haar broek. Ze had gedacht dat het vertellen van haar geheim iets zou oplossen. Dat was een misrekening geweest. Het had vooral nieuwe gesprekken mogelijk gemaakt, met minder controle over wat anderen daarin zouden zeggen. Op donderdag zat ze naast Eva in de aula van Lots school. Lot droeg een bruine trui en hield twee takken omhoog. Tijdens het zingen keek ze zo ernstig dat Ada moeite moest doen haar lachen in te houden. Eva boog naar haar toe. 'Ze wilde eerst de zon zijn.' 'Dat is lastig stil te houden.' Eva beet op haar lip om niet te lachen. Haar schouder raakte die van Ada. Geen van beiden schoof weg. Hoofdstuk 9 — Het gewicht De dag voor de verhuizing vond Ada een zak met handleidingen. Ze waren zorgvuldig bij elkaar bewaard in een keukenla. De helft van de apparaten bestond niet meer. Ze hield een boekje vast van een koffiezetapparaat dat ze hadden gehad toen Bram nog thuis woonde. Willem zat op zijn knieën bij de eettafel en draaide een bout los. 'Wat moet ik hiermee?' vroeg ze. 'Wat is het?' 'Bewijs dat wij dingen hebben gekocht.' Hij keek op. 'Een indrukwekkende verzameling.' Ze gooide de handleiding weg. Daarna nog één. Bij de gebruiksaanwijzing van de wasmachine stopte ze. 'Die gaat mee.' 'Dan heeft de verzameling toch nut gehad.' Hij legde de bouten in een plastic bakje en schreef er TAFEL op. Ada zag het woord, in grote onregelmatige letters. Ze zou hem later ergens anders weer in elkaar moeten zetten, die tafel waaraan zo veel avonden hadden plaatsgevonden. Het hout zelf zou daar weinig moeite mee hebben. Ze pakten samen de laatste keukenkast in. Willem vroeg bij ieder voorwerp of het mee moest. Na tien minuten zei Ada dat hij ook zelf dingen mocht besluiten. 'Dat lijkt me geen goed begin.' 'Het is een aardappelschilmesje.' 'Je hebt er vier.' 'Dan mag je er twee kiezen.' Hij legde er twee neer. Ze pakte een andere terug. Hij keek haar aan. 'Dat bedoel ik.' Ze lachten. Het was gemakkelijk om met hem te lachen wanneer er iets praktisch te doen was. Ze wist nog niet hoe het zou zijn op een avond waarop niemand een taak had. Bij de achterdeur stond de doos met Kees' dagelijkse spullen. Een portemonnee, een bril, een horloge dat stilstond. Ze had die doos de eerste week gemaakt en daarna steeds uit de buurt van andere dozen gehouden. Willem raakte hem niet aan. 'Deze gaat met mij mee in de auto,' zei ze. 'Goed.' Ze had zich voorbereid op een geruststellende opmerking. Toen die uitbleef, kon ze de doos gewoon dichtvouwen. De volgende ochtend stond Bram iets na achten voor de deur met de bestelwagen. Maarten zat naast hem, omringd door spanbanden en een papieren zak met broodjes. 'Eerst eten,' zei Ada. 'Eerst een beetje laden,' zei Bram. 'Ik ben een moeder. Ik moet het vragen.' Hij gaf haar een snelle kus en bekeek de stapel dozen. 'Welke zijn zwaar?' 'Daar heb ik BOEKEN op geschreven.' 'Duidelijk.' Eva kwam een halfuur later. Lot was bij een vriendin. Ze liep meteen naar de keuken, zag dat de laatste kopjes nog buiten de dozen stonden en begon ze af te wassen. Ada wilde zeggen dat het niet hoefde. Ze besloot het één keer niet te zeggen. Het laden ging sneller dan ze had verwacht. Wat jarenlang onverplaatsbaar had geleken, kon met twee mensen door de voordeur. De bank, de losse kast, het kleine bureau. Bij de linnenkast stopten ze. 'Die blijft,' zei Ada. Eva keek op van het schrift. 'Zeker?' 'De nieuwe bewoners willen hem hebben.' 'Hij paste ook niet.' 'Hij kon uit elkaar.' Eva keek naar haar moeder en knikte. 'Ja. Dat weet ik.' Om elf uur was de woonkamer bijna leeg. Op de vloer lagen kleine ronde stukjes stof op de plekken waar de poten hadden gestaan. Maarten trok een spier in zijn rug toen hij dacht dat hij nog best één doos alleen kon dragen. Hij rechtte zich, glimlachte op een manier die niemand overtuigde en zei dat het ging. 'Ga zitten,' zei Ada. 'Waar?' Ze keken om zich heen en begonnen te lachen. Uiteindelijk zat hij op de onderste trede met een zak bevroren doperwten tegen zijn rug. Bram werd kortaf. Hij moest de wagen voor zes uur terugbrengen en kon niet alle meubels alleen naar boven dragen. Ada zag hem op zijn telefoon naar de tijd kijken. 'We kunnen een extra dag huren.' 'Dat kan niet zomaar.' 'Dan betalen we—' 'Mam, stop even.' Hij stond midden in de lege kamer, een spanband in zijn hand. 'Je hoeft niet elke keer meteen iets op te lossen. Ik probeer te bedenken wat handig is.' Ada zweeg. Eva haalde haar eigen telefoon uit haar zak en belde een collega die een straat verderop woonde. Een kwartier later kwam een lange man binnen die zich voorstelde als Patrick en vroeg of iemand wist welke kant zijn schoenen op mochten. 'Gewoon op de vloer,' zei Ada. Patrick hielp drie uur. Daarna ging hij weer naar huis, zonder dat er een verhaal nodig was over wat een goede daad dat was geweest. Ada gaf hem een fles wijn die ze tussen het glaswerk vond. Hij zei dat hij liever een biertje dronk. Ze gaf hem er zes. Bij het appartement bleek de trap nog smaller wanneer je een matras droeg. Ada stond onderaan en hield de deur open. Ze hoorde de mannen boven elkaar aanwijzingen geven. Een onbekende buurvrouw kwam uit haar woning en vroeg of ze de poes even binnen moest houden. 'Dat lijkt me voor iedereen goed,' zei Ada. De buurvrouw heette Ria. Ze had een rood schort aan en meel op haar wang. 'Ik kom later wel eens kennismaken. Vandaag kun je niemand gebruiken.' Ada wilde haar onmiddellijk aardig vinden, maar besloot daarmee nog even te wachten. In de woonkamer stond Eva bij de groene muur. 'Het is mooi,' zei ze. 'Ja.' 'Lichter dan ik dacht.' 'Als het droog is, verandert het.' Ze bekeken samen de planken. Er stonden nog geen boeken op. Het middaglicht viel door de lege kamer en Ada zag voor het eerst hoe het hier in mei zou zijn. Aan het eind van de middag zat iedereen ergens anders. Maarten op de bank, Eva op de vensterbank, Bram op een doos die hij zelf had gecontroleerd op breekbare inhoud. Ada stond bij de waterkoker. 'Waar zijn de kopjes?' vroeg ze. 'Doos drie,' zei Eva. Het waren dozen met nummers geworden terwijl Ada niet oplette. Ze besloot daar dankbaar voor te zijn. Bram reed de wagen terug. Maarten kwam voorzichtig overeind. Eva bleef nog even om de lakens om het bed te doen. Ada hielp aan de andere kant, zoals ze dat vroeger samen hadden gedaan als er logés kwamen. 'Goed zo?' vroeg Eva. Ada trok een hoek glad. 'Ja.' Toen haar dochter weg was, liep ze door de kamers zonder het licht aan te doen. Buiten was het nog niet donker. De buren waren ergens aan het koken; er hing een geur van ui en iets zoets. Ze zette de doos met Kees' spullen op de kast in de slaapkamer. Er was geen bijzondere plek voor bedacht. Ze zette hem neer waar ruimte was. Op de vensterbank lagen de bouten in hun bakje. Willem had beloofd de volgende dag te komen. Ada haalde er één uit en rolde hem tussen haar vingers. Ze was moe in haar benen, in haar schouders, op een plek achter haar ogen. Ze ging op de bank zitten en at een broodje dat Maarten had achtergelaten. Het viel in kruimels op haar schoot. Er was niemand die vroeg of ze geen bord wilde pakken. Hoofdstuk 10 — De lege kamers In het oude huis klonken haar sleutels harder dan gewoonlijk. Ada liet de voordeur openstaan, zoals ze dat nooit deed wanneer ze alleen thuis was. De lucht in de gang rook naar schoonmaakmiddel en naar de muur achter de kapstok. Daar zat nog een donker vierkant. Derya kwam met een emmer en een brood in een papieren zak. 'Heb jij geen dweil?' vroeg ze. 'Die is verhuisd.' 'Dus eigenlijk hebben we de volgorde verkeerd.' Ze aten staande in de keuken. Ada wilde koffie zetten en herinnerde zich toen dat ook de koffiemachine verhuisd was. Derya had een thermosfles bij zich. Op de dop zat een sticker van een busmaatschappij waar ze allebei nooit voor hadden gewerkt. 'Gepikt?' vroeg Ada. 'Vakbeurs. Dat is hetzelfde, maar met toestemming.' Ze verdeelden het werk zonder overleg: Derya de bovenverdieping, Ada de keuken en de gang. Er hoefde niet veel meer te gebeuren. De kopers zouden 's middags komen voor de laatste ronde; de sleuteloverdracht was de volgende dag. Toch had Ada de hele ochtend vrijgehouden. Ze had niet willen uitrekenen hoeveel minuten er nodig waren om een huis voor het laatst schoon te maken. In het onderste keukenkastje lagen twee elastiekjes en een plastic voetje van een apparaat dat ze niet meer kon thuisbrengen. Ze legde de elastiekjes in haar jaszak. Het voetje hield ze onder de kraan. Misschien hoorde het bij de broodrooster, misschien bij iets wat tien jaar geleden was weggegooid. Ze stopte het bij het afval. Boven schoof een raam open. Derya riep iets, maar Ada kon niet verstaan wat. 'Wat zeg je?' 'Er staat nog een doos in de kleine kamer.' Ada liep de trap op. Op de derde trede kraakte het hout, en ze wist al voor haar voet neerkwam dat het zou kraken. In de kleine kamer stond een schoenendoos achter de deur. Bram had hem apart gezet omdat er losse spullen in lagen: een verlengsnoer, twee handschoenen die niet bij elkaar hoorden, een sleutelhanger met een lampje. 'Die neem ik mee.' Derya bukte naar een streep op de plint. 'Wie heeft hier zo zitten verven?' 'Ik.' 'Dan zeg ik verder niets.' De kamer was eerst van Eva geweest. Daarna van de naaimachine, daarna van Kees' computer. Ada stond op de plek waar vroeger het bed had gestaan. Eva had er een periode op haar knieën voor gezeten om haar huiswerk te maken, omdat ze de bureaustoel lelijk vond. Kees had een andere stoel gekocht, zonder haar mee te nemen. Die was ook lelijk geweest. Ze waren er toen alle drie boos om geworden. 'Ze had gewoon een kussen op die stoel kunnen leggen,' zei Ada. Derya keek op. 'Wie?' 'Eva. Ik dacht aan iets.' Ze vertelde het. Terwijl ze praatte, herinnerde ze zich dat Kees de tweede stoel diezelfde middag nog had teruggebracht. Hij was met Eva naar de winkel gegaan. Ze waren teruggekomen met precies de stoel die hij al gekocht had, maar nu in rood. Hij had hem lachend uit de auto getild. 'Dat deel was ik vergeten,' zei Ada. Derya zette de emmer op de overloop. 'Je hebt ook veel gehad hier.' Ada knikte. Het was geen zin die een antwoord nodig had. Om half twaalf belde Eva. Ze vroeg of Ada nog dozen nodig had en wist onmiddellijk na die vraag dat het huis al leeg was. 'Ik ben een dag kwijt,' zei ze. 'Op mijn werk ook. Ik heb daarnet woensdag op een formulier ingevuld.' 'Het is dinsdag.' 'Dat weet ik nu.' Op de achtergrond hoorde Ada een printer en een vrouw die iets vroeg. Eva hield haar hand voor de telefoon. Toen ze terugkwam, vroeg ze of het ging. 'We maken schoon.' 'Maar verder?' Ada keek de woonkamer in. Het licht viel op de rechthoek waar het kleed had gelegen. De vloer daarbinnen was donkerder. 'Ik vind het naar.' Het bleef even stil. Ze hoorde Eva haar stoel verschuiven. 'Zal ik vanmiddag even komen?' 'Je moet werken.' 'Ik kan een uur eerder weg.' Ada wilde zeggen dat het niet hoefde. Ze wist niet of dat waar was of alleen een manier om niet degene te zijn die iets vroeg. 'Als het lukt, vind ik dat fijn.' 'Vier uur?' 'De kopers zijn hier om half vier.' 'Dan wacht ik wel tot die weg zijn.' Na het telefoontje bracht Derya de emmer naar buiten. Ze ging om één uur; haar dienst begon om drie. Bij de deur omhelsden ze elkaar onhandig, omdat Derya de thermosfles nog onder haar arm had. 'Als je straks ineens denkt dat je hier toch wilt blijven,' zei ze, 'niet meteen bellen met de makelaar. Eerst iets eten.' 'Is dat je professionele advies?' 'Voor bijna alles.' De nieuwe bewoners waren een man en een vrouw van een jaar of veertig. De man, Ruben, was bij de eerdere bezichtigingen niet mee geweest. Hij vroeg waar de hoofdkraan zat en of de tuin naar het zuiden lag. Zijn vrouw, Leila, zei dat ze dit al drie keer hadden besproken. 'Ik wil het toch graag van mevrouw zelf horen.' Ada liet hem de kraan onder de mat bij de voordeur zien. Hij ging op zijn knieën zitten en maakte een foto. Leila bleef in de woonkamer staan. Ze legde een hand op de vensterbank en vroeg of die gemakkelijk schoon te houden was. 'Daar had ik nog nooit over nagedacht,' zei Ada. 'Maar blijkbaar wel.' Ze liepen naar de tuin. De blauwe regen zat vol kleine knoppen. Ruben wilde weten of de wortels onder het terras doorliepen. Ada wist het niet. Ze had nog willen zeggen dat de plant ieder jaar rijker bloeide, maar de vraag over de wortels was ook een begrijpelijke vraag. 'We gaan dat schuurtje waarschijnlijk weghalen,' zei hij. Ada keek naar het lage houten gebouwtje aan het eind van het pad. Kees had er drie zomers over gedaan. Eerst de vloer, toen de wanden, toen een dak dat bij de eerste regenbui lekte. Zij had de deuren geverfd. De scharnieren hingen scheef. 'Het is niet heel stevig,' zei ze. Leila keek haar even aan. 'We weten het nog niet.' 'Het is jullie tuin.' Ze hoorde hoe kort het klonk en wees op een tegel bij de achterdeur. 'Die ligt los. Dat moest ik nog zeggen. Als je hier 's avonds met een dienblad naar buiten loopt, merk je het te laat.' Ruben zette zijn voet op de tegel. Hij knikte tevreden, alsof ze hem eindelijk een gebrek had gegeven waar hij iets mee kon. Toen ze weg waren, bleef Ada op de onderste traptrede zitten. Er was nergens anders een stoel. Ze at de laatste boterham uit de zak. Ze vond het brood te droog, maar haar mond was waarschijnlijk te droog. In de woonkamer brandde een lamp die ze niet had meegenomen, omdat hij bij het huis hoorde. Zonder meubels eronder was het een veel te felle lamp. Eva kwam tien minuten later. Ze had twee kartonnen bekers thee bij zich. 'Ik wist niet of je koffie had gehad.' 'Vanmorgen.' 'Dit leek veiliger.' Ze gingen naast elkaar op de trap zitten. Eva zette haar tas bij de voordeur. Op haar jas zat een licht spoor van yoghurt. 'Lot,' zei ze, toen ze Ada zag kijken. 'Vanmorgen. Ik kwam er op kantoor pas achter.' Ada streek met haar duim over de warme beker. Eva keek naar de plek van de kapstok. 'Ik mis hem soms om de stomste dingen.' Ada wachtte. 'Ik moest vorige week weten welke batterijen in de thermostaat gingen. Ik kon het gewoon opzoeken. Dat heb ik ook gedaan. Maar ik wilde hem bellen.' 'Hij zou gezegd hebben dat je hem eerst open moest maken.' 'Ja. En dan vragen of we nog steeds geen goede schroevendraaier hadden.' Ze lachten. Niet veel. Het geluid bleef langer in de hal hangen dan ze gewend waren. Eva dronk van haar thee en zette de beker tussen haar schoenen. 'Ik weet niet goed wat ik moet met wat je verteld hebt.' 'Dat hoeft vandaag niet.' 'Maar ik wil niet dat jij denkt dat ik alleen maar boos ben.' Ada keek naar de handen van haar dochter. Ze had een wondje naast haar nagel. 'Dat dacht ik wel een beetje.' 'Ik ook, misschien.' Ze bleven zitten tot de thee lauw was. Daarna liep Eva nog één keer naar boven. Ada hoorde haar door de kamers gaan, de kastdeur openen, het raam in haar oude slaapkamer sluiten dat Derya had laten openstaan. Toen ze terugkwam, had ze rode ogen. Ze zei er niets over en Ada vroeg niets. Bij de voordeur keek Ada om. Ze had verwacht dat er een gedachte zou komen die alles passend maakte: dat het maar een huis was, of juist dat een huis nooit zomaar een huis was. Maar ze dacht alleen dat ze vergeten was de koelkastdeur open te zetten. 'Wacht even,' zei ze. In de keuken trok ze de deur op een kier. Op het aanrecht lag de laatste sleutel van de schuur. Ze hing hem aan de sleutelbos voor de nieuwe bewoners. Daarna deed ze het licht uit. Hoofdstuk 11 — Voor de opening Willem zette de tafel op woensdag in elkaar. Ada had die ochtend de sleutels ingeleverd. Het laatste papier was getekend aan een bureau met een schaal pepermuntjes erop; ze had er twee meegenomen. Willem had de tafel zondag al in elkaar proberen te zetten, maar één van de metalen verbindingsstukken was bij het verhuizen verbogen. Het vervangende stuk legde hij op de vensterbank, naast de post die nog naar het oude adres was gestuurd. 'Gerepareerd?' vroeg ze. 'Vervangen.' 'Dat klinkt minder indrukwekkend.' 'Het houdt beter.' Ze hield het tafelblad op zijn kant terwijl hij de poten vastzette. Zijn overhemd trok open bij zijn buik. Ada keek ernaar en keek toen weg, hoewel er geen reden was om weg te kijken. Het was een buik. Ze had zelf ook een buik. Toch voelde ze zich betrapt toen hij opkeek. 'Iets mis?' 'Nee.' 'Je kijkt alsof ik een schroef overhoud.' 'Nog niet.' Toen de tafel stond, schuifelden ze ermee door de kamer. Tegen de groene muur was het te donker, middenin kon de balkondeur niet helemaal open. Uiteindelijk stond hij schuin genoeg om ergerlijk te zijn en goed genoeg om eraan te kunnen eten. 'We kunnen hem inkorten,' zei Willem. 'Vandaag niet.' Hij ging zitten op de stoel die bij de voordeur had gestaan. Ada zette koffie. Haar spullen hadden nog niet allemaal een vaste plek, maar de koffie stond al drie dagen in hetzelfde kastje. Ze vond dat vooruitgang. 'Ik ga morgen naar Karin,' zei Willem. 'O.' 'Er moet een hek worden gemaakt. De hond loopt weg.' 'Ze heeft toch een hek?' 'Ze heeft een hond die hoger springt dan gedacht.' Hij bleef tot zaterdagmiddag. Ada hoorde zichzelf uitrekenen wat dat betekende: twee avonden en twee nachten waarin hij niet langs zou komen. Hij kwam ook anders niet iedere avond. Er was niets afgesproken. Toch zat ze met een soort teleurstelling waarvoor ze geen geschikte woorden had. 'De opening is zaterdag,' zei ze. 'Half vier. Dat weet ik.' 'Je hoeft je niet te haasten.' Willem roerde in zijn koffie zonder suiker te hebben toegevoegd. 'Wil je dat ik kom?' 'Ik zei toch dat je niet—' 'Ik vraag iets anders.' Ada keek naar de tafel. In het blad zat een lichte kring die onder het kleed nooit zichtbaar was geweest. 'Ja. Maar ik weet niet of ik de hele middag bij je kan staan.' 'Dat hoeft ook niet.' 'En Eva vindt het misschien moeilijk.' 'We kunnen elkaar gewoon gedag zeggen.' Ze knikte. Het leek heel eenvoudig als hij het zo zei. Ze wist dat hij er zijn best voor deed; eenvoud was niet hetzelfde als onverschilligheid. Voor zijn dochter ging hij drie dagen een hek maken. Bij haar zat hij op een stoel waarvan de zitting doorzakte en wachtte tot ze een antwoord gaf. 'Ik vind het prettig als je er bent,' zei ze. Hij zette zijn kopje neer. 'Dan kom ik.' Die middag ging Ada naar De Brug. Tom stond in de grote zaal met twee stapels fotolijsten en een rol schildersplakband. Zijn leesbril hing aan een koord dat verstrikt zat in de knopen van zijn overhemd. Op een stoel lag een vel met de titel van de tentoonstelling. Een leven in beelden. Daaronder Kees' naam en de jaartallen van zijn leven. Ada keek langer naar de jaartallen dan naar de titel. 'Goed zo?' vroeg Tom. 'Ja.' 'Ik heb het twee keer nagekeken. Je wilt niet weten wat er ooit met de datum van ons jubileum is gebeurd.' Hij liet haar de opstelling zien. De foto's hingen op verplaatsbare wanden die gewoonlijk werden gebruikt om yogalessen van kinderactiviteiten te scheiden. Aan de onderkant van één wand zat een veeg blauwe verf. De zaal rook naar koffie en rubberen vloertegels. In een hoek oefende iemand op een accordeon. Steeds dezelfde vier maten. 'Die houdt zo op,' zei Tom. 'Hoe weet je dat?' 'Hij moet naar de tandarts.' Ze hielp de foto's uit de beschermhoezen te halen. De voetbalvelden bij mist kwamen aan de lange wand. Daartegenover de vijver in de winter, twee straatgezichten, een portret van de man die vroeger de schoenen repareerde. Ada herkende zijn winkel, het bankje waarop ze had gezeten terwijl hij een gesp verving. Ze had niet geweten dat Kees hem had gefotografeerd. 'Dit is een goede,' zei ze. Tom kwam naast haar staan. 'Kees was zelf niet tevreden over het licht.' 'Die man wel, denk ik.' De schoenmaker hield een schoen vast en keek naar iemand buiten beeld. Zijn mond stond een beetje open. Hij leek iets uit te leggen waarvoor je eigenlijk veel langer in de winkel moest blijven dan je van plan was. Tom zette het portret tegen de wand. 'Heb je al iets kunnen opschrijven?' Ada haalde drie gevouwen vellen uit haar tas. Ze had de avond ervoor op de bank gezeten met een schrijfblok op haar knieën. Eerst had ze geprobeerd uit te leggen dat mensen ingewikkelder waren dan foto's. Dat klonk alsof de vereniging een fout had gemaakt door de tentoonstelling te organiseren. Daarna had ze geschreven over verlies. Het waren zinnen die ze overal had kunnen lezen en die niets vroegen van degene die ze opschreef. Op het derde vel stonden zes regels over Kees die de eerste foto van Eva maakte terwijl de lensdop nog op de camera zat. Dat verhaal was waar, maar ze had het al zo vaak verteld dat ze hem nauwelijks meer zag wanneer ze het vertelde. Tom las de vellen. Hij las langzaam en bewoog zijn lippen een beetje. Ada keek naar de foto van de schoenmaker. 'Je hoeft niet alles te zeggen,' zei hij. 'Ik weet niet wat er overblijft als ik niets hoef.' Hij gaf de blaadjes terug. 'Je kunt ook gewoon één foto kiezen.' 'Dat is wel weinig voor een huwelijk van veertig jaar.' 'Het is een opening van tien minuten. Daarna moeten we al die glazen nog afwassen.' Ze keek hem aan. Hij glimlachte, maar niet alsof hij haar moeilijkdoenerij wegwuifde. Hij was al weken bezig met de lijsten, de uitnodigingen, de parkeerplaatsen voor drie leden die slecht ter been waren. Misschien had hij niet zozeer een mooie tekst nodig als de zekerheid dat zij er zou staan. 'Ik wil niet dat het klinkt alsof wij altijd gelukkig waren,' zei Ada. Tom streek met zijn duim over de rand van een lijst. 'Dat heb ik nooit gedacht.' 'O.' 'Kees klaagde wel eens. Jij zult ook wel eens geklaagd hebben.' 'Waarover klaagde hij?' Tom keek naar haar en aarzelde. Ada voelde hoe snel ze iets van hem wilde: een laatste bewijs, een gesprek dat alsnog kon worden bijgewoond. 'Laat maar,' zei ze. 'Over gewone dingen. Dat jij al een kaartje voor iets had gekocht. Dat hij een weekend weg wilde terwijl jullie iets met de kinderen hadden. Ik heb het niet bijgehouden.' 'Nee.' 'We gingen dan meestal fotograferen.' De accordeon zweeg. Door de plotselinge stilte hoorde Ada een karretje over de gang rijden. Ze legde de vellen op elkaar en vouwde ze zorgvuldig terug. 'De foto van mij bij de bus,' zei ze. 'Mag die bij het raam?' 'Daar valt het daglicht goed op.' 'Dan wil ik die daar.' Ze hing de foto zelf op. Het haakje zat hoger dan ze met haar arm kon reiken. Tom haalde een stoel. Hij hield de rugleuning vast terwijl zij erop ging staan. Van dichtbij zag ze de fijne lijnen in de afdruk, de lichte plek op haar mouw, het rode licht bij haar schouder. Ze keek over de rand van de lijst de zaal in. Over drie dagen zouden hier mensen staan met jassen over hun arm. Sommigen zouden zeggen dat Kees een fijne man was geweest. Ze hoefde hun dat niet af te nemen. Thuis schreef ze een nieuwe tekst. Het werd geen verslag van haar huwelijk. Ze beschreef een ochtend waarop een collega zich ziek had gemeld, een man die drie kwartier op haar had gewacht en een vrouw die niet graag te laat kwam. Daarna beschreef ze hoe ze samen de stad in waren gegaan. Ze stopte voor de zin waarin ze had willen uitleggen wat dat betekende. Toen belde ze Eva. 'Ik ga iets vertellen bij die foto van mij,' zei ze. 'Over die dag. Je hoeft je geen zorgen te maken dat ik zaterdag ons gesprek ga navertellen.' Eva zei niet meteen iets. 'Daar was ik inderdaad bang voor.' 'Dat snap ik.' 'En Willem?' 'Die komt waarschijnlijk kijken.' 'O.' Ada liet de stilte even bestaan. Buiten werd een vuilnisbak met te veel kracht dichtgegooid. 'Hij helpt me soms,' zei ze. 'En ik zie hem ook omdat ik hem graag zie.' 'Dat dacht ik al.' 'Je hoeft zaterdag niets met hem.' 'Ik kan toch wel gewoon hallo zeggen?' Ada lachte zacht. 'Dat zei hij ook.' 'Dan zijn we het daarover in elk geval eens.' Later las Ada haar tekst nog één keer. Ze streepte drie woorden door en schreef er één bij. Daarna legde ze het vel in haar tas en ging naar bed. De klok op de gevel beneden stond nog altijd op kwart over twee. Ze had er bij het verhuizen naar gekeken en gedacht dat ze die zou laten maken. Nu wist ze niet wie daar eigenlijk over ging. Ze zou het Ria eens vragen. Hoofdstuk 12 — De foto bij het raam Op zaterdag droeg Ada de blauwe jurk die ze had gekocht voor Eva's veertigste verjaardag. Eva werd pas over twee jaar veertig. In de winkel had de verkoopster gevraagd of er een gelegenheid was en Ada had de eerste gelegenheid genoemd die in haar opkwam. Nu haalde ze het kaartje eraf en zag opnieuw de prijs. Ze hing het kaartje aan de knop van de slaapkamerdeur, keek ernaar en gooide het weg. De jurk zat prettig als ze stond. Zittend trok hij bij haar knieën. Ze probeerde drie verschillende houdingen en koos uiteindelijk andere schoenen. Dat loste niets op aan de jurk, maar ze liep er gemakkelijker op. Bij De Brug stond Tom in de deuropening. Zijn vrouw had een tafel gedekt met glazen en kannen water. Er waren bloemen die niemand had besteld en die door iemand van de buurtvereniging waren meegebracht. Ada bedankte de verkeerde vrouw ervoor. Ze kwam er pas achter toen de juiste vrouw het water van de stelen controleerde. 'Ze zijn prachtig,' zei Ada nog eens. 'Je man hield van geel, hè?' Ada wist het niet. Ze keek naar de bloemen en zei dat geel het hier goed deed. Eva was er met Maarten en Lot. Bram kwam alleen; Sanne moest werken. Lot had een handtas bij zich waarin een speelgoedhond zat. Ze vroeg of de hond ook naar de foto's mocht kijken. 'Als hij nergens tegenaan plast,' zei Bram. Lot keek hem aan met het geduld dat volwassenen zelden verdienden. 'Hij is niet echt.' Er kwamen meer mensen dan Ada had verwacht. Een oude buurman die ze sinds de verhuizing niet had gezien, twee vrouwen van Kees' wandelgroep, de eigenaar van de winkel waar hij zijn laatste camera had gekocht. Sommigen omhelsden haar. Anderen gaven een hand en schrokken van hun eigen plechtigheid. Ze hoorde zichzelf vragen hoe het met hun kinderen ging, of met de knie, of met een verhuizing die al jaren achter de rug bleek te zijn. Bij de foto van de vijver stond een onbekende man. Hij hield een linnen tasje tegen zijn buik en bestudeerde de afdruk van dichtbij. Ada wilde vragen of hij Kees had gekend, maar iemand tikte op haar arm. Toen ze weer keek, was hij naar de volgende foto gelopen. Ze vond het prettig dat er iemand was die alleen voor de beelden kwam. Willem arriveerde tien minuten voor de opening. Hij had zijn handen gewassen, maar onder één nagel zat nog een donker randje. Ada zag het omdat hij haar hand nam. 'Het hek?' vroeg ze. 'Staat.' 'De hond?' 'Zit voorlopig aan de goede kant.' Hij zei Eva gedag. Eva stelde hem aan Maarten voor alsof ze dat vaker had gedaan. Lot keek naar zijn schoenen en vroeg waarom er verf op zat. 'Omdat ik niet goed kan mikken.' 'Opa kon ook niet goed mikken.' 'Dat is een moeilijk onderdeel van verven,' zei Willem. Ada liet ze even alleen. Tom stond naast de microfoon met een papier in zijn hand. Hij had er aanvankelijk op gestaan dat hij zonder microfoon prima verstaanbaar was. De vrouw van het buurthuis had hem gevraagd of hij dat ook wist van de oren van de bezoekers. Nu tikte hij voorzichtig tegen het apparaat. De opening begon met een piep. Mensen keken op, een paar hielden hun handen tegen hun oren. Tom wachtte tot de vrouw een schuif had verplaatst. Daarna vertelde hij over de vereniging, de eerste clubavond in een schoollokaal, de leden die hun afdrukken in schoenendozen meenamen. Kees had destijds gezegd dat een scherpe foto zonder iets om naar te kijken nog steeds een slechte foto was. Tom had hem dat kwalijk genomen omdat hij wist over welke foto het ging. Er werd gelachen. Ada zag het voor zich: Kees die oprecht dacht behulpzaam te zijn, Tom die thuis mopperend zijn spullen opborg en een week later toch weer naast hem ging zitten. Ze kende de geschiedenis niet en herkende haar man wel. Toen zei Tom haar naam. Ada ging naast hem staan. Ze had het papier in haar tas gelaten. De tekst was kort en ze kende de volgorde. Nu ze de gezichten zag, was ze de eerste zin kwijt. 'Ik had iets opgeschreven,' zei ze. Maarten knikte haar toe alsof dat al een volkomen redelijke opening was. 'Bij die foto daar, bij het raam. De vrouw met het uniform ben ik.' Een paar mensen draaiden zich om. Ada wachtte even tot ze weer naar haar keken. 'Kees had gezegd dat hij me na mijn dienst zou ophalen. Ik was te laat. Een collega had zich ziek gemeld en ik had twee ritten overgenomen. Dat waren dingen die gebeurden. Maar als je buiten staat te wachten, zijn het gewoon drie kwartier.' Ze zag de plek weer: het hek, de natte stoep, Kees met zijn camera die hij had meegenomen omdat hij toch tijd over had. Hij had zijn schouders opgetrokken toen ze eindelijk naar buiten kwam. Zij had meteen gezegd dat ze er ook niets aan kon doen. 'We waren niet erg gezellig toen die foto gemaakt werd. Ik keek naar een bus die achter hem reed. Ik dacht dat ik iets aan het geluid hoorde. Dat deed ik toen altijd. Je hoorde een motor en dan zat je alweer half te werken.' Verderop stond Derya bij de deur. Ze stak haar hand even op. 'Later zijn we de stad in gegaan. Kees kocht een muts. Niet voor mij, voor zichzelf. Hij paste er zes en vond dat ik me serieus met de beslissing moest bemoeien. We hebben ergens broodjes gegeten. Ik weet niet meer waar.' Ada streek over de naad van haar jurk. 'Dit was een dag uit ons leven. Kees maakte die foto en daarna ging de dag verder. Ik vind het fijn dat hij hier hangt. En ik vind het fijn dat jullie vandaag naar zijn werk komen kijken.' Ze stopte. Er waren nog woorden op haar papier, maar deze waren voldoende. Tom nam de microfoon terug en bedankte de mensen die hadden geholpen. Er werd geklapt. Ada liep naar de tafel met water, omdat ze opeens ontzettende dorst had. Een vrouw van de wandelgroep kwam naast haar staan. 'Wat leuk, dat van die muts. Hij droeg altijd zo'n donkere.' 'Grijs,' zei Ada. 'Die heeft hij heel lang gehad.' 'Zo zie je maar, achter iedere foto zit een verhaal.' Ada knikte. De vrouw bedoelde het vriendelijk. Ze hoefde niet uit te leggen dat er ook dagen waren geweest waarop niemand een foto had gemaakt, en dat die nu soms de meeste ruimte innamen. Bij het raam stond Eva met Lot. Ze hield het kind bij de schouders om haar tegen te houden vlak voor ze de lijst aanraakte. 'Dat is oma,' zei ze. 'Dat weet ik.' 'Zo oud als ik ongeveer.' Lot keek van de foto naar haar moeder. 'Jij hebt ander haar.' 'Ja. Dat is het verschil.' Ada ging naast hen staan. Ze zag dat Eva de begeleidende tekst las. Naam, jaar, plaats. Niet meer dan dat. 'Ik weet die muts nog,' zei Eva. 'Hij stak hem altijd in zijn mouw als we ergens waren.' 'Anders vergat hij hem.' 'Hij vergat hem alsnog.' Lot was naar Bram gelopen. Hij liet haar zien hoe je in het glas van een foto een weerspiegeling kon vinden zonder je neus ertegenaan te drukken. Eva keek naar Ada. 'Dank je dat je belde over wat je zou zeggen.' 'Ja.' 'Ik heb deze week vaak aan je gedacht. Aan dat appartement van toen.' Ada voelde haar schouders omhooggaan. 'Dat hoeft hier niet,' zei Eva. 'Nee.' 'Een andere keer misschien.' Ze bleven nog even bij de foto staan. Eva vroeg of Ada hem na afloop mee naar huis mocht nemen. Ada zei dat ze dat had afgesproken. Het was de eerste keer dat haar dochter het nieuwe appartement vanzelfsprekend thuis noemde. Na een uur werd het rustiger. Tom schonk de laatste glazen bij. Willem hielp Toms vrouw lege schalen naar de keuken te dragen. Ada betrapte zichzelf erop dat ze in de deuropening naar hem stond te kijken. Ze had hem gevraagd te komen en was vervolgens bijna de hele middag met andere mensen bezig geweest. Hij had zich niet teruggetrokken; hij droogde een bord af terwijl iemand hem iets vertelde. Op weg naar buiten nam Bram haar even apart. 'Goed, wat je zei.' 'Dank je.' 'Ik ga straks nog even bij Sanne langs op haar werk. Niet eten samen dus.' 'Dat had ik niet gevraagd.' 'Je keek al alsof je iets ging vragen.' Ze lachte en trok zijn jas recht bij de kraag. Hij liet het toe, precies lang genoeg om er geen gewoonte van te maken. Ada liep met Willem naar de parkeerplaats. Haar voeten deden pijn, ondanks de andere schoenen. Bij zijn auto bleef hij staan. 'Zal ik nog even meegaan?' Ze wilde ja zeggen. Ze wilde ook haar jurk uit, haar voeten op een stoel, de stem van niemand in haar kamer. 'Ik geloof dat ik vandaag alleen wil zijn.' Hij keek kort naar haar en knikte. 'Morgen?' 'Morgen.' Ze kuste hem. Het was buiten, in het licht, terwijl iemand van de fotoclub een fiets van het slot haalde. Ada merkte het op en deed niets om het ongedaan te maken. Hoofdstuk 13 — Een tafel voor hier In mei haalde Ada de laatste doos leeg. Hij had twee weken in de slaapkamer gestaan met een vest eroverheen. Ze was eraan gewend geraakt eromheen te lopen. Toen ze 's nachts met haar kleine teen tegen de hoek stootte, vond ze de aanpassing niet langer aanvaardbaar. Er zaten kabels in, drie mappen en de miniatuurbus die ze bij haar afscheid van het werk had gekregen. De bus had al die tijd ondersteboven gelegen. Eén van de spiegels was afgebroken. Ada vond hem onder in de doos en legde hem in een theeschoteltje. Derya had bij het afscheid gezegd dat het een perfect model was: de spiegel zat precies op de hoogte van de regenpijp bij het station. Het oranje mapje lag tussen twee handleidingen. Ada haalde het eruit. Ze had gedacht dat ze het na het gesprek met haar kinderen zou weggooien. Nu zat ze op het bed en las de vier bladen nogmaals. Huur, vaste lasten, boodschappen, het bedrag dat ze apart had willen houden voor onverwachte dingen. Ze corrigeerde met een potlood de optelfout die ze eerder had ontdekt. Het appartement was allang aan iemand anders verhuurd. Misschien woonde er een vrouw die geen kinderen had, misschien een man met een hond, misschien twee mensen die zonder moeite hun jassen in hetzelfde kastje hingen. Ada kende alleen de lege kamers en haar eigen voornemen. Ze dacht aan die vrouw van toen, anderhalf jaar eerder, die onder het bezichtigen de kraan had opengedraaid om te controleren of er voldoende druk op stond. Zelfs op een middag die haar hele leven kon veranderen had ze geweten waarop ze moest letten. Ze deed de papieren terug. In haar nieuwe slaapkamer stond een smalle ladekast. De bovenste la bevatte bankpapieren, de middelste sokken, de onderste nog niets. Ze legde het mapje bij de bankpapieren. Dat was geen mooie oplossing, maar ze wist het daar terug te vinden. Die avond zou Willem komen eten. Hij had de afgelopen weken een paar keer bij haar geslapen. De eerste ochtend had ze zich in de badkamer aangekleed en zich daar later over verbaasd. De tweede ochtend had hij om half acht koffie gezet omdat hij thuis om half acht koffie zette. Zij had tot negen uur willen blijven liggen. Ze hadden het er aan tafel over gehad, allebei in hun ondergoed, tussen twee glazen en de broodzak. 'Je hoeft niet wakker te worden omdat ik opsta,' had hij gezegd. 'Ik word wakker van de kastjes.' 'Dan pak ik de spullen 's avonds vast.' 'Dat lijkt me een beetje overdreven.' 'Wat wil je dan?' Ze had haar mond geopend en weer dichtgedaan. Het was een nuttige vraag geweest, juist omdat ze er geen onmiddellijk antwoord op had. Nu maakte ze rijst en een groenteschotel die te groot was voor de schaal. Ze duwde de laatste courgette tussen de tomaten en hoorde de deurbel. Willem had een stoffen tas bij zich. Hij zette hem onder de kapstok. 'Wat zit daarin?' vroeg ze. 'Een overhemd. Mijn leesbril. Oplader.' Ada keek naar de tas. 'Om hier te laten?' 'Als dat kan. Dan hoef ik niet telkens alles mee te nemen.' 'Waar wou je het laten?' Hij keek de gang rond, alsof hij de woning tot dan toe voor veel groter had gehouden. 'In een la, misschien.' Ze wist dat het een redelijke vraag was. Er was een lege la. Hij vroeg niet om een sleutel, een naambordje, een abonnement op dezelfde krant. Toch hoorde ze zichzelf zeggen dat ze net alles had uitgepakt. Willem trok zijn jas uit. Hij hing hem over de leuning van een stoel, niet aan de kapstok. 'Dan neem ik het straks weer mee.' 'Je hoeft niet zo te doen.' 'Hoe?' 'Alsof ik je de deur wijs.' Hij keek haar aan. Ze voelde warmte in haar gezicht komen. 'Ik probeer te begrijpen wat je zegt,' zei hij. 'Ik kan die tas meenemen. Maar ik weet niet of je daarmee bedoelt dat je geen spullen van mij wilt of dat je mij eigenlijk te vaak ziet.' Ada draaide zich naar de oven. Ze had hem niet eens aangezet. Ze drukte de knop in en bleef een paar tellen met haar hand bij het bedieningspaneel staan. 'Ik wil niet weer ongemerkt overal afspraken over hebben die ik nooit gemaakt heb.' 'Deze afspraak probeer ik juist te maken.' Ze kon daar niets tegenin brengen. Dat maakte haar niet meteen vriendelijker. 'Ik heb nog maar net een eigen huis.' 'Ik heb ook een eigen huis.' 'Dat weet ik.' 'Met gereedschap op plekken die alleen ik begrijp. En een buurman die om de dag iets komt lenen. En Lies haar stoel, waar ik nog steeds graag in zit. Ik ben niet bezig het leeg te maken om hier te komen wonen.' Hij zei het zonder boosheid, maar hij zei het wel. Ada keek naar de tas. Er stak een hoek van een blauw overhemd uit. 'Dat dacht ik niet echt.' 'Een beetje misschien.' 'Ja.' De oven begon te blazen. Ada pakte twee glazen, zette ze neer en vergat er water in te doen. Willem ging aan tafel zitten. Ze ging tegenover hem zitten. 'Ik wil je graag zien,' zei ze. 'Ik vind het fijn als je blijft slapen. En soms wil ik een avond niemand. Dat weet ik niet altijd van tevoren.' 'Dat heb ik ook.' 'Maar jij zegt het gewoon.' 'Niet altijd. Soms ga ik de schuur opruimen en hoop ik dat de ander de aanwijzing begrijpt.' Ze lachte, tegen haar zin in. 'Heb je dat met mij al gedaan?' 'Nee. Jij bent nog nooit lang genoeg in mijn schuur geweest.' Ze praatten verder. Geen vaste avonden, wel laten weten wanneer iemand op de ander rekende. Niet aannemen dat een lege dag een uitnodiging was. Allebei hun eigen woning houden. Het klonk zakelijker dan Ada had verwacht van een gesprek met iemand wiens borst ze sinds kort kende. Toen Willem over de tafel haar hand pakte, vond ze de zakelijkheid niet meer bezwaarlijk. 'Eén la,' zei ze. 'Een hele?' 'De kleinste.' Hij kwam naast haar staan toen ze de schaal in de oven zette. Hij sloeg zijn arm om haar heen zonder haar weg te sturen bij het koken. Ze leunde even tegen hem aan. De rijst was te vroeg klaar. Ze aten hem lauw. Een week later kwam Eva op donderdagmiddag. Ze had gebeld om te vragen of het uitkwam. Ada had net de ramen willen wassen en zei dat het uitkwam. Niet uit plicht; ze had geen zin meer in de ramen. Eva bracht de blauwe braadpan terug. Maarten had hem na de verhuizing een paar weken geleend en was gehecht geraakt aan het gewicht van de deksel. 'Hij zei dat ik moest vragen waar je hem gekocht hebt.' 'Kees heeft hem gekocht.' 'Dat weet ik. Maar waar?' Ada wist het niet. Ze tilde de pan uit de tas en zag dat Maarten de zwarte rand aan de onderkant bijna helemaal schoon had gekregen. 'Hou hem maar.' Eva schudde meteen haar hoofd. 'Dat was niet de bedoeling.' 'Bij mij staat hij in het kastje boven de afzuigkap. Als ik hem naar beneden moet halen, kan ik beter eerst het buurtvervoer bestellen.' 'We kunnen hem ook ergens anders zetten.' 'Ik wil hem jullie geven.' Eva liet de handvatten los. Ze streelde met haar hand langs het email. 'Dan zal hij er heel blij mee zijn.' 'Dat moet hij er wel bij zeggen als de randen weer zwart zijn.' Ze dronken thee op het balkon. Het was eigenlijk te koud, maar Eva wilde buiten zitten. Beneden liep een vrouw met twee honden, waarvan er één bij elke geparkeerde fiets bleef stilstaan. Ada had nog geen planten gekocht. Er stonden twee potten met oude aarde, achtergelaten door de vorige bewoner. 'Zal ik een keer met je naar het tuincentrum?' vroeg Eva. 'Ik wil eerst zien hoeveel zon hier komt.' 'Natuurlijk. Ik vraag alleen maar.' Ada keek opzij. Eva trok haar vest dichter om zich heen. 'Ik bedoelde het niet als een verwijt,' zei Ada. 'Ik weet het. Ik moet er alleen een beetje op letten dat ik niet telkens denk dat je blij bent dat je van ons af bent.' 'Van jullie?' 'Ook van hem. Misschien.' Ada zette haar kopje op de betonnen rand. Ze dacht aan een gemakkelijk antwoord, iets met altijd houden van, iets wat ze jarenlang zonder nadenken had kunnen zeggen. 'Sommige dingen vind ik gemakkelijker nu,' zei ze. 'Ik ben blij met dit huis. En ik mis hem. Gisteren wilde ik hem laten zien hoe die man aan de overkant zijn ladder had neergezet. Alleen hij zou daar precies zo lang naar hebben willen kijken als ik.' Eva glimlachte niet. Ze luisterde. 'Ik weet niet hoe het was gegaan als hij nog leefde. Misschien had ik dat appartement genomen. Misschien was ik na drie weken teruggekomen. Misschien ook niet. Ik kan het achteraf niet mooier of erger maken dan het was.' 'Had je dat toen tegen hem gezegd?' 'Dat ik apart wilde wonen. Ja.' 'En?' 'Hij vond het een slecht idee. Hij dacht dat het over zou gaan.' Een tijdlang zeiden ze niets. De vrouw met de honden was teruggekomen aan de andere kant van de straat. 'Ik had liever gehad dat ik het eerder wist,' zei Eva. 'Dat begrijp ik.' 'Maar misschien had ik toen ook gezegd dat het een slecht idee was.' Ada keek naar haar dochter. Eva wreef met haar wijsvinger over een bobbeltje op het handvat van haar kopje. 'Je mocht hem aardig vinden,' zei Ada. 'Je mag hem nog steeds aardig vinden.' 'Ik vond hem niet aardig. Ik hield van hem.' 'Ja. Dat bedoel ik.' Eva knikte langzaam. Het was niet het einde van het gesprek, alleen het einde van wat ze die middag konden zeggen. Binnen trok ze de tas met de braadpan naar zich toe. Ada wilde haar helpen dragen en hield zich toen in. Eva kon een pan dragen. Bij de deur draaide haar dochter zich om. 'Lot heeft gevraagd of jij volgende week donderdag bij het toneelstuk komt. Ze voeren het nog een keer op voor de ouderavond.' 'Dat staat in mijn agenda.' 'Ze is nu een boom én een vogel. Er was iemand ziek.' 'Dat lijkt me druk.' 'Ze neemt het heel serieus.' Ada ging op donderdag naar het toneelstuk. Ze zat naast Maarten, die vertelde dat de pan uitstekend werkte. Op het podium vergat Lot haar tekst. Ze stond in een bruin pak met kartonnen bladeren op haar schouders en keek naar de juf. Toen ze het weer wist, sprak ze zo hard dat de rij voor Ada ervan schrok. Eva draaide zich om. Ze lachten naar elkaar, ieder met haar eigen telefoon op schoot. Hoofdstuk 14 — Het gewone uur In oktober werkte de klok op de gevel weer. Ria had niet geweten wie ervoor verantwoordelijk was, maar ze had wel geweten wie ze moest bellen. Een man was gekomen met een ladder, een tas gereedschap en de mededeling dat het een wonder was dat het uurwerk ooit had gelopen. Nu kon Ada vanaf de overkant van de straat zien dat ze te laat was. Het was woensdag. Ze had de eerste rit om negen uur. De buurtbus stond op de parkeerplaats achter De Brug en Pieter had gezegd dat de linker ruitenwisser strepen trok. Ada had een doek meegenomen, maar die lag nog op haar keukentafel. Ze liep de trap weer op, pakte de doek en nam meteen de appel mee die ernaast lag. Op straat groette ze Ria, die met een vuilniszak stond te worstelen. De zak was voller dan de opening van de container. 'Niet duwen,' zei Ada. 'Een beetje draaien.' 'Dat zegt mijn dochter ook altijd.' 'Dan heeft ze gelijk.' Ria draaide. De zak verdween met een klap. Ada hield haar duim omhoog en liep door. De drie maanden proef bij het buurtvervoer waren voorbij. Ze had gevraagd of ze kon blijven. Pieter had haar aangekeken alsof hij niet wist wat zij dacht dat er anders zou gebeuren. Om de woensdag, drie ritten, soms vier als het goed uitkwam. Ze deed er geen extra dag bij. Derya had haar daar eenmaal voorzichtig naar gevraagd. 'Je kunt het toch?' 'Ja.' 'Je vindt het toch leuk?' 'Ook.' Daarna had Derya haar handen opgestoken. Ze had zelf zo vaak diensten van anderen overgenomen dat ze niet de aangewezen persoon was om bezwaar te maken. Ada controleerde de bus. Ze veegde de ruitenwisser schoon, liep langs de zijkant, keek naar de banden. Binnen rook het naar natte jassen. Op de stoel naast de bestuurder lag een kaart die de vorige chauffeur had laten liggen. Er stond een route op naar een adres dat Ada uit haar hoofd kende. Ze vouwde hem dicht en legde hem in het vak bij de passagiersdeur. Mevrouw Vos stond al voor haar flat. De rode rollator glansde in de motregen. Ze droeg een muts die veel te dun was voor het weer en hield een bakje vast met een deksel van een ander merk. 'Voor mijn zus,' zei ze, toen Ada naar het bakje keek. 'Ze zegt dat ze het zelf niet zo lekker krijgt.' 'Wat is het?' 'Stoofperen.' 'Dan snap ik dat ze dat zegt.' Ada hielp haar instappen en zette de rollator vast. Mevrouw Vos wilde het bakje op schoot houden. Ze had het in twee plastic zakken gewikkeld, maar er liep toch een dun rood spoor langs haar duim. 'Hier,' zei Ada. Ze gaf haar een tissue. Mevrouw Vos veegde haar hand af en hield de tissue daarna bezorgd in de lucht. 'Ik heb daar een zakje voor.' Ada wees. Het bakje bleef recht. Toen ze wegreed, hield mevrouw Vos het met beide handen vast, alsof ze de inhoud zelf over de drempels kon tillen. Ze reden langs het oude huis. Ada had de route in het begin willen vermijden en had toen gemerkt dat ze daar om de week een ingewikkelde omweg voor moest maken. Vandaag stonden er fietsen in de voortuin. Het schuurtje was weg; ze had het in de zomer gezien toen de poort openstond. De blauwe regen zat er nog. Tegen de stam stond een gele bezem. Bij het stoplicht vroeg mevrouw Vos of Ada hier altijd had gewoond. 'Een paar straten verder. Lang geleden ook nog aan de andere kant van de stad.' 'Ik heb acht adressen gehad,' zei mevrouw Vos. 'Mijn zus maar twee. Die vindt verhuizen zonde van de gordijnen.' Ada keek in de spiegel en trok op toen het licht groen werd. Na haar laatste rit waste ze haar handen bij De Brug. Tom kwam uit de grote zaal met een lege krat. Hij zag haar uniformjasje en vroeg of ze koffie wilde. 'Tien minuten.' 'Dat zegt iedereen. Dan zijn het er vanzelf twintig.' Ze gingen zitten bij het raam. De tentoonstelling was al maanden weg. Er hingen nu tekeningen van kinderen, huizen met hoge schoorstenen en katten groter dan auto's. Tom vertelde dat twee foto's van Kees waren opgenomen in het jubileumboek van de vereniging. Hij zou een exemplaar voor haar meenemen. 'En één voor de kinderen?' vroeg Ada. 'Ik kan er drie apart leggen.' 'Graag.' Ze vroeg hoe het met zijn vrouw ging. Hij vertelde over haar knie en over een vakantie die ze daardoor hadden verzet. Ada luisterde, keek eenmaal op de klok en bleef toch nog vijf minuten. Daarna bracht ze de bus terug en liep naar huis met de appel nog in haar jaszak. Op de tafel lag een briefje van Willem. Hij was 's ochtends vertrokken naar het kluscafé. Zijn handschrift stond scheef op de lijnen van het blokje: Oplader ligt bij het bed. Niet de jouwe meenemen, die doet het niet op mijn telefoon. Tot vrijdag. W. Ze glimlachte. De la was inmiddels bijna vol. Niet doordat er steeds meer kleren bij kwamen, maar doordat hij er ook een boek in had gelegd dat hij niet uit kreeg. Zij had in zijn huis een tandenborstel, een paar sokken en een boek dat ze wel had uitgelezen. Ze hadden nog steeds twee adressen. De foto bij de bus hing in haar slaapkamer. In de woonkamer stond een kleinere foto van Kees op de boekenplank, tussen de atlas en een boek over moestuinen dat ze had gehouden omdat er een briefje van haar moeder in zat. Op de foto keek Kees niet in de camera. Hij hield een boterham vast en zat aan een picknicktafel. Ada had hem zelf gemaakt, op een dag die ze zich nauwelijks herinnerde. Ze legde haar sleutels in het schaaltje naast de deur en trok het uniformjasje uit. De blauwe jurk hing achter in de kast. Ze had hem sindsdien nog twee keer gedragen, eenmaal met andere schoenen en eenmaal zonder eraan te denken of de jurk geschikt was voor de gelegenheid. Vanavond kwamen Bram en Sanne eten. Ze waren in de buurt voor een afspraak en hadden gevraagd of het kon. Ada had eerst willen zeggen dat ze van alles in huis zou halen. Bram had gezegd dat ze zelf soep meebrachten. Nu stond er alleen brood op het aanrecht. Ze had het al gesneden, maar de kaas nog niet uitgepakt. Haar telefoon ging. Eva stuurde een foto van Lot met een beugel die ze die dag had gekregen. Lot trok een gezicht waarop trots en verontwaardiging tegelijk pasten. Daaronder stond: Ze mag geen harde korsten. Dat wilde ze zelf laten weten voor zondag. Ada tikte terug dat ze het genoteerd had. Ze keek nogmaals naar de foto. Zondag zouden Eva en Maarten komen, met Lot, voor een gewone lunch. Niet iedereen tegelijk; dat paste minder goed om de tafel en niemand had gezegd dat het moest. Ze zette drie borden neer. De tafel stond nog altijd een beetje schuin. Willem had aangeboden hem op maat te maken, maar dat was er niet van gekomen en inmiddels kon Ada met een bord in haar hand precies tussen de hoek en de kast door. Ze schoof een stoel bij en liet de balkondeur op een kier. In een van de potten stond rozemarijn. De andere was nog leeg. Toen de bel ging, stond ze op zonder op de klok te kijken. Ze hoorde Bram op de trap iets tegen Sanne zeggen en vervolgens haar lach, kort en buiten adem. Ada hield de deur open. Sanne droeg de soep met beide handen. 'Hij is heet,' zei ze. Ada pakte de onderzetter van de tafel en legde hem klaar.