De sleutel van de zijdeur Een novelle Hoofdstuk 1 — De lege plek De stoel was weg, maar het stof stond er nog. Nelle zag het toen ze met haar koffie langs de lange plank liep. Een vierkant van lichtere vloer, twee strepen waar de achterpoten hadden gestaan. De zandkleurige fauteuil had daar sinds dinsdag gestaan, precies buiten het bereik van de naaimachinekabel. Ze had er de vorige avond een oud laken overheen gelegd. Dat laken hing nu over de snijtafel. Ze zette haar mok neer en keek naar de rest van de werkplaats. De zes eetkamerstoelen van café De Sluis stonden nog tegen de muur, met hun onderkanten naar het raam. Op de vloer lag het stukje zwarte singel dat ze gisteren niet had opgeraapt. Alleen de fauteuil ontbrak. Aan de zijdeur zat geen beschadiging. Ze trok aan de kruk. Op slot. Het was een belachelijke opluchting; iemand die een sleutel gebruikte, kon net zo goed iets meenemen. Ze pakte haar telefoon en opende het gesprek met Puck. Het laatste bericht was een foto van een roze lamp in een kringloopwinkel, met daaronder: Jij zou dit een wond noemen. Nelle had een duim teruggestuurd. Ze had eigenlijk willen antwoorden dat een wond meestal goedkoper was. Nu typte ze: Heb jij de stoel opgehaald? Zes minuten later had ze nog geen antwoord. Ze belde. ‘Hoi, mam.’ ‘Ben jij hier geweest?’ Aan de andere kant hoorde ze een rits, toen iets wat op het neerzetten van een tas leek. ‘Gisteravond. Voor de foto’s. Dat had ik toch gevraagd?’ ‘Welke foto’s?’ ‘Voor oma. Die verkoop. Ik heb de stoel heel voorzichtig gedaan. Er zat een deken om.’ Nelle ging op de rand van de snijtafel zitten. Een nietje prikte door haar broek. ‘Welke stoel heb je meegenomen?’ ‘Die lichte. Met die schuine arm. Hij stond klaar.’ ‘Die is van een klant.’ Puck zei niets. ‘Je zou de berken stoel meenemen. Die bij de kast.’ ‘Daar kon je niet op zitten.’ ‘Dat wist je.’ ‘Ik had iets nodig waar je op kon zitten.’ Nelle keek naar de deuropening, alsof ze Puck daar alsnog kon aantreffen, lang en beweeglijk, met een stoel op haar rug. ‘Waar is hij nu?’ ‘In het huis. Bij oma.’ ‘Breng hem terug.’ ‘Ik heb vandaag dat gesprek in Meppel.’ ‘Dan ga ik hem halen.’ ‘Pap heeft de bus. Hij kan hem vanmiddag brengen.’ Daar was Bram, zonder dat ze hem had uitgenodigd. Hij had een talent om via andere mensen binnen te komen. ‘Hoe kwam je binnen?’ vroeg ze. ‘Met de sleutel.’ ‘Welke sleutel?’ ‘Mam.’ Nu klonk Puck moe, en dat was oneerlijk, want het was pas kwart over acht. ‘De sleutel van de zijdeur. Er zit zo’n rood ding aan. Die heb ik al jaren.’ Nelle zei dat ze later zou bellen en legde de telefoon neer. Ze had zich de verdwijning van de stoel enkele minuten lang kunnen voorstellen als een incident, iets met een onbekende. Een onbekende kon je buiten houden. Die had geen mening over je toon. De rode sleutelkap was ooit een vis geweest. Puck had hem als kind uitgezocht bij een schoenmaker, een goedkoop rubberen geval waarvan eerst de staart en daarna de ogen waren afgebroken. Nelle had er nooit bij stilgestaan dat haar dochter hem nog gebruikte. In haar hoofd hoorde de sleutel bij een schooltas met een lekke drinkbeker. Ze dronk de koffie op. Koud was te veel gezegd; hij had de temperatuur van een kamer waarin niemand zich prettig voelde. Om negen uur kwam meneer Meijer van De Sluis de eerste twee stoelen halen. Hij had een nieuwe jas aan, een lichtblauwe die hem de gedecideerde uitstraling gaf van iemand die een boot ging bezichtigen. ‘Ze zijn prachtig,’ zei hij. ‘Het zijn dezelfde stoelen.’ ‘Ja, maar toch.’ Hij drukte met zijn duim op de zitting. ‘En nou kunnen ze weer tien jaar?’ ‘Als niemand erop gaat staan om de ventilator schoon te maken.’ Hij keek haar aan. ‘Dat is maar één keer gebeurd.’ Nelle hielp hem de stoelen door de voordeur. Buiten was de kade nog nat van de nachtelijke regen. De rivier was achter de geparkeerde auto’s niet te zien, maar ze rook hem: slib, blad, de vage zure lucht van stilstaand water tussen de stenen. Aan de overkant werd een gevel gewassen. Twee mannen in een hoogwerker waren langzaam bezig het verschil tussen boven en beneden zichtbaar te maken. ‘Alles goed?’ vroeg Meijer terwijl hij een spanband aantrok. ‘Ja.’ Ze had een gewoonte gemaakt van dat antwoord. Bij klanten was het efficiënt. Een zitting die verkeerd was gemeten, een gemiste levering, een verdwenen stoel: het hoorde allemaal achter de schermen te blijven. Mensen kwamen bij haar met wat thuis al niet meer goed zat. Terug binnen nam ze de werkbon van Vera Kooijmans uit het rek. Fauteuil, zandkleurig, rechter armleuning los, plaatselijk herstel zitting. Geen nieuwe bekleding. Onder opmerkingen stond in Nelles eigen handschrift: liefst vrijdag, ophalen bellen. Vandaag was vrijdag. Ze belde Bram. Hij nam op met wind in de microfoon. ‘Die stoel moet terug,’ zei ze. ‘Goedemorgen, Nelle.’ ‘Die fauteuil is van een klant.’ ‘Dat heeft Puck al gezegd. Ik ben onderweg naar een klus. Vanmiddag.’ ‘Hoe laat?’ ‘Na drieën.’ ‘Hij moet om één uur klaarstaan.’ ‘Dan bel je toch dat het iets later wordt?’ Ze sloot haar ogen. Achter haar tikte de wandklok, een dun geluid dat ze pas hoorde wanneer ze iemand niet wilde horen praten. ‘Je neemt iets uit mijn werkplaats mee en ik moet de klant bellen?’ ‘Puck had het met jou afgesproken.’ ‘Niet die stoel.’ ‘Dat kan gebeuren.’ ‘Waar staat hij?’ ‘In de voorkamer. Geen zon erop, geen koffie in de buurt, niemand is erop gaan zitten. Ik heb hem zelf neergezet.’ Dat laatste was bedoeld als garantie. Bram was goed met spullen. Hij kon een wasmachine een smalle trap op dragen zonder een muur te raken. Jarenlang had Nelle die vaardigheid verward met voorzichtigheid in het algemeen. ‘Waarom moest Puck daar foto’s maken?’ Een claxon klonk ver weg. ‘Van de spullen die mam niet meeneemt.’ ‘Waarheen?’ ‘Dat vertel ik je nog.’ ‘Vertel het nu.’ Hij zuchtte. ‘Naar een appartement. Ze is wezen kijken. Er is nog niets definitief.’ ‘En dat hoorde ik niet te weten?’ ‘Natuurlijk wel. Er was nog niks te melden.’ Nelle keek naar de lichte plek op de vloer. ‘Blijkbaar genoeg om te fotograferen.’ Bram moest de snelweg op. Hij zou haar bellen. De verbinding werd verbroken voor ze kon bepalen of hij had gewacht op toestemming. Ze had een halve dag werk aan de caféstoelen, twee afspraken en een rekening die vóór maandag betaald moest zijn. In plaats daarvan liep ze naar boven om haar jas te halen. De trap kwam uit in haar keuken. Ze bleef een ogenblik staan bij het raam boven de gootsteen. Hier had Puck vroeger haar ochtendbrood gegeten, met één been opgetrokken, terwijl Nelle beneden de deur al van het slot deed. Het huis en de werkplaats hadden nooit een duidelijke grens gehad. Zelfs de geur van lijm trok soms tot aan haar kussen. Op het aanrecht lag de envelop met de jaarafrekening van de energie. Ze had hem gisteren geopend, het bedrag gezien en daarna onder een folder geschoven. Ze trok hem eronder vandaan en legde hem midden op tafel. Daar kon hij tenminste niet verdwijnen. Toen ze beneden kwam, stond er iemand voor de etalage. Vera Kooijmans droeg een donkergroene regenjas en hield haar hand bij de ruit om naar binnen te kijken. Haar gezicht veranderde toen ze Nelle zag, van onderzoekend naar verontschuldigend, alsof kijken naar haar eigen stoel onbeleefd was. Nelle deed open. ‘Ik ben vroeg,’ zei Vera. ‘Er viel iets uit.’ ‘Komt u binnen.’ Vera keek langs haar heen naar de lange plank. ‘Hij stond daar.’ ‘Ja.’ ‘Is er iets mee?’ Nelle had kunnen zeggen dat hij nog in de achterruimte stond. Er was geen achterruimte, maar dat wist Vera niet. Ze kon haar koffie aanbieden, een tijdstip noemen, de ochtend gladstrijken. ‘Mijn dochter heeft hem meegenomen,’ zei ze. ‘Per ongeluk. Ik ga hem nu ophalen.’ Vera trok haar handschoenen langzaam uit. ‘Meegenomen waarheen?’ ‘Naar een huis waar ze foto’s maakt. Er is niets mee gebeurd. Dat heb ik net nagevraagd.’ ‘Heeft ze hem gefotografeerd?’ ‘Dat weet ik nog niet.’ De vrouw knikte één keer. Haar mond werd smaller, maar ze verhief haar stem niet. ‘Ik had juist gevraagd of u even zou bellen.’ ‘Dat klopt. Het spijt me.’ ‘Ik wil niet dat er een foto van die stoel ergens staat.’ Nelle wilde zeggen dat niemand een stoel zou herkennen, maar ze hoorde de zin al voordat ze hem uitsprak. Ze had geen idee wie Vera Kooijmans kende. Ze wist alleen welke veer in haar fauteuil loszat. ‘Ik zorg dat die foto nergens gebruikt wordt.’ Vera deed haar handschoenen weer aan. ‘Dan ga ik met u mee.’ Hoofdstuk 2 — Een stoel voor de foto Vera paste de autogordel aan zonder iets te zeggen. Nelles bestelwagen had geen bekleding op de binnenkant van het portier. Ze had die er drie maanden eerder afgehaald omdat het raam slecht sloot, en daarna had ze er iets beters voor willen maken. Dat iets beters lag nog als een rol grijs vilt boven op een kast. ‘Hij is een beetje kaal,’ zei Nelle. ‘Hij rijdt toch?’ Ze reden langs het water naar de Buitenweg. De ruwe rand van het portier gaf bij elke bocht een droog rammeltje. Nelle dacht aan de caféstoelen en de nietjes die nog uit de onderkant moesten. Daarna dacht ze aan de foto’s. Ze wist heel goed dat Puck in haar haast de verkeerde stoel had kunnen kiezen. Moeilijker te begrijpen was dat Bram de deur had opengedaan en de fauteuil had opgetild zonder haar te bellen. Er was een verschil tussen iemand vertrouwen en ervan uitgaan dat alles van diegene beschikbaar was. Ze had het verschil nooit zo scherp willen bekijken. ‘Mijn dochter is fotograaf,’ zei ze. ‘Onder andere.’ ‘Doet ze dat goed?’ ‘Ja.’ ‘Dan zou het een mooie foto kunnen zijn.’ Nelle keek opzij. Vera keek door de voorruit. ‘Maar u wilt hem niet gebruikt hebben.’ ‘Dat zijn twee verschillende dingen.’ De Buitenweg was een straat die zijn naam had overleefd. Er stond nu een supermarkt achter het huis van Els en er liep een fietspad langs de tuin, maar toen Bram er was opgegroeid, had je achter de schuur nog weiland gehad. Hij vertelde dat graag. Hij vertelde het ook wanneer niemand naar buiten keek. Els deed de deur open voordat Nelle had aangebeld. Ze had een schort aan over een nette broek, een combinatie waarmee ze al haar leven liet zien dat ze voorbereid was op zowel bezoek als bietensalade. ‘Daar ben je,’ zei ze. Haar blik schoof naar Vera. ‘O.’ ‘Ik kom die stoel halen. Hij is van mevrouw Kooijmans.’ ‘Natuurlijk. Komt u verder.’ Els stapte opzij en hield de deur wijd open. Ze was kleiner geworden, merkte Nelle. Niet in lengte misschien, maar in de manier waarop ze ruimte innam. Ze hield haar elleboog dichter bij haar lichaam. Nelle voelde een steek van bezorgdheid, direct gevolgd door irritatie omdat die bezorgdheid zo gemakkelijk de hele kamer kon overnemen. De fauteuil stond voor het raam, naast een laag tafeltje dat Nelle kende. Ze had dat tafeltje jaren geleden opnieuw geschuurd, op een zondag waarop Bram de voetbal had willen zien. Op de zitting van de fauteuil lag een opgevouwen plaid. Op het tafeltje stond een vaas met drie takken. Vera liep naar haar stoel en tilde de plaid op. Ze streek over de armleuning. ‘De naad zit goed,’ zei ze. Nelle boog voorover. Geen vlekken, geen beschadiging. Een papieren kaartje hing met touw aan de poot. Ze draaide het om. K12. ‘Wat is dit?’ vroeg ze. Els keek naar het kaartje. ‘Een nummer voor de lijst. Puck heeft alles genummerd.’ ‘Deze stoel staat op een verkooplijst?’ ‘Nee, die was voor het beeld. Dat zei Bram. Ik weet niet precies hoe dat werkt.’ ‘Waarom hangt er dan een nummer aan?’ Els pakte het kaartje aan, alsof Nelle haar een bon had gegeven die moest worden gecontroleerd. ‘Misschien heeft ze het verkeerd begrepen.’ Vera ging in de stoel zitten. Ze zakte een beetje naar links, rechtte zich en legde haar handen op de armleuningen. Nelle had de rechter arm opnieuw vastgezet, maar nu zag ze pas hoe Vera die werkelijk gebruikte: niet als steun om comfortabel te zitten, maar om overeind te komen. ‘Deze hoogte is goed,’ zei Vera. ‘Lager kom ik niet meer uit zonder hulp.’ ‘Hij is heel mooi,’ zei Els. ‘Hij is van mijn moeder geweest.’ Els knikte met de plechtigheid waarmee vrouwen van hun leeftijd elkaars moeders erkenden. Terwijl Vera haar tas pakte, keek Nelle de kamer rond. Het vloerkleed was opgerold en tegen de kast gezet. Op de eettafel lagen stapels boeken. Er stonden gekleurde stickers op vazen, lampen, een tinnen schaal. De lage bank onder de klok had een gele sticker op de hoek. Nelle had de zitting drie winters geleden vervangen. Ze herinnerde zich de groene wol die Els had uitgezocht, en hoe Bram had gezegd dat het geld wel kwam wanneer de erfenis van een verre neef was afgehandeld. Er was inderdaad een neef overleden. Of zijn erfenis ooit was afgehandeld, wist ze niet. ‘Gaat alles weg?’ vroeg ze. ‘Niet alles. Er passen alleen niet zoveel spullen in de woning waar ik naar gekeken heb.’ ‘Je had iets kunnen zeggen.’ ‘Ik wilde wachten tot ik het zelf wist.’ ‘Maar Bram weet het wel.’ Els legde het kaartje op tafel. ‘Bram is mee geweest.’ Het was een eenvoudige zin. Nelle kreeg hem toch niet meteen verwerkt. Vijf jaar gescheiden en soms vergat ze nog dat er een kring bestond waarin zij niet vanzelfsprekend hoorde. Bij verjaardagen deed ze de koffie. Als Els naar het ziekenhuis moest, reed zij. Als er een appartement werd uitgezocht, ging Bram mee. Vera stond al bij de deur. Nelle liep met Els de fauteuil naar de gang, maar bij de drempel trok Els haar hand terug. ‘Mijn pols.’ ‘Laat maar.’ Nelle zette de stoel neer. De gang was smaller dan ze had gedacht. Ze had hier vroeger kinderwagens doorheen geduwd, dozen kerstversiering gedragen en één keer Bram naar binnen geholpen toen hij zijn enkel had omgeslagen. Alles werd smaller als er een stoel door moest. Een buurman in pantoffels kwam helpen. Hij zei dat hij toch buiten was, hoewel hij duidelijk uit zijn woonkamer kwam. Toen de stoel eenmaal in de bus stond, bleef hij nog een minuut vertellen over een fauteuil die hij zelf bezat. Nelle bedankte hem tweemaal voordat hij begreep dat de tweede keer afscheid betekende. ‘Kom je zondag?’ vroeg Els bij de voordeur. ‘Waarom?’ ‘Eten.’ ‘Ik weet het niet.’ ‘Ik heb al vlees gehaald.’ Vera zat weer in de bus. Nelle hield haar hand op de deurstijl. ‘Er gaat blijkbaar van alles gebeuren. Misschien moeten we eerst praten.’ Els keek naar de stoep. ‘Dat lijkt me verstandig.’ Het klonk alsof ze op Nelle had gewacht. Op de terugweg gaf Vera een adres op dat niet op de werkbon stond. Een straat bij het oude station. Nelle reed er zonder vraag heen, maar toen ze parkeerde voor een portiek met gele bakstenen, zei ze: ‘Daar woonden we vroeger om de hoek.’ ‘Het is tijdelijk,’ zei Vera. Nelle zette de motor uit. De stilte na het rammelen was haast een extra stoel in de cabine. ‘Is de stoel voor u?’ ‘Ja.’ ‘Ik dacht dat u iets over uw kleindochter zei.’ ‘Zij heeft geholpen met zoeken.’ Het was zo. Vera had nooit gezegd dat de fauteuil voor haar kleindochter was. Nelle had een losse mededeling zelf afgemaakt en op de werkbon alleen het adres gezet dat ze al kende. ‘Ik ga een poosje hier wonen,’ zei Vera. ‘Mijn man blijft thuis. We moeten daar nog aan wennen.’ Nelle knikte. Ze vroeg niet waarom. Ze voelde wel een schaamte die groter was dan de fout met de stoel. Ze had de afgelopen ochtend vooral aan haar eigen last gedacht. Het appartement lag op de begane grond. In de woonkamer stonden een smal bed, een campingtafel en een lamp waarvan het snoer met plakband was vastgezet. Twee dozen stonden open. Op één ervan had iemand met grote letters PANNEN geschreven; er zat een stapel handdoeken in. ‘Mijn kleindochter pakt enthousiast in,’ zei Vera. Ze zetten de fauteuil bij het raam. Vera ging zitten en keek naar de lege muur tegenover haar. Er was niemand om te zeggen dat de stoel daar onhandig stond. ‘Zo,’ zei ze. Nelle bleef staan met de verhuisdeken in haar armen. ‘Ik breng geen bezorgkosten in rekening.’ ‘Dat was ik ook niet van plan te betalen.’ Vera keek haar aan en glimlachte voor het eerst. Nelle trok het kaartje K12 uit haar jaszak. Ze had het op het laatste moment van Els’ eettafel meegenomen. Het touwtje hing er nog aan. Ze propte het diep in haar zak en beloofde dat ze de foto zou laten verwijderen. Toen ze terugkwam bij de werkplaats, stond Bram tegen haar voordeur geleund. Hij hield twee broodjes in een papieren zak. ‘Ik had toch een gaatje,’ zei hij. Hoofdstuk 3 — Wat er op papier staat Het broodje dat Bram voor haar had gekocht, zat vol eiersalade. Dat was ooit haar favoriete broodje geweest. Sinds haar maag op onvoorspelbare momenten begon te doen alsof ze een kapotte accordeon had ingeslikt, at ze tussen de middag meestal gewoon kaas. Bram kon dit niet weten. Hij had het wel kunnen vragen. Ze legde de zak op de snijtafel. ‘De stoel is terug bij de eigenaar.’ ‘Mooi.’ ‘Ze was hier om hem te halen.’ ‘Dat is vervelend.’ Hij trok een kruk naar zich toe, maar ging niet zitten. Hij droeg zijn werkbroek met de donkere kniestukken. Op zijn hand zat een kleine snee die nog vers leek. Nelle wist hoe hij aan zulke sneden kwam: hij begon ergens aan voordat het gereedschap klaar lag en gebruikte vervolgens iets wat bijna geschikt was. ‘Wat wil Els verkopen?’ vroeg ze. ‘Een deel van de inboedel. Het huis. Op termijn.’ ‘En dit pand?’ Bram keek naar de etalageruit. Er liep een vrouw met twee honden voorbij. De honden wilden allebei een andere kant op en de vrouw stond ertussen met het gezicht van iemand die zich ooit op gezelschap had verheugd. ‘Daar moeten we het over hebben.’ Nelle liet haar vingers op de rand van de tafel rusten. De verf was daar verdwenen op de plek waar ze altijd stond te knippen. ‘Jij moest me dus niet alleen iets vertellen over een appartement.’ ‘Mam wil overzicht. Ze heeft dat huis en dit pand. Er is onderhoud. Ze krijgt het niet meer rond.’ ‘Ze krijgt van mij huur.’ ‘Ja.’ ‘Elke maand.’ ‘Dat weet ik.’ Hij zei het zo geduldig dat Nelle haar handen van de tafel haalde. Die geduldige toon had hun laatste getrouwde jaar gevuld. Ze had zich er steeds in teruggevonden als een ingewikkeld apparaat waarvan Bram de handleiding kwijtraakte. ‘Heeft iemand al naar dit pand gekeken?’ ‘Van buiten. Een makelaar heeft een inschatting gemaakt.’ ‘Wanneer?’ ‘Vorige week.’ ‘Ik was hier vorige week.’ ‘Hij is niet binnen geweest.’ ‘Maar Puck heeft wel foto’s gemaakt.’ ‘Dat was iets anders.’ Nelle pakte haar telefoon. Puck had een bericht gestuurd. Sorry van die stoel. Echt. Ik zit nu in de trein. Daaronder een link, met: Dit is alleen de opzet, nog niet openbaar. Ze opende hem. Op het scherm verscheen een rustige witte pagina. Een lamp, een schaal, de groene bank van Els. Dan haar eigen werkplaats, gezien vanaf de voordeur. Het licht viel er prachtig. De caféstoelen waren uit beeld geschoven en de bak met afvalstof stond achter een kast. Het zag eruit als een plek waar iemand veel geld aan rust had uitgegeven. Onder de foto stond: Een nieuw hoofdstuk voor de Noorderkade. Ze hield Bram het scherm voor. Hij las het. ‘Dat is een presentatie. Om te kijken wat mogelijk is.’ ‘Voor wie?’ ‘Een paar mensen die belangstelling hebben. Voor de inboedel, en misschien voor het pand. Puck wilde het netjes doen.’ Nelle scrolde verder. Kleine werkplaats met bovenwoning. Karakteristieke ruimte. Oplevering in overleg. Ze las die laatste woorden tweemaal. Er stond gelukkig geen datum. Toch voelde de zin als iemand die al in haar gang stond met een meetlint. ‘Met wie wordt dat overlegd?’ ‘Met jou, uiteraard.’ ‘Dan ben ik blijkbaar de volgende.’ Bram ging nu wel op de kruk zitten. ‘Ik ben hier toch?’ Ze dacht aan al die jaren waarin iets pas bespreekbaar werd nadat er een begin mee was gemaakt. De vakantie geboekt voordat ze haar opdrachten had gepland. Het gereedschap gekocht voordat ze samen naar de rekening keken. Puck opgegeven voor een kamp omdat ze zelf nog twijfelde. Er zat altijd een vriendelijk argument achter, en er lag altijd al iets vast. ‘Ik heb hier werk,’ zei ze. ‘Dat ontkent niemand.’ ‘En ik woon hier.’ ‘Nelle, niemand zet je morgen op straat.’ ‘Dat hoef je ook niet te zeggen om me ergens buiten te houden.’ Hij pakte de papieren zak, keek erin en schoof hem terug. ‘Er is nog een andere kant. Mam heeft je jarenlang een lage huur laten betalen. Pap heeft destijds die hele ruimte voor je geschikt gemaakt. Als je nu in Rietdam iets vergelijkbaars zoekt—’ ‘Ik heb er werk voor gedaan.’ ‘Ja. Dat moeten we ook bekijken.’ ‘Dat hebben we bekeken. Jarenlang. Bij elke stoel zei jij dat het goedkwam.’ Hij trok zijn telefoon uit zijn zak en zocht een bestand. ‘Ik heb een overzicht gemaakt.’ Nelle moest bijna lachen. Ze wist nog niet waarom. Op zijn scherm stonden kolommen. Huur, onderhoud, investeringen. Onderin een regel met: Werkzaamheden Nelle, nader vast te stellen. Er stond geen bedrag naast. ‘Dat is het overzicht?’ ‘Een begin.’ ‘De andere bedragen zijn geen begin.’ ‘Die stonden in de bankgegevens.’ ‘Mijn uren staan in mijn schrift.’ ‘Dan zetten we die erbij.’ Hij zei het zonder spot. Dat maakte het moeilijker. Bram kon werkelijk geloven dat hij zorgvuldig was omdat hij een lege cel had opengelaten. Nelle liep naar de kast naast het bureau. Het blauwe schrift zat onder de oude prijslijsten. Ze trok het eruit, maar sloeg het niet open. In de kaft zat een vettige afdruk van haar duim. Ze wist dat er niet alleen gewerkte uren in stonden. Er stonden ook boodschappenlijstjes in, een telefoonnummer zonder naam, de maten van een gordijn dat ze nooit had gemaakt. Ze had al die tijd gedacht dat het voldoende was om zelf te weten wat ze had gedaan. ‘Stuur me dat overzicht,’ zei ze. ‘Goed.’ ‘En Puck haalt die presentatie uit de lucht.’ ‘Hij staat niet openbaar.’ ‘Iedereen met de link kan kijken.’ ‘Een paar mensen hebben hem.’ ‘Wie?’ Bram noemde een man die meubels verkocht, een makelaar en een kennis van Els. Drie mensen. Nelle wilde weten waarom drie ineens voelde als een zaal. ‘Je vraagt ze het bestand niet te gebruiken. En mijn werkplaats gaat eruit.’ Hij knikte. ‘Dat regel ik.’ Ze geloofde hem. Dat was niet het probleem. Hij regelde dingen graag. Toen hij weg was, belde Inge. Ze vroeg of Nelle zondag meeging naar hun vader. Hun vader woonde sinds een jaar in een flat met een lift waarin hij volgens eigen zeggen niet paste, hoewel er naast hem gemakkelijk drie boodschappentassen konden staan. ‘Ik kan niet,’ zei Nelle. ‘Je hebt mij gevraagd het te organiseren.’ ‘Er is iets tussengekomen.’ ‘Wat?’ Nelle vertelde het. Ze vertelde alles vanaf de lege plek op de vloer tot het bestand op Brams telefoon. Tijdens het vertellen liep ze rond. Ze ruimde een schaar op, zette een fles lijm recht en trok een draad van de naaimachine die er niet af hoefde. Inge liet haar uitspreken. ‘Heb je een huurcontract?’ vroeg ze daarna. ‘Ja. Oud.’ ‘En iets over die meubels?’ ‘Dat is afgesproken.’ ‘Dat vroeg ik niet.’ Nelle keek naar het blauwe schrift. ‘Kom je morgen even?’ ‘Ik heb de kinderen. En ’s middags hockey.’ ‘Een uurtje maar.’ Inge zweeg lang genoeg om het woord maar in de kamer te laten hangen. ‘Van tien tot twaalf,’ zei ze. ‘Daarna moet ik weg. Zorg dat je alles klaar hebt.’ Nelle bedankte haar en legde het schrift naast de laptop. Ze opende het bestand dat Bram inmiddels had gestuurd. In de bestandsnaam stond versie drie. Ze keek er een tijdje naar. Toen pakte ze een rood potlood en sloeg haar eigen schrift open. Hoofdstuk 4 — De kamers van Els Om halfzes ging Nelle alsnog naar Els. Ze had eerst de caféstoelen afgemaakt. Vier uur lang had ze oud materiaal losgetrokken, gaten gecontroleerd en de nieuwe stof strak over het hout gelegd. Het werk had haar rustiger gemaakt. Misschien ook koppiger. Bij meubels kon je meestal terugvinden waar iets was misgegaan. Een draad volgde een route. Een poot die scheef stond, had ergens speling. Els zat in de keuken met een mand sperziebonen. De peulen lagen in keurige bosjes op een theedoek. Ze keek niet verrast toen Nelle binnenkwam. ‘Bram heeft gebeld.’ ‘Dat dacht ik al.’ ‘Ik wilde jou zelf vertellen van het appartement.’ Nelle hing haar jas over een stoel. Ze was vijf jaar geleden opgehouden haar jas in de gang op te hangen. Dat had ze destijds een kleine, zinvolle verandering gevonden. Het betekende dat ze op bezoek was. Vervolgens was ze blijven koken, kerstbomen versieren en gordijnen wassen. ‘Wanneer?’ vroeg ze. Els legde een boon neer. ‘Als ik wist of het doorging.’ ‘Ga je?’ ‘Ik denk het wel.’ ‘Vind je het leuk?’ Els keek naar de achterdeur. ‘Er is een lift. En een balkon waar twee stoelen op kunnen. De slaapkamer is aan de stille kant.’ Het was geen antwoord op de vraag, maar Nelle zag dat ze er niet dichterbij zou komen door hem nog eens te stellen. Ze ging zitten en pakte een hand bonen. De uiteinden knapten gemakkelijk af. Aan de keukenmuur hing nog steeds de kalender van Joops laatste jaar, achter een nieuwere kalender die kleiner was. Van de oude zag je alleen de gekartelde rand en onderaan een foto van een meer. Nelle had ooit aangeboden hem weg te halen. Els had gezegd dat dat niet hoefde. ‘Er zijn dingen die ik wil houden,’ zei Els. ‘Maar ik kan niet alles houden omdat iemand er ooit iets mee heeft gedaan.’ ‘Dat vraag ik ook niet.’ ‘Bij die bank keek je zo.’ ‘Omdat ik die heb gemaakt en nooit betaald ben.’ Els legde haar handen in haar schoot. Ze had nog een boon tussen haar vingers. ‘We hebben jou veel gegeven, Nelle.’ ‘Dat weet ik.’ ‘Je kon daar beginnen zonder dat je wist of het iets werd. Joop heeft dagen aan de elektriciteit gewerkt. En toen Puck klein was—’ ‘Dat weet ik allemaal.’ ‘Je zegt het alsof het niets is.’ Nelle liet de bonen op de theedoek vallen. Een uiteinde rolde naar de suikerpot. ‘Ik zeg dat ik voor die bank betaald wil worden. Dat maakt de rest niet kleiner.’ Els schoof de mand naar zich toe. ‘Bram zei altijd dat jullie het samen bijhielden.’ ‘Hij zei tegen mij dat jij het met hem regelde.’ Ze zaten een ogenblik zonder te bewegen. Door het open keukenraam klonk een scooter die te vroeg optrok voor de bocht. Els fronste, dezelfde frons die ze vroeger had gehad wanneer Puck haar vork met de tanden naar boven op tafel legde. ‘Er is nooit iemand geweest die zei dat iets niet klopte,’ zei ze. ‘Ik zeg het nu.’ Nelle hoorde hoe hard dat klonk. Ze wilde het niet zachter maken, maar ze wilde ook niet dat Els zich alleen die zin zou herinneren. Ze pakte een boon en knakte hem doormidden. ‘Ik wil weten welke afspraken er zijn. Over mijn werk. Over het pand. En wat jullie van mij verwachten.’ ‘Dat je me helpt.’ Het kwam zo eenvoudig dat Nelle bijna haar hand uitstak. ‘Waarmee?’ ‘Met weggaan.’ Nu keek Els haar wel aan. Haar ogen waren niet nat. Dat zou makkelijker zijn geweest. Nelle had jarenlang precies geweten wat ze moest doen wanneer iemand huilde. Ze pakte een doek, zette thee, nam een taak over. Een gewone, heldere blik liet haar minder ruimte. ‘Ik kan niet meer naar boven zonder halverwege te rusten,’ zei Els. ‘Ik vergeet spullen boven, en dan loop ik alsnog die trap op. In de winter stook ik kamers warm waar ik niet kom. Het dak moet ergens aandacht hebben. Die man heeft het uitgelegd, maar ik ben vergeten waar precies. Ik hoor alleen bedragen.’ Nelle knikte langzaam. ‘Waarom zei je het niet?’ Els keek even opzij. ‘Omdat jij dan kwam.’ Dat was een beschuldiging waar Nelle geen antwoord op had. Ze had gedacht dat komen juist bewees dat ze betrouwbaar was. ‘Je ging dan kijken naar de lekkage,’ zei Els. ‘Je zette de dozen in de andere kamer, maakte de dakgoot schoon of belde iemand. Dan ging het weer. Ik wil misschien dat het ergens anders gaat.’ Ze maakten de bonen af. Els zette water op en haalde twee borden uit de kast. Nelle zei niet dat ze niet zou blijven eten. Ze had honger, en er was geen principiële reden om honger te houden. De kip was te droog. Els zei dat het door de oven kwam. Nelle zei dat de oven al twintig jaar de schuld kreeg. Voor het eerst die dag lachten ze allebei. Na het eten liet Els haar de kamers zien. De voorkamer was bijna kaal door de verplaatste spullen. De vensterbank, waar altijd planten hadden gestaan, had lichte cirkels. Nelle voelde een onaangename herkenning bij die afdrukken. ‘Puck heeft een lijst,’ zei Els. ‘Alles wat weg kan. Er komt misschien een verkoopdag hier. Dat leek makkelijker dan mensen los over de vloer.’ ‘Wie heeft dat bedacht?’ ‘Die handelaar. Gert. Hij koopt eventueel wat overblijft. Voor een bedrag.’ ‘Welk bedrag?’ Els noemde het. Nelle keek naar de bank, de lamp naast de kast, het eiken kastje dat ze samen met Joop uit elkaar had gehaald omdat er houtworm in één plank zat. Het bedrag was niet belachelijk laag voor tweedehands spullen. Het was alleen veel minder dan het werk dat erin zat. ‘Dat is geen prijs voor wat het mij heeft gekost,’ zei ze. ‘Dat betaalt iemand ook niet.’ Nelle keek haar scherp aan, maar Els haalde alleen haar schouders op. Het was geen verwijt. Voor één keer was het een constatering die hen allebei trof. Op de bovenverdieping opende Els een kleine kamer. Daar stond de oude berken stoel die Nelle ooit als proefstuk had gemaakt. Ze bleef in de deuropening staan. ‘Ik dacht dat die beneden in mijn werkplaats stond.’ ‘Nee. Dat is die andere. Van tante Cor.’ Nelle liep naar de stoel. De stof was verschoten, met bloemen die ooit rood waren geweest. Onder de zitting zat een kleine scheve plooi. Ze had hem destijds niet durven loshalen omdat ze bang was dat de stof zou scheuren. Joop had gezegd dat niemand onder een stoel kroop om een plooi te zoeken. ‘Deze zou ik graag terug hebben,’ zei ze. Els aarzelde. ‘Ik dacht dat je hem aan Joop had gegeven.’ Nelle wilde meteen ontkennen. Toen zag ze Joop weer op die stoel zitten, met een krant op zijn knie en zijn schoenen nog aan. Ze hoorde zichzelf zeggen: Voor alle moeite. Ze had het op een middag gezegd waarop ze eindelijk haar eerste opdracht had afgemaakt. ‘Ja,’ zei ze. ‘Dat kan.’ ‘Je mag hem hebben. Ik bedoel alleen dat ik hem niet voor jou bewaarde.’ Nelle streek over de gebogen houten arm. Ze had in haar hoofd een lijst gemaakt van dingen die anderen haar verschuldigd waren. Sommige dingen stonden daar al zo lang op dat ze niet meer wist wie ze er had neergezet. Beneden schreef Els het adres van de nieuwe woning op een envelop. Ze legde er een sleutel naast. ‘Er staat nog niks. Je mag gaan kijken als je wilt.’ Nelle schoof de sleutel een stukje terug. ‘Ga je een keer met me mee?’ Els keek op, bijna verbaasd. ‘Ja. Dat kan ook.’ Hoofdstuk 5 — Het blauwe schrift Inge kwam zaterdag om drie minuten voor tien. Ze zette haar tas op de stoel naast het bureau en haar telefoon met het scherm omlaag op tafel. ‘Koffie?’ vroeg Nelle. ‘Graag. En daarna de papieren.’ ‘Ik heb koek.’ ‘Nelle.’ Ze dronken de koffie uit mokken die niet bij elkaar pasten. Inge had haar haar opgestoken met een potlood. Ze werkte op de administratie van een school, maar mensen die haar niet kenden, dachten soms dat ze lesgaf. Dat kwam door haar vermogen om stil te blijven tot iemand ophield zich eruit te praten. Nelle had het huurcontract, bankafschriften en het blauwe schrift op tafel gelegd. Daarnaast lag een stapeltje losse bonnen, bijeengehouden met een elastiek dat bij aanraking brak. ‘Dat is symbolisch,’ zei Inge. ‘Kunnen we zonder symboliek?’ ‘Graag.’ Ze begonnen met het contract. Het was een oud document, getekend toen Joop nog leefde. De huur betrof de bedrijfsruimte en de bovenwoning samen. Er was later een korte aanvulling gekomen, met een nieuw bedrag en een afspraak over klein onderhoud. Over stoffeerwerk stond alleen een verwijzing naar onderling overeen te komen verrekening. Inge legde het papier neer. ‘Hier moet iemand naar kijken die dit voor zijn werk doet.’ ‘Dat doe jij toch ook?’ ‘Ik betaal rekeningen voor een school. Ik wil niet dat je straks zegt dat je zus het had uitgezocht.’ ‘Dat zou ik niet zeggen.’ Inge keek haar aan. ‘Goed,’ zei Nelle. ‘Iemand anders.’ Ze maakten een lijst. Wat was van Nelle, wat was van Els, welk werk was aantoonbaar gedaan, welke betaling hoorde waarbij. Het bleek onmogelijk om dat in vier keurige kolommen te houden. Bij de groene bank stond een datum, een bedrag voor stof en veertien uren. Bij een set stoelen stond alleen: zes voor Els, nog doen. Nelle wist zeker dat ze die had gedaan. Ze herinnerde zich de blauwe nietjes die onder de oude bekleding hadden gezeten. Inge wilde een foto, een bericht of een rekening van de stof. ‘Ik heb ze toch niet verzonnen.’ ‘Dat zeg ik niet.’ ‘Je doet alsof ik alles moet bewijzen.’ ‘We proberen uit te zoeken wat er is afgesproken. Je geheugen is daar een onderdeel van.’ Nelle sloeg harder dan nodig een bladzijde om. Er stond een tekening van een konijn in de kantlijn, gemaakt door Puck toen ze nog klein was. Ze streek er met haar duim over en begon toen te zoeken in de oude foto’s op haar laptop. Tussen kersttafels en vakanties doken de meubels op. Een bank in de achtergrond van een verjaardag. Een kruk naast Joops ziekenhuisbed. De gordijnen die ze had ingekort toen Els nieuwe radiatoren kreeg. Nelle maakte een map en gaf de bestanden nieuwe namen. Voor het eerst zag ze haar werk als een reeks leveringen. Het voelde onvriendelijk. Ook overzichtelijk. Bij de verbouwing van de keuken bleef Inge hangen. ‘Dit bedrag is aan jou betaald.’ ‘Voor materiaal.’ ‘Er staat niks bij.’ Nelle zocht verder. Ze vond een bericht van Bram: Mam heeft twaalfhonderd overgemaakt, dan zijn we weer bij. Daaronder haar eigen antwoord: Dank, fijn. Ze las het drie keer. De woorden veranderden niet. ‘Dat kan voor die stoelen zijn geweest,’ zei ze. ‘Weet je dat?’ ‘Nee.’ Inge schreef er een vraagteken bij. Ze deed dat zorgvuldig, met een rechte poot en een losse stip. Nelle kreeg er onredelijk veel hekel aan. ‘Hoeveel uur heeft Puck aan die presentatie gewerkt?’ vroeg Inge. ‘Geen idee.’ ‘Wordt ze betaald?’ ‘Dat regelt Bram.’ Inge legde haar pen neer. ‘Wat?’ vroeg Nelle. ‘Hoor je wat je zegt?’ ‘Dat is niet hetzelfde.’ ‘Misschien niet. Wanneer heb jij haar voor het laatst betaald voor foto’s van je werk?’ Nelle keek naar de etalage. De drie foto’s die daar hingen, had Puck gemaakt. De website ook, grotendeels. Nelle had gezegd dat ze haar zou helpen wanneer ze een tafel nodig had, of iets voor haar woning. Puck had nog geen eigen woning. Ze woonde in een kamer boven een winkel en at twee keer per week bij haar vader. ‘Ze doet dat graag,’ zei Nelle. Inge liet de zin liggen. Om halfelf kwam Puck binnen met haar fietshelm nog in haar hand. Ze droeg grote zilveren oorbellen en een jas die Nelle ooit had gerepareerd. De voering bij de mouw was weer los. ‘Ik heb de presentatie dichtgezet,’ zei ze. ‘Gert heeft een nieuwe link zonder de werkplaats. Pap ook. De foto van die fauteuil is weg.’ ‘Ook uit de bestanden die al gestuurd waren?’ ‘Ik kan niet bij iemand anders in de computer. Ik heb ze gevraagd hem te verwijderen.’ Nelle knikte, maar niet vriendelijk genoeg. Ze zag hoe Puck haar schouders optrok. ‘Ik dacht echt dat ik toestemming had.’ ‘Je had toestemming voor één kapotte stoel.’ ‘Je zei: neem die stoel maar mee voor de achtergrond. Je zei niet dat ik iets moest meenemen waar iemand doorheen zou zakken.’ ‘Ik wees naar de kast.’ ‘Ik was boven toen je dat zei.’ Nelle wist nog dat ze aan de telefoon was geweest, dat ze tegelijk een factuur zocht, dat Puck ergens in huis rondliep. Ze kon niet meer reconstrueren of haar dochter de wijzende hand had gezien. ‘Je had het moeten vragen.’ ‘Dat heb ik gedaan. Aan pap.’ ‘Het was mijn werkplaats.’ ‘Ja.’ Puck legde haar helm op tafel. ‘Dat weet ik nu heel goed.’ Inge schoof een mok opzij zodat er ruimte was voor de helm. ‘Hoe ging je gesprek?’ vroeg ze. Puck keek haar aan. ‘Goed. Denk ik. Het is voor een kleine meubelmaker. Twee dagen per maand. Productfoto’s en soms helpen bij de presentatie.’ Nelle voelde een korte, onhandige trots. Ze had nog niet naar het gesprek van gisteren gevraagd. ‘Dat is mooi,’ zei ze. ‘Ja.’ ‘Wat willen ze zien?’ ‘Mijn werk.’ Puck zei het vlak. Daarna trok ze haar jas uit en ging zitten. ‘Zeshonderdvijftig euro,’ zei ze. ‘Dat is wat ik met oma heb afgesproken voor alles. Foto’s, de lijst, de verkoopdag. Het is eigenlijk te weinig. Maar het is oma.’ ‘Waarom zei je dat niet?’ ‘Omdat jij altijd zegt dat ik niet alles gratis moet doen. Dan krijg ik weer dat gesprek.’ Inge keek naar haar papier. Nelle was haar er dankbaar voor. ‘Mijn foto’s moet je ook nog rekenen,’ zei Nelle. Puck trok een wenkbrauw op. ‘Nu?’ ‘Niet vandaag. Stuur een rekening.’ ‘Een echte?’ ‘Een echte.’ Puck leunde achterover. ‘Dan gaan we eerst afspreken welke foto’s jij wilt gebruiken. Anders krijg je over tien jaar een blauw schrift.’ Inge begon te lachen. Nelle niet meteen. Toen wel, kort en schor, alsof ze het lachen ergens onder vandaan moest trekken. Ze werkten een uur met zijn drieën. Puck vond in oude digitale mappen beelden die Nelle zelf nooit had teruggevonden. De groene bank was inderdaad drie jaar geleden gemaakt. Het berken stoeltje bleek op een foto te staan met een kaart eraan: Voor Joop. Nelle liet het bestand staan. Ze zou het niet uit de lijst verwijderen omdat het haar niet goed uitkwam. Om vijf voor twaalf pakte Inge haar tas. ‘Nog één ding,’ zei Nelle. ‘Stuur maar.’ ‘Het duurt een minuut.’ ‘Dat geloof ik. Ik moet nu gaan.’ Ze gaf haar zus een kus op haar wang, Puck een tik tegen de schouder en liep weg. Nelle keek haar na. De deur viel dicht. Op tafel bleef een blad achter met heldere kolommen en verschillende vraagtekens. Puck pakte haar helm. ‘Ik kom maandag voor de rest,’ zei ze. ‘Als je dat wilt.’ Nelle dacht even na. ‘Van twee tot vier?’ ‘Goed.’ Ze schreef het in haar agenda voordat haar dochter vertrok. Hoofdstuk 6 — Een nieuwe voordeur Vera belde maandag om tien uur. Er zat een veer die geluid maakte wanneer ze opstond. Nelle zei dat ze die middag kon komen, maar Vera vroeg of het de volgende dag mocht. ‘Mijn man komt vanmiddag.’ Ze zei het zonder uitleg, alsof Nelle het in een agenda kon zetten onder glazenwasser of meteropnemer. Dinsdag nam Nelle een kleine gereedschapstas mee. Vera had intussen een tafel gekocht. Er stonden twee stoelen omheen die niet op elkaar leken. Op het aanrecht stond een koffiezetapparaat waarvan de stekker nog met een wit ijzerdraadje om het snoer vastzat. ‘Ik drink thee,’ zei Vera. ‘Maar hij niet.’ Nelle zette de fauteuil op zijn rug. Onder de zwarte stof klonk een zacht tikje. Ze haalde een hoek los en vond de veer die tegen een kram schuurde. Ze had er een stukje vilt tussen moeten zetten. Een kleine fout, helemaal van haarzelf. Vera bracht thee in een glas. ‘Mijn moeder heeft die bekleding ooit zelf uitgezocht,’ zei ze. ‘Ze was klein. Er is toen iets aan de poten gedaan.’ ‘Dat heb ik gezien. Er zitten nu blokjes onder, maar de poten zijn ooit ingekort.’ ‘Mijn vader vond dat zonde. Ze zei dat hij dan maar eens met zijn voeten boven de grond moest zitten.’ Nelle hield de veer opzij en schoof het vilt ertussen. Ze dacht aan alle meubels die werden gekocht voor een huis, een stijl, een verhouding tot andere meubels. Het lichaam kwam meestal later aan de beurt. ‘Was het goed gisteren?’ vroeg ze, zonder op te kijken. Vera ging op de stoel bij de tafel zitten. ‘Hij vroeg wanneer ik weer thuiskwam.’ ‘En?’ ‘Ik zei dat ik dat nog niet wist.’ Nelle hoorde de teleurstelling in haar eigen stilte. Ergens had ze gehoopt dat Vera een heldere beslissing zou hebben genomen en tevreden naar haar nieuwe raam kon wijzen. Ze had haar als een voorbeeld willen gebruiken, zonder dat hardop te zeggen. ‘We hebben heel gewoon brood gegeten,’ zei Vera. ‘Hij heeft de kraan vastgezet. Die wiebelde. Daarna werd hij boos omdat er geen mosterd was.’ ‘Om de mosterd?’ ‘Nee. Dat begrepen we allebei.’ Nelle zette de fauteuil weer recht. ‘Probeert u eens.’ Vera ging zitten, stond op, ging nog eens zitten. Geen geluid. ‘Zo is hij goed.’ ‘Ik had er meteen vilt tussen moeten doen.’ ‘Dan bent u nu nog een keer geweest.’ Nelle pakte haar gereedschap in. Vera vroeg hoeveel ze voor deze keer kreeg. Nelle zei dat herstel van haar eigen fout geen nieuwe rekening was. Ze hoorde zichzelf nauwkeurig formuleren, alsof Inge erbij zat. Bij de deur pakte Vera een foto uit een kleine schaal. Haar moeder zat in dezelfde fauteuil, naast een man in een vest. De foto was ouder dan Nelle. In de hoek stond een hoge plant waarvan niemand tegenwoordig nog precies wist waarom die in zoveel huiskamers had gestaan. ‘Als iemand nog vraagt of die stoel van mij is,’ zei Vera. ‘Dat hoeft niet.’ ‘Neem hem maar even mee. Misschien ziet u nog iets aan de bekleding.’ Nelle keek naar de foto. Er zat een knoop op de rugleuning die nu ontbrak. Ze wees hem aan. ‘Die is eraf gegaan toen mijn zoon er met een houten zwaard achter bleef hangen,’ zei Vera. ‘Dat weet ik nog. Mijn moeder heeft hem in een laadje gelegd. Ergens ligt hij nog.’ Op de terugweg stopte Nelle bij de bakker. Ze wilde een brood halen en kreeg er een gesprek bij. De verkoopster vroeg hoe het met de winkel ging, op een toon die te voorzichtig was voor een gewone vraag. ‘Goed,’ zei Nelle. Toen: ‘Waarom?’ ‘Ik hoorde dat het pand te koop kwam. Van iemand.’ ‘Er zijn plannen. Meer weet ik zelf ook niet.’ ‘O.’ De verkoopster legde het brood in de zak. ‘Je blijft toch wel stofferen?’ Nelle wilde meteen ja zeggen. Ze merkte dat ze niet wist waar dat ja zich bevond. Het atelier was voor haar altijd een ruimte geweest, met werk daarin. Voor de verkoopster was het blijkbaar iets wat Nelle deed, ergens. ‘Ja,’ zei ze uiteindelijk. ‘Dat wel.’ Ze ging niet meteen terug. Ze reed met de bestelwagen naar het kleine bedrijventerrein aan de spoorlijn, waar ze weleens schuimrubber ophaalde bij een leverancier. Naast de fietsenwerkplaats stond een handgeschreven bord: RUIMTE TE HUUR. Het hing er al maanden. Ze had het steeds gezien als een bord dat voor iemand anders bedoeld was. Nu parkeerde ze. Binnen rook het naar rubber en koffie die lang op een plaat had gestaan. Een man zat gehurkt naast een fiets zonder achterwiel. Hij keek op toen het belletje ging. ‘Voor reparatie moet ik u teleurstellen,’ zei hij. ‘Tenzij hij in uw zak past.’ ‘Ik kom voor de ruimte.’ Hij stond op en veegde zijn handen aan een doek. ‘Achter?’ ‘Als dat de ruimte is die te huur staat.’ ‘Ik ben Samir.’ ‘Nelle.’ Hij bracht haar door een gang met fietsen aan beide kanten. Achterin lag een kamer met hoge ramen. Er stond een oude vergadertafel, twee metalen kasten en een stapel banden. De vloer was beton, de muren waren wit geverfd tot waar iemand er gemakkelijk bij kon. Daarboven zat een strook vergeeld pleisterwerk. ‘Het is niet zo netjes,’ zei Samir. Nelle keek naar het licht. Het kwam van links, gelijkmatig, zonder de felle banen die in haar huidige werkplaats de kleuren veranderden. ‘Hoe groot?’ vroeg ze. Hij noemde de afmetingen. Ze liep de ruimte af met kleine stappen. Een snijtafel tegen de muur. De naaimachine bij het raam. Een smalle kast. Geen plek voor zes stoelen die twee maanden bleven staan omdat de eigenaar nog op vakantie was. ‘Wat doet u?’ ‘Stofferen. Repareren. Meubels.’ ‘Dan maakt u ook herrie.’ ‘Soms.’ ‘Ik ook. Dat scheelt.’ Hij vertelde wat de huur was, wat erbij hoorde en wat niet. Ze vroeg naar de verwarming, de toegang, de mogelijkheid om materiaal te laten bezorgen. Hij antwoordde zonder haast en wist twee dingen niet. Hij schreef ze op een papiertje dat hij uit de kassa had gescheurd. ‘U hoeft vandaag niks te beslissen,’ zei hij. Nelle knikte. Ze voelde zich plotseling dicht bij tranen, wat onzinnig was. De ruimte was te klein, er stond een lekkende radiator en ze had geen idee waar ze met haar voorraad heen moest. Toch was dit het eerste gesprek over haar toekomst waarin niemand alvast dacht te weten wat goed voor haar was. Bij de uitgang vroeg Samir of ze de deur even open wilde houden. Hij duwde een bakfiets naar buiten. In de bak lag een krat aardappelen. ‘Die zijn van mijn oom,’ zei hij. ‘Hij betaalt soms in dingen.’ Nelle lachte. ‘Daar moet u mee oppassen.’ ‘Ik heb het al gemerkt. Probeer maar eens een energierekening met een courgette te betalen.’ Ze reed terug met zijn telefoonnummer op de achterkant van een kassabon. In de werkplaats legde ze het naast de foto van Vera’s moeder. Twee stukken papier, allebei klein genoeg om kwijt te raken. Ze pakte een map en deed ze erin. Hoofdstuk 7 — Op de schaal Miriam had geen bureau tussen hen in gezet. Dat stelde Nelle eerst gerust, totdat bleek dat je ook aan een ronde tafel vragen kon krijgen waarop je geen goed antwoord had. ‘Wat wilt u bereiken?’ vroeg ze. Nelle had de vraag voorbereid. Ze had in de auto hardop geoefend, iets wat ze meteen had gestaakt toen een man op een fiets naast haar bij het stoplicht bleef staan. ‘Ik wil dat mijn werk wordt betaald. En dat ik kan blijven werken.’ Miriam knikte. Ze was via een klant aanbevolen, iemand die kleine bedrijven hielp hun administratie op orde te brengen. Over de huur had ze al gezegd dat ze een deskundige zou laten meekijken. Nelle vond het prettig dat ze niet deed alsof alles onder één beroep viel. ‘En wonen?’ vroeg ze. ‘Dat ook.’ ‘Drie vragen dus.’ Nelle schoof de map naar haar toe. Ze hadden afgesproken dat het eerste gesprek betaald was en een uur zou duren. De prijs was helder. Nelle voelde zich er merkwaardig vrij door. Ze hoefde niet aardig gevonden te worden om nog een vraag te mogen stellen. Miriam bladerde door de lijst. Ze stelde rustige, onaangename vragen. Was deze prijs vooraf genoemd? Had de eigenaar de stof zelf gekocht? Was het materiaal uit Nelles voorraad gekomen of nieuw besteld? Waarom waren de uren bij de ene stoel nauwkeurig vermeld en bij de andere afgerond op een hele werkweek? ‘Omdat ik bij die laatste gewoon weet hoeveel werk het was.’ ‘Dat geloof ik. Ik moet alleen kunnen uitleggen hoe het bedrag is opgebouwd.’ Bij de groene bank was het duidelijk. De stofrekening, foto’s tijdens het werk en een bericht van Els waarin zij de kleur bevestigde. Bij de gordijnen ontbrak de afspraak over betaling. Bij het berken stoeltje had Nelle zelf inmiddels cadeau geschreven. Miriam zette een streep onder de aantoonbare posten. ‘Hier zou ik mee beginnen. Wat onzeker is, kunt u benoemen. Ik zou het niet allemaal bij elkaar optellen alsof het even stevig staat.’ Nelle keek naar het bedrag. Het was lager dan wat ze twee avonden eerder had uitgerekend. Die avond was ze zo kwaad geweest dat ze ook tijd had gerekend voor ophalen, wegbrengen, wachten en opnieuw beginnen omdat Els van gedachten was veranderd. Dat wachten had werkelijk bestaan. Ze wist alleen niet of het altijd wachten op Els was geweest. ‘Dan geef ik dus een deel op.’ ‘Misschien. Of u kiest welke discussie u wilt voeren.’ Miriam schoof een tweede vel naar voren. ‘Mag ik ook naar uw gewone opdrachten kijken?’ Nelle aarzelde. Dat had niets met Bram te maken. Het had juist alles met haar bedrijf te maken, zei Miriam vriendelijk. Ze bekeken zes recente opdrachten. De twee grootste waren goed berekend. Bij de vier kleinere had Nelle verschillende werkzaamheden niet gerekend. Een uur extra omdat de stof lastiger bleek. Ophalen bij een oudere klant. Een rit naar een leverancier omdat een kleur niet overeenkwam. Ze hoorde zichzelf bij elk voorbeeld uitleggen waarom het redelijk was geweest. ‘Dat kan allemaal,’ zei Miriam. ‘Als u het bewust kiest en uw overige tarieven erop berekent. Maar op dit moment geeft u elke keer iets weg en hoopt u dat het geheel toch klopt.’ Nelle dacht aan de kleine ruimte bij Samir, aan de kale vloer en het licht. Ze had zich daar vrij gevoeld omdat er nog geen meubels stonden. Ook geen opdrachten. Geen rekening was er ooit te laat betaald. ‘Ik heb ergens gekeken,’ zei ze. Miriam vroeg naar de huur. Ze maakten een eenvoudige berekening, voorlopig, met ruimte voor onbekende kosten. De bovenwoning zou voorlopig blijven, als daar een afzonderlijke afspraak over kwam. De werkplaats werd kleiner. Opslag moest minder. De vaste lasten werden hoger, zelfs wanneer ze een deel van de voorraad verkocht. ‘Dat is geen advies om het niet te doen,’ zei Miriam. ‘Het betekent dat u niet op dezelfde manier kunt blijven rekenen.’ ‘Ik ben negenenveertig.’ Miriam keek op. ‘Het voelt nogal laat om dat te leren.’ ‘Uw bedrijf bestaat al meer dan twintig jaar. Er is kennelijk iets wat u goed doet.’ Nelle ging naar huis met drie lijsten. Werk dat nog betaald moest worden. Vragen over het pand. Veranderingen in haar eigen bedrijfsvoering. Ze had gehoopt op één vel waarop stond dat Bram ongelijk had. Dat vel had ze niet gekregen. Bram stond haar die avond op te wachten bij de achteringang. Hij had gebeld en gevraagd of hij kon komen. Alleen al daarom had ze ja gezegd. ‘Ik heb de oude mappen van pap,’ zei hij. Hij droeg een doos met een kapotte handgreep. Nelle liet hem binnen en zette de waterkoker aan. De spanning tussen hen voelde anders dan vroeger. Toen hadden ze in ruzies vaak een soort haast gehad, alsof alles diezelfde avond beslist moest worden om nog naast elkaar te kunnen slapen. Nu konden ze naar verschillende huizen. Dat hielp. Het maakte sommige stiltes ook langer. Bram haalde een map uit de doos. De papieren roken naar een kast waarin nooit een raam openstond. ‘Ik heb je niet expres buiten gehouden.’ ‘Dat weet ik niet.’ Hij keek op. ‘Ik weet niet wat je expres hebt gedaan,’ zei ze. ‘Ik weet wel dat je dingen hebt laten gebeuren voordat je het met mij besprak.’ Hij knikte na een tijdje. ‘Ik dacht dat het gemakkelijker zou zijn als er al iets concreets lag.’ ‘Voor wie?’ Hij antwoordde niet. Ze vonden een rekening voor de eerste grote naaimachine. Joop had hem voorgeschoten. Nelle had het bedrag in twaalf delen terugbetaald. Naast de laatste termijn had hij met potlood voldaan geschreven, met een krulletje onder de v. Ze voelde onverwacht een warme opluchting. Ze had niet alles gekregen. Ze had ook dingen zelf betaald. ‘Die is van jou,’ zei Bram. ‘Dat wist ik.’ ‘Ik bedoel het papier.’ Ze pakte het aan en vouwde het niet op. Verderop zat een briefje over de huurkorting, geschreven toen ze na de scheiding in de bovenwoning was gebleven. Els had een paar maanden minder huur gevraagd terwijl Nelle opdrachten inhaalde. Nelle wist dat nog. Ze had alleen niet onthouden hoe lang het had geduurd. ‘Dit moet ook op de lijst,’ zei ze. Bram keek haar even aan. Hij leek bijna opgelucht dat ze hem iets gaf wat geen verwijt was. ‘Niet als betaling voor meubels,’ voegde ze eraan toe. ‘Het was iets anders. Maar het was er wel.’ Hij knikte. Toen de doos leeg was, bleef Bram zitten. Hij draaide zijn mok tussen zijn handen. ‘Ik ben minder gaan werken,’ zei hij. ‘Dat zei je.’ ‘Niet helemaal uit vrije keus.’ Nelle keek naar de snee op zijn hand, inmiddels een donker streepje. ‘Er zijn minder klussen. Ik doe nu veel alleen. Mam denkt dat ik alles overzie, maar ik probeer vooral te zorgen dat er geen nieuwe problemen bijkomen.’ Ze wilde zeggen dat hij haar dan niet als probleem moest behandelen. De zin lag klaar. Ze liet hem liggen. ‘Je hoeft niet alles op te lossen,’ zei ze. ‘Dat klinkt goed uit jouw mond.’ Ze glimlachte met tegenzin. Ze spraken af dat ze zaterdag met Els zouden zitten. Puck mocht erbij als ze wilde. Er zou een duidelijke lijst zijn, en een voorstel. Bram vroeg of hij de doos moest meenemen. ‘Nee,’ zei Nelle. ‘Ik wil nog kijken.’ Hij zette zijn mok bij de gootsteen. Bij de deur bleef hij staan. ‘Ik heb zelf geen sleutel meer,’ zei hij. ‘Voor het geval je dat denkt.’ Nelle keek naar hem. ‘Ik dacht er wel aan.’ ‘Dat begrijp ik.’ Ze geloofde hem ditmaal zonder eerst een bewijsstuk te zoeken. Hoofdstuk 8 — De achterkant van het doek Woensdag kwam Gert de meubelhandelaar naar de werkplaats. Hij had netjes gebeld en kwam een kwartier te vroeg. Nelle besloot dat die twee dingen elkaar niet ophieven. Hij droeg schoenen die weinig vertrouwen in regen uitstraalden en een jas die hij tijdens het hele bezoek niet uitdeed. Hij bekeek de ruimte met kleine hoofdbewegingen, alsof hij voor elk voorwerp een andere brandpuntsafstand instelde. ‘Mooi vak,’ zei hij. ‘Ja.’ ‘Lastig om mensen voor te vinden.’ Nelle wees hem op de kruk naast het bureau. ‘U wilde iets bespreken.’ Hij ging niet zitten. ‘Ik heb begrepen dat er wat onduidelijkheid is over de spullen.’ ‘Over één stoel was het heel duidelijk. Die was niet van Els.’ ‘Die staat er ook niet meer tussen.’ Hij haalde een afdruk uit zijn tas. De groene bank, een kast, een lamp, een tafel. Daarnaast foto's van enkele stoelen uit de opslag van Nelles atelier. Ze kende de beelden, maar niet allemaal in deze combinatie. ‘Deze twee zijn van mij,’ zei ze. Gert pakte zijn pen. ‘Dan haal ik ze eruit.’ Zo gemakkelijk ging het. Dat maakte haar wantrouwig. ‘Hoe zijn ze erin gekomen?’ ‘Bram zei dat alles met een sticker voor verkoop was. Uw dochter heeft de foto’s aangeleverd. Ik heb niet zelf die stickers geplakt.’ Nelle trok de kastdeur open. Op de twee stoelen zat nog steeds een wit rond stickertje met een getal. Haar eigen voorraadnummers. Ze voelde haar hoofd warm worden. ‘Dit zijn geen verkoopstickers.’ ‘Nu weet ik het.’ Gert schreef iets op het papier. Hij verdedigde zich niet. Misschien hoefde hij dat niet, misschien deed hij het op een manier die zij niet herkende. ‘Ik heb mevrouw Sanders aangeboden te helpen met de verkoopdag,’ zei hij. ‘Daarvoor reken ik een vast bedrag. Wat daarna overblijft, kan ik eventueel overnemen. Mijn bod wordt uiteraard anders als er minder spullen zijn.’ ‘Wat heeft u precies met haar afgesproken?’ Hij liet het zien. Een kort voorstel, zonder fraaie woorden. De verkoopdag kwam er alleen als Els akkoord ging met de lijst. Bezoekers konden bieden of kopen voor een vooraf vastgestelde prijs. Puck deed de presentatie, hij de ontvangst en betalingen. Er was geen verborgen bedrag, geen regel waarin het hele huis ineens van hem werd. Nelle moest haar teleurstelling daarover onderdrukken. ‘Ik wil dat er bij elk meubel een eigenaar staat,’ zei ze. ‘Dat lijkt me verstandig.’ ‘En dat niemand iets reserveert voordat die lijst is gecontroleerd.’ ‘Dan moet ik wel weten wanneer dat klaar is. Ik heb ook ander werk.’ Die zin had zij zelf kunnen zeggen. Ze gaf hem een datum. Toen hij vertrok, bleef Nelle met de afdruk in haar hand staan. Ze had verwacht iemand te ontmoeten die haar woede een bruikbare richting gaf. Gert wilde meubels verkopen en geen gedoe. Het gedoe was al eerder gemaakt. Puck kwam om twee uur. Ze had een geheugenkaartje bij zich en een pak druiven dat ze op tafel zette. ‘Voor de vitamines,’ zei ze. ‘Je ziet er de laatste tijd uit alsof je alleen koffie eet.’ Nelle legde de afdruk voor haar neer. Puck keek. ‘Die stoelen waren voor het overzicht van de werkplaats.’ ‘Gert dacht dat ze te koop waren.’ ‘Dan heeft pap ze verkeerd doorgestuurd.’ ‘Had je verschillende mappen gemaakt?’ ‘Ja.’ Puck opende haar laptop. Er waren inderdaad verschillende mappen. INBOEDEL ELS. ATELIER OVERZICHT. PROEFOPSTELLING. In die laatste map stond de zandkleurige fauteuil van Vera. Puck wees op de naam. ‘Ik ben niet zomaar alles door elkaar aan het sturen.’ Nelle knikte. Ze voelde zich moe van het steeds opnieuw bijstellen. Het was eenvoudiger geweest als één persoon alle fouten had gemaakt. ‘Sorry,’ zei ze. ‘Waarvoor?’ ‘Dat ik dacht dat je slordig was.’ Puck trok een druif van de tros. ‘Ik was ook slordig. Met die stoel. Alleen niet met alles.’ Ze bekeken de beelden samen. Puck had van Els’ huis een lichte, rustige plek gemaakt, met een paar gekozen voorwerpen die ademruimte kregen. De foto’s waren mooier dan de kamers zelf. Nelle zag hoe haar dochter ruimte kon maken door dingen weg te laten. ‘Deze foto van de bank is goed,’ zei ze. ‘Hij is bij het raam gemaakt. Ik kon hem niet verplaatsen in mijn eentje.’ ‘Daar heeft je vader dus mee geholpen.’ ‘Ja.’ Nelle keek naar de zoom van de bekleding. Ze zag een kleine onregelmatigheid die haar jaren geleden een hele middag had gekost. Op de foto viel hij nauwelijks op. ‘Ik heb er toen zo lang aan gewerkt.’ ‘Dat zie je.’ ‘Eigenlijk zie je het juist niet.’ Puck dacht even na. ‘Misschien is dat ook werk. Dat je niet meer ziet waar het lastig was.’ Nelle keek haar aan. Haar dochter leek weinig op het kind met de rode sleutelvis. Ze had nog dezelfde manier van kauwen, een beetje aan één kant, maar verder was er veel gebeurd terwijl Nelle bezig was geweest. Ze haalde de stofstalen tevoorschijn voor een gewone klant. Puck zou foto's maken voor de website, dit keer volgens een korte opdracht die ze samen opschreven. Zes beelden. Twee uur fotografie, daarna selectie en bewerking. Nelle vroeg een prijs. Puck noemde er één en keek vervolgens naar haar scherm, alsof ze zichzelf wilde beletten het bedrag kleiner te maken. ‘Goed,’ zei Nelle. ‘Echt?’ ‘Ja.’ ‘Je mag wel zeggen als het te veel is.’ ‘Dan zeg ik het.’ Puck knikte, zichtbaar ongemakkelijker dan bij een onduidelijke gunst. Die middag maakten ze één stoel klaar voor de foto. Nelle trok de onderstof strak terwijl Puck het licht controleerde. Ze werkten een tijd zonder te praten. Buiten begon het te regenen. Het water liep over de ruit in lijnen die Puck mooi vond en Nelle zag als iets wat ze straks moest zemen. Toen alles klaarstond, haalde Puck de sleutel uit haar jaszak. Het rode rubber had bijna geen vorm meer. ‘Wil je deze terug?’ Nelle keek ernaar. Ze had willen zeggen ja. Ze had zelfs gedacht aan een nieuw slot, liefst iets waarmee ze onmiddellijk aan iedereen duidelijk maakte dat het afgelopen was. Maar Puck was geen indringer geweest. Ze was haar dochter, die een onheldere afspraak verkeerd had uitgevoerd. ‘Voorlopig wel,’ zei ze. ‘Ik wil weten wie er binnenkomt wanneer ik er niet ben.’ Puck legde de sleutel op tafel. ‘Als je hem nodig hebt, vraag je het,’ zei Nelle. ‘Goed.’ Ze had nog iets geruststellends willen toevoegen. Dat het niet persoonlijk was, dat Puck altijd welkom bleef. Het wás persoonlijk. Puck bleef welkom. Beide dingen konden blijkbaar tegelijk bestaan zonder dat ze er een hele toespraak van maakte. Bij het afscheid omhelsde haar dochter haar kort. Ze rook naar regen en druiven, een vreemde combinatie die Nelle later nog zou proberen terug te halen. De sleutel lag naast de nieuwe opdracht. Nelle stopte hem in de bovenste bureaula. Ze sloot de la en ging aan het werk. Hoofdstuk 9 — Een voorstel Ze spraken af bij Els, aan de eettafel. Nelle wilde eerst in de werkplaats zitten, maar Miriam had gevraagd waar iedereen het gemakkelijkst kon lezen en praten. Het was een nuchtere vraag geweest. In de werkplaats zou Nelle bij elke stilte iets zijn gaan opruimen. Puck zette vier glazen water neer. Bram bracht een kan koffie. Els had cake gebakken en sneed die al voordat iemand zat. ‘Misschien eerst de papieren,’ zei Nelle. Els legde het mes neer. ‘De cake loopt niet weg.’ ‘Precies.’ Het was niet scherp bedoeld, maar Bram keek meteen op. Nelle voelde hoe snel ze weer in hun oude rollen konden komen: Els gekwetst, Bram bemiddelend, zij te hard. Ze nam een glas water en dronk voordat ze verderging. ‘Ik wil drie dingen bespreken. Het werk dat ik gedaan heb. De meubels die te koop gaan. En het pand.’ Ze had het voorstel vier keer afgedrukt. Er stond geen logo boven. Alleen de datum en de namen. Bij de aantoonbare werkzaamheden stond een bedrag van ruim zesduizend euro. Een tweede lijst bevatte dingen waarover ze geen zekerheid had. Ze vroeg daar nu geen betaling voor, maar wilde wel dat iedereen zag welke vragen nog openstonden. Bram pakte zijn bril. Hij droeg die sinds kort en zette hem op met de terughoudendheid van iemand die hoopte dat niemand het zou opmerken. Els las langzaam. Haar vinger ging onder de regels mee. ‘Deze stoelen waren toch voor mijn verjaardag?’ vroeg ze. ‘De bekleding was mijn cadeau,’ zei Nelle. ‘Het herstel niet. Dat heb ik met Bram besproken.’ Bram keek op zijn eigen vel. ‘Ik herinner me dat anders.’ Nelle voelde haar maag samentrekken. Ze had het bericht uitgeprint, een oud gesprek waarin ze had gevraagd of ze de gebroken regels ook moest vervangen. Bram had geschreven: Doe maar, dat verrekenen we. Hij las het. ‘Ja,’ zei hij. ‘Dat staat er.’ ‘Met wat?’ vroeg Els. Hij keek naar haar, daarna naar Nelle. ‘Dat weet ik niet meer.’ Nelle had zich die erkenning voorgesteld als iets groots. Het was een man aan een tafel die zijn bril even afzette. Ze liepen de lijst door. Bij sommige posten kwam er uitleg. Bij andere alleen stilte. Els vond de uren voor de groene bank hoog. Nelle liet foto's zien van het binnenwerk, het oude paardenhaar en de kapotte veren. Ze vertelde hoe ze de oorspronkelijke vorm had behouden, en betrapte zich erop dat ze alsnog probeerde indruk te maken. ‘Je hebt veel werk gedaan,’ zei Els. ‘Dat ontken ik niet.’ ‘Maar?’ ‘Maar ik heb jou ook geholpen. Toen jullie uit elkaar gingen, bleef jij in het pand. Ik wilde dat Puck haar kamer hield. Ik heb toen niet gedacht: wat levert mij dat op?’ ‘Dat hoef je ook niet alsnog allemaal terug te rekenen.’ ‘Dat doe jij nu wel.’ Puck keek van de een naar de ander. Ze zei niets. Nelle was blij dat ze niet onmiddellijk partij koos, en merkte tegelijk hoe graag ze dat toch had gewild. ‘Ik probeer een rekening af te maken,’ zei Nelle. ‘Omdat we anders over twee jaar nog steeds zeggen dat het wel goedkomt.’ Els wreef over haar voorhoofd. ‘Zesduizend euro is veel geld.’ ‘Het is ook veel werk.’ Bram schoof zijn eigen overzicht naar het midden. Hij had de onderhoudskosten van het pand eruit gehaald. Die hoorden bij het eigendom, had hij na overleg ingezien. De maanden huurverlaging stonden er nog wel op, maar apart. Het was een klein verschil met versie drie en een groot verschil met de manier waarop hij het eerst had uitgelegd. Ze kwamen die ochtend niet tot een bedrag. Dat bleek mogelijk. Niemand hoefde de deur dicht te slaan om een gesprek onafgemaakt te laten. Ze spraken af dat Els er twee dagen over zou nadenken en dat Nelle de verkooplijst in die tijd zou controleren. Daarna begon Nelle over het pand. ‘Ik heb ergens een werkruimte bekeken.’ Bram keek op. Puck legde haar pen neer. ‘Ga je weg?’ vroeg Els. ‘Dat weet ik nog niet zeker. Ik wil de mogelijkheden bekijken.’ ‘Maar er is nog niets verkocht.’ ‘Dat begrijp ik.’ Els leek plotseling minder opgelucht dan Nelle had verwacht. Het was haar eigen plan geweest om te verkopen, maar blijkbaar had ze Nelle daarin als een vast onderdeel meegenomen: iets wat verplaatst kon worden wanneer de rest klaar was. ‘En boven?’ vroeg Bram. ‘Daar wil ik voorlopig blijven wonen. Met een aparte, duidelijke afspraak. Iemand kijkt naar de stukken. Ik ga niets toezeggen over vertrek voordat ik weet waar ik aan toe ben.’ ‘Dat is ook verstandig,’ zei Bram. Ze keek hem even aan. Hij meende het. Els vroeg naar de nieuwe ruimte. Nelle beschreef de ramen, de vloer, de fietsenwerkplaats ervoor. Ze liet het lekkende kraantje van de radiator weg en betrapte zich op dezelfde selectiviteit als Puck bij de foto's. ‘Het is kleiner,’ zei Puck. ‘Ja.’ ‘Waar gaan dan al die stoelen heen die je voor ooit bewaart?’ ‘Een deel moet weg.’ ‘Dat zou ik wel willen zien.’ Nelle glimlachte. ‘Dan kun je komen helpen. Tegen betaling.’ Puck hief haar glas een centimeter op. Els keek hen allebei aan en begreep niet helemaal waarom ze lachten. Na het gesprek at Nelle een stuk cake. De spanning had plaatsgemaakt voor vermoeidheid, maar het was een andere vermoeidheid dan na een ruzie. Ze wist welke vragen nog openstonden. Dat was iets. Bij de voordeur trok Bram haar even opzij. ‘Had je al langer plannen om weg te gaan?’ ‘Nee.’ ‘Het lijkt alsof iedereen ineens iets anders wil.’ ‘Misschien willen we het al langer.’ Hij knikte en keek naar de sleutelbos in zijn hand. Nelle zag dat er geen rode kap aan zat. Ze was opgelucht dat ze hem dat niet opnieuw hoefde te vragen. Buiten stapte Puck op haar fiets. Ze had geen jas aan, hoewel het koud was. Nelle opende haar mond en sloot hem weer. Haar dochter fietste weg zonder die kleine zorg te missen. Maandagavond belde Els. Ze deed een voorstel: vierduizend tweehonderdvijftig euro. Een deel na de verkoopdag, de rest twee maanden later. Nelle zei niet meteen ja. ‘Ik wil het opschrijven,’ zei ze. ‘En ik wil dat we allebei weten welke werkzaamheden daarmee zijn afgehandeld.’ ‘Dat begrijp ik,’ zei Els. Nelle keek naar de map op haar bureau. Ze voelde geen overwinning. Ze voelde ruimte om aan iets anders te beginnen. Hoofdstuk 10 — De proefopstelling Samir stelde voor dat ze een dag in de achterruimte kwam werken. Hij wilde weten hoeveel lawaai haar compressor maakte. Zij wilde weten of de hoge ramen niet alleen mooi waren op een droge ochtend. ‘Een soort proefrit,’ zei hij. ‘Voor de ruimte?’ ‘Voor ons allebei.’ Ze bracht een kleine werktafel mee, haar gereedschap en één van de caféstoelen. De laatste stoel had bij het ophalen schade gekregen aan de rand. Meneer Meijer had hem zelf laten vallen en dat zonder omwegen verteld. Nelle had de reparatie aangenomen, een bedrag genoemd en haar agenda erbij gepakt. Het was een kort gesprek geweest. Ze had er daarna nog een kwartier aan gedacht. In de achterruimte stond de vergadertafel inmiddels tegen de muur. Samir had de banden weggehaald. De radiator lekte niet meer; er lag nog een donkere kring op het beton. Nelle zette haar tafel bij het raam en mat de afstand tot het stopcontact. Daarna verplaatste ze hem twintig centimeter. Vervolgens terug. Niemand zei dat het zo wel goed was. Om tien uur zette ze de compressor aan. Het apparaat vulde de ruimte met een hard, ongelijk gebrom. Samir verscheen in de deuropening, luisterde even en knikte. ‘Dat overleef ik.’ ‘Hij slaat straks weer aan.’ ‘Ik ook.’ Ze werkte een uur zonder onderbreking. Geen deurbel van de woning, geen klant die alleen even wilde kijken, geen buurvrouw met een pakket dat ze moest aannemen. De afzondering was prettig, tot ze merkte dat ze al drie keer naar haar telefoon had gekeken. Tegen de middag kwam een jongen binnen met een lekke band. Hij bleef in de deuropening van haar ruimte staan. ‘Doet u banken?’ ‘Soms.’ ‘Mijn moeder heeft er één waarvan de kat de hoek heeft opgegeten.’ ‘Echt opgegeten?’ ‘Hij heeft er wel erg zijn best op gedaan.’ Ze gaf hem haar kaartje en vroeg of zijn moeder een foto wilde sturen. De jongen bekeek het kaartje, stak het in zijn zak en ging terug naar zijn fiets. Een nieuwe klant kon blijkbaar ook door een gang met fietskettingen komen. Samir at zijn lunch op een omgekeerde krat. Hij had twee broodjes mee en bood er één aan. Nelle zei dat ze haar eigen brood had. Hij schoof een tweede krat naar haar toe. ‘Waarom wil je verhuizen?’ vroeg hij. Ze had het verhaal inmiddels een paar keer verteld en merkte dat het korter werd. Het pand kon verkocht worden. Er waren oude familieafspraken. Ze wilde werk en wonen minder door elkaar laten lopen. ‘Bij mij is dat al gebeurd,’ zei Samir. ‘Ik ben ooit in de garage van mijn ouders begonnen. Mijn vader kwam klanten vertellen dat ik in de middag wel even iets kon doen. Soms terwijl ik naast hem stond.’ ‘Wat zei je dan?’ ‘Dat het niet kon. Daarna zei hij tegen de klant dat ik een grapje maakte.’ Nelle lachte zo hard dat ze zich verslikte. Samir gaf haar zijn waterfles en wachtte tot ze weer kon praten. ‘Is het goedgekomen?’ ‘Hij stuurt nu eerst een bericht.’ ‘Altijd?’ ‘Meestal.’ Het was een geruststellender antwoord dan altijd zou zijn geweest. Na de lunch belde een klant over een offerte die Nelle twee dagen eerder had gestuurd. Ze trok zich terug in de achterruimte, maar Samir kon haar waarschijnlijk nog horen. ‘Ik schrik van de prijs,’ zei de vrouw. ‘Vorige keer was het veel minder.’ Nelle legde de verschillen uit: andere stof, meer herstel, ophalen apart. Ze hoorde hoe ze steeds zachter ging praten. De vrouw zei dat ze er nog eens over moest nadenken. ‘Dat begrijp ik,’ zei Nelle. Ze wilde al aanbieden het ophalen niet te rekenen. Ze had de zin letterlijk op haar tong. In plaats daarvan vroeg ze of de klant de stoelen eventueel zelf kon brengen. Dat zou inderdaad een verschil maken. De vrouw zei dat ze haar zoon zou vragen. Ze hing op zonder opdracht te geven. Nelle bleef staan met haar telefoon in haar hand. Een hoger tarief was in een berekening een keurige kolom. In werkelijkheid was het een stem aan de andere kant die teleurgesteld klonk. Samir kwam vragen of ze koffie wilde. ‘Ik weet niet of ik dit kan betalen,’ zei ze. Hij zette twee bekers op de tafel. ‘Dan moet je het niet doen omdat het hier gezellig is.’ ‘Het is hier nog niet gezellig.’ ‘Mooi. Dan is die verleiding er niet.’ Ze bekeken de kosten nog eens. Hij schreef op wat was inbegrepen, hoe ze stroom en verwarming zouden verdelen en welke toegang ze had buiten zijn openingstijden. Over de gedeelde gang maakten ze een afspraak: geen meubels laten staan, ook niet voor één nacht. Nelle dacht meteen aan drie situaties waarin dat lastig zou zijn. ‘Dan heb ik een probleem met leveringen,’ zei ze. ‘Kunnen we een tijdvak afspreken?’ Ze konden. Het duurde tien minuten om iets te regelen waarvoor ze in haar oude atelier jarenlang geen woorden had gehad. Aan het einde van de middag was de caféstoel klaar. Het licht was goed gebleven. Er was één nadeel dat ze pas merkte toen ze haar spullen in de bus zette: voor de zijdeur lag een smalle strook grind. Met een zware fauteuil zou dat onhandig zijn. Samir zei dat hij er een plaat over kon leggen. Nelle vroeg of dat vast kon worden opgelost voordat ze iets tekende. Hij keek even naar het grind en knikte. ‘Goed dat je het zegt.’ Ze reed terug naar de Noorderkade. Daar stonden de kasten, de rollen stof, de stoelen die ze had gekocht omdat ze er ooit iets in zag. De ruimte was vol met besluiten die ze niet had genomen. Ze trok een stoel uit de achterste hoek. Hij had een mooi frame en een kapotte rug. Ze had hem zeven jaar geleden van de straat meegenomen. Daarna nog een, met een losse arm en een zitting waarvan ze dacht dat er onder het velours iets bijzonders zat. Ze zette ze naast elkaar. Op elk hing ze een kaartje. Niet ooit, maar een bedrag. Puck kwam langs om foto's te brengen. Ze zag de stoelen en bleef staan. ‘Gaat het wel?’ ‘Ja.’ ‘Je hebt er een prijs aan gehangen.’ ‘Dat zie ik.’ Puck liep om de eerste stoel heen. ‘Deze is wel mooi.’ Nelle voelde onmiddellijk de neiging om hem voor haar apart te zetten. ‘Wil je hem hebben?’ Puck keek naar het kaartje. ‘Niet nu. Ik heb geen plek.’ ‘Dan blijft hij te koop.’ ‘Goed.’ Het woord klonk tussen hen bijna feestelijk. Die avond kwam er een bericht van de klant die over de offerte had gebeld. Haar zoon kon de stoelen zaterdag brengen. Of Nelle dan ruimte had. Nelle keek naar de lege strook die door de verplaatste meubels was ontstaan. Ze schreef terug dat het kon, noemde een tijd en zette de afspraak in haar agenda. Daarna belde ze Samir. ‘Ik wil het doen,’ zei ze. ‘Als we de afspraken rond hebben.’ Hij zei dat hij die morgen zou sturen. Ze hing op en bleef nog even beneden. Voor het eerst in jaren zag ze de werkplaats zoals een ander hem misschien zag: een ruimte die je kon gebruiken, en op een dag ook kon verlaten. Hoofdstuk 11 — Wat een stoel waard is De donderdag voor de verkoopdag kwam Els naar het atelier. Ze droeg twee kussens in een plastic tas. De tas was van een winkel die al lang niet meer bestond. ‘Deze horen bij de bank,’ zei ze. Nelle nam ze aan. Ze had ze tegelijk met de groene bekleding gemaakt. In de hoes van één kussen zat een klein vlekje dat ze zich herinnerde: koffie, tijdens een verjaardag. Joop had toen nog geleefd, dacht ze. Nee, dat kon niet. De bank was pas veel later gedaan. Ze zette de gedachte terug op zijn plek. ‘Wil je koffie?’ ‘Graag.’ Els keek naar de stoelen met prijskaartjes. ‘Verkoop jij nu ook van alles?’ ‘Ik heb minder ruimte straks.’ ‘Je gaat dus echt.’ ‘Ja.’ Els liep naar de snijtafel en legde haar hand op het hout. Nelle had die tafel ooit samen met Bram gemaakt. Het blad was dik en zwaar, met een naad in het midden die ze altijd afdekte wanneer ze dunne stof knipte. Ze zou hem meenemen. Hij paste net, als één kast niet meeging. ‘Joop zou het jammer vinden,’ zei Els. Nelle keek op. Els schudde haar hoofd voordat ze kon antwoorden. ‘Dat had ik niet moeten zeggen.’ ‘Nee.’ ‘Ik mis hem gewoon nu er zoveel weggaat.’ Nelle schonk koffie in. Ze gaf Els de mok met het dunne oor, degene die ze altijd koos. Het was mogelijk om daar rekening mee te houden zonder meteen de rest van haar leven in te richten. ‘Ik ook,’ zei ze. Ze praatten over Joop. Niet over wat hij zou hebben gevonden, maar over dingen die hij werkelijk had gedaan. De keer dat hij een kast in de verkeerde kleur had geverfd en wekenlang volhield dat het door het licht kwam. De wandelvakantie waarop hij zijn goede schoenen thuis had gelaten. Hoe hij Puck leerde zagen en daarna twee uur bezig was geweest haar kleine plankje recht te krijgen zonder dat ze het merkte. Els lachte. Nelle zag hoe vermoeid ze was. ‘Je hoeft die verkoopdag niet helemaal zelf te regelen,’ zei ze. ‘Ik weet niet of ik erbij wil zijn.’ ‘Dan ben je er niet.’ ‘Dan denken mensen misschien dat ik er slecht aan toe ben.’ ‘Die denken toch wel iets.’ Els nam een slok. ‘Je begint op je moeder te lijken.’ Nelle keek naar haar eigen handen. Haar moeder was twaalf jaar geleden overleden, op een leeftijd waarop niemand nog jong zei maar ook niemand oud. Ze had gewerkt in een wasserij en was thuis altijd met haar handen bezig geweest. Brood snijden, knopen aannaaien, etiketten uit kleding halen. Nelle had haar als kind weinig bezig gezien met iets wat alleen voor haarzelf was. Misschien had ze er later te veel zekerheid aan ontleend: zo deden vrouwen het blijkbaar. ‘Dat weet ik niet,’ zei ze. Els wees op een stoel in de hoek. ‘Die rieten. Daar zat jouw moeder toch graag op?’ ‘Ja.’ ‘Die verkoop je ook?’ Nelle liep ernaartoe. De stoel was in feite oncomfortabel. Haar moeder had er graag op gezeten omdat hij bij de deur stond en ze daar haar sigaret kon roken zonder naar buiten te hoeven. Het was geen eigenschap van de stoel geweest. ‘Ja,’ zei ze. Els knikte langzaam. ‘Dan doe ik misschien die grote spiegel ook weg.’ Ze keken allebei naar het riet. Er viel niets verstandigs meer over te zeggen. Na Els’ vertrek kwam Vera een kleine envelop brengen. Ze had de knoop gevonden, of eigenlijk had haar kleindochter hem gevonden in een doos met naaigaren. Hij was donkerder dan de bekleding, omdat hij jarenlang uit het licht had gelegen. ‘Er hoort een andere bij,’ zei Vera. ‘Die is nergens.’ Nelle legde de knoop in haar handpalm. Hij was met dezelfde stof overtrokken, maar de kleur leek nauwelijks nog op die van de stoel. Ze kon er een tweede bij maken van een onzichtbaar stukje onder de zitting. Die zou ook afwijken. ‘Het wordt niet precies gelijk,’ zei ze. Vera bekeek hem. ‘Dat is hij ook nooit geweest. Mijn moeder had hem zelf opnieuw overtrokken. De knoop, bedoel ik. Met de stoel bemoeide ze zich niet.’ Ze spraken af dat Nelle later zou komen kijken. Vera vroeg naar de verhuizing. De verkoopster van de bakker had blijkbaar meer mensen gesproken. Nelle vertelde over de nieuwe ruimte. ‘Dan is de winkel niet meer onder uw huis,’ zei Vera. ‘Nee.’ ‘Wat gaat u dan ’s avonds doen?’ Nelle lachte. ‘Waarschijnlijk nadenken over wat ik beneden had kunnen doen.’ ‘Dat kan boven ook.’ Ze liepen samen naar de deur. Vera zag het berken stoeltje staan, dat Els inmiddels had gebracht. Nelle had er geen prijskaartje aan gehangen. ‘Die houdt u.’ ‘Ja. Dat is mijn eerste.’ Vera boog zich een beetje voorover om de bloemetjes te zien. ‘Daar zit karakter in.’ ‘Daar zit vooral een plooi onder.’ ‘Die zie ik niet.’ ‘Precies.’ Toen het donker werd, bleef Nelle alleen achter om de verkoopspullen klaar te zetten. Haar eigen stoelen zouden in Els’ garage staan, apart van de familie-inboedel. Gert had ingestemd, op voorwaarde dat de eigendom en prijzen duidelijk waren. Hij zou ook voor haar een vaste vergoeding rekenen. Ze had die vergoeding niet prettig gevonden. Ze had hem wel begrepen. Op de lijst schreef ze bij elke stoel wat eraan moest gebeuren. Bij twee exemplaren was dat veel. Ze kon ze waarschijnlijk beter als opknapper verkopen dan nog meer vrije dagen aan ze besteden. Ze belde Inge om te vragen of die zaterdag kwam. ‘Even,’ zei Inge. ‘Ik ga geen kas doen.’ ‘Dat doet Gert.’ ‘En ik ga ook geen spullen vervoeren.’ ‘Bram heeft de bus.’ ‘Dan kom ik graag.’ Nelle glimlachte. ‘Ik wilde alleen weten of je kwam.’ ‘Ja,’ zei Inge. ‘Dat begint te wennen.’ De volgende ochtend bracht Bram de eerste lading naar Els. Hij zette de laadklep neer en wachtte terwijl Nelle haar lijst afvinkte. Ze voelde zich belachelijk met het klembord. Ze deed het toch. Bij de laatste stoel trok Bram een verhuisdeken uit de bus. ‘Is deze van jou?’ Nelle herkende de rafelige zoom. Het was een deken van de stapel onder haar snijtafel. Hoe lang hij al in Brams bus lag, wist ze niet meer. Ze nam de deken aan. ‘Ja.’ ‘Ik dacht: eerst vragen.’ Ze keek hem aan. Hij glimlachte niet, of hooguit een beetje. ‘Dank je,’ zei ze. Ze vouwde de deken op en legde hem op de snijtafel. De lege plek waar de fauteuil had gestaan, was nauwelijks nog te zien. Hoofdstuk 12 — De verkoopdag Om kwart voor negen stond er al iemand voor het tuinhek. De verkoop begon om tien uur. Gert zei dat dit normaal was en liet het hek dicht. Nelle kwam via de achterdeur binnen. In de keuken stonden thermoskannen, papieren bekers en een bord met plakken cake. Els had toch weer gebakken. Ze droeg een donkerblauwe blouse en had haar haar zorgvuldig gedaan. Nelle zag dat ze slecht had geslapen. ‘Je kunt naar boven als het te druk wordt,’ zei ze. ‘Boven is bijna alles leeg.’ Ze zei het zonder verwijt. Nelle wist niet wat ze erop moest antwoorden. Puck had bordjes gemaakt. VERKOCHT. GERESERVEERD TOT. NIET TE KOOP. Het laatste bordje stond bij een kleine tafel in de keuken waarop Els haar handtas had gelegd. Er was blijkbaar geen enkele plek die vanzelf buiten een verkoop viel. Bram testte of de voordeur open kon blijven zonder tegen de kast te slaan. Inge arriveerde met haar jongste kind, dat meteen vroeg of de cake gratis was. Gert gaf het kind een rol stickers en zei dat die alleen op verzoek mochten worden gebruikt. Binnen vijf minuten zat er een sticker op Brams jas. Om tien uur ging het hek open. De eerste bezoekers liepen snel, alsof ze ergens voor moesten zijn voordat een ander het bedacht. Ze keken onder tafels, draaiden lampenkappen en openden kastdeurtjes. Nelle vond het moeilijk om haar handen stil te houden. Bij elke stoel wilde ze uitleggen hoe de verbindingen waren gemaakt, waarom die ene verkleuring onschuldig was en waarom een scheur in hout niet hetzelfde was als een scheur in lak. Gert stuurde mensen naar haar als er een echte vraag was. De rest liet hij kijken. Een man wilde de groene bank voor de helft van de prijs. Hij trok aan een losse draad die nergens losgetrokken hoefde te worden. ‘Ziet er netjes uit,’ zei hij. ‘Maar het blijft gebruikt.’ ‘Dat klopt,’ zei Nelle. ‘En de stof is natuurlijk smaakgebonden.’ ‘Ook dat klopt.’ Hij noemde zijn bod. Nelle keek naar Els, die bij het raam stond. Ze had haar armen over elkaar gevouwen, zonder haar schouders op te trekken. Dat was haar manier om niet te laten zien dat ze zich verdedigde. ‘Voor die prijs gaat hij niet weg,’ zei Nelle. De man haalde zijn schouders op. Hij liet een visitekaartje achter voor het geval ze later op de dag anders zouden denken. Nelle legde het bij Gert neer. Het kaartje was glad en dik. Het aanbod erop niet. In de garage ging het sneller. Twee van haar opknappers waren binnen een halfuur verkocht. Een jonge man met verf op zijn schoenen nam de stoel met de kapotte rug. Hij wilde hem zelf herstellen. Nelle vertelde welke verbinding zwak was en vroeg of hij goed gereedschap had. ‘Een beetje,’ zei hij. ‘Dan eerst rustig uit elkaar halen. Niet meteen lijm erin.’ Hij knikte ernstig. Ze hoorde zichzelf nog drie aanwijzingen geven en hield toen op. Hij had de stoel gekocht. Hij had geen opleiding bij haar geboekt. Toen hij vertrok, voelde ze minder verdriet dan verwacht. Misschien had het zeven jaar wachten de stoel al een beetje van haar losgemaakt. Tegen elf uur kwamen twee vrouwen voor de groene bank. Ze hadden een kleine kapsalon gekocht en zochten iets voor de wachtruimte. De oudste ging zitten en keek naar de andere. ‘Deze zit goed.’ ‘Hij moet wel door die deur,’ zei de ander. Ze hadden de maten op een telefoon. Nelle pakte haar rolmaat. Els kwam erbij staan. Samen bekeken ze de bank en de deuropening op een foto. De vrouwen stelden praktische vragen. Was de stof schoon te maken? Hoe zwaar was hij? Konden de poten eraf? Nelle legde het uit. Ze kende elk onderdeel. Het was prettig om die kennis eens te gebruiken zonder zich ermee te hoeven verdedigen. ‘Mijn man zat hier altijd,’ zei Els. Nelle keek op. Ze dacht aan de nieuwe bekleding, aan Joop die die bekleding nooit had gezien. Els bedoelde de bank, niet de stof. Herinneringen hielden zich niet aan werkbonnen. De oudste vrouw legde haar hand op de armleuning. ‘Dan heeft hij een goede plek uitgezocht.’ Er viel een stilte. Niemand maakte er haast mee. De vrouwen kochten de bank voor de vraagprijs. Ze wilden hem die middag ophalen met een aanhanger. Gert schreef de bon, Puck hing er een bordje aan. Els ging naar de keuken. Nelle volgde haar niet meteen. Ze keek naar de bank met het woord VERKOCHT erop. Al haar werk zat er nog in. Het werd niet minder omdat andere mensen erop zouden gaan zitten met haarverf in hun haar. In de keuken stond Els bij het aanrecht. Ze hield een beker vast waar niets in zat. ‘Wil je even naar buiten?’ vroeg Nelle. Els schudde haar hoofd. ‘Ik vind het vervelend dat hij nog tot vanmiddag hier blijft staan.’ ‘De bank?’ ‘Ja. Dan weet ik niet hoe ik ernaar moet kijken.’ Nelle ging naast haar staan. Ze keek door het keukenraam naar de natte tuin. De tegels waren scheef, het gras was te lang. Joop had er ooit een klein vijvertje willen maken. Els had gezegd dat ze geen muggenkwekerij wilde. Nu lag er op die plek een stapel lege bloempotten. ‘Wil je dat ik bij je blijf?’ vroeg Nelle. ‘Even.’ Ze bleven staan tot iemand vroeg waar het toilet was. Els wees de weg en zette haar beker neer. Om twaalf uur viel een lamp om. Het geluid was kleiner dan de schade. Een bezoeker had een snoer achter zijn voet gekregen, en de kap lag nu in twee stukken op het kleed. Puck had er net naast gestaan. Ze begon meteen te zeggen dat ze het snoer beter had moeten leggen. ‘Ik stond er zelf met mijn voet in,’ zei de man. Gert kwam erbij. Hij vroeg iedereen een stap achteruit te doen en regelde het rustig. De man betaalde een afgesproken bedrag. Bram haalde een stoffer en blik. Nelle hield Puck tegen toen die de scherven met haar handen wilde pakken. ‘Laat dat even.’ Puck ging op haar hurken zitten en keek naar de kap. ‘Ik had die kabel moeten vastplakken.’ ‘Misschien. Hij had ook moeten kijken.’ ‘Als er iets misgaat, kijk jij altijd alsof ik het had kunnen voorkomen.’ Nelle wilde ontkennen. Ze zag de blik van haar dochter en deed het niet. ‘Dat zal ik vast doen,’ zei ze. ‘Ik probeer het zelf ook altijd voor te zijn.’ ‘Lukt dat?’ Ze keken allebei naar de scherven. Nelle schudde haar hoofd. Puck lachte kort en stond op. Bram kwam met het blik. Nelle liet hem opruimen. De middag werd trager. Mensen kwamen voor een schaal of een boek, bleven praten en kochten iets anders. Inge vertrok op de tijd die ze had genoemd. Haar kind kreeg twee stukken cake mee in een servet. Puck at een broodje achter de laptop en bevestigde betalingen. Gert belde een koper die te laat was voor een gereserveerde kast en gaf hem nog een halfuur. Nelle verkocht de rieten stoel waarop haar moeder had gezeten. De koper was een jonge vrouw die hem op haar balkon wilde zetten. Nelle waarschuwde dat hij niet in de regen moest blijven staan. De vrouw zei dat het balkon overdekt was. Toen ze de stoel optilde, viel een klein rond brandplekje aan de onderkant op. Haar moeder had er ooit een sigaret tegen gehouden. Nelle had het nooit weggewerkt. ‘Er zit hier een vlekje,’ zei ze. De vrouw keek. ‘Dat zie je toch niet als hij staat.’ ‘Nee.’ Ze liet de stoel gaan. Daarna pakte ze haar telefoon om Inge een bericht te sturen. Stoel van mam verkocht. Ze wist niet wat ze erbij moest zetten. Inge antwoordde: Goed. Heb je gegeten? Om halfvier werd de bank opgehaald. De twee vrouwen hadden dekens mee en spanbanden die er nieuw uitzagen. Bram hielp dragen. Nelle hield de voordeur open. Els stond achter haar. De bank draaide langzaam door de gang, schoof over de drempel en verdween naar buiten. Onder de plek waar hij had gestaan lag een klein muntje. Puck raapte het op en gaf het aan Els. ‘Voor het nieuwe huis,’ zei ze. Els stopte het in haar broekzak. ‘Voor de winkelwagen.’ Toen het hek dichtging, was de woonkamer veranderd in een kamer met overgebleven spullen. Dat was iets anders dan een kamer vol dingen die nog weg moesten. Nelle zag wat Els bedoelde toen ze zei dat ze niet wist hoe ze moest kijken. Gert maakte de voorlopige afrekening. Puck kreeg haar vergoeding diezelfde dag overgemaakt. Nelle zag de melding op haar scherm en keek bewust niet naar het bedrag. Het was Pucks rekening. Els vroeg of Nelle dinsdag kon komen voor de laatste controle van hun lijst. Dan zou ze het eerste deel van de afgesproken betaling overmaken. ‘Ja,’ zei Nelle. ‘Na vieren.’ ‘Blijf je vandaag eten?’ Nelle dacht aan haar eigen keuken, aan het brood in de vriezer en de behoefte om nergens meer iets te zien wat verplaatst moest worden. ‘Vandaag niet.’ Els knikte. ‘Dan doe ik iets makkelijks.’ Buiten hing de avond laag over de straat. Nelle stapte in haar bestelwagen. Op de passagiersstoel lag het blauwe schrift. Ze had het die dag geen enkele keer nodig gehad. Hoofdstuk 13 — Over de drempel De verhuizing vond plaats op een woensdag waarop regen was voorspeld maar niet kwam. Nelle had die dag drie keer het weerbericht bekeken. Uiteindelijk bleek het enige betrouwbare aan de voorspelling de datum. Ze had de nieuwe overeenkomst voor de werkruimte getekend. De afspraken over de bovenwoning waren afzonderlijk vastgelegd nadat er deskundig naar was gekeken. Els kon haar plannen met het pand verder onderzoeken, maar niemand deed nog alsof Nelle er niet woonde. Ze hoefde die maand geen huis uit te zoeken om haar werk te kunnen verplaatsen. Het eerste deel van de betaling stond op haar rekening. Ze had er een openstaande materiaalrekening van betaald en een bedrag opzijgezet voor de nieuwe werkplaats. Daarna had ze de rest een avond lang niet aangeraakt. Er was iets vreemds aan geld dat eerst jarenlang in gesprekken had gezeten. Bram kwam om acht uur met de grote bus. Puck kwam een halfuur later op de fiets. Ze had het werk in Meppel gekregen, twee dagen per maand om te beginnen, en haar eerste afspraak was de volgende week. Nelle had haar gevraagd te helpen met de verhuizing. Ze had erbij gezegd dat ze haar daarvoor niet betaalde, omdat ze het als hulp vroeg. Puck had ja gezegd en gevraagd of er broodjes waren. Dat was eenvoudiger geweest dan Nelle had verwacht. Ze begonnen met de rollen stof. Sommige gingen mee, andere naar een school die ze voor handvaardigheid kon gebruiken. Inge had het contact gelegd en verder niets geregeld. Nelle had zelf gebeld, een tijd afgesproken en gezegd dat de school het materiaal moest ophalen. De kasten werden lichter. Achter één kast lag een handschoen van Puck, klein, paars, met een ster op de rug. Puck paste hem voor de grap over twee vingers. ‘Je hebt echt nooit ergens achter gestofzuigd.’ ‘Ik wilde je herinneringen bewaren.’ ‘Heel zorgvuldig. Met stof erop.’ Ze gooide de handschoen niet weg. Ze stopte hem in haar tas, zonder er iets over te zeggen. De snijtafel was het moeilijkst. Het blad moest los, de poten eruit, de schroeven in een bakje dat meteen zoekraakte. Bram begon al naar de gereedschapskist te lopen om andere schroeven te zoeken toen Nelle hem tegenhield. ‘We hebben ze net ergens neergezet.’ ‘Ik heb nog wel—’ ‘Eerst zoeken.’ Ze vonden het bakje op de vensterbank, achter de koffie. Bram keek ernaar en haalde zijn schouders op. ‘Dat scheelt weer.’ Nelle tilde één kant van het blad op. Haar rug protesteerde meteen. Ze zette het weer neer. ‘Dit gaat niet.’ ‘Dan doen wij het,’ zei Bram. Vroeger zou ze toch hebben doorgetild, deels uit trots en deels omdat wachten voelde als falen. Nu hield ze de deur open terwijl Bram en een buurman het blad naar de bus droegen. Het was hetzelfde deurwerk als op de verkoopdag, en ze vond het ineens geen minderwaardige taak. Samir had de gang vrijgemaakt. Voor de zijdeur lag een stevige vlakke strook waarover de dolly gemakkelijk reed. Nelle keek ernaar voordat ze iets anders deed. ‘Dat is goed geworden.’ ‘Ja,’ zei hij. ‘Ik ben er zelf ook al twee keer blij mee geweest.’ Ze zetten de tafel in elkaar. Hij paste, met minder ruimte omheen dan op de Noorderkade. De naaimachine kwam bij het raam. De grote kast paste niet op de plek die Nelle had bedacht. Ze maten opnieuw, schoven en vloekten zacht. Puck maakte een foto om later te kunnen zeggen dat de inrichting niet vanzelf was ontstaan. Tegen drie uur stonden de belangrijkste spullen. De rest zat in dozen. Op één doos had Puck INGEWIKKELDE DINGEN geschreven. Er zaten kabels, lampen en een rol tape in. ‘Dat kan op elke doos,’ zei Nelle. ‘Dan weet je waar je aan toe bent.’ Ze aten broodjes aan de snijtafel. Bram had kaas meegenomen, en vroeg pas toen hij de zak neerzette of dat goed was. Nelle zei dat het prima was. Hij keek even tevreden en at daarna zelf het broodje eiersalade. Puck vertrok als eerste. Ze moest nog beelden bewerken voor een andere klant. Ze gaf Nelle een envelop. ‘Wat is dit?’ ‘De proefdruk voor je bord. Je moet nog akkoord geven.’ Nelle opende hem. Haar naam, daaronder STOFFEREN EN REPAREREN, met een klein beeld van een draad die door een oog ging. Het was rustig en helder. Niets aan het bord deed alsof haar bedrijf groter was dan het was. ‘Mooi,’ zei ze. ‘Kijk er morgen nog eens naar. Dan pas laat ik het maken.’ Nelle knikte. Haar dochter fietste weg. Vanuit de deuropening zag ze haar een hand opsteken naar Samir, die een fiets naar buiten rolde. Bram bleef om een lamp op te hangen. Hij vroeg waar ze hem wilde. Nelle wees een plek aan en vroeg of hij even wilde wachten terwijl ze achter de naaimachine ging zitten om het licht te beoordelen. ‘Daar,’ zei ze. ‘Iets naar links.’ Hij verplaatste de lamp. ‘Zo?’ ‘Ja.’ Hij hing hem op zonder te zeggen dat hij het meteen al zo had bedoeld. Toen hij klaar was, bleef hij bij de tafel staan. ‘Het ziet er goed uit.’ ‘Het is nog een hoop werk.’ ‘Dat bedoel ik ook.’ Ze keek hem aan. Er zat iets zachts in zijn gezicht dat haar vroeger had gerustgesteld. Ze voelde geen verlangen om terug te gaan. Wel een verdriet dat het zo lang had geduurd voordat ze gewoon naast elkaar konden staan zonder te doen alsof ze samen hetzelfde wilden. ‘Dank je voor vandaag,’ zei ze. ‘Graag gedaan.’ Hij pakte zijn jas. Bij de deur vroeg hij of hij later nog een stoel voor iemand mocht brengen. Een vriendin had iets waarvan de bekleding losliet. Hij zei vriendin op een gewone toon, maar keek toch naar haar. Nelle liet een paar seconden voorbijgaan. ‘Stuur eerst een foto. Dan kan ik zeggen wanneer ik tijd heb.’ ‘Doe ik.’ Hij vertrok. Ze bleef alleen achter in een ruimte die nog naar andermans koffie rook. Het raam zat hoger dan thuis. Ze kon er de straat niet door zien, alleen een strook lucht en het bovenste deel van een boom. Ze ruimde de gereedschappen op die ze de volgende ochtend nodig had. De rest liet ze staan. Er was geen enkele reden om die avond alles af te maken, behalve dat ze het gewend was. Samir kwam met de sleutels. Voor Nelle had hij er één van de gezamenlijke buitendeur en één van haar nieuwe werkruimte. Ze spraken nog eens door wat ze deden als een klant te laat kwam of een pakket werd bezorgd. ‘Morgen?’ vroeg hij. ‘Morgen.’ Ze sloot de deur en reed naar huis. Op de Noorderkade moest ze nog door de oude werkplaats om bij de trap te komen. De ruimte klonk hol. Er stonden een bezem, een emmer en het berken stoeltje dat ze niet had meegenomen. Ze zou het boven zetten. Ze droeg het de trap op, langzaam, zonder iemand te vragen die er niet was. In de keuken zette ze het naast het raam. De scheve plooi zat nog steeds onder de zitting. Ze maakte soep warm en at aan tafel. Beneden ging geen machine aan. Er was geen laken dat nog over een stoel moest, geen werkbon die ze snel kon controleren. Na het eten bleef ze zitten met haar handen om de lege kom. De stilte was groter dan ze had verwacht. Ze wist nog niet of ze hem prettig vond. Ze belde Inge en vroeg hoe de hockeywedstrijd was afgelopen. Hoofdstuk 14 — Het licht aan In december lag er rijp op de fietsen voor Samirs winkel. Nelle kwam vijf minuten te laat omdat ze onderweg een straat verder was gereden dan nodig. Ze had in de bestelwagen aan iets anders gedacht. Op de Noorderkade hoefde ze nooit een route te onthouden. Daar was ze alleen een trap afgegaan. Ze deed de zijdeur open en zette het licht aan. De ruimte was inmiddels vol genoeg om van haar te zijn. Er lagen kleine stukjes stof in de hoeken. Op de vensterbank stond een plant die Puck had gebracht met de mededeling dat hij weinig aandacht nodig had. Nelle had hem al twee keer bijna verzopen. Boven de tafel hing het bord met haar naam, nog tijdelijk, omdat Samir en zij eerst toestemming voor een gezamenlijk bord aan de straat wilden regelen. Niet alles hoefde in de eerste maand klaar. Ze hing haar jas op en controleerde de agenda. Twee klanten, één bezorging, 's middags Vera. De klant met de stoelen had uiteindelijk betaald zonder opnieuw over de prijs te beginnen. Een andere opdracht was niet doorgegaan. Nelle had een week lang gedacht dat die afwijzing het bewijs was dat ze te duur was. Daarna was er iemand gekomen met een bank die werkelijk een grote reparatie nodig had en niet vroeg of het tussendoor kon. De berekening klopte nog niet elke maand. Ze wist nu wel waar ze naar moest kijken. Op haar bureau lag een envelop van Els. Het tweede deel van hun afspraak was betaald. In de envelop zat geen geld, maar een kaart met haar nieuwe adres, al kende Nelle dat inmiddels. Els had onderaan geschreven dat de gordijnen iets te lang waren. Daaronder, in kleinere letters: Wil je een keer komen meten en zeggen wat het kost? Nelle had de kaart drie dagen laten liggen omdat ze er telkens om moest glimlachen. Het huis aan de Buitenweg was leeggeruimd. Els woonde in haar appartement met een balkon waar inderdaad twee stoelen op pasten. De grote spiegel hing er niet; ze had hem toch verkocht. Ze belde soms omdat ze iets miste wat waarschijnlijk in een doos zat. Eén keer was het gewoon omdat ze Nelle wilde spreken. Bram stuurde af en toe een foto van iets dat gerepareerd moest worden. Zijn vriendin had de stoel uiteindelijk zelf gebracht. Ze heette Marit en was zenuwachtiger geweest dan Nelle. Ze hadden het over stof gehad, over katten en over het verschil tussen lichtgrijs en iets wat alleen onder winkelverlichting lichtgrijs leek. Het gesprek had een gewone lengte gehad. Nelle was daar achteraf opgelucht over geweest. Om elf uur belde Puck. Ze zat in de trein naar Meppel en wilde weten of Nelle zondag mee naar opa ging. Inge had gevraagd het deze keer op tijd af te spreken. ‘Ja,’ zei Nelle. ‘Hoe laat?’ Ze kozen een tijd. Daarna vertelde Puck over een foto die niet lukte omdat een tafelblad steeds het plafond weerspiegelde. Nelle vroeg of ze de tafel kon kantelen. Puck zei dat dat onmogelijk was. Ze praatten vijf minuten over iets waar geen familiegeschiedenis aan vastzat. ‘Ik kom donderdag mijn statief halen,’ zei Puck. ‘Ben je er dan?’ Nelle keek in haar agenda. ‘Tot vier uur.’ ‘Dan kom ik om drie.’ Ze hing op en zag dat haar koffie koud was geworden. Ze dronk hem toch op. In de middag reed ze naar Vera met de twee knopen. Eén was de oude, donkerder gebleven knoop. De andere had ze overtrokken met stof van de onderkant van de fauteuil. Het verschil was zichtbaar. Ze had het vooraf laten zien. Vera deed open in een wollen vest. Het appartement zag er inmiddels bewoond uit. Er lagen kranten op tafel en bij het bed stond een kastje dat net te breed was. De knoopjes op de fauteuil hadden langer moeten wachten dan oorspronkelijk afgesproken, omdat Vera een week bij haar kleindochter was geweest. ‘Ik ben er nog,’ zei ze toen Nelle binnenkwam. ‘Dat zie ik.’ ‘Mijn man komt op woensdag eten. Soms blijf ik een nacht thuis. We weten nog steeds niet precies hoe het heet.’ Nelle zette haar tas neer. ‘Moet het ergens op geschreven worden?’ Vera lachte. ‘Alleen op de post.’ Ze dronken thee voordat Nelle begon. Vera vroeg hoe het was om niet meer boven haar werk te wonen. Nelle vertelde dat ze in het begin elke avond dacht dat ze iets vergeten was uit te zetten. Een keer was ze teruggereden. Alles was uit geweest, behalve Samirs lamp boven de kassa. ‘En nu?’ ‘Nu denk ik het nog steeds. Ik rijd alleen niet altijd terug.’ Vera knikte alsof dat een bruikbare vooruitgang was. Nelle kantelde de stoel en maakte de onderstof gedeeltelijk los. Ze zocht de oude doorgang door het binnenwerk. Het kostte wat moeite om de lange naald op de goede plek te krijgen. Vera zat aan tafel en keek toe zonder aanwijzingen te geven. ‘Mijn moeder zou blij zijn dat hij nog gebruikt wordt,’ zei ze. Nelle dacht aan Joop en zijn berken stoeltje, aan haar moeder met een sigaret bij de deur. Ze zei niet dat ze dat zeker wist. Ze kende Vera’s moeder alleen van een foto. ‘Hij zit ook gewoon goed,’ zei ze. ‘Ja,’ zei Vera. ‘Dat is ook belangrijk.’ Toen de knopen vastzaten, zette Nelle de stoel recht. Vera ging zitten. De donkere knoop zat links, de lichtere rechts. Het was geen fout die nog opgelost moest worden. ‘Zo mag hij blijven,’ zei Vera. Ze betaalde de afgesproken rekening. Nelle stopte het bewijsje in haar tas en dronk nog een halve kop thee. Ze hoefde nergens heen voor iemand die haar niet verwachtte. Terug in de werkplaats brandde licht. Samir was in de gang bezig een fiets op te hangen. Hij vroeg of Nelle nog lang bleef. ‘Een uur.’ ‘Ik sluit vast af. Als er nog iemand komt, moeten ze bij jouw deur bellen.’ ‘Goed.’ Ze werkte aan een eetkamerstoel van een nieuwe klant. De zitting was klein, het hout stevig. Onder de oude bekleding had ze een potloodstreep gevonden van degene die hem eerder had gedaan. Ze had die streep laten staan. Haar eigen markering stond er een paar centimeter naast. Tegen zessen belde de telefoon. Els vroeg of ze die zondag kon langskomen voor de gordijnen. ‘Zondag ga ik naar mijn vader,’ zei Nelle. ‘Dinsdagmiddag kan ik meten.’ ‘Dan ben ik naar de pedicure.’ ‘Donderdag?’ Ze vonden een tijd. Het kostte minder dan een minuut. Nelle legde de telefoon weg. Buiten werd de lucht achter het hoge raam donker. De compressor sloeg aan en vulde de ruimte even met zijn vertrouwde lawaai. Ze wachtte tot hij stopte, controleerde de spanning van de stof en trok een plooi glad. Toen knipte ze de laatste draad kort en zette de stoel op zijn poten.