De namen op het linnen Een novelle Hoofdstuk 1 — Een uur te weinig Ravelveen, oktober 1932 Op het loonzakje van Saar van Dalen had Mien een vier geschreven. Vier gulden en vijfentwintig cent, aan de achterkant uitgesplitst in uren, zodat er bij het afgeven geen woorden over nodig waren. Toch bleef Saar aan de andere kant van het loket staan. ‘Het klopt niet,’ zei ze. Mien legde de pen neer. Door het open raam kwam een streep stoom die onder de lessenaar bleef hangen. Ze had die ochtend de ramen gelapt; nu stonden er weer druppels op het glas. ‘Dinsdag drie uur, donderdag vijf. Vrijdag een halfuur voor de ontbrekende slopen.’ ‘Dinsdag vier.’ Mien trok het blauwe schrift naar zich toe. Ze hoefde niet te zoeken. Dinsdag stond op de bladzijde die met een kroontjespenvlek aan haar duim had vastgezeten. Acht uur vijftien tot elf uur vijftien. Dat was wat Antje haar had opgegeven. ‘Om kwart over elf waren we nog bezig.’ ‘Dat kan. Misschien heb je gewacht op Arie.’ Saar hield het zakje tussen twee vingers. Er zat een kale plek in haar bruine mantel waar vroeger een knoop moest hebben gezeten. De twee andere knopen had ze lager vastgezet, waardoor het kledingstuk scheef om haar heen viel. ‘Arie heeft me gehaald. Om kwart over twaalf. Toen hadden we de laatste kist voor de schippers nog dicht te maken.’ Mien keek naar de gang. Daar was niemand. Ze draaide de achterkant van het briefje naar Saar toe, alsof haar eigen kleine cijfers misschien overtuigender waren dan haar stem. ‘Ik kan alleen betalen wat ik heb staan.’ ‘Dan moet u het anders opschrijven.’ Ze was drieëntwintig, had een kind en een man, maar zei nog altijd u tegen Mien. Van de vrouwen die zij in juni had uitbetaald, was Saar de enige die het loonzakje meteen had opengemaakt. De anderen hadden hun laatste geld bij hun schort gestoken en waren naar de kleedruimte gegaan om hun schoenen aan te trekken. Saar had haar loon nageteld, gevraagd waar de vrije vrijdag gebleven was en pas daarna gehuild. ‘Ik zal het met Antje bespreken,’ zei Mien. ‘Dat zei u vorige week ook.’ Mien voelde haar wangen warmer worden. Buiten reed Bram een kar met nat goed over de binnenplaats. De wielen maakten vier keer hetzelfde harde geluid op de verzakte stenen. Saar liet het geldzakje liggen. ‘Neem dat alvast mee.’ ‘En dan?’ ‘Dan krijg je het verschil als er een verschil is.’ Saar stopte het zakje in haar jaszak. Ze liep niet meteen weg. ‘Voor vanavond weet ik het nog niet. Mijn schoonmoeder kan niet bij Ben blijven.’ ‘Er is voor vanavond niets afgesproken.’ ‘Antje heeft het gisteren gevraagd.’ Mien keek opnieuw in haar schrift. Maandagavond was leeg. Toen Saar vertrokken was, bleef ze een tijd naar die lege regel kijken. Er stonden vier kleine loonbedragen onder elkaar, allemaal op namen die ze sinds de zomer uit het grote boek had moeten laten. Voor Saar, Dina, Truus en de oude juffrouw Van Oort, die zich door niemand bij haar voornaam liet noemen. Thuis verricht naaiwerk, stond er in het kasboek dat de heer Rademaker iedere vrijdag controleerde. Het was een omschrijving die Paul had bedacht. Hij had erbij gezegd dat ze de bedragen later netjes zouden uitsplitsen, zodra de orders weer aantrokken. Tot die tijd hoefde niet iedereen te weten hoe het bedrijf zijn hoofd boven water hield. Mien had de omschrijving overgenomen. Ze wist het precieze moment nog. Paul stond aan haar schouder met een rijtje bedragen op een afgescheurde envelop. Hij rook naar regen en dure zeep. Zij had gevraagd of er niet gewoon ‘extra werk’ kon staan. Hij had op het overvolle grote boek getikt, alsof de dikte van het papier de moeilijkheid vormde. ‘Dan moeten al die andere stukken mee veranderen.’ Nu kwamen die vrouwen door de achterdeur, na het avondeten, en gingen soms pas weg als in de huizen aan de overkant het licht al uit was. Geen van hen nam een naaimachine mee. Ze stonden aan de vouwtafels en bij de mangel, waar hun handen wit werden van warmte en vocht. Mien wist het. Toch had ze het woord naaiwerk die ochtend opnieuw geschreven. Ze sloot het blauwe schrift toen de heer Rademaker binnenkwam. Hij droeg de hoed die hij alleen opzette wanneer hij naar de bank ging. Onder de rand zat een vochtige afdruk op zijn voorhoofd. Er hingen grijze draden aan zijn zwarte overjas, stukjes van het wollen kleed waarmee zijn vrouw vroeger de rugleuning van de stoel beschermde. Sinds haar dood was er weinig in het kantoor veranderd, ook het kleed niet. ‘De rekening van de kolenboer,’ zei hij. Mien trok de juiste map uit het rek. Hij nam de rekening aan zonder erin te kijken. ‘Die oude heer wil boter bij de vis.’ ‘Hij schrijft dat het de derde herinnering is.’ ‘Die lees ik zelf ook wel.’ Ze vouwde haar handen op de lessenaar. Rademaker haalde zijn bril uit zijn borstzak, zette hem niet op en stak hem weer terug. ‘Uw vader kon altijd met hem praten. Ze hebben samen op de lagere school gezeten.’ ‘Vader heeft die kolen niet besteld.’ ‘Dat zeg ik niet.’ Even leek hij te willen lachen. Toen zag hij het blauwe schrift onder haar hand. ‘Dat gaat allemaal goed?’ ‘Saar zegt dat ze een uur te weinig heeft gekregen.’ ‘Laat Antje het uitzoeken. Daar is ze voor.’ ‘En vanavond zou er weer werk zijn.’ Hij keek naar het raam. De kar van Bram reed terug, nu leeg. ‘Niet meer vanavond. Morgen. Er komt een grote partij van De Kroon. Een diner, iets voor handelsmensen. Paul heeft het geregeld.’ De Kroon had sinds juni geen grote partij meer gebracht. Hun tafelkleden waren zo groot dat twee vrouwen ze samen uit de mand moesten trekken. In de hoeken zat een kroon van rood garen, zo dicht gestikt dat de stof eromheen altijd eerder sleet dan het teken zelf. De directrice had geklaagd over grauwe randen en een zoekgeraakt servet. Daarna waren de kisten uitgebleven. ‘Kunnen we dat aan?’ vroeg Mien. ‘Anders had hij het niet aangenomen.’ Rademaker streek de kolenrekening glad, schoof die terug naar Mien en zei dat ze alvast een deel moest betalen. Niet alles. Een bedrag waaruit goede wil bleek. ‘Hoeveel?’ Hij noemde een som die bijna gelijk was aan de lonen in het blauwe schrift. Mien schreef hem op. Ze hoorde de deur van zijn kantoor dichtgaan en pas daarna de haak van het slot vallen. Om twaalf uur at ze haar boterhammen op de trede bij de achterdeur. Binnen kon ze niet eten zonder dat de lucht van wasloog aan het brood bleef zitten. Antje kwam naast haar staan met een emmer koffiedik voor de tuin van de conciërge. De emmer had een handvat dat in de palm sneed. Antje wisselde hem van hand. ‘Saar is geweest,’ zei Mien. ‘Dan heeft ze haar geld.’ ‘Ze zegt dat dinsdag een uur langer was.’ Antje zette de emmer neer. Ze had dikke enkels boven haar schoenen, ook in de ochtend al. Mien vroeg zich soms af hoe het voelde om op die benen een hele dag te moeten staan. Zelf stond ze niet lang genoeg bij een tafel om het te weten. ‘Zij heeft langer gedaan over wat een ander eerder af had,’ zei Antje. ‘Daar kan ik geen uren bij blijven schrijven.’ ‘We betalen per uur.’ ‘We betalen wat er is. Vraag het boven maar.’ Aan de overkant van de binnenplaats bleef een onbekende man staan. Hij had een platte pet onder zijn arm en een papier in de hand. Elke week kwamen er mannen vragen of er werk was. Meestal verdwenen ze door dezelfde poort waardoor ze gekomen waren. Deze keek naar de schoorsteen en wachtte tot iemand hem zag. ‘Er komt morgen een hotelpartij,’ zei Mien. ‘Dat weet ik.’ ‘Heb je de vrouwen al gevraagd?’ ‘Dina kan. Truus misschien. Saar doet moeilijk.’ ‘Haar schoonmoeder kan niet.’ Antje pakte de emmer weer op. ‘Als ik op iedereen zijn schoonmoeder moet wachten, zijn we met Kerstmis klaar.’ Ze liep naar de man bij de poort en wees hem naar de voordeur. Mien at haar laatste korst. In haar jaszak voelde ze de munt die voor de tram naar Broekstad bestemd was, een kleine reserve voor een zondag waarop ze ergens anders wilde zijn. Ze had de munt al zes weken. Voor ze naar binnen ging, nam ze hem uit haar zak en hield hem in haar hand. Het bedrag dat Saar nog tegoed meende te hebben was groter. Het ging bovendien niet om haar eigen geld. Ze stak de munt terug. Die middag trok ze in het blauwe schrift onder Saars uren een dunne potloodstreep. Ernaast schreef ze: navragen. Toen ze het schrift opborg, viel het op die bladzijde open. Hoofdstuk 2 — Een onderdeel in een doek Haar vader had de aardappels al geschild. Ze lagen glad en bleek in een pan op het aanrecht. Mien pakte de dikke schillen uit de bak en schudde haar hoofd. Van drie kleine aardappels was weinig over. ‘Straks eten we de schillen en geven we de rest aan de kippen.’ ‘Dan nemen we kippen.’ Hij zat bij het raam met een krant van zaterdag op zijn knieën. Het schuin vallende licht maakte de haren op zijn handen bijna wit. Zijn overhemd was schoon, maar onder de nagel van zijn rechterduim zat vet. Mien zette de pan op het vuur. Ze had haar hele weg naar huis gedacht aan hoe ze het zou vragen. Nu ze in de keuken stond, wist ze alleen dat ze niet met de nagel moest beginnen. ‘Rademaker is naar de bank geweest.’ Haar vader maakte een geluid dat van alles kon betekenen. ‘Hij vroeg of u met de kolenboer wilde praten.’ ‘Waarom?’ ‘Omdat u elkaar kent.’ ‘Ik ken de burgemeester ook. Die leent me zijn fiets nog niet.’ Mien hing haar mantel aan de haak naast de deur. De mantel van haar moeder hing er al jaren niet meer, toch liet ze die ene haak meestal vrij. Haar vader had er deze winter een pet aan gehangen. Zij had de pet naar de kapstok verplaatst, zonder iets te zeggen. Hij had hem teruggehangen. ‘Ze laten 's avonds vrouwen terugkomen,’ zei ze. Hij vouwde de krant dubbel. ‘Dat weet ik.’ ‘Hoe weet u dat?’ ‘Ze hoeven hun voeten niet thuis te laten. Ik zie mensen lopen.’ ‘U bent er geweest.’ Hij keek naar de pan. Er kwam nog geen damp af. In het huis was het stil genoeg om het tikken van de deksel tegen de rand te horen wanneer Mien hem goed legde. ‘Bram had ergens hulp bij nodig.’ ‘Bij de ketel?’ ‘Bij iets kleins.’ Ze draaide zich om. Hij zag de vraag en streek met twee vingers over zijn knie. ‘Die oude mangel heeft een onderdeel dat telkens wegloopt. Een aanslag. Je hoeft me niet zo aan te kijken, ik heb er mijn hand niet tussen gestoken.’ ‘Hoe lang bent u gebleven?’ ‘Lang genoeg om te kijken.’ Mien zette twee borden op tafel. Een van de borden was van haar moeder geweest, met een blauwe bloem waarvan een blaadje ontbrak. Ze gaf dat altijd aan haar vader, omdat hij minder morste wanneer de rand omhoogliep. ‘En hebt u gekeken of gewerkt?’ ‘Wat wil je nu horen, Mien?’ Ze wilde horen dat hij er niet meer heen zou gaan. Hij was vierenzestig, hij hoestte de hele winter en de lange wandeling naar de wasserij kostte hem soms een halfuur. Ze wilde ook weten of hij er geld voor had gekregen. Sinds mei was zijn kleine wekelijkse bedrag uit de zaak onregelmatig gekomen. Rademaker noemde het een tegemoetkoming voor de jaren. Haar vader noemde het loon, hoewel hij geen vaste uren meer maakte. Mien gebruikte geen van beide woorden. Ze schreef bedragen in haar huishoudboek en liet de omschrijving leeg. ‘We kunnen het zonder doen,’ zei ze. ‘Dan kun jij het zonder doen. Jij betaalt hier alles.’ ‘U hebt het vroeger betaald.’ ‘Vroeger is tegenwoordig een flinke inkomstenbron.’ Hij lachte om zijn eigen zin, begon te hoesten en wees kwaad naar haar toen ze een glas water nam. Ze zette het glas toch neer. Het bleef onaangeroerd staan tot de aardappels kookten. Na het eten haalde hij uit de la van de keukenkast een doek. Hij vouwde hem uit met de nauwkeurigheid waarmee hij vroeger zondags zijn scheermes had klaargelegd. Er lag een klein metalen onderdeel in. Aan de rand was het afgesleten; op één plek blonk een verse vijlstreep. ‘Dit is het oude,’ zei hij. ‘Ik heb er iets in gezet wat even houden kan. Er hoort een nieuw stuk in.’ ‘Hebt u dat gezegd?’ ‘Tegen Bram. Tegen Paul ook.’ ‘En?’ ‘En Paul heeft veel aan zijn hoofd.’ Mien pakte het onderdeel niet op. Ze was bang dat haar vader dan zou uitleggen hoe het werkte, waar het in hoorde en waarom er eigenlijk niets mis kon gaan. Dat deed hij altijd wanneer ze bezorgd was: hij maakte haar bezorgdheid kleiner door er woorden aan toe te voegen die ze niet kende. ‘Schrijf het op,’ zei ze. Hij keek haar aan. ‘Dat het vervangen moet worden. Dan geef ik het aan hem.’ ‘Heb jij me wel eens een rekening zien schrijven?’ Ze dacht aan zijn naam, in grote ongelijke letters op de achterkant van de huurbewijzen. Hij kon de krant lezen, zij het langzaam, en hij kon alles bij elkaar optellen wat in een machine passen moest. Een brief schrijven liet hij aan haar over. Sinds haar moeder dood was, schreef Mien ook de kaarten aan zijn zuster. Dan zei hij wat erop moest, trok de woorden terug omdat ze te deftig klonken en tekende uiteindelijk alleen Gerrit. ‘Ik kan het opschrijven,’ zei ze. ‘Dan lijkt het of ik kom klagen.’ ‘U komt zeggen dat iets stuk is.’ ‘Het is al jaren bijna stuk.’ Ze sloeg de theedoek uit over de tafel. Haar vader keek naar de witte stof, alsof hij zich pas nu realiseerde waar ze allebei de hele dag mee bezig waren. Toen ze zeventien was, had hij haar meegenomen naar de wasserij om haar voor te stellen aan de oude juffrouw De Ridder, die de administratie deed. Haar moeder lag die winter veel in bed. Er moest een loon bij. Mien had gedacht dat ze aan de strijktafels zou komen. Juffrouw De Ridder had haar een rijtje bedragen laten optellen en daarna een andere som gegeven waarin opzettelijk een dubbeltje ontbrak. Mien had het dubbeltje gevonden. Vanaf dat moment zat ze aan de lessenaar. Haar vader had er op zondag tegen zijn vrienden over verteld. Mijn dochter werkt op kantoor, had hij gezegd. Voor hem was kantoor een plaats waar de handpalmen schoon bleven en een mens niet schor naar huis hoefde. Mien ging nu naast hem zitten. Ze nam een vel uit het kleine doosje waarin ze papier bewaarde en schreef de datum. Haar vader schoof het metalen onderdeel terug op de doek. ‘Ik heb ze gewaarschuwd,’ zei hij. ‘Dat schrijf ik niet. Ik schrijf dat er een nieuw onderdeel moet komen.’ Hij dicteerde drie zinnen. Mien schreef ze op en las ze voor. Hij verbeterde één woord, liet het nogmaals voorlezen en zette onderaan zijn naam. De G begon groter dan hij had gewild. Hij probeerde de rest van de letters erbij te laten passen. ‘Geef het alleen aan Paul,’ zei hij. ‘Die oude heeft al genoeg zorgen.’ Mien vouwde de brief dubbel. Het vel paste precies in haar handtas. Haar vader keek haar na toen ze naar de kapstok liep. ‘Als ze dat werk niet aannemen, is het ook gedaan,’ zei hij. ‘Dat weet ik.’ ‘Jij met je schriftjes denkt soms dat je alles recht kunt krijgen.’ ‘Iemand moet ze bijhouden.’ Hij knikte, nam het glas water en dronk het in één keer leeg. Later die avond bracht buurvrouw Keet een half brood dat volgens haar anders oud zou worden. Het brood was nog warm vanbinnen. Mien nam het aan en hoorde haar vader in de kamer vragen of Keets man de voetbal al had gehoord. Keet antwoordde zonder binnen te komen. Niemand zei iets over het brood. Toen ze vertrokken was, sneed Mien twee dikke plakken af voor de volgende ochtend. Onder haar nagel bleef een donkere korst zitten. Ze dacht aan de vetvlek onder de nagel van haar vader en veegde haar handen af aan haar schort. Hoofdstuk 3 — De rode kroon De kisten van het hotel kwamen dinsdagmiddag, vlak voordat de eerste vrouwen naar huis zouden gaan. Er waren er zes, met ijzeren banden en de naam DE KROON in zwarte letters op het hout. De voerman wilde een handtekening voor hij ook maar één deksel losmaakte. ‘Ik teken voor zes kisten,’ zei Mien. ‘Niet voor wat erin zit.’ ‘Dat zet u er dan bij.’ Hij hield het papier tegen de muur. Mien schreef het erbij. Er was bijna geen plek, doordat de voerman zijn vingers over de helft van de regel had gelegd. Paul kwam de binnenplaats op zonder jas. Hij had de mouwen van zijn overhemd opgestroopt, wat altijd betekende dat hij ging kijken hoe anderen werkten. Mien vond de gedachte onbillijk zodra ze haar had. Hij droeg zelf een van de kisten naar binnen, al zette hij hem na drie passen neer om Bram om hulp te vragen. ‘Vrijdag om tien uur terug,’ zei hij. ‘Schoon, gemangeld, gesorteerd. Voor het diner moet alles op tafel kunnen.’ Antje had de eerste stapel al uit een kist gehaald. De randen van de tafelkleden waren vuiler dan Mien zich herinnerde. Op een ervan zat een donkere kring die bijna de halve breedte besloeg. ‘Dit komt niet van één diner,’ zei Antje. ‘Ze hebben een achterstand.’ ‘Die wij mogen wegwerken.’ Paul liet zich door haar toon niet afschrikken. Hij zei dat dit precies de bedoeling was. Als ze het goed deden, zou De Kroon weer iedere week bestellen. Niet alleen de tafelkleden, ook het beddengoed. De ketels konden weer vol, de kar zou minder lege kilometers rijden. Antje luisterde met het doek op haar armen. ‘En wie gaat er staan?’ ‘Wie je nodig hebt.’ ‘Dat is geen naam.’ ‘Vraag de vrouwen van vorige week.’ Ze liep met de stapel naar de sorteertafel. Mien volgde Paul naar het kantoor en haalde onderweg de brief van haar vader uit haar tas. Hij las hem bij het raam. Zijn gezicht veranderde niet, maar hij las het vel twee keer. ‘Is je vader ongerust?’ ‘Hij zegt dat het onderdeel vervangen moet worden.’ ‘Dat weet Bram.’ ‘Bram koopt het niet.’ Paul legde de brief op de stapel die voor zijn vader bestemd was. Mien pakte hem eraf. ‘Vader vroeg of ik hem aan jou wilde geven.’ ‘Je hebt hem aan mij gegeven.’ Hij leek vermoeid. In de verte liep een hond blaffend achter een handkar aan. Paul streek met zijn hand over zijn mond en vroeg of ze thee wilde. Mien zei dat er al thee stond. Het was even vreemd stil tussen hen. Ze kenden elkaar langer dan zij op de lessenaar zat. Als jongen had hij in de vakanties op het terrein rondgelopen met een zakmes waarmee hij overal zijn naam in kerfde. Mien had hem één keer uitgelachen omdat hij het mes niet dicht kreeg. Hij had haar uitgescholden, was naar zijn moeder gegaan en die had gezegd dat hij het dan maar moest leren. In de deurpost van de oude stal stond nog een P die hij half had afgemaakt. ‘Het moet even mee,’ zei hij. ‘Daarna laat ik iemand komen.’ ‘Vader heeft het over een tijdelijke reparatie.’ ‘Alles is op het ogenblik tijdelijk.’ Hij zei het zacht, zonder het gewicht dat zij had verwacht. Dat maakte het moeilijker om erop terug te komen. Hij pakte een brief van de bank en legde hem voor haar neer. De bedragen waren voor de helft afgedekt door zijn hand, maar zij zag genoeg. De wasserij had meer geld uitgegeven dan er op de rekening stond. Het bedrag was groter dan haar jaarloon. ‘Vader wil niet dat de vrouwen het weten,’ zei Paul. Mien keek naar de hand op het papier. Zijn nagels waren kort, de huid langs zijn duim kapotgebeten. ‘Je hoeft me dat niet te laten zien.’ ‘Ik wil niet dat je denkt dat ik het vergeet.’ Ze wilde zeggen dat vergeten niet het enige was wat een mens kon doen. In plaats daarvan vroeg ze hoeveel uur er die avond gerekend moest worden. Om halfzeven kwamen Dina en Truus door de achterpoort. Dina droeg haar werkschoenen in een boodschappentas en liep op kousen over de laatste meters van de binnenplaats. Ze had een blaar op haar hiel. Truus had een pannetje eten bij zich dat ze op de rand van de ketelruimte wilde warmhouden. Antje stuurde het pannetje naar de kleedkamer. De laatste keer had iemand ertegen gestoten en was de saus tussen de vloerdelen gelopen. Saar kwam pas na zevenen. ‘Arie haalt me om elf uur,’ zei ze. ‘Hij heeft Ben meegenomen naar zijn broer.’ ‘Dan moet hij iets later komen,’ zei Antje. ‘Dat kan niet. Zijn broer moet vroeg op.’ Mien stond met het blauwe schrift bij de deur. Ze had voor ieder een regel gemaakt, met ruimte voor de eindtijd. Bij Saar had ze het betwiste uur van de vorige week opgeteld. Ze had Antje er niets over gezegd. ‘Voor elf uur zien we wel hoever we zijn,’ zei ze. Saar keek naar de stapels. Ze telde met haar ogen de bovenste kleden. ‘Dat zegt u gemakkelijk.’ Mien voelde zich betrapt. Ze had net besloten die avond zelf te blijven, al had niemand haar dat gevraagd. Ze wilde zien hoeveel werk het was, hoe lang het duurde en of Antje werkelijk uren liet verdwijnen. Ook wilde ze in de buurt van de mangel zijn, zonder precies te weten wat zij daar zou kunnen uitrichten. ‘Ik blijf ook,’ zei ze. ‘Dan maakt u straks de thee.’ Saar hing haar mantel aan een haak en begon haar mouwen op te rollen. De huid onder haar ellebogen was lichter dan die op haar handen. Ze haalde een smalle band uit haar zak en bond haar haar bijeen. Mien zag een kindervingerafdruk van iets donkers op haar schouder. De eerste uren deed Mien weinig meer dan tellen. Tweeënzeventig servetten, veertig slopen, twaalf grote kleden. Het getal van de kleden wilde steeds niet uitkomen doordat er twee tussen de bedlakens lagen. Antje werd ongeduldig wanneer Mien opnieuw begon. Na de derde keer pakte ze het potlood uit haar hand. ‘Dit zijn geen boeken. Ze lopen niet weg.’ ‘Er is er vorig jaar één zoekgeraakt.’ ‘En daarom tellen we er nu acht keer twaalf?’ Mien deed haar jas uit en ging naast Dina staan. Samen vouwden ze het eerste tafelkleed. Ze pakte de verkeerde hoek, waardoor de kroon onder een vouw verdween. Dina trok de stof vriendelijk maar beslist terug. ‘Eerst naar mij toe. Zo. De kroon moet boven. Anders denkt die mevrouw dat het van een ander komt.’ Het was warm in de zaal. Mien voelde na een halfuur haar rug, na een uur haar voeten. Dina vertelde over haar oudste zoon, die een brief uit Duitsland had gestuurd met een foto van een straat waar volgens haar geen enkel Nederlands woord op stond. Hij had werk gezocht en schreef dat het daar ook moeilijk was. Ze had de foto onder de klok gezet, hoewel er niemand op stond die ze kende. Mien luisterde. Saar aan de andere kant van de tafel lachte om iets wat Truus zei, een korte hoge lach die boven de machines uitkwam. Voor het eerst die dag leek ze zo jong als ze was. Om kwart voor tien bracht Bram thee. Hij had de glazen op een plank gezet en moest hem met twee handen dragen. Paul kwam nog even kijken. Hij liep langs de stapels, zei dat ze flink opschoten en vroeg aan Mien of ze het kantoor straks wilde sluiten. ‘Blijf jij niet?’ ‘Ik moet met vader iets bespreken.’ Ze wist niet waarom dat antwoord haar teleurstelde. Toen hij vertrokken was, dronk ze haar thee, die zo sterk was dat er een bittere rand aan het glas bleef hangen. Naast de mangel lag een strook versleten linnen op de grond. Ze bukte om hem op te rapen. Bram legde een hand op haar arm. ‘Laat die maar. Die hoort daar.’ Ze keek van het doek naar hem. Hij schudde zijn hoofd, niet afwerend, eerder alsof hij geen tijd had voor de uitleg. Antje riep dat de laatste kleden nu door moesten. Mien zette haar glas neer. Hoofdstuk 4 — Na elf uur Arie stond om vijf voor elf bij de achterpoort. Hij had Ben op zijn arm, gewikkeld in een jas die voor een veel groter kind bestemd was. De mouwen hingen slap langs zijn benen. Het jongetje sliep met zijn mond tegen de kraag van zijn vader. Mien liep naar buiten. De koude lucht deed pijn aan haar warme gezicht. ‘Ze zijn nog even bezig.’ ‘Dat dacht ik wel.’ Arie verplaatste het gewicht van zijn zoon. Onder de andere arm droeg hij een pakje. Toen Mien ernaar keek, zei hij dat het Saars brood was, dat ze vergeten had. Ze stak haar hand uit, maar hij gaf het niet af. ‘Komt ze zelf?’ Binnen klonk de stem van Antje. Mien kon niet verstaan wat ze riep. Het was het enige onderscheid dat ze na vier uur nog kon maken: stemmen waren menselijk, de rest hoorde bij het gebouw. ‘Ik zal haar halen.’ Ze ging terug naar de mangelzaal. Aan de toevoertafel lag nog een stapel grote kleden, de rode kronen aan één kant. Saar en Truus stonden tegenover elkaar en trokken het volgende kleed recht. Dina bond een pakket servetten dicht. ‘Arie is er,’ zei Mien. Saar knikte zonder op te kijken. ‘Ben ook?’ ‘Hij slaapt.’ ‘Nog deze stapel,’ zei Antje. Ze telde de kleden met de rand van haar hand. ‘Zes. Die laten we niet liggen.’ ‘Ik moet naar huis.’ ‘Dina moet ook naar huis.’ Mien stond tussen hen in, met een lege mand tegen haar knie. Ze had tegen Saar willen zeggen dat zes kleden niet lang konden duren. Op hetzelfde ogenblik begreep ze dat dit precies de zin was waarvan Saar al de hele avond moe werd. ‘Ik kan jouw kant overnemen,’ zei ze. Antje keek haar aan. ‘Jij hebt een uur nodig voor één kleed.’ Truus lachte zacht, zonder plezier. Saar trok het kleed van de stapel en gaf de hoek aan haar door. ‘Dan deze zes. En de tijd gaat door tot ik klaar ben.’ Mien knikte. Ze had haar schrift naar binnen kunnen halen en elf uur op de regel kunnen schrijven, met daarna iedere minuut die nog kwam. In plaats daarvan ging ze naar Arie om te zeggen dat het een kwartier zou duren. Hij zei niets. Zijn zoon had zijn ogen geopend en keek over zijn vaders schouder naar de schoorsteen. De eerste twee kleden kwamen goed door. Bij het derde zat een vouw overdwars, een dikke richel die Antje met haar handpalm aanwees. Saar zei dat het aan de tafel scheef liep. Bram, die bij de deur van de ketelruimte stond, kwam dichterbij. Hij keek onder de rand, veegde met een doek ergens langs en zei dat ze het rustiger moesten aangeven. ‘Rustiger is morgen,’ zei Antje. Mien hoorde zichzelf zeggen dat dit echt de laatste stapel was. Het klonk als een geruststelling voor niemand in het bijzonder. Later zou ze de volgorde telkens anders voor zich zien. Soms hoorde ze eerst Saar roepen. Soms zag ze eerst Truus achteruitgaan, met een hoek van het kleed nog in haar hand. Het geluid van de machine veranderde niet meteen. Dat bleef haar het meest bij: het werk ging een paar tellen gewoon door, terwijl er al iets was gebeurd dat zich niet meer in het gewone werk liet terugduwen. Saar stond gebogen, haar rechterarm voor zich. Ze maakte een geluid dat Mien nooit eerder uit een mens had gehoord. Antje riep om Bram. Bram rende naar de schakelaar. Mien wist niet waar ze haar handen moest laten. Ze zag de stof strak worden, zag Truus eraan trekken en hoorde iemand zeggen dat ze los moest laten. Toen was het stil, op het draaien van iets dat nog uitliep na. Mien stond tegen Saar aan, zonder zich te herinneren dat ze naar haar toe was gelopen. Saar zei iets over haar hand. Ze herhaalde dezelfde woorden, telkens iets zachter. Bram en Antje werkten aan de machine. Mien keek naar Saars gezicht en hield haar linkerschouder vast. Haar huid was koud geworden. ‘Blijf staan,’ zei Mien. ‘Ik ben hier.’ Saar schudde haar hoofd, alsof dat geen antwoord was op wat ze gevraagd had. Arie kwam binnen met Ben op de arm. Hij bleef één ogenblik in de deur staan. Daarna duwde hij zijn zoon in Dina's handen en liep naar zijn vrouw. Hij wilde haar optillen. Bram hield hem tegen en zei dat hij moest wachten. Arie schold hem uit. Het was vreemd om vloeken zo duidelijk te horen in de ruimte waar de hele avond ieder woord was verdwenen. Mien rende naar het kantoor. Ze wist het nummer van de dokter niet. Het stond op het kaartje naast de telefoon, onder het nummer van de kolenboer, maar ze kon haar ogen niet op de letters houden. Ze nam de hoorn op en vroeg om dokter Van Engelen. De stem aan de andere kant stelde een vraag. Mien gaf de naam van de wasserij, vervolgens haar eigen naam, alsof dat op de een of andere manier hielp. Toen ze terugkwam, zat Saar op de grond. Haar arm lag in een stapel linnen. Arie knielde naast haar en had zijn hand tegen haar wang. Het was een teder gebaar dat door zijn gezicht werd tegengesproken. Hij keek op toen Mien verscheen. ‘Waar blijft hij?’ ‘Hij komt.’ ‘U zei een kwartier.’ Ze opende haar mond, maar hij keek alweer naar Saar. Dina had Ben meegenomen naar de kleedkamer. Ze zong, niet hard genoeg om het huilen te overstemmen. Truus liep heen en weer met dingen waarvoor niemand had gevraagd: een jas, een fles water, nog meer linnen. Antje stond bij de machine en hield haar handen tegen haar borst. De vingers van haar rechterhand beefden zichtbaar. De dokter kwam in een overjas met daaronder een gestreepte broek. Mien schaamde zich later dat ze die broek had onthouden. Hij knielde, vroeg Saar naar haar naam en liet iedereen behalve Arie achteruitgaan. Hij zei dat ze naar Broekstad moest. Er moest een wagen komen waarmee ze liggend vervoerd kon worden. Bram liep naar de garage, hoewel de eigen wagen alleen een houten laadbak had. Paul verscheen met zijn vader. Ze waren gewaarschuwd door de voerman, die achter de wasserij woonde en het rumoer gehoord had. Cornelis Rademaker bleef zo abrupt staan dat zijn zoon tegen hem opbotste. ‘Saar,’ zei hij. Ze reageerde niet. De dokter stelde vragen. Wanneer was het gebeurd? Aan welke machine? Had ze haar hoofd gestoten? Antje antwoordde eerst, daarna Bram. Mien probeerde te zeggen hoe laat het was, maar de dokter was alweer bezig. De wagen van de brandstoffenhandelaar werd gehaald, omdat daar een dicht laaddeel op zat. Er kwamen dekens. Mien zag haar eigen sjaal op Saars benen liggen. Ze moest hem ergens hebben neergelegd. Toen ze Saar naar buiten brachten, hield Mien de deur open. Arie liep naast de dokter, met een hand onder het linnen waarop de arm rustte. Hij keek niet meer naar haar. Ben ging met Dina mee naar huis. Het kind had opgehouden met huilen en vroeg of zijn moeder koud was. Dina zei dat ze dekens had. Het antwoord stelde hem tevreden. Pas toen de wagen vertrokken was, keek iemand op de klok. ‘Half twaalf,’ zei Paul. ‘Het was eerder,’ zei Mien. ‘Natuurlijk was het eerder.’ Hij klonk geprikkeld. Zijn vader stond bij de natte afdrukken op de vloer. Aan zijn schoenen hingen witte draden. Hij bukte om ze weg te halen en kwam niet meteen weer omhoog. Mien ging naar de lessenaar om de eindtijd bij de vrouwen te schrijven. Het blauwe schrift lag waar ze het had achtergelaten, onder de inkomende post. Ze schreef elf uur twintig, staarde naar het getal en trok er een streep door. Ze wist niet hoe laat het was geweest. Onder de regel van Saar schreef ze: ongeval. Het woord was te klein voor de lege ruimte erachter. Hoofdstuk 5 — De verklaring De volgende ochtend zat haar vader aan de keukentafel toen Mien beneden kwam. Hij had zijn jas al aan. Voor hem stond een onaangeroerde kop thee. Toen zij in de deuropening verscheen, vroeg hij of het waar was. ‘Wie heeft het u verteld?’ ‘Bram kwam langs.’ Ze ging zitten. Haar handen roken naar de zeep waarmee ze ze voor het slapen had gewassen. Ze had meer dan een uur boven op de rand van haar bed gezeten, nog met haar kleren aan, en was uiteindelijk in slaap gevallen zonder de speld uit haar haar te halen. ‘Ze is in Broekstad. Haar arm is verwond. Meer weet ik niet.’ Haar vader hield zijn mond stevig dicht. De vlek vet onder zijn nagel was verdwenen. ‘Bij die mangel?’ Mien knikte. ‘Hoe is het gegaan?’ ‘Dat weet ik niet precies.’ ‘Bram zei dat ze ergens naar greep.’ ‘Dat heb ik niet gezien.’ ‘Hij stond erbij.’ ‘Ik ook.’ Hij keek op en toen weer naar de tafel. Mien begon te huilen voordat ze wist dat het eraan kwam. Het waren korte, hinderlijke snikken, alsof haar lichaam telkens op een trede stapte die er niet was. Haar vader trok de krant onder haar handen vandaan omdat hij bang was dat de inkt zou afgeven. Daarna legde hij zijn hand op haar schouder. ‘Je moet even eten,’ zei hij. Ze schudde haar hoofd. Hij sneed toch een boterham af. Ze at de helft terwijl hij tegenover haar bleef zitten met zijn jas aan. Om negen uur stond Mien in het ziekenhuis. Ze had zich bij de wasserij gemeld, gezegd dat ze naar Broekstad ging en een voorschot meegenomen waarvoor Cornelis Rademaker zijn handtekening had gezet. Twintig gulden in een witte envelop. Ze hield hem in haar tas als iets breekbaars. De zuster liet haar wachten bij een raam dat op een binnenplaats uitkeek. Aan de overkant werden matrassen gelucht. Een man in een witte jas stond een tijd naar de lucht te kijken. Mien vroeg zich af of hij ook op iets wachtte, maar toen draaide hij zich om en ging weer aan het werk. Arie kwam uit een gang met een kommetje dat hij op een tafel zette. Hij had zich niet geschoren. De haren langs zijn kaak stonden schuin, alsof hij eraan getrokken had. ‘Ze slaapt.’ ‘Hoe is het?’ ‘Ze hebben gedaan wat nodig was.’ Hij zei het op de toon van iemand die dezelfde zin al te vaak had gehoord. Mien nam de envelop uit haar tas. Arie keek ernaar zonder hem aan te nemen. ‘Van de wasserij. Voor wat er nu nodig is.’ ‘Wat schrijft u erbij?’ ‘Voorschot.’ ‘Op wat?’ Ze had daar geen antwoord op. Op loon, had ze gedacht. Op kosten. Op de tijd die Saar niet zou kunnen werken. Rademaker had alleen gezegd dat ze het maar moest meenemen en later zouden ze verder zien. ‘Voor Saar,’ zei ze. Arie pakte de envelop. Hij trok hem open en telde het geld, precies zoals zijn vrouw haar loonzakje opende. Mien hield haar ogen op het raam gericht tot hij klaar was. ‘U hebt het diner nog op tijd zeker.’ ‘De mangel staat stil.’ ‘Dat zal die mevrouw van het hotel vervelend vinden.’ Hij stak het geld in zijn binnenzak en ging voor de deur staan. Mien begreep dat zij Saar niet zou zien. Ze zei dat ze later terugkwam. Arie haalde zijn schouders op. In de tram terug zat een vrouw naast haar met een mand waarin iets bewoog. Twee konijnen, zag Mien toen de doek verschoof. De vrouw aaide met haar wijsvinger over een oor en vertelde dat ze ze niet goed kon gebruiken, maar haar zuster misschien wel. Mien knikte. Ze kon niet uitleggen dat ze op dat ogenblik geen enkel gewoon gesprek verdragen kon, terwijl ze er tegelijk graag naar luisterde. Bij de wasserij was de poort open. Alles leek hetzelfde. De kar stond onder het afdak, de strijkkamer was in bedrijf, boven de ketelruimte hing een lichte damp. Alleen in de mangelzaal was het stiller. De oude machine was met een doek afgedekt. Daardoor zag ze er plotseling kleiner uit. In het kantoor wachtte Paul met twee vellen papier. Een ervan lag voor haar stoel. ‘We moeten opschrijven wat er gebeurd is.’ Mien hing haar tas op en ging zitten. Het vel was in Pauls handschrift gesteld. Saar van Dalen, las ze, die na beëindiging van haar dienstverband nog enkele werkzaamheden in huis verrichtte, was op de betreffende avond in het bedrijf aanwezig om werk af te halen. Mien las de zin opnieuw. ‘Ze kwam geen werk afhalen.’ ‘Ze was er voor de partij van het hotel.’ ‘Ze stond aan de mangel.’ ‘Dat staat verderop.’ Verderop stond dat zij zich bij de machine had gevoegd en, in afwijking van de aanwijzingen, een handeling had verricht waarbij zij gewond was geraakt. ‘Welke aanwijzingen?’ Paul keek naar het andere vel. ‘Dat moet Antje nog aanvullen.’ ‘Dan kun je het niet opschrijven alsof het al zo is.’ ‘Het is een eerste versie.’ Ze schoof het vel van zich af. Hij trok het weer naar het midden van de tafel, zodat het tussen hen in lag. ‘Mien, ik vraag niet of je iets verzint. We moeten vastleggen wat we weten.’ ‘Dan moet er staan dat ze hier werkte.’ ‘Ze staat niet in het personeelsregister.’ ‘Omdat wij haar eruit hebben gehaald.’ Hij zweeg. Ze hoorde het krassen van een bezem in de gang. Juffrouw Van Oort veegde altijd eerst langs de plinten; je kon haar voortgang volgen aan de kleine tikken tegen het hout. ‘Als je het zo zegt,’ begon Paul. ‘Hoe moet ik het anders zeggen?’ Hij ging staan en deed de deur dicht. Toen hij terugkwam, bleef hij achter zijn stoel staan. Hij was nog nooit zo duidelijk de zoon van zijn vader geweest: dezelfde stand van het hoofd, dezelfde hand op de rugleuning, alsof een gesprek ook een tafel was die hij kon verplaatsen. ‘Er zullen mensen komen kijken. Ze zullen vragen waarom er zo laat vrouwen werkten en hoe die betaald werden. Dat weet jij net zo goed als ik. Het bedrijf kan niet nog meer verliezen hebben.’ Mien keek naar de blauwe kaft onder de inkomende post. ‘Dat schrift moet straks bij de stukken voor het huiswerk,’ zei hij. ‘Anders lijkt het alsof we twee loonboeken hebben.’ ‘We hebben twee loonboeken.’ Hij kneep in de rugleuning. Voor het eerst zag ze woede in zijn gezicht, zonder dat hij zijn stem verhief. ‘We hebben geprobeerd mensen aan het werk te houden.’ Ze wist hoe weinig het hielp dat hij daarin gelijk had. Zonder het late werk zou Saar nog minder hebben verdiend, zou Dina de kosten van de reis van haar zoon niet hebben kunnen betalen, zou Mien zelf misschien al langer alleen op de lessenaar hebben gezeten zonder genoeg geld om de officiële loonzakjes te vullen. Het was allemaal waar en geen ervan veranderde wat er op het papier stond. Mien pakte haar pen. Paul ging langzaam weer zitten. Ze trok een streep door de woorden werk af te halen. Daarboven schreef ze: werkzaamheden te verrichten. Ze schrapte ook in afwijking van de aanwijzingen. ‘Meer kan ik niet tekenen,’ zei ze. Paul nam het vel aan. Hij keek zo lang naar de verbeteringen dat Mien begon te twijfelen of ze duidelijk genoeg had geschreven. ‘Vader moet dit zien,’ zei hij. Ze knikte. Toen hij de kamer uit was, haalde ze het blauwe schrift van de stapel en legde het in de la die zij met een kleine sleutel kon sluiten. Ze had die la nog nooit op slot gedaan. Het slot moest twee keer worden bewogen voor het pakte. Hoofdstuk 6 — Mevrouw Wilmer telt De directrice van De Kroon zat in de eetzaal met een potlood achter haar oor. De tafels waren zonder linnen en leken daardoor op meubels uit een huis waar niemand meer woonde. In het midden stond een stapel menukaarten. Een jongen met een te groot jasje zette vazen neer, pakte ze weer op en verplaatste ze naar de volgende tafel. ‘U bent vroeg,’ zei mevrouw Wilmer. ‘Ik kom niet met het goed.’ ‘Dat zie ik.’ Ze trok een stoel van de tafel en wees ernaar. Zelf bleef ze staan. Mien legde het afleverbriefje voor haar neer. Ze was gekomen omdat Paul geen tijd had en Cornelis de deur van zijn kantoor niet opende. Ze moest uitleggen dat een deel van het goed later zou komen, dat er een ongeluk was gebeurd en dat ze een andere wasserij zochten om het resterende werk af te maken. Mevrouw Wilmer luisterde zonder haar te onderbreken. ‘Wie is er gewond?’ vroeg ze. ‘Saar van Dalen.’ ‘De kleine met het donkere haar?’ Mien knikte. ‘Die heeft hier vorig jaar weleens geholpen met de kamers.’ De jongen met het jasje kwam naar hen toe en vroeg hoeveel bloemen er in een vaas moesten. Mevrouw Wilmer keek naar de drie magere stelen die hij omhooghield. ‘Zoveel dat het lijkt alsof we er niet op bezuinigd hebben.’ Hij grijnsde. Ze pakte één steel af en wees naar een kleinere vaas. Toen hij weg was, ging ze zitten. ‘Ik heb vrijdag tweehonderd mensen. Ze eten met hun ogen voordat er iets op tafel komt. Rademaker weet dat.’ ‘Hij probeert het op te lossen.’ ‘Hij probeert al sinds juni iets op te lossen.’ Mien keek naar de kale tafel. Er zat een ronde donkere vlek in het hout, precies op de plaats waar op een gedekte tafel een bord zou liggen. Ze vroeg zich af hoeveel van het hotel alleen dankzij linnen behoorlijk leek. Mevrouw Wilmer haalde een map uit de kast. Ze legde er drie papieren uit op tafel. Op het eerste stond een lijst met aantallen, op het tweede de overeengekomen prijs. Het derde was een klein werkbriefje, in de haast ingevuld op hotelpapier. ‘Saar heeft zaterdag de proefpartij gebracht,’ zei ze. ‘Vier kleden en twaalf servetten. Ik heb er twee teruggestuurd vanwege die grauwe zoom. Zij zei dat ze het opnieuw zouden doen.’ Mien pakte het werkbriefje op. In de onderste hoek stonden twee letters: S.D. Saar had er zowel het afleveren van de proefpartij als het terugnemen van de afgekeurde kleden op genoteerd. Het laatste tijdstip was zaterdag, kwart voor zes. ‘Heeft zij dat zelf geschreven?’ ‘Ik heb haar erom gevraagd. De vorige keer liep er van alles zoek en dan krijg ik achteraf te horen dat mijn kamermeisjes niet kunnen tellen.’ ‘Mag ik hier een afschrift van maken?’ ‘Waarom?’ Mien kon zeggen dat het voor de boekhouding was. Het was voor de boekhouding. Toch zou het op dat ogenblik een ander soort antwoord zijn geweest dan het echte. ‘Omdat ik van haar werk niet alles heb opgeschreven.’ Mevrouw Wilmer keek naar haar handen. Daarna schoof ze een leeg vel toe. ‘U kunt het hier overschrijven. Ik houd mijn eigen papier.’ Mien schreef zorgvuldig, inclusief de initialen. Ze vroeg niet of ze de hele handtekening van Saar kon krijgen. De twee letters bewezen weinig: een vrouw kon namens iemand anders iets afleveren. Ze bewezen geen uren, geen opdracht, geen plaats bij de mangel. Maar ze lieten wel zien dat Saar werk deed voor de wasserij, op tijden waarop ze in het grote boek niet bestond. ‘Waarom is dit belangrijk?’ vroeg mevrouw Wilmer. Mien legde de pen neer. Ze wilde niet over Paul praten, niet over het register, niet over de zin op het vel die zij had doorgestreept. Ze had bovendien geen recht om het hele bedrijf bij een klant op tafel te leggen. ‘Er wordt gevraagd wat zij precies deed.’ ‘Dan moet u dat precies zeggen.’ Het klonk eenvoudig in de eetzaal waar mevrouw Wilmer de vazen liet verplaatsen tot ze goed stonden. Mien keek naar haar nette donkere japon, de sleutelbos aan haar middel, de smalle gouden ring die zo vast om haar vinger zat dat de huid eromheen dikker was geworden. Ook deze vrouw hield een onderneming overeind. Ook zij had mensen nodig die langer bleven wanneer het werk niet klaar was. ‘Wie doet hier de was als er te weinig kamermeisjes zijn?’ vroeg Mien. Mevrouw Wilmer nam haar bril af. ‘Als u me iets wilt verwijten, moet u het zeggen.’ ‘Dat wil ik niet.’ ‘Jawel, een beetje wel.’ Ze liet de opmerking tussen hen liggen. Daarna zei ze dat ze twee mensen minder had dan vorig jaar en de prijzen niet verhogen kon. Haar leverancier van vlees wilde op vrijdag zijn geld, haar gasten betaalden soms pas na een maand. Toch had ze de partij bij Rademaker ondergebracht omdat hij de prijs had verlaagd. ‘Ik had kunnen vragen hoe hij dat deed,’ zei ze. ‘Dat heb ik niet gedaan.’ De jongen kwam terug met de vazen. Ze keurde er vier goed en stuurde twee opnieuw weg. Het gesprek was voorbij, maar niet helemaal. Toen Mien opstond, hield mevrouw Wilmer het afleverbriefje tegen. ‘Ik betaal alvast voor het deel dat gereed is. Laat hem dat brengen. Voor de rest zoek ik zelf iets.’ Het was minder dan de volledige order en meer dan Mien had verwacht. Ze bedankte haar. Mevrouw Wilmer knikte alsof ze een gewone zakelijke afspraak hadden gemaakt. Op de terugweg liep Mien langs de manufacturenwinkel. In de etalage lagen stroken linnen met voorgetekende initialen, bedoeld voor meisjes die aan een uitzet begonnen. Er waren M's met krullen en rechte M's, rode en blauwe. Toen ze twintig was, had haar moeder al een jaar in de grond gelegen en had Mien nog twee lakens geborduurd omdat haar tante zei dat je nooit wist. De lakens lagen boven in de kast. Ze sliep er niet onder. Haar naam stond erop, maar ze gebruikte ze alsof ze voor een ander bestemd waren. Bij de wasserij vond ze in de la het werkbriefje van zaterdag. Antje had vier vrouwen op de lijst gezet, maar achter Saar stonden geen uren. Er stond: brengen en terug. Mien kon zich nu herinneren dat ze er zelf drie kwartier van gemaakt had. Het was een kleine handeling geweest, gedaan voordat ze naar huis ging. Ze had gevonden dat ze royaal was. Ze legde haar afschrift van het hotel ernaast. Tussen het afleveren van de proefpartij en het terugnemen van de afgekeurde kleden zat meer dan twee uur. Die middag telde ze alle bladzijden van het blauwe schrift na. Ze schreef geen nieuwe totalen in het oude boek, maar op een afzonderlijk vel. Bij iedere onzekere regel zette ze een vraagteken. Soms wist ze niet meer wie een uur had genoemd. Soms had ze zelf een afgerond bedrag ingevuld omdat er niet genoeg kleingeld was. Ze had de verschillen willen herstellen. Niet één ervan had ze hersteld. Toen de klok vijf sloeg, stond er op haar vel een rij bedragen die samen meer waren dan ze in een week verdiende. Ze keek er lang naar. Daarna schreef ze bovenaan, zonder het woord te onderstrepen: Achterstallig. Hoofdstuk 7 — Wat op de lijst staat De man van de Arbeidsinspectie kwam donderdagochtend met modder op zijn schoenen. Hij verontschuldigde zich ervoor, veegde ze op de mat en vroeg naar de heer Rademaker. Zijn naam was Koster. Hij droeg een bruine tas waarvan de sluiting met een leren riempje was vastgezet. Mien had iemand verwacht die meteen iets in beslag zou nemen. Koster vroeg eerst of hij zijn jas ergens kwijt kon. Cornelis ontving hem in het kantoor. Ze lieten de deur open. Mien hoorde dat de dokter bericht had gegeven, dat er een onderzoek nodig was en dat men de betrokken machine voorlopig ongemoeid moest laten. Koster zei het zonder dreiging. Daardoor kon Mien goed horen hoe vaak Rademaker antwoordde dat dat natuurlijk vanzelf sprak. Toen gingen ze naar de mangelzaal. Mien bleef aan haar lessenaar. Ze pakte een rekening, legde hem neer en pakte een andere. In de la lag haar vel met de achterstallige bedragen. Erboven lag het blauwe schrift. Ze had de sleutel die ochtend in haar handtas gestoken, tussen haar zakdoek en de terugreisbon van de tram. Na een halfuur kwam Paul binnen. ‘Het personeelsregister,’ zei hij. Ze nam het dikke boek van de plank. Hij bleef staan. ‘En de arbeidslijst.’ Die hing achter de deur van de kleedkamer. Hij wist waar. Mien begreep dat hij iets anders wilde zeggen en gaf hem de gelegenheid. Hij keek naar haar la. ‘Er wordt naar de avonduren gevraagd.’ ‘Die staan in het blauwe schrift.’ ‘Je hebt het bij je?’ ‘Het ligt hier.’ ‘Laat mij eerst uitleggen hoe die opdrachten liepen.’ Hij stak zijn hand uit. Mien zette het personeelsregister daarin, zwaar genoeg om hem een stap achteruit te laten doen. ‘Wat je wilt uitleggen, weet jij het best.’ Het was een moedige zin zolang hij in de kamer bleef. Nadat hij vertrokken was, moest ze beide handen tegen de lessenaar drukken om niet alsnog naar hem toe te gaan. Koster riep haar later bij zich in de vouwruimte. Bram stond nog bij de machine en leek boos op het doek waarmee hij haar had afgedekt. De inspecteur had zijn notitieboek open op een stapel lakens gelegd. Hij tilde het weer op toen hij zag dat de kaft een vlek maakte. ‘U doet de administratie?’ ‘Ja.’ ‘Was u dinsdagavond aanwezig?’ Ze knikte. Hij vroeg haar wat zij gezien had. Mien begon bij de kisten die 's middags waren gebracht. Koster liet haar vertellen, maar vroeg na een tijdje hoe laat Saar was begonnen. Ze zei iets na zevenen. Hoe laat was het ongeval geweest? Ze wist het niet precies. Na elf uur. Was Saar daar in opdracht van het bedrijf? Mien keek naar de lessenaar in het aangrenzende kantoor. Ze kon haar eigen stoel zien. ‘Antje had haar gevraagd te komen.’ ‘Om welk werk te doen?’ ‘Linnen verwerken. Sorteren, vouwen. Helpen waar nodig.’ ‘Ook aan de mangel?’ ‘Dat gebeurde.’ Koster schreef iets op. Zijn pen maakte een krassend geluid; de punt moest bijna op zijn. Hij duwde niet harder, maar draaide hem een klein stukje tussen zijn vingers. ‘Ik vraag het omdat mevrouw Van Dalen niet in het register staat dat ik ontvangen heb.’ Mien zei dat Saar in juni ontslagen was. Daarna had ze nog los werk gedaan. Koster vroeg waar dat werk werd bijgehouden. ‘In de kasadministratie.’ Ze hoorde zichzelf die woorden gebruiken en voelde hoe ze iets afscheidden van het echte verhaal. Het was niet onwaar, zoals een dichtgetrokken gordijn niet onwaar was. ‘Die wil ik straks graag zien.’ Hij vroeg of er vóór het ongeval problemen waren geweest met de machine. Mien dacht aan de brief van haar vader. Ze dacht ook aan zijn jas, die hij bij het ontbijt had aangehouden alsof hij nog ergens verwacht werd. ‘Er waren vouwen in het linnen,’ zei ze. ‘Bedoelt u een storing?’ ‘Ik ben daar niet deskundig in.’ ‘Dat vraag ik ook niet van u. Hebt u gehoord dat er iets aan mankeerde?’ Ze keek naar Bram. Hij stond met zijn rug naar hen toe, maar zijn handen bewogen niet meer. ‘Er werd weleens iets afgesteld,’ zei ze. Koster sloot zijn boekje niet. Hij wachtte. Mien voelde de stilte langs haar nek lopen. ‘Dat is alles wat u daarover weet?’ ‘Wat ik zeker weet.’ Hij keek haar nu voor het eerst langer aan. Er zat geen beschuldiging in zijn blik, alleen aandacht. Mien had zich liever tegen een beschuldiging verdedigd. Samen gingen ze naar haar lessenaar. Ze haalde het grote kasboek tevoorschijn en sloeg de bladzijde op waarop de bedragen voor huisnaaiwerk stonden. Koster keek naar de eerste regel, vroeg om de bijbehorende briefjes en liet zijn vinger daarna langs de volgende regels gaan. ‘Welke van deze mensen hebben in het gebouw gewerkt?’ Mien noemde de namen. Hij herhaalde ze één voor één, terwijl hij ze opschreef. Bij juffrouw Van Oort vroeg hij naar de voornaam. Mien wist hem niet. Ze zocht in een oude personeelskaart en vond Elisabeth. Ze voelde zich daar zonder reden verdrietig over. ‘Die afzonderlijke uren worden dus elders bijgehouden?’ vroeg hij. Ze haalde de sleutel uit haar tas. Het slot van de la haperde opnieuw. Terwijl ze ermee bezig was, dacht ze aan de uren die zij zelf had afgerond, aan Saars geldzakje en aan Paul die had gezegd dat alle andere stukken dan mee moesten veranderen. Ze legde het blauwe schrift op de lessenaar. Haar vel met de achterstallige bedragen bleef in de la. Koster bladerde. Hij legde geen verbanden uit en vroeg niet waarom de kaft blauw was. Hij noteerde een paar data en bedragen en vroeg of hij het schrift mee mocht nemen om de gegevens over te schrijven. Mien zei dat ze het nodig had voor de betalingen. Hij stelde voor dat zij een afschrift maakte van de betreffende weken en dat hij later terugkwam voor de overige stukken. Ook voor de ongevallenverzekering moesten gegevens naar de Raad van Arbeid, zei hij. Zijn onderzoek naar de avonduren en de machine was geen beslissing over Saars schadeloosstelling. ‘Verander intussen niets aan wat er al staat,’ zei hij. ‘Als u iets wilt verbeteren, zet u dat afzonderlijk, met de datum erbij.’ Ze knikte te snel. Toen hij vertrokken was, kwam Cornelis naar haar toe. Hij leunde met beide handen op de rand van de lessenaar. Het hout kraakte onder zijn gewicht. ‘U hebt die vrouwen allemaal genoemd.’ ‘Hij vroeg ernaar.’ ‘Er zijn mensen die niet graag in zo'n onderzoek terechtkomen.’ ‘Hij moet weten wie er gewerkt heeft.’ Rademaker kneep zijn ogen dicht. Mien zag dat hij slecht geslapen had. Ze kende de kleine rode adertjes naast zijn neus, de versleten boord van zijn overhemd. Hij had haar eerste loon persoonlijk uitbetaald en bij haar moeders begrafenis een krans gestuurd die zij te groot had gevonden voor het graf. ‘Uw vader zal dit ook geen plezier doen,’ zei hij. Mien keek hem recht aan. ‘Wat bedoelt u daarmee?’ Hij trok zijn handen terug. ‘Dat hij van dit bedrijf houdt.’ Ze wilde hem vragen of liefde ergens op de arbeidslijst stond. Het zou een mooie zin zijn geweest, en nutteloos. Ze zei alleen dat ze haar werk moest doen. Nadat hij was weggegaan, zat ze lang stil voordat ze het eerste afschrift begon. Aan het einde van de bladzijde schreef ze de namen voluit. Saar van Dalen. Dina Schaap. Truus van Leeuwen. Elisabeth van Oort. Achter iedere naam stond werk dat in het andere boek geen werk had mogen heten. Hoofdstuk 8 — Het huis van Antje Antje woonde achter de slagerij, in een huis dat vanaf de straat niet te zien was. Je moest door een steeg waarin je alleen rechtuit kon lopen als je je schouders een beetje naar binnen hield. Mien was er eenmaal geweest, jaren geleden, om een boodschap over een verschoven werkdag door te geven. Ze herinnerde zich vooral dat Antje toen een schort had gedragen dat helemaal schoon was. Nu stond ze zonder schort voor de deur. Ze keek naar het papier in Miens hand. ‘Ik heb alles al gezegd.’ ‘Dit gaat over de uren.’ ‘Die zijn er niet meer van geworden.’ Toch liet ze Mien binnen. In de keuken lag een rij sokken op tafel, gestopt en ongestopt naast elkaar. Aan een spijker hing een foto van een jongen in een nieuw pak. Zijn jas sloot niet helemaal bij de hals. Joop, wist Mien, Antjes zoon, die een leertijd in een metaalbedrijf volgde. Antje stuurde hem iedere zaterdag geld voor zijn kamer. Er stond één kop op tafel. Mien zei dat ze geen thee hoefde. ‘Ik ging het ook niet vragen.’ Antje pakte een sok en draaide hem over haar hand. Mien bleef staan tot ze een stoel met haar voet naar achteren schoof. ‘Saar heeft vorige week dinsdag vier uur gewerkt,’ zei Mien. ‘Ik heb drie uur gekregen.’ ‘Dan heb je drie uur.’ ‘Dina zegt dat het kwart over twaalf was.’ Dat had Dina die middag inderdaad gezegd, toen Mien haar bij de poort trof. Ze had het niet bedoeld als beschuldiging en was geschrokken toen Mien het opschreef. ‘Ze doen lang over alles,’ zei Antje. ‘Ze praten, ze drinken thee. Als ik dat allemaal betaal, moet ik zelf geld meebrengen.’ ‘Het komt niet uit jouw zak.’ ‘Nee, uit een zak die leeg is. Daar kun jij toch zo goed in kijken?’ Mien legde haar vel op tafel. Antje nam het niet aan. ‘We hebben te weinig uitbetaald. Aan meer mensen.’ ‘En nu kom jij dat allemaal rechtzetten.’ ‘Ik kom vragen wat er klopt.’ Antje stak de stopnaald in de sok, trok hem er weer uit en legde hem neer. Ze drukte haar hand tegen haar voorhoofd. Mien zag een dunne streep blauw garen die aan haar mouw kleefde. ‘De oude zei dat het geen vaste avonden mochten worden,’ zei Antje. ‘Er mocht nergens uit blijken dat we het niet aankonden met wie er nog op de lijst stond. Paul zei dat hij de betaling wel regelde. Jij zat met je boek. Ik moest ervoor zorgen dat het goed klaar was. Wat had ik dan moeten doen?’ Mien dacht aan de zes kleden en zweeg. ‘Ik heb zelf ook extra uren gemaakt. Heb je die gezien?’ ‘Nee.’ ‘Omdat ik ze niet heb opgegeven.’ ‘Dat maakt Saars uur niet minder.’ Antje keek op. Haar gezicht trok samen, niet door woede alleen. Mien zag dat ze haar met die ene opmerking had geraakt op de plaats waar zij zich nog behoorlijk had kunnen voelen. ‘Ik weet dat wel,’ zei ze. Ze zei het zo zacht dat Mien bijna vroeg of ze het wilde herhalen. Uit het voorhuis kwam het geluid van de slager die zijn werkbank schrobde. Het water liep langs de drempel de steeg in. Antje pakte een doek en schoof hem met haar voet tegen de onderkant van de deur, een beweging die ze kennelijk dagelijks maakte. ‘Wat heb je op die verklaring gezet?’ vroeg Mien. ‘Dat ze te dicht bij de invoer kwam.’ ‘Heb je dat gezien?’ ‘Ik stond erbij.’ ‘Ik ook. Ik weet alleen dat ze opeens vastzat.’ Antje keek naar de foto van haar zoon. ‘Ik heb gezegd dat ik had geroepen dat ze moest wachten.’ ‘Voor of nadat het gebeurde?’ Er gleed iets van Antjes gezicht weg. Ze ging zitten en trok de sok terug naar zich toe. ‘Dat weet ik niet meer.’ Mien knikte. Voor het eerst die avond voelde ze geen behoefte om nog een vraag te stellen. Ze bleef zitten terwijl Antje met de naald zocht naar de rand van het gat. Na een poos schoof Antje het papier naar zich toe en zette een kruisje bij drie uren. Bij twee andere schreef ze een vraagteken. Ze tekende niet onderaan. ‘Geef me dit morgen nog eens,’ zei ze. Op weg naar huis zag Mien de winkels sluiten. Bij de bakker stond een meisje met een lege mand op de stoep. De bakker hield de deur op een kier en gaf haar iets in een doek. Mien keek weg omdat het meisje haar zag kijken. Haar vader was niet thuis. De pan stond koud op het fornuis en op de tafel lag het metalen onderdeel uit de doek. Zij pakte het nu wel op. Het was zwaarder dan zij had verwacht, met een rand die in de huid drukte. Ze legde het terug. In de la waarin haar vader het bewaarde, lag alleen de lege doek. Hij kwam een halfuur later binnen en sloot de deur voorzichtig. ‘Waar was u?’ ‘Bij Cornelis.’ Ze stond bij de tafel. Hij zag het onderdeel en trok zijn jas niet uit. ‘Ik wilde horen wat die man gezegd had.’ ‘Dan had u bij mij kunnen komen.’ ‘Jij was er niet.’ Ze wilde niet nogmaals uitleggen dat het om de volgorde ging. Hij had eerder kunnen vragen. Hij had kunnen wachten. Hij had niet rechtstreeks naar Rademaker hoeven gaan alsof de wasserij nog altijd een plaats was waar hij bescherming kon vinden tegen de zorgen thuis. ‘Waar is uw brief?’ vroeg ze. Haar vader haalde hem uit zijn binnenzak. Het vel was eenmaal extra gevouwen en daardoor smaller dan toen Mien het had geschreven. ‘Paul gaf hem terug.’ ‘Waarom?’ ‘Omdat er verkeerde dingen uit gelezen kunnen worden.’ Mien sloot haar ogen. Toen ze ze weer opende, hield haar vader het papier voor zich alsof hij het aan haar wilde geven maar bang was dat zij er hard aan zou trekken. ‘Het is een slecht onderdeel,’ zei hij. ‘Dat heb ik gezegd. Maar dat betekent niet dat daardoor een arm vast komt te zitten. Er is meer aan zo'n machine. Iemand kan iets verkeerd doen.’ ‘Ook iemand die er iets in zet?’ Hij keek haar aan. De woorden waren eruit voordat zij de pijn ervan helemaal had begrepen. ‘Ja,’ zei hij. ‘Ook die.’ Ze gingen allebei zitten. Haar vader legde de brief tussen hen in. Hij vertelde nu dat hij bij de reparatie meer had gezien dan het versleten onderdeel: een geleiding die niet goed vastzat, een beugel die bij het schoonmaken verschoven werd en niet altijd terugkwam waar hij hoorde. Hij had Bram gezegd dat de machine behoorlijk moest worden nagezien. Daarna had hij hem toch weer aan het lopen geholpen. ‘Je hoort het geluid en je denkt dat hij er weer is,’ zei hij. ‘Alsof een ding beter is omdat het beweegt.’ Mien nam zijn hand niet vast. Ze dacht dat hij dat niet zou verdragen. Ze draaide alleen het vel naar zich toe en streek de nieuwe vouw glad. ‘Ik heb het vandaag niet verteld,’ zei ze. ‘Aan de inspecteur. Dat ik wist van uw waarschuwing.’ Hij keek naar haar. ‘Omdat ik niet wilde dat u erin terechtkwam.’ ‘Ik zit er al in,’ zei haar vader. Hij stond op en zette de pan op het vuur. Ze aten laat, met de brief onder een omgekeerd bord op tafel, omdat er anders vet op kon spatten. Hoofdstuk 9 — Een mantel met twee knopen Saar kwam vrijdag thuis. De dokter had gezegd dat ze later terug moest voor haar arm en dat er voorlopig weinig te zeggen viel over wat ze ermee zou kunnen. Mien hoorde het van Dina, die Ben uit de buurt van zijn moeders bed moest houden. Het jongetje wilde telkens weten of hij het verband mocht aanraken. Mien ging er na het middaguur heen, met een pakje brood en de lijst van de nagekeken uren. Ze had het brood thuis in papier gewikkeld, had zich toen bedacht hoe Keet bij hen kwam met dingen die zogenaamd over waren en had het pakje weer opengemaakt. Uiteindelijk had ze het meegenomen in de boodschappentas. Ze wist niet waarom het ingewikkelder voelde om brood te brengen dan twintig gulden van de zaak. Saar zat op een stoel die met kussens breder was gemaakt. Haar rechterarm lag hoog. De kamer rook naar kool, zeep en iets scherps uit een flesje. Op de vensterbank stond een autootje van hout, zonder achterwielen. Arie stond bij de kachel en probeerde een knoop door het te nauwe gat van Bens jas te krijgen. ‘Laat hem maar open,’ zei Saar. ‘Het is koud buiten.’ ‘Dan doe je hem zijn sjaal om.’ Ben trok zijn schouder weg. Arie maakte de knoop eindelijk vast en zei dat ze even gingen wandelen. Hij liep langs Mien zonder haar te begroeten. Pas bij de deur draaide hij zich om. ‘Er hoeft vandaag niks getekend te worden.’ ‘Ik kom niets laten tekenen.’ Hij keek naar het papier in haar hand. Mien legde het op tafel. Nadat hij vertrokken was, zei Saar dat hij slecht sliep. ‘Jij ook?’ ‘Ik slaap wanneer ik niet wil. En als het moet, kan ik het niet.’ Mien zette haar tas naast de tafel. Het brood bleef erin. Ze wist niet waar ze zitten moest, tot Saar met haar kin naar de enige vrije stoel wees. ‘Kunt u mijn mouw even doen?’ De rand van de linkerblousemouw zat dubbel. Mien trok hem voorzichtig recht. Saar keek naar haar handen alsof het de handen van een derde persoon waren die iets voor haar kwamen verrichten. ‘Wat zegt het hotel?’ vroeg ze. ‘Dat het goed klaar moet.’ Saar glimlachte. Het was haar eerste glimlach sinds Mien binnen was. ‘Dat klinkt als die mevrouw.’ Mien vertelde dat De Kroon een deel had gekregen en de rest elders liet afmaken. Ze zei ook dat mevrouw Wilmer zich Saar herinnerde. Saar wilde weten of het om de kamers ging of om de kleden. Allebei, zei Mien. ‘Ze had gelijk over die randen,’ zei Saar. ‘Ze waren grauw. Dat zei ik tegen Antje. Die zei dat je het bij lamplicht niet zag.’ Ze keek naar haar arm. Haar gezicht werd ineens oud van vermoeidheid. ‘Het is raar waar je aan denkt.’ Mien schoof de lijst naar haar toe. Ze legde uit dat ze de uren opnieuw had bekeken, dat er geld ontbrak en dat ze voor sommige dagen nog moest weten hoe laat Saar gewerkt had. ‘U had toch een schrift?’ ‘Daar stond het verkeerd in.’ ‘Door Antje?’ Mien keek naar de namen op het vel. Ze kon de schuld nu heel gemakkelijk doorgeven. Antje had de uren opgegeven, Paul had de omschrijvingen bedacht, Rademaker had de kas bewaakt. Het was zelfs mogelijk dat Saar haar dan dankbaar zou zijn. ‘Ook door mij,’ zei ze. ‘Ik heb bedragen afgerond. En toen je zei dat het niet klopte, heb ik je laten wachten.’ Saar zei niets. Ze schoof met haar goede hand het vel een stukje dichterbij. Mien wachtte terwijl ze de regels las. Bij de tweede dinsdag hield ze op. ‘Hier kan ik niet meer wijs uit.’ ‘Ik kan het voorlezen.’ ‘Ik kan lezen.’ Mien trok haar hand terug. ‘Er staan drie soorten cijfers door elkaar,’ zei Saar. ‘Welke is nou van mij?’ Ze gingen de regels één voor één langs. Soms wist Saar de uren niet meer. Een donderdag was ze eerder weggegaan omdat Ben ziek was geweest; die correctie maakte het bedrag lager. Ze wees hem zelf aan. Op een andere avond had ze de vloeren nageveegd nadat de anderen weg waren. Mien schreef erbij dat Saar dat zei en dat zij het nog moest controleren. Toen ze klaar waren, vouwde Saar het papier niet op. Ze hield het vlak op haar schoot. ‘Hoeveel krijg ik nu?’ Mien noemde het bedrag dat vaststond en daarna de nog onzekere som. Saar keek naar de tafel. Er lag een rekening onder een leeg kopje. Ze hoefde die niet te lezen om te weten dat ieder bedrag al ergens naartoe moest. ‘Arie wil dat ik dat aanbod neem,’ zei ze. ‘Welk aanbod?’ ‘Paul is gisteren in het ziekenhuis geweest. Ze kunnen voorlopig iedere week iets geven. Als we geen dingen zeggen waar we later spijt van krijgen.’ ‘Heeft hij dat zo gezegd?’ ‘Niet zo. Maar ik ben niet doof als iemand beleefd praat.’ Mien voelde woede, maar ze wist niet hoe ze die kon laten zien zonder het gesprek van Saar over te nemen. Ze vroeg wat Saar zelf wilde. ‘Dat ze opschrijven dat ik daar werkte.’ ‘Dat heb ik gezegd.’ ‘En dat het niet mijn goed was dat ik nog even kwam strijken. Ik heb daar geen eigen lakens liggen. Ik heb thuis twee stellen en allebei zijn ze dun.’ Mien knikte. ‘Ik ga ook zeggen dat ik wist dat het niet hoorde, zo laat,’ vervolgde Saar. ‘Anders denkt u straks dat u dat voor me moet verstoppen. Ik wist dat. Ik wilde geld verdienen. Arie krijgt geen werk en Ben moet eten. Dat maakt me nog niet iemand die zelf zomaar aan een machine gaat staan.’ Ze trok haar blouse bij de hals los. Het was warm in de kamer en toch hield ze haar voeten onder een deken. ‘Antje zegt dat ze riep dat ik moest wachten,’ zei Mien. Saar sloot haar ogen. Mien had spijt dat ze het gezegd had. ‘Ze heeft iets geroepen. Iedereen riep. Daarvoor zei ze dat ik door moest.’ Mien pakte haar potlood, bedacht zich en legde het neer. Dit was geen ondervraging die zij hoorde af te nemen. Ze zei dat Koster haar waarschijnlijk zelf zou spreken en dat Saar hem moest vertellen wat ze zich herinnerde, ook als het niet overal precies bij paste. ‘Komt u dan ook vertellen wat u zich herinnert?’ vroeg Saar. ‘Ja.’ Het antwoord was snel. Ze liet het staan. Toen Mien vertrok, gaf ze het brood. Saar nam het aan, keek naar de papieren wikkel en vroeg of Mien ook een stuk wilde. Ze sneed twee boterhammen met haar linkerhand, langzaam en onhandig. Mien bood geen hulp aan. Ze wachtte tot Saar klaar was en nam de scheve boterham die haar werd toegeschoven. Bij de deur zag ze de mantel hangen, met de twee laag vastgezette knopen. Ze dacht aan het loonzakje waarmee het allemaal begonnen was. Saar had toen al precies gezegd wat er nodig was: anders opschrijven. Mien had alleen niet begrepen hoeveel andere dingen daarvoor mee moesten veranderen. Hoofdstuk 10 — De kas op vrijdag Het geld van De Kroon lag al op tafel toen Mien terugkwam. Het waren geen bankbiljetten die netjes naast elkaar lagen, maar een hoop geld met een handdoek eronder. Paul was aan het tellen. Hij schoof ieder stapeltje meteen opzij, alsof de hoeveelheid groter werd wanneer hij het vaak genoeg verplaatste. ‘Je bent lang weggeweest,’ zei hij. Mien hing haar mantel op. Ze had Saars kamer nog in haar hoofd, de kachel en het kopje op de rekening. Ze wilde niet meteen over geld praten, maar het geld lag overal. ‘Ik heb haar uren doorgenomen.’ ‘Daar hadden we vanmiddag voor kunnen gaan zitten.’ ‘Dat kunnen we nu ook.’ Ze legde haar vel op de lessenaar. Paul telde het laatste rijtje dubbeltjes af. Zijn vader kwam uit het achterkantoor en nam plaats zonder Mien te begroeten. Hij had voor het eerst in jaren geen das om. ‘Voor we beginnen,’ zei Mien, ‘dit geld is niet allemaal beschikbaar voor de rekening van de kolen.’ Cornelis keek naar Paul. ‘Is die al betaald?’ ‘Een deel.’ ‘Dan moet er een volgend deel heen. Anders krijgen we maandag niets.’ Mien ging niet zitten. Staand kon ze de lijst beter overzien. Ze schoof hem naar Cornelis en wees op de onderste regel. ‘Dit is er aan de vrouwen te weinig betaald. Een deel moet ik nog nagaan, maar dit bedrag staat vast. Mijn eigen vergissingen zitten erbij.’ Hij las het vel. Bij de som onderaan kwam zijn vinger tot stilstand. ‘Wie heeft dit berekend?’ ‘Ik.’ ‘Op grond van wat mensen achteraf zeggen?’ ‘Op grond van het schrift, werkbriefjes en wat mensen zeggen. Als iets onzeker is, staat het erbij.’ Paul pakte de lijst over en begon de kolom op te tellen. Mien liet hem. Zijn som kwam hetzelfde uit. Hij zei dat niet hardop. ‘Er is nog een ander vel,’ zei Mien. Ze haalde haar eigen verklaring uit haar tas. Die had ze tussen Saars huis en de wasserij niet kunnen schrijven; ze was er die ochtend al aan begonnen en had op de terugweg alleen de laatste zin in haar hoofd aangevuld. Ze schreef die er nu onder. Dat zij op donderdag een eerder ontvangen waarschuwing over de machine niet had genoemd. Cornelis las mee terwijl ze schreef. ‘Je maakt het jezelf moeilijk.’ Het was de eerste keer in jaren dat hij je tegen haar zei. Vroeger deed hij dat vaak. Sinds zij de administratie zelfstandig voerde, was het u geworden, soms zelfs juffrouw Van Vliet wanneer er bezoek was. ‘Ja,’ zei ze. Ze gaf hun de verklaring. Er stond dat het werk na het ontslag van de vrouwen was voortgezet, op afroep, in het gebouw. Dat de omschrijving huisnaaiwerk niet overeenkwam met de werkzaamheden. Dat zij die omschrijving zelf had ingevuld. Dat zij dinsdag aanwezig was geweest en had gezegd dat de laatste kleden nog moesten worden afgewerkt. Dat haar vader haar vóór het ongeval een brief had meegegeven met een waarschuwing over een tijdelijke reparatie. Paul las de laatste regel tweemaal. ‘Je vader hoeft hier niet op die manier in.’ ‘Hij staat erin zoals het is.’ ‘Je weet niet wat de oorzaak geweest is.’ ‘Dat schrijf ik ook niet.’ Cornelis duwde het vel van zich af. Hij begon over zijn eigen vader, die het bedrijf met twee ketels en een paard was begonnen. Mien kende het verhaal. Het paard had Mina geheten, de knecht was met de dochter van de bakker getrouwd en de eerste hotelklant had twee maanden op krediet gewassen. Ze wachtte tot hij uitgesproken was. ‘Ik heb hier mensen gehouden die nergens anders meer terechtkonden,’ zei hij. ‘Je vader bijvoorbeeld.’ ‘Dat weet ik.’ ‘Ik heb je aangenomen toen je moeder ziek was.’ ‘En ik heb vijftien jaar voor u gewerkt.’ De stilte die volgde was niet helemaal onaangenaam. Mien voelde haar hart nog snel gaan, maar ze hoorde ook de klok, het gerinkel van een emmer buiten, een vrouw die in de gang naar iemand vroeg. Het gebouw bestond nog, hoewel zij iets gezegd had dat ze lang als een breuk had beschouwd. Paul schoof zijn stoel naar achteren. ‘Zullen we dan ook vertellen wat de bank gisteren heeft gezegd?’ vroeg hij aan zijn vader. Cornelis keek weg. Paul nam de map met de blauwe band van het rek en haalde er een brief uit. Er moest geld komen. Het kleine voorschot dat zij na de hotelorder hadden verwacht, zou er niet zijn voordat duidelijk was hoe de onderneming verder kon. De bank wilde meer zekerheid, die Cornelis niet had. Er was al eerder gepraat met een wasserij uit Broekstad over overname van een deel van de klanten. Dat gesprek kon nu niet langer worden uitgesteld. ‘Dat was al vóór dinsdag,’ zei Mien. Paul knikte. ‘Waarom zegt u dan dat dit onderzoek het bedrijf kapotmaakt?’ vroeg ze aan Cornelis. ‘Omdat ik het nog niet had opgegeven.’ Hij keek haar aan, voor het eerst zonder verwijt. Zij zag hoe oud hij was geworden. Hij wilde geen papier waarop zijn tekortkomingen stonden, maar nog minder wilde hij een poort waarachter niemand werkte. Mien kon die wens begrijpen zonder hem nog te kunnen helpen vervullen. Vanuit de gang klonk Antjes stem. De vrouwen kwamen voor het loon. Paul wilde opstaan, maar Mien zei dat ze zelf ging. Ze nam eerst het gewone loonboek, daarna haar lijst met correcties. Cornelis legde zijn hand op het geld. ‘Niet alles kan vandaag.’ ‘Dan zeggen we wat wel kan.’ Ze ging zitten en maakte voor iedere vrouw een zakje met het bedrag dat beschikbaar was. Op de achterkant schreef ze wat nog openstond, zonder het te verstoppen tussen oude uren. De rij bij het loket groeide. Dina telde haar geld en vroeg wanneer de rest kwam. Mien zei dat ze dat niet wist. Truus vloekte en bood meteen haar verontschuldigingen aan. Elisabeth van Oort nam het zakje mee zonder het te openen. Antje bleef tot het laatst. Ze had het vel teruggebracht dat Mien in haar keuken had achtergelaten. Er stonden twee extra tijden op en onderaan haar naam. ‘Bij Saar heb ik het verkeerd,’ zei ze. ‘Die dinsdag.’ Mien nam het aan. Ze bedankte haar niet. Antje zou een bedankje op dat ogenblik niet hebben verdragen. ‘Wat ga je met de rest doen?’ vroeg ze. ‘Aan Koster geven.’ ‘Dan weet iedereen waar het vandaan komt.’ ‘Mijn eigen naam staat erop.’ Antje keek naar het loonzakje dat voor haar bestemd was. Er zat minder in dan normaal. Ze stak het in haar tas en vertrok. Toen de laatste vrouw weg was, lagen er nog een paar muntjes op de handdoek. Paul vouwde die dicht en legde hem in de kas. Cornelis was naar zijn kantoor teruggegaan. Mien verzamelde haar afschriften. Ze nam ook het vel dat Paul eerder had opgesteld, met haar doorhalingen. Hij zag het. ‘Dat was een eerste versie.’ ‘Dan kan dat erbij.’ Hij wilde iets zeggen, maar deed het niet. Ze knoopte een touwtje om de papieren en legde ze in haar tas. Toen ze opstond, zei hij dat hij zijn vader nooit zo had gezien. Mien bleef bij de deur staan. ‘Ik de mijne ook niet.’ Buiten was het nog licht. Ze had gedacht dat zo'n besluit in het donker zou eindigen, maar er reden kinderen op een step langs de poort en iemand riep dat de groenteboer nog prei had. Mien liep naar huis om haar vader te vertellen waar ze zaterdag heen zouden gaan. Hoofdstuk 11 — Een andere ingang De kamer waar Koster hen ontving, lag boven een kantoor in Broekstad. Beneden werden formulieren aangenomen achter twee loketten. Een man had een hoest die door de hele ruimte klonk. Miens vader keek naar hem en deed toen alsof hij iets in zijn jaszak zocht. Ze hadden vooraf bericht gestuurd. Het antwoord was kort geweest: zaterdag om halfelf. Koster zou in het kantoor aanwezig zijn en kon de aanvullende stukken ontvangen. Mien had de kaart driemaal gelezen, op zoek naar een ondertoon die er niet stond. Haar vader had zijn nette schoenen aangetrokken. Hij liep er slechter op dan op de oude. In de tram had hij weinig gezegd. Hij hield het pakje met het metalen onderdeel op zijn knieën, terwijl Mien de brief en de afschriften droeg. Ze hadden thuis afgesproken dat hij zelf zou vertellen wat hij gedaan had. Halverwege de reis vroeg hij of zij de data nog wist. Ze zei dat ze ze had opgeschreven. Koster gaf hen allebei een stoel. Hij vroeg Gerrit eerst naar zijn vroegere werk. Haar vader antwoordde uitvoerig, met namen van machines en mensen die de inspecteur niet kende. Mien zag hem voor het eerst sinds lange tijd spreken tegen iemand die hem niet onderbrak met de vraag of hij zich wel goed voelde. Daarna kwam de reparatie. Gerrit vouwde de doek open en legde het oude onderdeel op het bureau. Koster raakte het niet meteen aan. ‘Kunt u aangeven wanneer u dit hebt weggenomen?’ Gerrit noemde een avond. Mien zocht de datum in haar aantekeningen. Het was twee weken voor het ongeval geweest, niet één zoals zij eerst gedacht had. Haar vader had toen gezegd dat hij bij Bram koffie had gedronken. ‘En u hebt daarna nog aan de machine gewerkt?’ ‘Dat kleine stuk passend gemaakt. Maar ik heb gezegd dat ze verder moesten kijken.’ ‘Tegen wie?’ Hij noemde Bram en Paul. Mien legde de brief erbij. Koster las hem, keek naar de datum en vroeg wie hem geschreven had. Mien zei dat zij dat had gedaan, op aanwijzing van haar vader. Gerrit wees naar zijn handtekening, alsof die de verdeling tussen hen duidelijker maakte. ‘Er waren meer zaken die u niet goed vond?’ Gerrit antwoordde ja. Hij beschreef wat hij gezien had, maakte met zijn handen een beweging boven het bureau en brak zijn uitleg halverwege af. ‘Als u de machine zelf hebt gezien, dan weet u het beter.’ ‘Ik wil weten wat u op dat moment wist.’ Haar vader boog zijn hoofd. Mien keek naar zijn handen. Er zat een klein litteken bij de duim, oud en wit. Als kind had ze gedacht dat al zijn littekens van de wasserij kwamen. Sommige waren van het snoeien, een van het openen van een fles, één misschien van iets wat hij nooit had verteld. Nu leek ieder litteken een bewijs dat hij zichzelf te vaak onmisbaar had gemaakt. ‘Ik wist dat het niet in orde was,’ zei hij. ‘Ik dacht dat ze het later zouden doen. En ik vond het fijn dat ze me kwamen halen.’ De laatste zin was bijna onverstaanbaar. Mien keek weg naar het raam. Beneden werd een deur dichtgeslagen. Ze was hem dankbaar dat hij het gezegd had en schaamde zich meteen voor die dankbaarheid, alsof zijn vernedering haar eigen verklaring gemakkelijker maakte. Toen Koster haar ondervroeg, vertelde ze over het blauwe schrift, de foute omschrijvingen en de uren die zij had afgerond. Ze gaf haar afzonderlijke lijst met correcties af. Bij de waarschuwing van haar vader zei ze dat ze donderdag niet alles had verteld. ‘U hebt toen gezegd dat er af en toe iets werd afgesteld,’ zei Koster. ‘Ja.’ ‘Waarom niet over deze brief?’ Ze antwoordde dat ze haar vader erbuiten had willen houden. De inspecteur schreef het op. Hij maakte het niet vriendelijker door te zeggen dat dat begrijpelijk was. Mien merkte hoe graag ze dat toch had willen horen. ‘Heeft iemand u gevraagd informatie achter te houden?’ Ze beschreef Pauls verzoek om eerst de administratie uit te leggen. Ze vertelde dat hij de brief aan haar vader had teruggegeven. Ze zei ook dat niemand haar de woorden van donderdag in de mond had gelegd. Koster las haar aantekeningen en vroeg naar de verschillen tussen wat zij zelf had gezien en wat anderen hadden verteld. Bij een paar zinnen moest Mien toegeven dat ze dat door elkaar had laten lopen. Samen zetten ze er namen bij. Het vel werd minder overtuigend wanneer je er vluchtig naar keek: overal stonden nu beperkingen en toevoegingen. Ze kon er beter naar kijken toen het klaar was. Haar vader moest in de gang wachten terwijl haar verklaring werd afgerond. Toen Mien bij hem kwam, zat hij op het uiteinde van een bankje naast een jongen die een broodje at. Hij keek op en vroeg of ze klaar was. Ze knikte. Hij stond langzaam op. Beneden wilde hij niet meteen naar de tram. Ze liepen naar de gracht, waar een paard met zijn neus bij een emmer stond. Gerrit bleef naar het dier kijken. Zijn handen waren leeg; het onderdeel en de doek lagen nu bij Koster. ‘Hij gaf geen antwoord,’ zei hij. ‘Waarop?’ ‘Of het door mij kwam.’ ‘Dat weet hij nog niet.’ Gerrit knikte. Hij had de vraag niet hardop gesteld, voor zover Mien had gehoord. Toch begreep ze dat hij de hele ochtend op dat antwoord had gewacht. Ze kochten bij een kraam twee kleine broodjes. Haar vader betaalde van het geld dat hij nog in zijn portemonnee had. Mien liet hem. Ze aten staand, omdat de bank nat was. Toen hij kruimels van zijn jas veegde, zag ze dat er één tussen zijn overhemd en zijn hals was blijven zitten. Ze wees erop. Hij haalde hem weg en glimlachte even. Thuis lag er een briefje van Dina onder de deur. Ze wilde Mien spreken. Mien vond haar bij de pomp achter de huizen, waar ze met twee emmers wachtte tot een buurvrouw klaar was. ‘Heb je mijn naam gegeven?’ vroeg Dina. ‘Ja. Omdat je er werkte.’ ‘Mijn man is kwaad.’ ‘Waarom?’ ‘Omdat hij denkt dat ik straks nergens meer kom. En omdat hij zegt dat jij wel ergens achter een bureau terechtkunt.’ Mien pakte een van de emmers toen hij vol was. Dina liet het toe. Ze liepen naar haar huis zonder verder te praten. Bij de deur zei Dina dat ze niet wilde liegen, maar ook niet alles kwijt wilde. ‘Dat kan ik je niet beloven,’ zei Mien. ‘Je kunt me helemaal niks beloven.’ Het was waar. Mien zette de emmer op de stenen vloer. Ze wilde uitleggen dat de bank al vóór het ongeval twijfelde, dat de ondergang van de wasserij niet van één verklaring afhing. Ze deed het niet. Dina wist wat een lege loonzak was. Ze had geen behoefte aan Miens keurige verdeling van oorzaken. ‘Als ze me iets vragen, zal ik zeggen hoe het was,’ zei Dina uiteindelijk. ‘Maar ik doe het niet voor jou.’ Mien knikte en ging naar huis. Ze liep zonder een van de grote zinnen die ze zich voor deze dag had voorgesteld. Haar vader zat aan tafel en probeerde de klok open te maken. De wijzers waren stilgevallen. Toen hij haar zag, legde hij het gereedschap neer. ‘Morgen,’ zei hij. ‘Hij heeft geen haast.’ Hoofdstuk 12 — De kleine poort Maandagochtend was de grote poort gesloten. Alleen het smalle deurtje ernaast stond open. De vrouwen kwamen één voor één binnen en bleven daarna in een groepje op de binnenplaats staan, alsof ieder afzonderlijk had kunnen aannemen dat zij te vroeg was, maar samen moesten ze wel gelijk hebben. Mien was voor hen gekomen. Op haar lessenaar lag geen brief. Ze had de kas opgemaakt, de afschriften klaargelegd en haar eigen spullen in een kleine kartonnen doos gedaan. Niet omdat haar al iets verteld was, maar omdat ze niet op het juiste ogenblik met een kopje en een oude sjaal in haar armen wilde staan. De oude mangel mocht niet in gebruik. Er moest eerst behoorlijk naar de gebreken worden gekeken. In de overige ruimten kon nog werk worden gedaan, maar veel goed kwam uiteindelijk langs die ene machine. De reparatie zou geld kosten, het uitbesteden ook. Cornelis had de mensen uit Broekstad laten komen. Twee mannen liepen met Paul door het gebouw. Een van hen tikte met zijn potlood tegen hout en metaal. Hij vroeg hoeveel klanten er nog waren, hoeveel van het beddengoed iedere week terugkwam en welke karren bij de zaak hoorden. Hij keek nergens naar de vrouwen. De ander groette hen allemaal en vroeg daarna precies dezelfde dingen. Om tien uur riep Cornelis iedereen bijeen in de vouwruimte. Hij stond bij de plaats waar de kisten van De Kroon hadden gestaan. Achter hem hing de klok te hoog om de minuten goed te kunnen lezen. Hij vertelde dat er minder werk zou zijn, dat een deel van de klanten naar Broekstad ging en dat de komende weken gebruikt werden om uitstaande partijen af te maken en de administratie af te wikkelen. Voor een paar mensen was mogelijk plaats bij het andere bedrijf. Hij zei niet welke mensen. Truus vroeg het meteen. ‘Dat wordt nog bekeken.’ ‘Wanneer?’ ‘Zo spoedig mogelijk.’ Antje stond met haar armen over elkaar. Bram keek naar de grond. Dina hield haar tas zo stevig vast dat het leer kraakte. Mien voelde hoe verschillende ogen naar haar toe gingen en weer terug. Ze wist niet hoeveel van die blikken echt iets betekenden en hoeveel ze zelf invulde. ‘De achterstallige lonen blijven op de lijst staan,’ zei ze. Cornelis draaide zich naar haar om. Hij had haar niet gevraagd te spreken. Zij had het van tevoren ook niet besloten. ‘Dat spreekt vanzelf,’ zei hij. ‘Voor iedereen die hier gewerkt heeft.’ Paul stak zijn hand op, een klein gebaar alsof hij een glas wilde tegenhouden dat naar de rand van de tafel schoof. Cornelis zei dat zij daar later op terugkwamen. De bijeenkomst was daarmee afgelopen, hoewel niemand zich geholpen voelde. In de gang werd gepraat. Truus zei dat ze de namen wilde van de mensen die naar Broekstad konden. Dina vroeg of de tram vergoed werd en kreeg van niemand antwoord. Elisabeth van Oort trok haar mantel aan en zei dat ze thuis nog genoeg werk had. Het was een zin die Mien haar nooit eerder had horen gebruiken. Antje kwam naar de lessenaar. ‘Ik ben morgen weg,’ zei ze. ‘Naar Broekstad?’ ‘Voorlopig kijken. Ze hebben iemand nodig die kan strijken.’ Mien knikte. Antje legde de sleutel van de voorraadkast neer. ‘Ik heb Koster gesproken.’ ‘Wat heb je gezegd?’ ‘Wat ik weet. Je hoeft het niet na te rekenen.’ Mien keek op. Antje glimlachte niet, maar haar gezicht was minder gesloten dan in haar keuken. ‘Ik heb ook gezegd dat ik niet weet wanneer ik riep. Voor of erna. Dat wilde je toch?’ ‘Dat je zei wat je wist.’ ‘Nou, dat was het.’ Ze vertrok zonder haar hand uit te steken. Later zou Mien zich afvragen of ze dat zelf had moeten doen. Kort voor de middag werd zij in het kantoor geroepen. Paul zat aan de schrijftafel, zijn vader bij het raam. Er stond een derde stoel klaar. Op de zitting lag een vel, dat Paul snel wegnam toen Mien binnenkwam. Ze mocht tot het einde van de maand blijven om de administratie over te dragen. Daarna was er geen plaats meer. Het andere bedrijf nam een eigen kantoorbediende mee. Cornelis zei dat het niets te maken had met haar verklaringen. Mien vroeg niet of hij dat zelf geloofde. Het kon tegelijk zakelijk verklaarbaar en aangenaam voor hem zijn. ‘Ik zal een getuigschrift schrijven,’ zei Paul. ‘Wat komt daarin te staan?’ Hij keek naar haar. ‘Dat je je werk zorgvuldig doet.’ ‘Dan moet erbij dat ik ook fouten heb gemaakt.’ ‘Mien.’ Ze hoorde vermoeidheid in zijn stem en begreep dat ze hem nu iets onmogelijks vroeg. Een getuigschrift was geen volledige levensbeschrijving. Ze zei dat ze het wel wilde lezen voordat het meeging. Op de terugweg naar haar lessenaar zag ze haar kartonnen doos staan. Hij leek ineens overdreven. Ze had nog weken werk. Ze pakte het kopje eruit en zette het terug op de gewone plaats. Die middag kwam Saar met Arie. Ze had haar jas over haar schouders en liep langzaam, omdat iedere stoot tegen haar arm pijn deed. Ben was bij zijn grootmoeder. Arie ging naar Cornelis; Saar bleef aan het loket staan waar ze een week eerder haar geld had nageteld. Mien kwam naar de andere kant. ‘Je had niet hoeven komen.’ ‘Ik wilde zien of het er nog stond.’ ‘De machine?’ Saar knikte. Ze liepen samen naar de zaal. Het doek was eraf gehaald voor het onderzoek. De mangel stond stil en bloot in het bleke licht. Er lagen krijtstrepen op de vloer. Saar bleef op een paar meter afstand staan. ‘Zo groot is hij eigenlijk niet,’ zei ze. Mien antwoordde niet. In de stilte hoorde ze het verkeer op straat, een geluid dat vroeger in deze ruimte nooit had bestaan. Arie kwam hen zoeken. Hij had een envelop in zijn hand en een boos gezicht. Cornelis wilde voorlopig betalen, maar een regeling voor later was er nog niet. Er moesten papieren bekeken worden, mensen geraadpleegd. Saar luisterde en vroeg of de envelop voor haar was. Arie gaf hem aan haar. Ze stak hem met haar goede hand in haar mantelzak. Bij de poort draaide ze zich om naar Mien. ‘Er komt een brief van die inspecteur. Ik wil zelf antwoorden. Maar als het niet lukt, kom ik naar u.’ ‘Dat is goed.’ ‘Niet dat u dan schrijft wat u denkt dat ik bedoel.’ ‘Dan schrijf ik wat je zegt.’ Saar keek haar nog even aan, alsof zij wilde beoordelen of dit verschil echt genoeg was. Daarna ging ze met Arie door de kleine poort. Mien bleef staan tot ze de hoek om waren, en keerde terug om de loonzakjes voor de volgende vrijdag alvast te schrijven. Hoofdstuk 13 — De achterkamer In de eerste week van december kreeg Mien werk bij de kolenhandelaar. Drie ochtenden, voorlopig. Zijn vrouw deed gewoonlijk de boeken, maar was na een val niet goed in staat om de trap naar het kantoor te nemen. Mien moest achterstallige rekeningen ordenen, de gewichten van de vrachten vergelijken en klanten schrijven die al drie herinneringen hadden gekregen. ‘U weet hoe het gaat,’ zei de kolenhandelaar. Hij heette Vink en had een rode sjaal die hij ook binnen omhield. Hij zag haar naar de woorden derde herinnering kijken en grijnsde. ‘Bij Rademaker laat u het maar aan mij over.’ Mien werkte aan een tafel die te laag was. Haar knieën pasten er niet goed onder, zodat ze schuin op de stoel zat. Na de tweede ochtend vroeg ze om twee blokken hout. Vink keek alsof ze om nieuw meubilair vroeg. De volgende dag stonden de blokken er. Ze tilde de tafel samen met zijn knecht op en kon daarna recht zitten. Haar vader vroeg elke middag wat ze gedaan had. In het begin gaf ze uitvoerige antwoorden, omdat hij zich anders teleurgesteld toonde. Na een week zei ze dat ze rekeningen had geschreven en dat dat het was. Hij knikte. Het was een opluchting dat hij er geen verhaal van maakte. Zijn bedrag van de wasserij kwam niet meer. Mien had de huishoudlijst opnieuw gemaakt. Het vlees verdween eerst, daarna het kleine bedrag dat ze opzijzette voor kolen voor zichzelf. Vink stond toe dat ze brandstof per week betaalde, wat zij gemakkelijker aannam nu ze er werkte. Er waren dagen waarop ze vond dat ze daarmee precies geworden was wat ze anderen had verweten: iemand die afhankelijkheid netjes in een boekje zette en er een andere naam aan gaf. Dan stond ze vroeg op, trok haar mantel aan en ging toch. De wasserij werkte nog op beperkte schaal. De meeste klanten waren overgegaan naar Broekstad. Het sorteren en bezorgen gebeurde voor een deel vanuit het oude gebouw. Bram was gebleven om de installaties buiten gebruik te stellen en de kar te onderhouden. De oude mangel zou worden afgevoerd zodra er een koper voor het metaal was. Cornelis kwam nog dagelijks, maar zat vaak in zijn kantoor zonder iets te doen dat Mien kon benoemen. Zij kwam er tweemaal om bedragen na te kijken en eenmaal om haar laatste spullen op te halen. Het kopje was door iemand in een kast gezet. Op de bodem lag een verdroogde laag thee. Ze nam het mee, waste het thuis uit en vond het daarna lelijker dan ze zich herinnerde. Antje werkte inmiddels vier dagen in Broekstad. Ze kwam zo laat thuis dat haar man de aardappels moest opzetten. Ze vertelde het aan Mien alsof het een schandaal was en lachte toen Mien vroeg of hij ze dik schilde. Antje zag er moe uit. De reis kostte geld en bij het nieuwe bedrijf moest ze opnieuw bewijzen wat ze al twintig jaar kon. Truus had nog geen vaste plaats. Dina deed schoonmaakwerk en was beleefd wanneer zij Mien op straat tegenkwam. Meer niet. Elisabeth van Oort stuurde een kaart met een vraag over het resterende loon. Haar handschrift was steviger dan Mien had verwacht. Op een donderdag kwam Saar bij hen thuis. Ze had een brief bij zich en een tas met kousen. Ben liep naast haar en weigerde binnen zijn muts af te doen. Gerrit gaf hem een lepel en een lege sigarenkist. Ben keek wantrouwig naar het aanbod en begon toen een ritme te tikken op de vloer. Mien las de brief voor. Er werd gevraagd of Saar een eerder gegeven verklaring wilde aanvullen en of zij nog wist wie haar op de avond van het ongeval opdracht had gegeven om door te werken. Saar onderbrak haar halverwege. ‘Daar staat het weer alsof er één man met zijn vinger naar mij wees.’ Mien legde het vel neer. Ze vroeg Saar te vertellen hoe het was gegaan. Saar beschreef de stapel, Antjes woorden, Miens aanbod om over te nemen en Arie bij de poort. Bij een paar dingen moest ze nadenken. Ze wilde niet opschrijven dat ze bang was geweest voor de machine, want ze was die avond niet bang geweest. Ze was moe geweest en kwaad omdat ze naar huis wilde. Mien schreef die woorden op. Gerrit luisterde vanaf zijn stoel. Toen Saar klaar was, zei hij dat het hem speet. Hij zei geen naam, zodat even onduidelijk was wie hij bedoelde. Saar keek naar hem. ‘Omdat u eraan hebt gewerkt?’ Hij knikte. ‘Dat kan ik niet beoordelen,’ zei ze. ‘Dat moeten die mensen doen die het begrijpen.’ Het was geen vergeving. Mien zag dat haar vader het toch als een kleine verlichting ontving. Hij boog zich naar Ben en hielp hem de kist dicht te maken. Het kind had zijn muts nog op. Saar haalde de kousen uit haar tas. Ze had geprobeerd ze met haar linkerhand te stoppen, maar de steken werden te groot. Sommige gaten waren met een bobbel dichtgezet die in een schoen zou drukken. ‘Ik moet iets kunnen doen,’ zei ze. Mien streek met haar vingers over het werk. Ze wilde niet zeggen dat het al aardig ging. Het ging niet aardig. Het kostte Saar veel tijd en leverde weinig op. Ze vroeg hoeveel kousen er nog lagen. Saar noemde een aantal en daarna een bedrag waarvoor ze ze had aangenomen. ‘Daar kun je het niet voor doen.’ ‘Dan heb ik helemaal niks.’ ‘Als je er langer over doet, heb je nog steeds bijna niks en ook geen tijd meer.’ Saar trok de kousen naar zich toe. Mien hoorde zichzelf spreken met de toon waarmee Antje ooit over te langzaam werken had gepraat. ‘Ik bedoel,’ begon ze. ‘Ik weet wat u bedoelt.’ Er viel een stilte waarin Ben zo hard met de lepel op de kist sloeg dat Gerrit hem voorzichtig de lepel afnam. Het kind begon te huilen. Saar sloot haar ogen. Mien haalde brood en appelstroop en liet hen eten voordat ze de brief verder afmaakte. Pas bij het vertrek vertelde Saar dat mevrouw Wilmer iemand zocht om gescheurde naden van hotelgoed te herstellen. Ze had gevraagd of Saar iemand wist. Zelf kon ze het niet, maar Truus misschien. De directrice wilde per stuk betalen. Saar wist niet of het genoeg was. ‘Dat kunnen we uitrekenen,’ zei Mien. Saar keek haar aan. ‘Nu wel?’ ‘Nu beter.’ Een week later lagen er zes beschadigde slopen op Miens tafel. Truus zat bij het raam, een naaimachine op een plank voor zich. Ze had hem van haar zuster geleend en wilde hem vóór zondag terugbrengen. De slopen waren dun bij de sluiting, maar de rest van de stof kon nog mee. Truus herstelde de eerste terwijl Mien op de klok keek. Saar, met haar arm in een draagdoek, sorteerde de overige stukken naar het soort schade. Gerrit en Ben waren naar de bakker gegaan. Ze maakten vijf slopen af. De zesde wees Truus af. ‘Hier zet ik een nieuwe rand aan en dan scheurt hij ernaast. Daar heeft niemand wat aan.’ Mien schreef het op. Ze rekenden garen, tijd en de slijtage van de geleende machine mee. De prijs werd hoger dan mevrouw Wilmer had voorgesteld. Saar zei dat ze het zelf ging uitleggen. ‘U gaat anders weer beleefd doen,’ zei ze tegen Mien. De directrice accepteerde de prijs voor een proefpartij, niet voor al het goed. Er kwam genoeg werk voor twee middagen per week. Geen van hen kon ervan leven. Truus hield haar schoonmaakadres, Mien bleef bij Vink en Saar bleef afhankelijk van de betalingen die Rademaker voorlopig deed. Toch ontstond er een ritme: op dinsdag kwam de mand, op donderdag gingen de herstelde stukken terug. Saar hield de aantallen bij en bracht ze met Arie weg wanneer hij geen schilderwerk had. Gerrit mopperde dat de keuken geen werkplaats was. Hij zei het het hardst op de middagen dat hij zelf voor de levering het raam zeemde. Ben kreeg een hoek met de sigarenkist. De lepel was vervangen door een houten klos, die minder lawaai maakte maar nog steeds lawaai genoeg. Mien merkte dat zij op die middagen vaak wachtte tot iedereen weg was voordat ze durfde te denken dat het prettig was. Ze wilde niet van Saars arm een aanleiding maken voor iets goeds. De arm deed nog pijn. Arie kwam soms binnen met een gezicht waarop de hele dag zoeken naar werk te lezen stond. Dina groette nog steeds kort. Er was niets rechtgetrokken wat je in één zin kon aanwijzen. Maar er lag werk op tafel, er stonden namen bij en wie zei dat een stuk langer had geduurd, werd niet meteen tegengesproken. Op de laatste donderdag voor Kerstmis was Truus eerder weg. Saar bleef om de aantallen te vergelijken. Mien pakte het kleine blauwe schrift dat ze voor het herstelwerk had gekocht. Ze had eerst een andere kleur willen nemen, vond dat toen een bijgelovige gedachte en had het goedkoopste gekocht. ‘Wie schrijft er?’ vroeg ze. Saar legde haar linkerhand op het boek. ‘Ik probeer het.’ Ze schreef langzaam, met grote letters die over de regel gingen. Bij een cijfer haalde ze uit en raakte de inktpot. Mien ving hem op voordat hij omviel. Ze zeiden allebei niets over hoe dicht het was geweest. Hoofdstuk 14 — De naam aan de binnenkant De brief van Cornelis Rademaker kwam op de zaterdag voor Kerstmis. Hij had hem niet aan Mien gestuurd, maar aan Saar. Zij bracht hem dezelfde middag mee en legde hem dichtgevouwen op tafel. Ben had een papieren ster gekregen van zijn grootmoeder en hield hem de hele weg met twee handen boven zijn hoofd, zodat de punten niet zouden knikken. ‘Wilt u kijken of er staat wat we afgesproken hebben?’ vroeg Saar. Mien schoof de herstelde slopen opzij. Truus was er die dag niet. De naaimachine stond onder een doek, de laatste mand van het hotel was leeg. Haar vader zat bij de kachel en las een krant die nu wel van die dag was; hij had hem van Vink gekregen. De brief was in Pauls handschrift gesteld, maar zijn vader had ondertekend. Er stond dat Saar in de weken vóór het ongeval op verzoek van de wasserij in het gebouw had gewerkt en daarvoor was betaald. De verkeerde omschrijvingen in de administratie werden genoemd. Er stond ook welk bedrag aan achterstallig loon nog open was en hoe men dat in delen wilde betalen. Voor de komende maanden was een afzonderlijk bedrag afgesproken, waarna de situatie opnieuw besproken zou worden. De brief beweerde niet dat zij daarmee overal genoegen mee had genomen. Mien las iedere regel. Ze las ook de lege ruimte onder de handtekening, alsof daar nog iets kon staan dat haar ontging. ‘Ja,’ zei ze. ‘Dit is wat er besproken is.’ ‘Arie vindt het te weinig.’ ‘Het is ook niet veel.’ ‘Hij vindt dat ik niet moet tekenen.’ ‘Je hoeft alleen voor ontvangst te tekenen, als je dat doet. Maar lees het zelf nog eens. En vraag het na als je iets niet vertrouwt.’ Saar knikte. Mien had haar in de afgelopen weken geholpen om vragen aan de juiste mensen te stellen; ze had geleerd hoe weinig zij zelf wist zodra een bedrag geen gewone loonbetaling meer was. Over de aanspraak op schadeloosstelling volgens de Ongevallenwet besliste de Rijksverzekeringsbank, niet Rademaker. Zijn brief ging over het achterstallige loon en de voorlopige betalingen van de wasserij. Er was nog onderzoek naar de gang van zaken in het bedrijf. De brief maakte dat onderzoek niet ongedaan, evenmin als hij Saars hand beter maakte. Wel stond er nu op papier dat zij gewerkt had. Niemand kon haar aanwezigheid nog afdoen als een ongelukkig bezoek na werktijd. Saar vouwde de brief op en stak hem in een envelop die ze zelf had meegenomen. Ben zette de ster op tafel. Eén punt was toch geknikt. Hij wees ernaar en zei dat zijn vader hem kon maken. ‘Dat kan,’ zei Saar. Mien pakte een smalle strook papier om de punt te verstevigen, maar Saar legde haar hand op de tafel. ‘Laat Arie dat maar doen.’ Mien legde de strook terug. Ze schonk thee in en vroeg of Saar een stuk brood wilde. Ben wilde alleen stroop. Gerrit zei dat hij dan eerst moest raden wat er in de sigarenkist zat. Het bleek een nieuw achterwiel voor zijn houten autootje te zijn, grof gemaakt en veel groter dan het oude. Ben vond het prachtig. Toen ze vertrokken waren, ging Mien naar boven. In de kast lagen de twee lakens die zij als meisje had geborduurd. Ze haalde ze uit de stapel. De vouwen waren geel geworden, de stof rook naar hout en stilstand. In een hoek stond haar M, in rood garen, klein en onregelmatig. Haar moeder had het werk niet meer gezien. Ze had het aan haar tante laten zien, die de achterkant had bekeken en had gezegd dat ze de draad beter moest afhechten. Mien legde de lakens over haar arm en nam ze mee naar beneden. ‘Voor wie zijn die?’ vroeg haar vader. ‘Voor mijn bed.’ Hij keek op van de krant. ‘Dat mag ook weleens.’ Ze wilde ze maandag wassen. Het was een kleine beslissing, maar ze merkte dat ze daarna gemakkelijker aan iets anders kon denken. Aan de rekening van Vink, aan het werk dat zij na Nieuwjaar zou moeten zoeken als zijn vrouw weer boven kon komen. Aan de mogelijkheid om de achterkamer een middag extra te gebruiken, als er voldoende herstelwerk kwam en als Truus een eigen machine kon lenen of huren. Ze schreef niets daarvan als zekerheid op. Op maandag kwam Paul langs. Hij stond voor de deur met Miens getuigschrift en een klein pakje waarin haar oude liniaal zat. Ze was hem bij de overdracht vergeten. Hij vroeg of hij even binnen mocht. Haar vader was bij de buren, en Mien aarzelde voordat zij opzijging. Paul keek naar de naaimachine, de manden en de lijst die met een speld aan de kastdeur hing. Er stond HERSTELWERK boven, in Saars grote linkerhandletters. Daaronder stonden de namen en de afgesproken bedragen. ‘Je bent begonnen,’ zei hij. ‘We doen een paar partijen.’ ‘Ik hoor goede dingen.’ ‘Van wie?’ Hij glimlachte moe. ‘Van mevrouw Wilmer. Zij houdt haar oordeel zelden voor zich.’ Mien zette geen thee. Ze wist niet of dat onbeleefd was en besloot het zo te laten. Paul gaf haar het getuigschrift. Het vermeldde de jaren die zij in het bedrijf had gewerkt, haar nauwkeurigheid bij het ordenen van de administratie en haar vermogen om zelfstandig werkzaamheden te verrichten. Ze las het zonder meteen naar verborgen verwijten te zoeken. ‘Dank je,’ zei ze. Hij ging op de rand van de stoel zitten. De liniaal lag nog tussen hen in. ‘Vader wilde eerst een andere brief aan Saar,’ zei hij. ‘Dat weet ik.’ ‘Ik ook.’ Mien keek naar hem. Hij hield zijn handen tussen zijn knieën, als een jongen die op een antwoord wachtte. Ze herinnerde zich zijn zakmes, de onafgemaakte P in de oude deurpost. Hij was niet die jongen, evenmin als zij nog het meisje was dat hem had uitgelachen. Toch was er iets van toen blijven staan in hun gesprekken: hij verwachtte dat zij een fout kon aanwijzen zonder dat zij daardoor ophield aan zijn kant te staan. ‘Waarom heb je het veranderd?’ vroeg ze. ‘Omdat ik de andere versie niet meer kon lezen zonder te weten wat er niet in stond.’ Ze knikte. Het was meer dan hij vroeger gezegd zou hebben. Het was niet alles wat zij misschien had willen horen. Hij vertelde dat hij na de afwikkeling naar Rotterdam terugging. Er was een kleine betrekking bij een handelsfirma. Hij moest beneden beginnen, zei hij, en trok een gezicht alsof dat tegelijk beledigend en aangenaam was. Mien vroeg niet wat er met zijn vader gebeurde. Na een tijdje vertelde hij het zelf: Cornelis zou voorlopig in het woonhuis naast de wasserij blijven. De nieuwe onderneming huurde een deel van het terrein. Er was nog genoeg te regelen om hem dagelijks bezig te houden, al noemde hij dat zelf geen werk. ‘Zeg je vader dat ik hem groet,’ zei Paul bij de deur. ‘Dat zal ik doen.’ ‘Hij is altijd welkom.’ Mien antwoordde niet meteen. Paul zag het en knikte, alsof hij begreep dat welkom voortaan iets anders moest betekenen dan beschikbaar. Toen hij weg was, legde ze het getuigschrift in de la. De oude liniaal kwam op tafel, naast de schaar. De middagzon viel een paar minuten op het hout en liet de kleine inkepingen zien die de jaren eraan hadden gemaakt. In de eerste week van 1933 kwam de eerste nieuwe klant zonder dat iemand hem had gestuurd. Het was een vrouw van de overkant van het kanaal, met een stapel kinderschorten en een gescheurde kussensloop. Ze had gehoord dat er hersteld werd. Saar nam het goed aan. Truus zat bij de machine en vroeg haar de schade eerst te laten zien. Mien had die ochtend bij Vink gewerkt en kwam binnen terwijl zij samen de prijs bespraken. De vrouw wees op de kussensloop. In de hoek stonden twee initialen die niet bij haar naam hoorden. ‘Die waren van mijn moeder,’ zei ze. ‘Als u de rand vervangt, blijven die dan zitten?’ Truus spreidde de stof uit en keek ernaar. Het was haalbaar, maar het zou iets meer tijd kosten. Saar schreef het erbij. De vrouw stemde in, telde het voorschot af en trok haar handschoenen aan. Toen ze weg was, controleerde Mien de regel. Er stonden een naam, een aantal stukken, een prijs en een datum. Er was één vraagteken blijven staan bij de kleur van het nieuwe band. ‘Dat vraag ik als ze terugkomt,’ zei Saar. Mien knikte en hing haar mantel op. Haar vader bracht de thee binnen, met drie kopjes op een plank. Hij hield hem met twee handen vast. Ben liep achter hem aan en droeg de suikerpot alsof hij glas vervoerde dat bij iedere stap kon breken. Aan het einde van de middag maakte Mien het geld op. Ze telde Saars deel uit en schoof het over tafel. Saar telde het na, opnieuw, ook al had zij naast Mien gezeten. Er was een cent te veel. ‘Deze is van jullie,’ zei ze. Mien nam de cent terug. Saar trok het schrift naar zich toe en zette haar naam onder het ontvangen bedrag. De letters waren nog groot en de n zakte onder de regel. Ze wachtte tot de inkt droog was voordat ze de bladzijde omsloeg. Truus had intussen de nieuwe rand aan de kussensloop gespeld. Zij hield het werk omhoog, zodat het licht door de dun geworden stof viel. De initialen van de dode moeder zaten nog in de hoek. Onder het speldenkussen lag het briefje met de naam van de vrouw die het maandag weer kwam halen. ‘Geef me dat eens aan,’ zei Truus. Mien pakte de andere kant van het linnen.